Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:34

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-01-2017
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
16/02042
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:181, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag, art. 94a Sv. Beklag van een echtgenote (erfgename) over een inbeslaggenomen auto van haar overleden echtgenoot (erflater). HR herhaalt relevante overweging uit ECLI:NL:HR:2010:BL2823 omtrent de aan te leggen maatstaf indien een derde om teruggave verzoekt. Het gaat bij dit beklag om het antwoord op de vraag of de erflater redelijkerwijs als rechthebbende van de inbeslaggenomen auto moet worden aangemerkt. De rechtbank heeft i.c. een onjuiste maatstaf toegepast. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 16/02038 B.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/02042B

Zitting: 3 januari 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[klaagster] 1

  1. De rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, heeft bij beschikking van 24 maart 2016 een namens de klaagster ingediend klaagschrift strekkende tot teruggave aan haar van een inbeslaggenomen personenauto, merk Audi, met kenteken [AA-00-AA] , ongegrond verklaard.

  2. Namens de klaagster is beroep in cassatie ingesteld. Mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft in deze zaak bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. In deze zaak gaat het om een personenauto (Audi S8) die op 10 november 2011 in de strafzaak tegen de zoon van de klaagster, [betrokkene 1] , in beslag is genomen. Blijkens de kennisgeving van inbeslagneming rustte op de inbeslaggenomen auto beslag ex art. 94 Sv. Bij onherroepelijke vonnissen van 16 oktober 2012 zijn zowel de zoon van de klaagster, [betrokkene 1] , als de echtgenoot van de klaagster, [betrokkene 3] , vrijgesproken ter zake van witwassen. De rechtbank heeft in de strafzaak van [betrokkene 1] tevens de teruggave aan de rechthebbende gelast van de inbeslaggenomen personenauto. Een aantal maanden later wordt [betrokkene 1] in een andere strafzaak bij vonnis van 12 februari 2013 veroordeeld voor een Opiumwetdelict en in het kader van die veroordeling heeft het openbaar ministerie een ontnemingszaak tegen hem gestart. Het vonnis in de hoofdzaak is onherroepelijk geworden. Met het oog op ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de officier van justitie op 4 april 2013, na machtiging daartoe door de rechter-commissaris ex art. 103 Sv, ten laste van [betrokkene 1] conservatoir beslag ex art. 94a Sv gelegd op de auto. Volgens de klaagster was de auto eigendom van haar man, die op 24 november 2012 is overleden. Nu beide zonen in april 2013 afstand hebben gedaan van de erfenis van hun vader, stelt de klaagster de enige en algehele erfgename van haar man en dus rechthebbende te zijn van de inbeslaggenomen auto. De klaagster en haar zoon [betrokkene 1] hebben elk afzonderlijk, respectievelijk op 7 maart 2016 en op 19 februari 2016, een klaagschrift ingediend strekkende tot de teruggave van de auto.

4 Het eerste middel

4.1.

Het eerste middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, klaagt in de kern genomen dat de beslissing van de rechtbank tot ongegrondverklaring van het beklag op een verkeerde rechtsopvatting berust dan wel onbegrijpelijk is, nu de motivering enkel ziet op een beslag gebaseerd op art. 94a Sv, terwijl aan onder meer het ingediende klaagschrift sterke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat het beslag mede is gegrond op art. 94 Sv.

4.2.

De rechtbank heeft in haar beschikking niet expliciet vastgesteld op welke grond het beslag is gelegd. Echter, uit haar overwegingen, in het bijzonder de vaststelling dat de officier van justitie na machtiging ex art. 103 Sv conservatoir beslag heeft gelegd op de auto en de vervolgens door haar aangelegde maatstaf, blijkt duidelijk zij heeft beslist op het op de auto gelegde conservatoire beslag ex art. 94a Sv. De inhoud en strekking van het klaagschrift heeft de rechtbank kennelijk aldus begrepen dat het is gericht tegen de latere conservatoire beslaglegging naar aanleiding van een ingestelde en nog lopende ontnemingsvordering jegens [betrokkene 1] (in het kader van zijn veroordeling van 12 februari 2013). Hierna zal ik uiteenzetten waarom de rechtbank juist in het voordeel van de klaagster is uitgegaan van art. 94a Sv als grondslag van de inbeslagneming.

