Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:359

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-03-2017
Datum publicatie
23-05-2017
Zaaknummer
16/01744
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:944, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen van doodslag. Falende klachten over 1. afwijking van uos m.b.t. betrouwbaarheid van verklaringen (art. 359.2 Sv), 2. unus testis (art. 342.2 Sv), 3. bewijs van medeplegen en 4. afwijking van uos inhoudende dat verdachte niet als medepleger kan worden aangemerkt omdat hij bewust over het slachtoffer heen heeft geschoten. Samenhang met 16/01659.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01744

Mr. Machielse

Zitting 28 maart 2017 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte] 1

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 21 maart 2016 voor 1: medeplegen van doodslag, en 2: medeplegen van doodslag, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaar. Voorts heeft het hof de vorderingen van benadeelde partijen toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd zoals in het arrest omschreven.

2. Mr. N. Bertrand, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld en een cassatieschriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie. De eerste twee middelen komen op tegen de veroordeling voor feit 1, het derde middel tegen de veroordeling voor feit 2.

3. Het hof heeft bewezen verklaard dat

"1: hij op 20 december 2011 te Landsmeer, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet, met een vuurwapen een kogel geschoten door het hoofd van [slachtoffer 1], ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2: hij op 20 december 2011 te Purmerland, gemeente Landsmeer, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet,

- met een vuurwapen kogels geschoten in het hoofd van [slachtoffer 2], en

- met een vuurwapen kogels geschoten in het hoofd van [slachtoffer 3],

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn overleden."

4. De achtergrond van deze zaak is, zo is uit het vonnis van de rechtbank op te maken, een geschil over een schuld van [medeverdachte] in verband met een inbeslaggenomen partij hennepplanten en met het oprollen van een hennepplantage. [slachtoffer 1] spreekt [medeverdachte] op die schuld aan en bedreigt en mishandelt hem. Dit komt aan [betrokkene 1], een compagnon van [medeverdachte] in de hennepteelt, ter ore en [betrokkene 1] organiseert bescherming voor [medeverdachte]. Onder meer verdachte wordt daarbij ingeschakeld. Op 20 december 2011 wordt [medeverdachte] weer door [slachtoffer 1] ontboden. [betrokkene 1] regelt dan dat [betrokkene 4], [betrokkene 3] en verdachte [medeverdachte] in de gaten houden.

5.1. Het eerste middel formuleert als centrale vraag of verdachte inderdaad gewapend is uitgestapt uit de Renault Mégane op de Kanaaldijk of niet. De stelling die in het eerste middel wordt geformuleerd is dat het bewijs voor verdachtes betrokkenheid bij feit 1 alleen maar berust op verklaringen van [medeverdachte] en dat er geen bewijs is dat deze verklaringen ondersteunt.

5.2. Vaststaat dat [slachtoffer 1] op 20 december 2011 is doodgeschoten te Landsmeer, nadat de auto die [medeverdachte] bestuurde en waarin [slachtoffer 1] zich als passagier bevond, op de Kanaaldijk door de Renault Mégane, bestuurd door [betrokkene 4] en met als passagiers [betrokkene 3], die voorin was gezeten en verdachte, die achterin de auto zat, is klem gereden.

5.3. Wanneer in cassatie wordt geklaagd over schending van het tweede lid van artikel 342 Sv overweegt de Hoge Raad tegenwoordig doorgaans het volgende:

"Volgens het tweede lid van art. 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd (vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515)." 2

De arresten die de Hoge Raad op 30 juni 2009 wees (NJ 2009, 496 en 497 m.nt. Borgers) zouden kunnen doen vermoeden dat de Hoge Raad de teugels voor het tweede lid van artikel 342 Sv wat aantrok. Maar sindsdien gewezen arresten maken duidelijk dat er geen sprake is van een abrupte wending van de koers.3 Daderschap van verdachte kan nog steeds worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige, mits de door die ene getuige gereleveerde feiten en omstandigheden niet op zichzelf staan en steun vinden in ander bewijsmateriaal.4

