Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:337

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-03-2017
Datum publicatie
17-05-2017
Zaaknummer
15/05681
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:885, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Vordering b.p. verhoogd na requisitoir e.a. Art. 51g.1 en 51g.3 Sv, art. 311.1 Sv. 2. Toegewezen bedrag vordering b.p. hoger dan bedrag in bewezenverklaring.

Ad 1. Uit art. 51g Sv volgt niet dat de tijdig in e.a. gevoegde b.p. de opgevoerde schadeposten gedurende de behandeling ttz. in e.a. niet meer mag wijzigen nadat de OvJ in de gelegenheid is gesteld overeenkomstig art. 311 Sv het woord te voeren. Wel brengen de beginselen van een behoorlijke procesorde mee dat, in zo’n geval de procespartijen - als de aard en de omvang van die wijziging daartoe aanleiding geven - de mogelijkheid wordt geboden zich daaromtrent te beraden en een standpunt te bepalen.

Ad 2. De opvatting dat de verdachte tot geen hogere schadevergoeding is gehouden dan tot het bedrag dat hij zich door het bewezenverklaarde misdrijf wederrechtelijk heeft toegeëigend, is in haar algemeenheid onjuist. De concrete omstandigheden van het geval zijn bepalend voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen en de door de b.p. geleden schade om te kunnen aannemen dat deze door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden (vgl. ECLI:NL:HR:2014:959). Het Hof heeft o.m. geoordeeld dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan verduistering, in verband waarmee het heeft overwogen dat verdachte een bedrag van € 29.700,- heeft overgeschreven van de bankrekening van de b.p. naar de bankrekening van zijn eigen bedrijf. Oordeel Hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/05681

Zitting: 21 maart 2017

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 30 november 2015 – behoudens de strafoplegging en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen – het vonnis bevestigd van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 9 februari 2015, waarbij bewezen is verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feiten die zijn gekwalificeerd als 1 primair en 2 primair “verduistering”. Het hof heeft aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, opgelegd. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij VVE [A] (hierna: [A]) toegewezen tot een bedrag van € 29.700,- en de vordering van de benadeelde partij VVE [a-straat] toegewezen tot een bedrag van € 59.280,-.

  2. Namens de verdachte heeft mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat te Goirle, drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Alvorens de middelen te bespreken, geef ik de bewezenverklaring van feit 1 primair en de daaraan ten grondslag gelegde bewijsmiddelen weer.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1 primair

hij op tijdstippen in de periode van 28 juli 2011 tot en met 5 juli 2012 te Culemborg en/of te Tilburg telkens opzettelijk, in totaal € 22.700,- dat geheel of ten dele toebehoorde aan de Vereniging Van Eigenaren [A] en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van financieel bestuurder/beheerder/eigenaar van het bedrijf [B], telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;”

Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“2. Alle gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring

(…)

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nr. PL0800-2014013043, d.d. 7 februari 2014, opgemaakt door verbalisanten van de regiopolitie Gelderland-Zuid, district De Waaiden, met bijlagen;

- een uittreksel uit het algemeen documentatieregister van de justitiële documentatiedienst gedateerd 21 oktober 2014, betreffende verdachte.

De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 november 2014 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik de mij tenlastegelegde verklaringen bij de politie heb bekend. Ik blijf bij die verklaringen, zoals ik bij de politie heb afgelegd. Voor zover ik weet kloppen de bedragen die de benadeelde partijen hebben ingediend wel.

En voorts

Ten aanzien van feit 1 primair:

- het in de wettelijke vorm door de verbalisant van de regiopolitie Gelderland-Zuid, District De Waarden, Team Buren, Culemborg opgemaakte proces-verbaal, mutatienummer PL083 E 2013045828-1, gesloten op 16 mei 2014, van de door aangever [betrokkene 1], vertegenwoordiger van [A] afgelegde verklaring;

- het in de wettelijke vorm door de verbalisant van de regiopolitie Gelderland-Zuid, District De Waarden, veel voorkomende criminaliteit Tiel, opgemaakt proces-verbaal, mutatienummer PL0800 2013045828-4, gesloten op 12 juli 2014, van de door verdachte afgelegde verklaring;

(…)

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.”