4.3.

Uit de hiervoor onder 3 weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat er aanvankelijk op de auto beslag ex art. 94 Sv is gelegd in de strafzaak tegen [betrokkene 1] ter zake van witwassen en dat die strafzaak op 16 oktober 2012 is uitgemond in een vrijspraak met een beslissing omtrent het beslag: de rechtbank heeft de teruggave aan de rechthebbende gelast van de inbeslaggenomen auto. Zoals de steller van het middel zelf al opmerkt, wordt in het klaagschrift verzocht om opheffing van het beslag ex art. 94 Sv, waarbij uitdrukkelijk en enkel wordt gewezen op het onherroepelijke strafvonnis van 16 oktober 2012. Het middel miskent hier ten eerste het bepaalde in HR 8 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB8989. Als in de strafzaak vonnis is gewezen en daarin is beslist omtrent het inbeslaggenomene, kan op het bestaande klaagschrift geen andersluidende beslissing meer volgen dan de ongegrondverklaring van het beklag. Met andere woorden komt het er in casu op neer dat de klaagster niet kan klagen over het beslag op de auto, voor zover gelegd op de voet van art. 94 Sv. Daarover is reeds beslist in de hoofdzaak, zodat een klacht over dit beslag in cassatie tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep zal leiden. Ten tweede merk ik op dat het onderhavige klaagschrift, dat ziet op het strafvonnis van 16 oktober 2012 met betrekking tot het art. 94 Sv beslag, dateert van 7 maart 2016. Dat betekent dat het klaagschrift niet is ingediend drie maanden nadat de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. Gelet daarop had de rechtbank de klaagster gelet op art. 552a lid 3 Sv niet-ontvankelijk moeten verklaren indien zij het klaagschrift in die zin had verstaan dat het was gericht tegen het beslag ex art. 94 Sv.

4.4.

Gelet op het vorenstaande meen ik dat de klaagster geen belang heeft bij de klacht dat de rechtbank er vanuit had moeten gaan dat het klaagschrift (mede) was gericht tegen het beslag ex art. 94 Sv, nu de bestreden beschikking van de rechtbank juist in het ‘voordeel’ van de klaagster is uitgevallen door het klaagschrift zo te verstaan dat het kennelijk was gericht tegen het latere beslag ex art. 94a Sv.

4.5.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

5 Het tweede middel

5.1.

Het tweede middel klaagt dat de rechtbank bij de ongegrondverklaring van het beklag de verkeerde maatstaf heeft aangelegd, althans dat zij de ongegrondverklaring ontoereikend heeft gemotiveerd.

5.2.

De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende in:

“De auto is aanvankelijk in beslag genomen onder een autoschadebedrijf, waar [betrokkene 1] deze met opdracht tot herstel heeft achtergelaten. Nadat [betrokkene 1] bij vonnis van 12 februari 2013 door deze rechtbank is veroordeeld voor het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het bepaalde in artikel 2 onder B van de Opiumwet en aan hem tevens de verplichting tot betaling van een bedrag van € 140.934,64 is opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, heeft de officier van justitie middels een machtiging ex artikel 103 van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) op 4 april 2013 onder zichzelf conservatoir beslag gelegd op de auto.

Het strafvorderlijk belang brengt mee dat dit beslag moet worden gecontinueerd. Door [betrokkene 1] is weliswaar hoger beroep ingesteld tegen de beslissing waarbij de vordering tot ontneming is toegewezen, maar het vonnis waarbij [betrokkene 1] is veroordeeld is onherroepelijk en betreft een feit waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, terwijl voorts niet onwaarschijnlijk is dat de hiermee verband houdende vordering tot ontneming ook in hoger beroep zal worden toegewezen.

Dit geldt ook indien de auto geen volledig eigendom van [betrokkene 1] is, maar deel uitmaakt van de nalatenschap waarin hij als erfgenaam gerechtigd is en hij die erfenis heeft verworpen.