5.4. Het gaat in het kader van het tweede lid van artikel 342 Sv om gevallen waarin verdachte het tenlastegelegde heeft ontkend of heeft gezwegen, waarin sprake is van een belastende aangifte of verklaring en waarin de vraag rijst of er aanvullend bewijs is dat op een of andere manier aansluit bij die verklaring of aangifte, zonder rechtstreeks betrekking te hebben op het daderschap zelve. Ik geef een aantal voorbeelden waarin de Hoge Raad oordeelde dat aan de eisen van het tweede lid van artikel 342 Sv was voldaan. Voor de overzichtelijkheid deel ik deze voorbeelden in al naargelang de aard van de ondersteuning die het overige bewijsmateriaal aan de verklaring van de getuige kan bieden. Deze indeling is betrekkelijk willekeurig en slechts indicatief en provisorisch.

a. Het bewijs van mishandeling van verdachtes zwangere partner, bestaande uit de aangifte en de waarneming van een buurman dat zijn zwangere buurvrouw huilend, verkrampt en met haar handen op haar buik aan de voordeur stond, was volgens HR 22 april 2014, NJ 2014, 328 m.nt. Rozemond voldoende.

In HR 2 december 2014, NJ 2015, 484 m.nt. Borgers was verdachte veroordeeld voor mishandeling van zijn partner, welke veroordeling berustte op de aangifte en op rapportage over de lichamelijke gevolgen. Ook deze veroordeling bleef in cassatie in stand. In deze beide zaken was voor een veroordeling van verdachte dus voldoende de verklaring van het slachtoffer over het door verdachte uitgeoefende geweld en de constatering door een andere bron van de gevolgen van dat beweerde geweld. De stap van de vaststelling dat in deze zaken de bewijsvoering toereikend was voor een veroordeling, naar het oordeel dat het bewijs van doodslag kan worden aangenomen op grond van de verklaring van een getuige die heeft gezien dat verdachte een ander om het leven heeft gebracht en het aantreffen van het lichaam van die ander lijkt mij niet groot te zijn, zeker niet als forensisch onderzoek tot resultaten komt die aansluiten bij hetgeen de getuige heeft verklaard over bijvoorbeeld de wijze waarop het slachtoffer om het leven is gebracht. In zulke gevallen vindt de verklaring van de getuige directe ondersteuning in de resultaten van nader onderzoek.

b. Maar de relatie tussen het steunbewijs en de verklaring van de getuige kan nog losser zijn. Er zijn gevallen geweest waarin het steunbewijs eveneens geen betrekking had op het daderschap maar nog minder raakvlak had met het delict in kwestie dan in de zojuist besproken zaken, waarin het kenmerkend effect van het strafbaar handelen in ieder geval nog bleek.

In HR 29 juni 2010, NJ 2010, 514 m.nt. Borgers was verdachte veroordeeld voor bedreiging en aanranding van de eerbaarheid in de trein. Er was een aangifte met een beschrijving van de dader als een man in een wit pak die ongevraagd zijn emailadres voor het slachtoffer had opgeschreven, maar aanvullend direct bewijs van het daderschap van verdachte ontbrak. Verdachte had slechts verklaard dat hij op de bewezenverklaarde datum wel met die trein heeft kunnen reizen, dat hij witte pakken heeft en dat hij wel eens een meisje heeft aangesproken in de trein en haar een emailadres heeft gegeven. Het overige bewijs bestond uit een verklaring van de moeder van het slachtoffer over de ontredderde situatie waarin zij haar dochter aantrof. Volgens de Hoge Raad vond het standpunt van de verdediging over het ontbreken van steunbewijs voldoende weerlegging in de bewijsvoering. Het steunbewijs betrof hier dus de verklaring van verdachte waarin deze perifere onderdelen van de aangifte in zekere zin bevestigde, zonder het feit te erkennen.

In HR 9 december 2014, NJ 2015, 485 m.nt. Borgers wees het ondersteunende bewijsmateriaal ook enkel op indirecte wijze op verdachte. Verdachte was veroordeeld voor een telefonische bedreiging van zijn voormalige partner. Deze had aangifte gedaan. Deze aangifte werd ondersteund door een verklaring van haar moeder die zag dat haar dochter ging huilen nadat ze de telefoon had opgenomen. Nadat dat telefoongesprek was afgelopen zei haar dochter dat zij verdachte aan de lijn had gehad. Kort daarop werd er weer gebeld. De dochter nam de telefoon op en werd hysterisch. De moeder hoorde dat verdachte aan de andere kant van de lijn was en lelijke dingen zei. De Hoge Raad oordeelde dat het hof had gemotiveerd dat en waarom er voldoende steunbewijs was voor de belastende aangifte van de bedreiging, in het eerste telefoongesprek door verdachte geuit. Mede gelet op die nadere motivering kon volgens de Hoge Raad niet worden gezegd dat die aangifte onvoldoende steun vond in het overige bewijsmateriaal. Wat de moeder van aangeefster over het tweede telefoongesprek verklaarde en haar waarneming van de reactie van haar dochter tijdens het eerste telefoongesprek leverden dus in onderlinge samenhang voldoende ondersteuning op voor de aangifte van haar dochter.