5. Het eerste middel keert zich met een rechtsklacht (strijd met art. 51g, derde lid, Sv) en een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof dat het juridisch mogelijk is dat de oorspronkelijk, vóór het requisitoir van de officier van justitie ingediende vordering van de benadeelde partij [A] nadien werd vervangen door een tweede, ná dat requisitoir ingediende vordering waarbij het schadebedrag met € 7000,- is verhoogd.

6. Het bestreden oordeel van het hof luidt als volgt:

Vordering van de benadeelde partij VVE [A]

(…)

Daarnaast is door de verdediging aangevoerd dat de oorspronkelijke vordering € 22.700,- bedroeg. Het onderzoek ter terechtzitting is nadat er gerekwireerd was en verweer was gevoerd, geschorst en aangehouden voor onbepaalde tijd. Bij voortzetting van het onderzoek op een latere datum heeft de benadeelde partij haar vordering vervolgens verhoogd. Volgens de verdediging is dit formeel niet mogelijk nu de benadeelde partij slechts ter zitting een vordering in te dienen, tot het moment waarop de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld om zijn requisitoir te voeren.

(…)

Ten aanzien van het door de verdediging gevoerde verweer dat de benadeelde partij de vordering niet kon verhogen op de aangehouden zitting in eerste aanleg, overweegt het hof het volgende. Op grond van artikel 51g lid 3 van het Wetboek van Strafvordering kan een benadeelde partij zich ter terechtzitting voegen, uiterlijk voordat de officier van justitie wordt gesteld zijn requisitoir te beginnen. Dit houdt ook in dat degene die zich reeds vóór de terechtzitting heeft gevoegd, zich tevens nog kan voegen tijdens de terechtzitting, bijvoorbeeld om aan de eerdere voeging klevende gebreken te herstellen. In het onderhavige geval heeft de benadeelde partij, voordat de eerste zitting plaatsvond, een schriftelijke vordering ingediend. Deze vordering is op de eerste zitting toegelicht, waarna er door de officier van justitie requisitoir is gehouden en door de verdediging verweer is gevoerd. Daarna is de behandeling van de zaak aangehouden met het oog op gewenste verduidelijkingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen. Op de tweede zitting heeft de benadeelde partij VVE [A] de vordering gewijzigd, waarna er nogmaals is gerekwireerd en verweer is gevoerd.

De vraag of de benadeelde partij in deze situatie de vordering heeft kunnen wijzigen, beantwoordt het hof onder deze omstandigheden bevestigend. De officier van justitie en de verdediging zijn immers, nadat de gewijzigde vordering door de benadeelde partij was ingediend, opnieuw tot rekwireren en het voeren van verweer in de gelegenheid gesteld en konden zodoende reageren op de gewijzigde vordering. Naar het oordeel van het hof past deze uitleg ook bij het oordeel van de Hoge Raad dat het aangehaalde artikel dient ter verruiming van de voegingsmogelijkheden van slachtoffers en dat hier geen beperkende uitleg bij past (ECLI:NL:HR:2004:A01486, r.o. 5.7).”

7. Uit de stukken van het geding blijkt het volgende. Aanvankelijk had [A] zich overeenkomstig art. 51g, eerste lid, Sv als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering die was gebaseerd op het “Schadeopgaveformulier Misdrijven”. Het ging om een schadebedrag van € 22.700,-. Op de terechtzitting van de politierechter van 17 november 2014 voerde de raadsman na het requisitoir van de officier van justitie verweer, onder meer met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen (zie voor die vorderingen hierboven onder 1). De politierechter schorste het onderzoek voor bepaalde tijd ten einde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een reclasseringsrapport omtrent de verdachte te laten opmaken èn om de benadeelde partijen in de gelegenheid te stellen de vorderingen nader toe te lichten op de punten en de vragen die door de verdediging waren aangevoerd. Op de daaropvolgende terechtzitting van 9 februari 2015 bleek dat (bij schrijven van 26 januari 2015) de vordering van de benadeelde partij [A] was verhoogd tot een bedrag van € 29.700,-.1 De officier voerde opnieuw het woord als bedoeld in art. 311 Sv, paste zijn requisitoir aan op basis van het reclasseringsrapport dat over de verdachte was opgemaakt, verzocht de politierechter de vorderingen van de benadeelde partijen toe te wijzen en legde zijn vordering over. Vervolgens kreeg de raadsman het woord om de verdediging te voeren en daarbij te reageren op de vorderingen van de benadeelde partijen. Over de verhoging van het bedrag heeft de raadsman zich toen echter niet uitgelaten. Na sluiting van het onderzoek, deed de politierechter terstond mondeling uitspraak, waarbij onder meer de vordering van [A] werd toegewezen, en wel tot het (verhoogde) bedrag van € 29.700,-. Ook het hof is van oordeel dat de benadeelde partij [A] als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte tot een bedrag van € 29.700,- schade heeft geleden en dat de verdachte tot vergoeding van die schade gehouden is.