Gelet op het bepaalde in de artikelen 94d Sv. jo. 4:205 van het Burgerlijk Wetboek kan de nalatenschap immers desondanks op verzoek in het belang van de schuldeisers worden vereffend. Dat klaagster bevoegd is de boedel te beheren en daarover te beschikken doet daaraan niet af, omdat het gaat om een onverdeeld boedelbestanddeel en de voornoemde vereffenings- en verhaalsmogelijkheden met opheffing van het beslag illusoir zou worden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.”

5.3.

In het onderhavige geval keert een derde zich tegen een beslag in de zin van art. 94a Sv en stelt deze dat zij eigenaresse is van het inbeslaggenomen voorwerp. De rechter die over het beklag heeft te oordelen dient dan na te gaan of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel staat dat de klaagster als eigenaresse van het voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk te geven. Indien de klaagster als eigenaresse wordt aangemerkt, zal de rechter tevens moeten onderzoeken en daarvan blijk moeten geven of zich de situatie van art. 94a lid 4 of lid 5 Sv voordoet.2

5.4.

In de eerste overwegingen van de rechtbank (hiervoor onder 5.2 weergegeven) komt de vraag aan de orde of het belang van strafvordering zich tegen de teruggave van de auto verzet. Die vraag heeft de rechtbank bevestigend beantwoord, waarbij zij uiteen heeft gezet -kort gezegd- dat het in beslag genomen voertuig kan dienen ter verzekering van verhaal van aan de beslagene op te leggen vermogenssancties.

5.5.

Samenvattend heeft de rechtbank vervolgens geoordeeld dat art. 94d Sv3 en art. 4:205 BW dienen in het belang van de schuldeiser(s). Die bepalingen strekken ertoe dat verhaal op de auto mogelijk wordt gemaakt, ook al heeft [betrokkene 1] de erfenis, waarin ook de auto valt en waarin hij als erfgenaam is gerechtigd, verworpen. De omstandigheid dat de klaagster (als enige) bevoegd is de boedel te beheren en daarover te beschikken maakt het vorenstaande niet anders, omdat sprake is van een onverdeelde nalatenschap en het niet wenselijk is als daarmee de vereffenings- en verhaalsmogelijkheden voor de schuldeisers zouden kunnen worden gefrustreerd, aldus de rechtbank.

5.6.

Om het oordeel van de rechtbank (beter) te kunnen begrijpen, is het nodig om een uitstapje te maken naar het civiele erfrecht.4Erfopvolging bij versterf is geregeld in boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De hier relevante artikelen luiden als volgt:

• Art. 4:182 BW:

1. Met het overlijden van de erflater volgen zijn erfgenamen van rechtswege op in zijn voor overgang vatbare rechten en in zijn bezit en houderschap. De eerste zin geldt niet wanneer de nalatenschap ingevolge artikel 13 wordt verdeeld; in dat geval volgt de echtgenoot van rechtswege op in het bezit en houderschap van de erflater.

2. Zij worden van rechtswege schuldenaar van de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan. Is een prestatie deelbaar, dan is ieder van hen verbonden voor een deel, evenredig aan zijn erfdeel, tenzij zij hoofdelijk zijn verbonden.

•Art. 4:13 BW:

1. De nalatenschap van de erflater die een echtgenoot en een of meer kinderen als erfgenamen achterlaat, wordt, tenzij de erflater bij uiterste wilsbeschikking heeft bepaald dat deze afdeling geheel buiten toepassing blijft, overeenkomstig de volgende leden verdeeld.

2. De echtgenoot verkrijgt van rechtswege de goederen van de nalatenschap. De voldoening van de schulden van de nalatenschap komt voor zijn rekening. Onder schulden van de nalatenschap zijn hier tevens begrepen de ten laste van de gezamenlijke erfgenamen komende uitgaven ter voldoening aan testamentaire lasten.