c. Via een samenhang met een ander strafbaar feit kan het verlangde steunbewijs voor het ene feit ook worden geleverd zelfs als dat steunbewijs niet rept van dat ene feit. De rechtspraak biedt ook daarvan voorbeelden.

In HR 20 december 2016, ECLI:2016:2911 was verdachte veroordeeld voor bedreiging en gewelddadige verkrachting van zijn toenmalige levensgezellin in haar woning. In cassatie klaagde verdachte dat het bewijs voor de bedreiging enkel berustte op verklaringen van het slachtoffer. Het bewijs van de verkrachting berustte op verklaringen van het slachtoffer, op constateringen van het letsel door medici en getuigen, en op de verklaring van verdachte dat hij die nacht in de woning van zijn toenmalige vriendin was. De bewezenverklaring van de bedreiging berustte op verklaringen van het slachtoffer en de verklaring van verdachte dat hij die nacht in de woning van aangeefster was. De Hoge Raad wees erop dat het hof in antwoord op een verweer dat het enige bewijs voor de bedreiging bestond in de verklaringen van het slachtoffer, in aanmerking had genomen dat de bedreiging betrekking had op uitingen van verdachte tijdens de seksuele gedragingen die onder feit 2 waren begrepen. Gelet daarop en op wat de andere bewijsmiddelen inhouden over het door verdachte uitgeoefende geweld en de gevolgen daarvan, welk geweld tevens in verband kan worden gebracht met de bedreigingen, kon volgens de Hoge Raad niet gezegd worden dat het tweede lid van artikel 342 Sv was geschonden. Hier was er dus sprake van een betekenisvolle samenhang tussen enerzijds de verkrachting en anderzijds de bedreigingen. Deze twee misdrijven lagen niet ver uiteen, gelet op de identiteit van tijd en plaats en van dader en slachtoffer. Maar zelfs zonder zo een samenhang of samenval kan het bewijs van het ene delict het bewijs van het andere ondersteunen.

Als twee aangiftes van onderscheiden slachtoffers leiden tot een tenlastelegging van twee vergelijkbare zedendelicten kunnen de verklaringen van het ene slachtoffer de verklaringen van het andere slachtoffer zodanig ondersteunen dat aan de eis van het tweede lid van artikel 342 Sv wordt voldaan.5 Hetzelfde geldt voor de veroordeling voor twee overvallen die op onderdelen een kenmerkende gelijkenis vertonen met andere overvallen waarvan verdachte is herkend, waarbij alle overvallen in dezelfde omgeving hebben plaatsgevonden en in welke omgeving ook verdachte woonachtig is.6

5.5. Deze rechtspraak leert mijns inziens dat als de feiten en omstandigheden die tezamen de inhoud van de verklaring van een getuige vormen geïsoleerd staan, het tweede lid van artikel 342 Sv kan worden aangeroepen. Maar als feiten en omstandigheden van die verklaring steun vinden in ander bewijsmateriaal, ook al is het maar partieel, dan zal de bewezenverklaring toereikend zijn onderbouwd. Het verdient aanbeveling als de feitenrechter aangeeft waarom volgens hem de inhoud van ander bewijsmateriaal voldoende steun biedt aan de verklaring van de getuige. In sommige gevallen is dat wellicht niet eens nodig, meer bepaald niet wanneer het ondersteunend materiaal direct aan het delict is gerelateerd, bijvoorbeeld wanneer een aangifte van mishandeling tegen een aangewezen verdachte gepaard gaat met medische rapportage over de gevolgen daarvan. Maar in andere gevallen zou het goed zijn als de rechter zijn redenering zichtbaar maakt.