8. De mogelijkheid voor de benadeelde partij om zich te voegen in het strafproces staat op grond van art. 51g, eerste lid, Sv reeds open in de fase van het voorbereidend onderzoek. Al voorafgaand aan de terechtzitting kan de benadeelde partij bij de officier van justitie een voegingsformulier indienen. Op grond van het derde lid van art. 51g Sv is voeging ook nog mogelijk op de terechtzitting, maar dat moet dan wel gebeuren voordat de officier zijn requisitoir als bedoeld in art. 311 Sv aanvangt.2 Zelfs na een eerdere voeging op de voet van art. 51g, eerste lid, Sv, staat het de benadeelde partij vrij om zich vervolgens op grondslag van art. 51g, derde lid, Sv te voegen ter terechtzitting. Deze mogelijkheid voorziet volgens de Hoge Raad in een eventueel herstel van aan de eerdere voeging klevende gebreken en strookt aldus met de algehele strekking van het wetsvoorstel dat niet alleen de voeging voorafgaand aan de terechtzitting mogelijk heeft gemaakt, maar juist ook verbetering van de bescherming van slachtoffers van een strafbaar feit beoogde door onder meer voor hen de mogelijkheden tot voeging in het strafproces te verruimen.3 Uiteraard is het wel zo, dat wanneer de benadeelde partij zich eerst ter terechtzitting met een vordering voegt, beginselen van behoorlijke procesorde meebrengen dat de verdediging de mogelijkheid wordt geboden zich daaromtrent te beraden en een standpunt te bepalen.4

9. De vraag die het middel opwerpt is of het bepaalde in art. 51g, derde lid, Sv – de voeging op de terechtzitting geschiedt uiterlijk voordat het requisitoir wordt gehouden – aan de verhoging van het schadebedrag in de weg staat.

10. Ik meen dat deze vraag in het onderhavige geval ontkennend dient te worden beantwoord. Blijkens de stukken van het geding is de verhoging met € 7.000,- het gevolg van een correctie op de eerdere schadeberekening: aan de ene kant was ten onrechte een bedrag van € 1.000,- aan verduisteringsgeld opgegeven, terwijl aan de andere kant ten onrechte een bedrag van € 8.000,- als retourstorting was aangemerkt. Niet doet zich hier de situatie voor dat na aanvang van het requisitoir nieuwe schadeposten zijn opgevoerd5, of dat pas in hoger beroep de in eerste aanleg opgevoerde schadeposten werden verhoogd.6 Evenmin is de correctie een voeging als bedoeld in art. 51g, derde lid, Sv of een herstel van een aan een eerdere voeging klevend gebrek.7 Voorts verdient opmerking dat naar aanleiding van de nieuwe berekening de officier van justitie opnieuw het woord in de zin van art. 311 Sv heeft gevoerd en de raadsman weer in de gelegenheid is gesteld om zich over de (verbeterde) vordering van de benadeelde partij [A] uit te laten (waarbij door de verdediging geen bezwaren tegen de verhoging zijn opgeworpen).

11. Op grond van het voorgaande getuigt het oordeel van het hof dat de benadeelde partij in de onderhavige situatie de vordering heeft kunnen wijzigen niet van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts is dat oordeel niet onbegrijpelijk.

12. Het middel faalt.

13. Het tweede middel klaagt dat de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [A] tot een bedrag van € 29.700,- “onjuist, onterecht, onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is”, nu het hof, door het vonnis van de politierechter te bevestigen, onder feit 1 primair heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering van in totaal € 22.700,-.

14. In hoger beroep heeft de verdediging een verweer met gelijke strekking gevoerd, dat door het hof als volgt is samengevat en verworpen:

Vordering van de benadeelde partij VVE [A]

(…)

Ter terechtzitting heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot een bedrag van € 22.700,- toegewezen dient te worden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat dit het bedrag is dat ten laste is gelegd en dat een hoger bedrag dan bewezen is verklaard niet toegewezen kan worden.