3. Ieder van de kinderen verkrijgt als erfgenaam van rechtswege een geldvordering ten laste van de echtgenoot, overeenkomend met de waarde van zijn erfdeel. Deze vordering is opeisbaar:

a. indien de echtgenoot in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard;

b. wanneer de echtgenoot is overleden. De vordering is ook opeisbaar in door de erflater bij uiterste wilsbeschikking genoemde gevallen.

(…)

6. In deze titel wordt onder echtgenoot niet begrepen een van tafel en bed gescheiden echtgenoot.

•Art. 3:80 BW:

1. Men kan goederen onder algemene en onder bijzondere titel verkrijgen.

2. Men verkrijgt goederen onder algemene titel door erfopvolging, door boedelmenging, door fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2, door splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2, door de goedkeuring van een overdrachtsplan als bedoeld in de artikelen 3:159l, 3:159p en 3:159s van de Wet op het financieel toezicht, en door toepassing van een afwikkelingsinstrument als bedoeld in de artikel 3A:1, onderdelen a, b en c, van die wet. (…)

• art. 4:184 BW:

1. Schuldeisers van de nalatenschap kunnen hun vorderingen op de goederen der nalatenschap verhalen.

2. Een erfgenaam is niet verplicht een schuld der nalatenschap ten laste van zijn overig vermogen te voldoen, tenzij hij: a. zuiver aanvaardt, behalve voor zover de schuld niet op hem rust en onverminderd de artikelen 14 lid 3 en 87 lid 5; (…)

• art. 4:205 BW:

Wanneer een schuldeiser van een erfgenaam die de nalatenschap verworpen heeft, hierdoor klaarblijkelijk is benadeeld, kan de rechtbank op zijn verzoek bepalen dat de nalatenschap mede in het belang van de schuldeisers van degene die verworpen heeft zal worden vereffend, en kan zij zo nodig een vereffenaar benoemen.

• art. 4:219 BW:

Wanneer de rechter heeft bepaald dat de nalatenschap mede in het belang van de schuldeisers van iemand die haar verworpen heeft, wordt vereffend, kunnen ook deze schuldeisers hun vorderingen indienen. Zij worden in de uitdelingslijst opgenomen, doch slechts batig gerangschikt voor zover een overschot aan hun schuldenaar zou zijn toegekomen, indien deze niet verworpen had; te dien einde kan de vereffenaar voor zoveel nodig verdeling van de nalatenschap vorderen en aan de verdeling deelnemen.

5.7.

Uit de hiervoor weergegeven bepalingen5 kan worden afgeleid dat op het moment van het overlijden van de erflater de overgang van zijn vermogen plaatsvindt. De erfgenamen volgen hem van rechtswege op in zijn rechten en plichten en zij verkrijgen onder algemene titel. De persoon van de overledene wordt vermogensrechtelijk voortgezet door zijn erfgenamen (het zogenoemde principe van de ‘saisine’).6 Daarop wordt een uitzondering gemaakt als de nalatenschap op grond van de wettelijke verdeling op de langstlevende echtgenoot en de kinderen overgaat. De langstlevende echtgenoot verkrijgt alle goederen van de nalatenschap, terwijl de kinderen van rechtswege een - in beginsel niet-opeisbare - geldvordering op de echtgenoot krijgen. De langstlevende echtgenoot heeft bij een wettelijke verdeling dus een sterke positie.

De schuldeisers van de nalatenschap kunnen hun vorderingen op de goederen van de nalatenschap verhalen. Een erfgenaam is niet verplicht een schuld van de nalatenschap ten laste van zijn overige vermogen te voldoen, tenzij hij de nalatenschap zuiver heeft aanvaard. De schuldeiser, die is benadeeld doordat zijn schuldenaar een erfenis heeft verworpen, kan herstel daarvan verzoeken. Indien dit verzoek door de rechter wordt gehonoreerd, is daarvan het gevolg dat vorderingen die de schuldeiser van de verwerpende partij indient in de uitdelingslijst batig worden gerangschikt voor zover een overschot aan zijn schuldenaar zou zijn toegekomen, indien deze niet had verworpen.7

5.8.