5.6. In zijn arrest heeft het hof over feit 1 onder meer het volgende vastgesteld:

"Kanaaldijk

[medeverdachte] heeft verklaard dat na het klemrijden op de Kanaaldijk de verdachte en [betrokkene 3] beiden gewapend uit de Renault zijn gekomen en naar de passagierszijde van zijn auto zijn gelopen, alwaar [slachtoffer 1] uit de auto is gestapt. Het hof ziet geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte] op dit punt. Het hof neemt daarbij in overweging dat [medeverdachte] steeds heeft verklaard dat zowel de persoon op de passagiersstoel, te weten [betrokkene 3], en de persoon achterin de Renault Megane, te weten de verdachte, uit de auto zijn geweest op de Kanaaldijk en zij beiden gewapend waren. Deze verklaring van [medeverdachte] vindt steun in de verklaring van de verdachte inhoudende dat er meerdere vuurwapens in de Renault Megane aanwezig waren. Dat [medeverdachte] op andere punten wisselende verklaringen heeft afgelegd, mogelijk ingegeven vanuit zijn eigen procespositie, doet daar niet aan af."

Het hof heeft niet kunnen vaststellen met welk wapen en door wie [slachtoffer 1] is doodgeschoten.

5.7. Het hof heeft in zijn arrest nog apart overwegingen gewijd aan het medeplegen van feit 1. Deze overwegingen zijn ook voor de beoordeling van het eerste middel relevant:

"Medeplegen

De handelingen van de verdachte op de Kanaaldijk kunnen naar het oordeel van het hof niet los beschouwd worden van de gezamenlijke activiteiten van [betrokkene 3], [betrokkene 4] en de verdachte in de aanloop naar de gebeurtenissen op de Kanaaldijk.

De verdachte bevond zich samen met [betrokkene 3] in een door [betrokkene 4] bestuurde auto. De verdachte heeft verklaard dat het de bedoeling was [medeverdachte] te beschermen, een activiteit die duidt op een mogelijk, dreigend, fysiek gevaar voor [medeverdachte]. De verdachte heeft samen met [betrokkene 3] en [betrokkene 4] enkele uren [medeverdachte] en [slachtoffer 1] geobserveerd bij de KFC in Amsterdam. De verdachte, [betrokkene 3] en [betrokkene 4] achtervolgden [medeverdachte] en [slachtoffer 1] bij het vertrek bij de KFC. Op de Kanaaldijk werden [medeverdachte] en [slachtoffer 1] klemgereden door de door [betrokkene 4] bestuurde auto.

Het hof acht de verklaring van de verdachte inhoudende dat het klemrijden - in opdracht van [betrokkene 3] - voor hem volkomen onverwacht kwam, niet aannemelijk. Het klemrijden kan bezwaarlijk los worden beschouwd van de eerdere urenlange observatie en daarop volgende achtervolging. De verdachte heeft ook geen verklaring afgelegd die een andere duiding zouden kunnen geven aan de observatie en achtervolging.

Het hof beschouwt tegen deze achtergrond dat het klemrijden en het vervolgens gezamenlijk gewapend uitstappen van de verdachte en [betrokkene 3] en op [slachtoffer 1] afgaan, als een uitvoering van een gezamenlijke gewapende actie die op [slachtoffer 1] was gericht. Daarbij heeft het hof overigens niet kunnen vaststellen dat het plan was om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat [betrokkene 3] en de verdachte op de Kanaaldijk zijn uitgestapt en dat zij beiden met een vuurwapen in de hand naar [slachtoffer 1] zijn gelopen, waarna [slachtoffer 1] door één van beiden is doodgeschoten. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte zich hiermee schuldig gemaakt aan het medeplegen van doodslag op [slachtoffer 1]. Dat niet kan worden vastgesteld of het de verdachte of [betrokkene 3] is geweest die het dodelijke schot heeft gelost, staat onder deze omstandigheden aan de bewezenverklaring van het feit niet in de weg."

5.8. In de onderhavige zaak zijn voor de bewezenverklaring van feit 1 uiteraard de verklaringen van [medeverdachte] relevant, naast de rapportage over de doodsoorzaak van [slachtoffer 1]. Maar ook de verklaringen van verdachte zelf. In bewijsmiddel 12 heeft verdachte gezegd dat zij [medeverdachte] observeerden om te kijken of er iets met hem gebeurde. Zij zijn ook de auto van [medeverdachte] gevolgd. En in bewijsmiddel 13 heeft verdachte verklaard dat [betrokkene 3] eerder sprak met [medeverdachte] en [betrokkene 1] en daarna terugkwam naar de auto en zei dat het opruimen niet doorging en dat [medeverdachte] moest worden beschermd. Verdachte en [betrokkene 3] zouden dat samen doen. Zij zijn toen de auto van [medeverdachte] gevolgd en op de Kanaaldijk is die auto de pas afgesneden. Ook wijs ik er op dat verdachte met betrekking tot feit 2 heeft verklaard dat [betrokkene 3] hem had gezegd dat hij moest meehelpen om die andere twee af te maken. Bij het Burgtpad sprong [betrokkene 3] als eerste uit de auto en daarna verdachte.