De verdediging heeft aangegeven dat zij dit standpunt deelt.

(…)

Het hof overweegt over het eerste (door de advocaat-generaal en de verdediging aangevoerde) punt het volgende. De benadeelde partij kan vergoeding vorderen van schade die het rechtstreekse gevolg is van het strafbare feit zoals dat in de tenlastelegging en bewezenverklaring is omschreven. Dat in onderhavige zaak ten laste is gelegd en bewezen is verklaard dat verdachte een bedrag van € 22.700,- heeft verduisterd, sluit niet uit dat de benadeelde partij, als gevolg van dat strafbare feit, in werkelijkheid voor een hoger bedrag is benadeeld. In dit geval heeft de benadeelde partij haar vordering onderbouwd met rekeningafschriften, waaruit blijkt dat verdachte gedurende de bewezen verklaarde periode in totaal een bedrag van € 29.700,- heeft overgeschreven van de rekening van de benadeelde partij naar de rekening van zijn eigen bedrijf. De verdachte heeft daarnaast, in eerste aanleg en in hoger beroep, de hoogte van dit bedrag niet betwist. Het hof is dan ook van oordeel, dat de benadeelde partij, als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte, tot een bedrag van € 29.700,- schade heeft geleden.”

15. Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich ingevolge art. 51f Sv ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding voegen in het strafproces. Vervolgens geeft art. 361, tweede lid, Sv, aan in welke gevallen de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering. Eén van die gevallen is uitgewerkt in onderdeel b, voor zover hier van belang luidend: indien aan de benadeelde partij “rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit”.8 Op het verschil tussen, kort gezegd, rechtstreekse schade door een strafbaar feit (art. 51f Sv) en rechtstreekse schade door het bewezenverklaarde feit (art. 361, tweede lid onder b, Sv) ga ik nu niet nader in.9 In ieder geval is vereist dat de tenlastelegging en de bewezenverklaring de gedragingen vermelden die de schade hebben teweeggebracht.10 In zoverre is er een binding met de tenlastelegging en de bewezenverklaring. Maar niet dwingt de wettekst er toe dat de omvang van de geleden schade, dus het schadebedrag, in de tenlastelegging respectievelijk in de bewezenverklaring wordt genoemd. Dit is nu juist een punt dat op grond van het schadeopgaveformulier en het verhandelde ter terechtzitting wordt bepaald (mits geen sprake is van een onevenredige belasting).

16. De vraag is in hoeverre de rechter bij de toekenning van de vordering van de benadeelde partij gebonden is aan de tenlastelegging en de bewezenverklaring indien daarin bijvoorbeeld een concreet bedrag aan verduisteringsgeld is opgenomen, zoals zich in het onderhavige geval voordoet. De steller van het middel bepleit hier een strakke binding aan het tenlastegelegde en het bewezenverklaarde feit: nu de strafrechter onder 1 primair heeft bewezenverklaard dat de verdachte in totaal € 22.700,- heeft verduisterd, kan de berekening van de omvang van de door dat feit veroorzaakte schade niet uitkomen op een hoger bedrag, hier dus € 29.700,-.

17. Omtrent die binding zijn uitspraken van de Hoge Raad verschenen, zowel met betrekking tot de vordering benadeelde partij, als ten aanzien van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ik noem hier eerst HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7391: uit de bewezenverklaring en de bewijsmiddelen kon worden afgeleid dat de benadeelde partij als borgsom voor een woning fl. 800,- aan de verdachte had overhandigd, maar in het voegingsformulier had de benadeelde partij een schadebedrag van fl. 1.600,- (€ 726,04) aan borgsom opgegeven. Gelet op dat verschil was ’s hofs oordeel dat de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 726,- diende te worden toegewezen, zonder nadere motivering, die ontbrak, onbegrijpelijk. En in het arrest van 23 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0803, NJ 1998/102 was het hof ter zake van de vaststelling van de op te leggen schadevergoedingsmaatregel uitgegaan van een schadebedrag van fl. 2590,-, zulks terwijl uit de bewezenverklaring en de bewijsmiddelen bleek dat het slachtoffer ten gevolge van de handelingen van de verdachte rechtstreeks schade had geleden tot een bedrag van fl. 1075,-. De Hoge Raad casseerde daarop, overwegende “dat voor schade slechts in aanmerking komt die welke – naar luid van het tweede lid van art. 36f Sv – ‘door het strafbare feit is toegebracht’, zodat daarmee slechts verenigbaar is dat door de strafrechter aan de verdachte de verplichting kan worden opgelegd tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer van een schadevergoeding ter zake van een feit dat in de tenlastelegging en bewezenverklaring is opgenomen”.11 Met verwijzing naar dit arrest schrijven Candido c.s. in hun Handleiding voor de strafrechtspraktijk “Slachtoffer en de rechtspraak” (p. 170) dat de rechter niet kan bepalen dat de schadevergoedingsmaatregel een hoger bedrag beloopt dan uit de bewezenverklaring volgt.12