Dan terug naar de onderhavige zaak. De klaagster heeft gesteld dat de auto eigendom was van haar echtgenoot, [betrokkene 3] , die op 24 november 2012 is overleden. Die stelling is door of namens de klaagster onderbouwd met stukken, die als bijlage 3 zijn gehecht aan het klaagschrift. De omstandigheid dat [betrokkene 3] tot het moment van zijn overlijden eigenaar was van de auto is door de officier van justitie noch door de rechtbank weersproken. In de beschikking van de rechtbank is dit standpunt van de klaagster onder de kop ‘motivering’ opgenomen. Daarin ligt mijns inziens als het kennelijke oordeel van de rechtbank besloten dat zij met de klaagster ervan uit is gegaan dat [betrokkene 3] tot zijn dood eigenaar was van de auto. In cassatie zal daarvan dan ook moeten worden uitgegaan.

5.9.

Uit de zich bij de stukken bevindende verklaring van erfrecht 7 mei 2013 volgt het volgende. De overledene [betrokkene 3] was ten tijde van zijn overlijden gehuwd met de klaagster. De klaagster en haar twee zonen zijn de enige wettelijke erfgenamen van [betrokkene 3] . Verder heeft [betrokkene 3] geen andere legitimarissen achtergelaten, heeft hij niet bij uiterste wil over zijn nalatenschap beschikt, en heeft hij geen codicil opgemaakt. De klaagster heeft de nalatenschap zuiver aanvaard en beide zonen hebben bij akte van 26 april 2013 de nalatenschap van hun vader verworpen. Tot slot wordt in de verklaring van erfrecht vastgesteld dat de klaagster enige en algehele erfgename is van de overledene en dat zij mitsdien zelfstandig bevoegd is de goederen behorende tot de nalatenschap te beheren en daarover te beschikken.

5.10.

Gelet op het vorenstaande en op de wijze waarop de wet de vererving regelt, is vanwege de verwerping door de beide kinderen van de erflater op de nalatenschap van [betrokkene 3] de wettelijke verdeling ex art. 4:13 BW niet van toepassing geweest8 doch wel de algemene rechtsopvolging onder algemene titel in goederen en schulden (art. 4:182 BW). De klaagster heeft aldus krachtens art. 4:182 BW in samenhang met art. 3:80 BW op het moment van overlijden van haar man de bedoelde auto van rechtswege onder algemene titel door erfopvolging verkregen. De klaagster is daarmee eigenaresse geworden van de auto. Opgemerkt kan worden dat onder het regiem van de wettelijke verdeling (art. 4:13 BW) het resultaat niet anders zou zijn. Ook die levert een eigendomsverkrijging onder algemene titel op.

Dit alles laat onverlet dat de wet (zie art. 4:184 BW en art. 4:205 BW) aan de schuldeisers van de nalatenschap de mogelijkheid biedt verhaal op de boedel uit te oefenen.

5.11.

De rechtbank heeft met haar overwegingen klaarblijkelijk bedoeld tot uitdrukking te brengen dat, gelet op de werking van art. 94d Sv en art. 4:205 BW, schuldeisers, zoals het openbaar ministerie, op elk gewenst moment inbreuk kunnen maken op de rechten van de klaagster in het kader van haar beheer van en beschikking over de nalatenschap en dat met de opheffing van het beslag de vereffenings- en verhaalsmogelijkheden illusoir zullen worden. De rechtbank heeft daarbij echter niets vastgesteld over de rechtspositie van de klaagster. De vraag waarover de rechtbank zich had moeten buigen was of de klaagster ‘buiten redelijke twijfel als eigenaresse’ van de auto moest worden beschouwd. De rechtbank heeft door te overwegen zoals zij heeft gedaan niet de toepasselijke maatstaf van art. 94a Sv toegepast, althans die maatstaf miskend.

5.12.