5.9. Het arrest zou aan overtuigingskracht hebben gewonnen als het hof nog extra aandacht had geschonken aan het verweer dat verdachte op de Kanaaldijk de auto niet heeft verlaten, bijvoorbeeld door evenals de rechtbank op blz. 41 van haar vonnis heeft gedaan erop te wijzen dat zo een gedrag hoogst onwaarschijnlijk is omdat verdachte immers mee was gegaan om [medeverdachte] te beveiligen en dat hij, als er gevaar voor [medeverdachte] zou dreigen, [medeverdachte] meteen zou wegvoeren en in veiligheid zou brengen. Maar de bewijsvoering van het hof is naar mijn mening toereikend. Nog steeds geldt immers dat het bewijs van de betrokkenheid van verdachte bij het bewezene kan berusten op de verklaring van slechts één getuige, als er maar ander bewijsmateriaal is dat steun biedt aan de door de getuige beschreven feiten en omstandigheden die voor het delict relevant zijn. De verklaring van [medeverdachte] wordt ondersteund door de bevinding dat [slachtoffer 1] inderdaad is doodgeschoten en ook door de eigen verklaring van verdachte dat hij samen met [betrokkene 3] [medeverdachte] zou beveiligen en daartoe is meegereden achter de auto van [medeverdachte] aan.

5.10. Het middel voert ook nog aan dat het oordeel van het hof over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte] onvoldoende is onderbouwd. Het hof heeft onvoldoende kritisch deze verklaringen beoordeeld.

5.11. Het hof heeft overwogen dat [medeverdachte] vanaf een bepaald moment steeds consequent over de rol van verdachte op de Kanaaldijk hetzelfde heeft verklaard. Dat brengt het hof ertoe dat onderdeel van de verklaringen van [medeverdachte] als voldoende betrouwbaar en daarom voor het bewijs bruikbaar aan te merken. Ik wijs er op dat harde en betrouwbare criteria voor het meten van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen niet bestaan.7 Zeer goed is denkbaar dat het ene onderdeel van een verklaring wel betrouwbaar is en andere delen weer niet. Dat heeft het hof ook tot uitdrukking gebracht. Inderdaad heeft [medeverdachte] zijn verklaringen gewijzigd, maar aan het hof is het juist opgevallen dat [medeverdachte] gebleven is bij zijn verklaring dat ook verdachte op de Kanaaldijk, nadat de auto waarin [medeverdachte] en [slachtoffer 1] zaten, daar was klemgereden, de rode Renault heeft verlaten. Het argument van de steller van de schriftuur dat zich in de strafrechtspleging het fenomeen voordoet dat de schuld en verantwoordelijkheid bij anderen worden gelegd herken ik. Maar wat aan [medeverdachte] wordt aangewreven is toch niet een neiging die alleen maar aan hem kleeft. Ik kan mij voorstellen dat ook verdachte, die evenmin vanaf het begin openheid van zaken heeft gegeven, behept kan zijn met het door de schriftuur genoemde fenomeen. De vraag is ook maar welk voordeel [medeverdachte] op het oog zou kunnen hebben door in strijd met de waarheid verdachte een belangrijke rol toe te dichten bij het doodschieten van [slachtoffer 1]. [medeverdachte] is bij zijn verklaringen gebleven (bewijsmiddel 9) ook nadat [betrokkene 3] zich bij zijn arrestatie op 11 mei 2012 van het leven had beroofd.

5.12. Het oordeel van de feitenrechter over de betrouwbaarheid van verklaringen van verdachten en getuigen kan slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. De waarderingen en afwegingen die aan dit oordeel ten grondslag liggen zijn immers overwegend van feitelijke aard. Een algemeen toetsingskader dat voor alle verklaringen en in alle zaken van toepassing is bestaat niet.8 Vandaar dat de toetsing in cassatie ook maar beperkt is tot de begrijpelijkheid van het oordeel.9 Het hof heeft de uitlatingen van [medeverdachte], dat verdachte op de Kanaaldijk de auto ook heeft verlaten betrouwbaarder geoordeeld dan de verklaring van verdachte, dat hij juist in de auto is blijven zitten. Ik roep hierbij in herinnering dat verdachte op het Burgtpad wél is uitgestapt.