18. De aangehaalde rechtspraak duidt erop dat de mogelijkheid tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij in beginsel wordt begrensd door het bedrag waarvan de bewezenverklaring melding maakt. Daarbij zij echter aangetekend dat uit de hierboven besproken arresten niet helemaal duidelijk blijkt waarop precies de ‘meer-schade’ (d.i. het verschil tussen de toekenning of de vaststelling van het schadebedrag en het lagere in de bewezenverklaring genoemde bedrag) betrekking had. Ik acht het verdedigbaar dat wanneer ook de meer-schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde strafbare feit, ook deze schade voor vergoeding in aanmerking komt.13 Steun daarvoor meen ik te kunnen vinden in de rechtspraak van de Hoge Raad waaruit volgt dat het vereiste in art. 361, tweede lid onder b, Sv, dat aan de benadeelde rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit, niet strikt behoeft te worden uitgelegd. Zodra er sprake is van een voldoende (of zodanig) nauw verband tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde partij geleden meer-schade, is er ruimte voor toewijzing van haar vordering. Zie bijvoorbeeld HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:134: “In aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat "[betrokkene] de fiets heeft laten vallen als gevolg van het feit dat verdachte op haar afkwam om haar te lijf te gaan", geeft 's Hofs oordeel dat de door [betrokkene] geleden schade aan haar fiets in zodanig nauw verband staat met de bewezenverklaarde mishandeling van haar door de verdachte, dat die schade redelijkerwijs moet worden aangemerkt als rechtstreeks aan [betrokkene] toegebracht door het bewezenverklaarde feit als bedoeld in art. 51f en art. 361, tweede lid onder b, Sv niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting” (het oordeel was voorts niet onbegrijpelijk).14 Een dergelijke benadering van het begrip rechtstreekse schade stemt overeen met de civielrechtelijke aard van de vordering van de benadeelde partij, die geen begrenzing vindt in de structuur van tenlastelegging en bewezenverklaring.15 Gelet daarop zijn in gevallen als de onderhavige niet slechts de bewoordingen van de bewezenverklaring doorslaggevend. Daarvan kan onder omstandigheden worden afgeweken, zij het dan wel dat de motivering van de feitenrechter daarvoor deugdelijk moet zijn.

19. Aan de bedoelde motiveringseis heeft het hof mijns inziens voldaan. Het hof heeft immers verschillende omstandigheden bij zijn oordeelsvorming meegewogen. Zo heeft het in de eerste plaats belang gehecht aan het gegeven dat de benadeelde partij haar vordering heeft onderbouwd. Daaruit blijkt dat de verdachte gedurende de bewezenverklaarde periode in totaal een bedrag van € 29.700,- heeft overgeschreven van de rekening van de benadeelde partij naar de rekening van zijn eigen bedrijf. In de tweede plaats wijst het hof erop dat de hoogte van dat bedrag in eerste aanleg noch in hoger beroep is betwist. Het hof kon op basis van deze omstandigheden de vordering voor het hogere bedrag toewijzen, waarbij ik in aanmerking neem (i) dat het hof tevens inzicht heeft gegeven in de wijze waarop het tot het toegewezen bedrag is gekomen16, (ii) er een voldoende nauw verband is tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde partij geleden schade17, (iii) de verdediging in de gelegenheid is gesteld te reageren op de bedoelde correctie en (iv) de verdediging niet heeft betwist dat ook het bedrag van € 7.000,- deel uitmaakt van het bedrag dat door de verdachte is verduisterd.