Indien de rechtbank de juiste maatstaf wel voor ogen heeft gehad, en haar overwegingen in die zin moeten worden verstaan dat daarin als haar kennelijke oordeel besloten ligt dat zij niet buiten redelijke twijfel heeft geacht dat de klaagster als eigenaresse van de auto kan worden aangemerkt, is het oordeel van de rechtbank niet zonder meer begrijpelijk. De klaagster is immers op het moment van overlijden van haar echtgenoot, zoals hiervoor onder 5.10 is uiteengezet, eigenaresse geworden van de betreffende auto. Dat crediteuren hun verhaalsmogelijkheden op de boedel hebben doet aan de rechtspositie van de klaagster mijns inziens niet af. Bovendien is in het onderhavige geval niet gebleken dat schuldeisers zich al daadwerkelijk hebben aangediend. Hierbij teken ik aan dat bij de beoordeling van de vraag of de klaagster buiten redelijke twijfel als eigenaresse kan worden aangemerkt de rechtbank de omstandigheid mag betrekken of de klaagster niet alleen in juridisch opzicht eigenaresse is maar ook of aannemelijk is dat zij de feitelijke eigenaar en gebruiker van de auto is.9 De rechtbank heeft zich daarover niet uitgelaten. In zoverre heeft de rechtbank haar tot de ongegrondverklaring van het klaagschrift strekkende gedachtegang niet duidelijk gemaakt.

5.13.

Ten overvloede nog het volgende. Een op voet van art. 94a Sv gelegd conservatoir beslag strekt er toe te voorkomen dat de veroordeelde de tenuitvoerlegging van een ontnemingsmaatregel frustreert door het desbetreffende goed aan verhaal te onttrekken. Wellicht heeft de rechtbank in casu opheffing van het beslag op de auto niet wenselijk geacht. Het is immers niet ondenkbaar dat bij de opheffing van het beslag de auto via de moeder, de klaagster, toch in handen van de veroordeelde zoon komt. Met het oog daarop had de rechtbank in haar oordeel de vraag kunnen betrekken of zich de situatie van art. 94a lid 4 of lid 5 Sv voordeed. Deze zogeheten schijnconstructiebepalingen kunnen immers - tot op zekere hoogte - dergelijke onwenselijke situaties tegengaan.

5.14.

Het middel slaagt.

6. Het tweede middel slaagt. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de motivering ontleend aan art. 81 lid 1 RO.

7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzing of terugwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In de samenhangende zaak met griffienummer 16/02038B ( [betrokkene 1] ), concludeer ik vandaag eveneens.

2 Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823.

3 Op grond van art. 94d Sv kan de officier van justitie namens de Staat als schuldeiser tot bewaring van het recht op verhaal als bedoeld in artikel 94a Sv op aan de verdachte toebehorende voorwerpen crediteursbevoegdheden uitoefenen. Zie Wöretshofer in T&C Strafvordering, 11e druk, aantekening 2 bij art. 94d Sr, pag. 463.

4 Vanaf 1 januari 2003 is het ‘nieuwe’ erfrecht in werking getreden.

5 Zie ook o.m. W.R. Meijer, Monografieën BW: gevolgen van erfopvolging, B22, Deventer 2005, E.A.A. Luijten, Monografieën BW: Erfrecht; algemene inleiding en erfrecht bij versterf, B18, 3e druk, Deventer 2012, pag. 33 e.v. en M.J.A. van Mourik (red.), Handboek Erfrecht, publicaties vanwege het centrum voor notarieel recht, 6e druk, Deventer 2015.

6 O.a. M.J.A. van Mourik, erfrecht, studiepockets privaatrecht nr. 37, 7e druk, Deventer 2002, pag. 28-29.

7 Vgl. de conclusie van de voormalige plaatsvervangend Procureur-Generaal De Vries Lentsch-Kostense (ECLI:NL:PHR:2009:BJ7540, onder 9) vóór 13 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7540 (art. 81 RO; civiele kamer).

8 Alsdan was niet meer voldaan aan de ‘voorwaarde’ van art. 4:13 BW, dat naast de echtgenoot ook een of meer kinderen als erfgenaam zijn achtergelaten door de overledene.

9 Vgl. o.a. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2014:1115) vóór HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:2155 (HR: art. 81 lid 1 RO) en ECLI:NL:PHR:2014:941 vóór HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:1911 (HR: art. 80a RO).