Het eerste middel faalt.

6.1. Het tweede middel klaagt over het medeplegen van feit 1. Dat het hof dat medeplegen bewezen heeft verklaard getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Dat verdachte ook opzet zou hebben gehad op levensberoving is uit de gebezigde bewijsmiddelen niet af te leiden. Evenmin volgt uit de bewijsmiddelen dat er een plan was om geweld tegen [slachtoffer 1] te gebruiken. Het enige wat verdachten voor ogen stond was het beveiligen van [medeverdachte]. Op het doden van [slachtoffer 1] was de samenwerking niet gericht. En ook als verdachte met een wapen in de hand uit de auto zou zijn gestapt is dat naar uiterlijke verschijningsvorm even goed te verstaan als een actie ter bescherming van [medeverdachte].

6.2. Medeplegen verlangt niet een voorafgaand overleg, niet nodig voor medeplegen is het uitvoeren van een tevoren samen opgevat plan. Medeplegen is bewust en volledig samenwerken, hetwelk erin kan bestaan dat de een zich bij de ander is gaan aansluiten.10 Het hof heeft aandacht gevraagd voor de achtergrond van het samenstel van handelingen van verdachte en de andere inzittenden van de rode Renault. Die achtergrond bestond erin dat zij [medeverdachte] zouden beschermen. Daartoe observeerden zij [medeverdachte] en volgden zij de auto waarin [medeverdachte] en [slachtoffer 1] zich verplaatsten. Het hof is uitgegaan van de inhoud van verklaringen van [medeverdachte], die erop neerkomt dat [betrokkene 3] en verdachte, nadat de auto van [medeverdachte] tot stoppen was gedwongen, beiden met een wapen in de hand zijn uitgestapt, waarna [slachtoffer 1] door een van hen is doodgeschoten. Verdachte is minstens daarbij aanwezig geweest en niet blijkt dat hij zich van het handelen van [betrokkene 3] heeft gedistantieerd. Het hof heeft bij zijn oordeel dat er sprake was van medeplegen kennelijk betekenis toegekend aan de gezamenlijkheid van het optreden van [betrokkene 3] en van verdachte, welk optreden stond in het teken van bescherming van [medeverdachte] tegen [slachtoffer 1]. Als daarbij vuurwapens in het spel zijn bestaat de aanmerkelijke kans dat die ook gebruikt zullen worden en daarmee ook de aanmerkelijke kans dat er doden zullen vallen. Het oordeel dat verdachte aldus nauw en bewust heeft samengewerkt met [betrokkene 3] en dat dit gezamenlijk optreden als het medeplegen van doodslag kan worden gekwalificeerd, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.11

Het middel faalt.

7.1. Het derde middel klaagt over de veroordeling voor feit 2 en concentreert zich op de bewezenverklaring van het medeplegen. Het middel valt in meerdere klachten uiteen. De eerste klacht is dat het hof ten onrechte zich niet in staat heeft geacht om vast te stellen wie vermoedelijk de twee slachtoffers heeft doodgeschoten. Dat niet zou kunnen worden vastgesteld wie de dodelijke schoten heeft gelost verdraagt zich volgens de toelichting op het middel niet met de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.

7.2. Met betrekking tot cassatiemiddelen door het OM voorgesteld tegen vrijspraken geldt volgens vaste rechtspraak het volgende:

"Ingeval de rechter die over de feiten oordeelt het tenlastegelegde bewezen acht, is het aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die - behoudens bijzondere gevallen - geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Hetzelfde heeft te gelden in het tegenovergestelde geval dat de rechter op grond van de aan hem voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal tot de slotsom komt dat vrijspraak moet volgen. Hieruit volgt dat het oordeel betreffende het al dan niet bewezen zijn van het tenlastegelegde, met de daartoe gegeven motivering, niet onbegrijpelijk genoemd zal kunnen worden op de grond dat het beschikbare bewijsmateriaal - al dan niet in verband met een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard - een andere (bewijs)beslissing toelaat." 12