20. Op grond van het voorgaande acht ik het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigen. Voorts is dat oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

21. Het middel faalt

22. Het derde middel klaagt, bezien in samenhang met de toelichting daarop, dat de overweging van het hof dat in deze zaak de cumulatie van niet-vrijheidsbenemende sancties, en met name de mogelijkheid tot oplegging van een taakstraf in dat verband, geen beperking vindt in art. 22b Sr “onjuist, onterecht, onbegrijpelijk, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onvoldoende gemotiveerd is”, ook omdat het hof niet heeft vastgesteld of de bepaling als bedoeld in art. 22b, tweede lid sub 2° al dan niet aan de orde is en mede gezien het op 22 mei 2015 onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank Breda waarbij de verdachte reeds was veroordeeld (voor soortgelijke feiten) tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden en een onvoorwaardelijke werkstraf van 240 uur.

23. Art. 22b Sr luidt, voor zover hier van belang:

“Een taakstraf wordt voorts niet opgelegd in geval van veroordeling voor een misdrijf indien:

aan de veroordeelde in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd, en

de veroordeelde deze taakstraf heeft verricht dan wel op grond van artikel 22g tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen.”

24. Ik meen dat dit middel zich niet voor bespreking in cassatie leent, nu de schriftuur te dien aanzien geen toelichting bevat met betrekking tot het concrete, op het geval toegespitste belang bij het ingestelde beroep en het – rechtens te respecteren – belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak.18 Ook indien moet worden aangenomen dat het taakstrafverbod uit art. 22b Sr in de onderhavige zaak in de weg staat aan het opleggen van een taakstraf, zou, nu een geldboete in het licht van het taakstrafverbod geen reëel alternatief is, als enige mogelijkheden een onvoorwaardelijke of een langduriger voorwaardelijke gevangenisstraf of een deels onvoorwaardelijke, deels voorwaardelijke gevangenisstraf overblijven. De achtergrond van art. 22b, tweede lid, Sr, is immers gelegen in het terugdringen van recidive in het geval een taakstraf niet het gewenste effect heeft gehad.19

25. Het eerste en het tweede middel falen. Het derde middel behoeft geen bespreking en kan hier worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

26. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

27. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De vordering van de andere benadeelde partij VVE [a-straat] was daarentegen naar beneden bijgesteld.

2 HR 23 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1469, NJ 1999/401.

3 HR 16 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1486 (rov. 5.7).

4 HR 23 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1469, NJ 1999/401.

5 Vgl. F.F. Langemeijer, Het slachtoffer en het strafproces, tweede druk, Deventer: 2010, p. 90; J. Candido, M. Hoendervoogt, P. van Dam en M. Gest, Slachtoffer en de rechtspraak. Handleiding voor de strafrechtspraktijk, Den Haag: Raad voor de Rechtspraak 2013, p. 66; en R.S.B. Kool e.a., Civiel schadeverhaal via het strafproces. Een verkenning van de rechtspraktijk en regelgeving betreffende de voeging benadeelde partij, Utrecht: Ucall 2016, p. 44 (digitale versie).

6 Zie HR 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0945, NJ 1998/449 (rov. 6.3.2).

7 Anders dan aan de orde was in de zaak die leidde tot HR 16 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1486, kleeft aan de voeging van de benadeelde partij [A] als zodanig geen gebreken. Het “Schadeopgaveformulier Misdrijven” bevat reeds de schadeposten, zij het dat deze later verbeterd zijn.

8 Het andere geval betreft de ad informandum gevoegde feiten, en dan alleen nog voor zover deze door de verdachte zijn bekend.

9 Zie daarover mijn conclusie voorafgaand aan HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959, NJ 2014/256.

10 Kamerstukken II 1989/90, 21 345, nr. 3, p. 17.

11 Vgl. HR 20 juni 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0824, NJ 1990/93 m.nt. Van Veen, met dien verstande dat dit arrest betrekking heeft op ad informandum gevoegde feiten.

12 Vgl. ook Langemeijer, a.w., p. 109.

13 In vergelijkbare zin mijn ambtgenoot Knigge in zijn conclusie (randnummer 29) voorafgaand aan HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7391.

14 Zie ook HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3291, NJ 2004/343 en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Jörg.

15 Zie daarover nader de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt (vanaf randnummer 13) voorafgaand aan HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1522, NJ 2016/335.

16 Geen inzicht had het hof gegeven in: HR 4 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7075 en HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:131.

17 Vgl. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959, NJ 2014/256.

18 HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430 m.nt. Van Kempen (rov. 2.6). Zie ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2015, achtste druk, p. 211-212.

19 Kamerstukken II 2009/10, 32 169, nr. 3, p. 10.