Hetzelfde geldt in de onderhavige zaak waar het gaat om de vraag wie de dodelijke schoten heeft gelost. Dat het verslag over het munitie-onderzoek, verricht door het NFI (bewijsmiddel 19) de hypothese dat de kogels en kogelmanteldelen zijn afgevuurd uit een en dezelfde loop zeer veel waarschijnlijker acht dan de hypothese dat zij zijn afgevuurd uit meerdere lopen van het zelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken, dwingt het hof nog niet tot het onderschrijven van het standpunt dat beide slachtoffers door een en dezelfde schutter om het leven zijn gebracht, temeer niet omdat in hetzelfde bewijsmiddel is vermeld dat zonder wapenonderzoek hierover geen zekerheid kan worden verkregen. Verdachte zelf heeft in bewijsmiddel 24 verklaard dat ook hij heeft geschoten, maar niet weet hoe vaak. Hij heeft een keer gedrukt en dacht dat de kogels op waren maar er was er nog een en daarmee heeft hij per ongeluk in de voet van [betrokkene 3] geschoten. Het hof heeft aldus niet uitgesloten hoeven te achten dat een slachtoffer of misschien beide ook door een door verdachte afgeschoten kogel zijn getroffen.

7.3. De tweede klacht van het derde middel concentreert zich op de volgende overwegingen in het arrest:

"Medeplegen

Uit het forensisch onderzoek volgt dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] vermoedelijk met een automatisch wapen, type Scorpion, om het leven zijn gebracht. Het hof is van oordeel dat ook op het Burgtpad niet kan worden vastgesteld wie de dodelijke schoten heeft gelost. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd heeft [medeverdachte] in dit verband niet eenduidig naar [betrokkene 3] gewezen, maar ook hier wisselend verklaard over wie het automatische wapen hanteerde. Andere bewijsmiddelen op grond waarvan de schutter kan worden aangewezen ontbreken. Ook hier staat dat echter niet aan een bewezenverklaring van de verdachte als medepleger in de weg.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat - nadat [slachtoffer 1] op de Kanaaldijk was doodgeschoten en in het water was gebracht - is besloten dat de anderen die verderop op het Burgtpad stonden, zijnde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], ook moesten worden gedood. Met dat opzet zijn [betrokkene 4], [betrokkene 3] en de verdachte vervolgens - waarbij [medeverdachte] voorop reed en aldus de weg wees - naar het Burgtpad gereden. Op het Burgtpad zijn [betrokkene 3] en de verdachte beiden gewapend uit de auto gestapt, op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] afgegaan en hebben zij beiden schoten gelost. Aldus hebben [betrokkene 3] en de verdachte gezamenlijk gehandeld ter uitvoering van een kort na de dood van [slachtoffer 1] opgevat plan om ook [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] om het leven te brengen.

Het verweer van de verdediging dat de verdachte niet als medepleger kan worden beschouwd, omdat - onder de premisse dat [betrokkene 3] de dodelijke schoten heeft gelost - de verdachte bewust mis geschoten heeft, wordt verworpen. Zelfs als de toedracht zou zijn geweest als door de verdediging geschetst - een toedracht die door het hof niet is vastgesteld - is de verdachte immers als medepleger van de levensberovingen aan te merken. Door onder de hiervoor vermelde omstandigheden op het Burgtpad tezamen met [betrokkene 3] uit de auto te stappen, met een vuurwapen in de hand op één van de slachtoffers af te lopen en daarmee een schot te lossen, terwijl de mededader eerst achter het andere slachtoffer aangaat en vervolgens naast de verdachte komt te staan en de dodelijke schoten afvuurt, heeft de verdachte een handeling verricht die, zelf als dat door hem afgevuurde schot niemand geraakt heeft, een wezenlijke bijdrage oplevert bij de uitvoering van de levensberovingen. Een dergelijk dreigend handelen kan immers de slachtoffers de illusie van een nog mogelijk verzet of vlucht ontnemen. Overigens acht het hof de verklaring van de verdachte dat hij bewust mis heeft geschoten teneinde zich aan de deelneming van de levensberovingen te onttrekken, niet aannemelijk.

Het hof komt tot de conclusie dat de vereiste nauwe en bewuste samenwerking bij de uitvoering van de levensdelicten op het moment van het gezamenlijk gewapend uitstappen waarna geschoten wordt, behoudens contra-indicaties - zoals bijvoorbeeld het zich geheel afzijdig houden van het beschieten van de slachtoffers - waarvan in het geheel niet is gebleken, is voltooid. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan medeplegen."

7.4. Dat verdachte bewust mis zou hebben geschoten is door het hof onaannemelijk geoordeeld. Dit argument draagt de verwerping van het verweer zelfstandig. Hetgeen het hof voor het overige heeft overwogen is dus ten overvloede opgenomen in het arrest. Reeds daarom faalt deze klacht. Het hof heeft in de overwegingen ten overvloede overigens verantwoord waarom er toch sprake zou zijn van medeplegen, ook als verdachte bewust zou hebben mis geschoten. Dat neemt immers niet weg dat verdachte minstens voorwaardelijk opzet zou kunnen hebben op het doodschieten door zijn mededader. Afgesproken is dat beide anderen, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ook moesten worden gedood. Daartoe zijn [betrokkene 4], [betrokkene 3] en verdachte naar het Burgtpad gereden, gegidst door [medeverdachte]. Daar aangekomen zijn de verdachte en [betrokkene 3] gewapend uit de auto gestapt, zijn zij op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] afgegaan en hebben zij beiden schoten gelost. Het optreden van verdachte heeft volgens het hof een wezenlijke bijdrage opgeleverd bij de uitvoering van de levensberovingen. Het hof heeft erop gewezen dat een dergelijk dreigend handelen de slachtoffers de illusie van een nog mogelijk verzet of vlucht kan ontnemen. Daartegen keert zich de steller van het middel in het bijzonder, maar tevergeefs. De aanwezigheid van de gewapende verdachte die ook nog schoten loste heeft ongetwijfeld bijgedragen aan de uitvoering van het gezamenlijk opzet om de andere twee ook "af te maken" waartoe [betrokkene 3] verdachte heeft opgeroepen, al was het maar omdat aldus [betrokkene 3] zich verzekerd dacht te weten van de steun van verdachte als hijzelf er niet in zou slagen het gezamenlijk opzet uit te voeren.

7.5. De laatste klacht van het middel klaagt over het negeren door het hof van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, erop neerkomende dat verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger omdat hij bewust over [slachtoffer 3] heen heeft geschoten. Het hof heeft in het bijzonder de redenen opgegeven die tot afwijking van dat standpunt hebben geleid, door namelijk te overwegen dat de feiten die aan dit standpunt ten grondslag liggen onaannemelijk zijn.

Het middel faalt.

8. De voorgestelde middelen falen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met nr. 16/01659 ([medeverdachte]) waarin ik ook vandaag concludeer.

2 Bijv. HR 9 december 2014, NJ 2015, 485 m.nt. Borgers; HR 20 december 2016, ECLI:2016:2911.

3 Bleichrodt schreef al dat het maar de vraag is of de Hoge Raad sinds 2009 strengere eisen is gaan stellen aan het verband dat zou moeten bestaan tussen de inhoud van de verklaring van de getuige en het aanvullend bewijsmateriaal. Edwin Bleichrodt, Bewijs minima: een nieuwe invulling? In Levend strafrecht (Buruma bundel), Deventer 2011, p. 22. Borgers beval in 2012 aan om het voorschrift van het tweede lid van artikel 342 Sv niet enkel te zien als een onderdeel van het negatief-wettelijk bewijsstelsel, maar ook als een soort aansporing aan de rechter om zijn bewijsbeslissing beter te motiveren in de gevallen waarin de verklaringen van een enkele getuige daarvoor cruciaal zijn; M.J. Borgers, ‘De toepassing van de bewijsminimumregel’, DD 2012, 82.

4 HR 6 maart 2012, NJ 2012, 250 m.nt. Schalken, die zich kritisch uitlaat over dit arrest en teleurgesteld is dat de HR geen betere waarborgen biedt.

5 HR 7 juli 2015, NJ 2015, 488 m.nt. Borgers.

6 HR 22 december 2015, NJ 2017, 39 m.nt. Schalken.

7 Mr. M.J. Dubelaar, Betrouwbaar getuigenbewijs 2014, p. 162 e.v.

8 Zie HR 29 september 2015, ECLI: 2015: 2842 rov. 4.3.

9 Vgl. HR 10 januari 2012, ECLI:2012:BT8921.

10 HR 28 mei 2002, NJ 2003, 142 m.nt. Schalken.

11 HR 12 april 2005, NJ 2005, 577 m.nt. Mevis.

12 Bijv. HR 13 september 2016, ECLI:2016:2058.