Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:328

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-03-2017
Datum publicatie
10-05-2017
Zaaknummer
15/03455
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:840, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Diefstal van elektriciteit t.b.v. hennepkwekerij, art. 342.2 Sv. Vinden bevindingen fraudespecialist van energiemaatschappij t.a.v. waarneming van illegale elektriciteitsaansluiting voldoende steun in ander gebezigd bewijsmateriaal? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 15/03455 en 15/03457 P.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/03455

Zitting: 7 maart 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 20 juli 2015 de verdachte wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en 2. “diefstal” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de benadeelde partij Liander N.V. niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

  2. Deze strafzaak hangt samen met een andere strafzaak (nr. 15/03456) en een ontnemingszaak (nr. 15/03457 P) tegen de verdachte, waarin ik vandaag eveneens concludeer.

  3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. B.P. Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.1

4. Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 2 onvoldoende is gemotiveerd, aangezien het hof deze bewezenverklaring in strijd met art. 342, tweede lid, Sv uitsluitend heeft gebaseerd op bewijsmiddelen die zijn te herleiden tot de verklaringen van één getuige (een medewerker van het energiebedrijf Liander N.V.).

5. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezen verklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 16 september 2010 tot en met 12 april 2011 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen elektriciteit, toebehorende aan de Liander N.V.”

6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen2:
(i) Een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 18 april 2011, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , voor zover inhoudende als mededeling van de verbalisant:

“Op dinsdag 12 april 2011 kreeg ik het verzoek van de regiopolitie IJsselland om langs te gaan op adres [a-straat 1] te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer. Daar zou mogelijk een persoon verblijven die verdacht wordt van betrokkenheid bij het exploiteren van een hennepkwekerij. De persoon zou door de regiopolitie IJsselland gesignaleerd zijn.

De persoon zou zijn genaamd:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] .

Het verzoek van de regiopolitie IJsselland was om [verdachte] aan te houden.

Op aanbellen werd niet gereageerd. Hierop heb ik contact gezocht met de buren op [a-straat 2] . Zij vertelden mij dat er geen personen woonden in het huis en dat af en toe mensen langskwamen. Hierop heb ik gevraagd of ze de politie wilden bellen als er iemand in de woning was. Hierop ben ik weer vertrokken.

Op dinsdag 12 april 2011, omstreeks 13:19 uur, werd ik gebeld door de buren van [a-straat 1] . Zij vertelden mij dat er twee jongens in de woning aanwezig waren. Voorts verklaarden zij dat de twee jongen met grote vuilniszakken waren weggereden en dat ze er nu weer waren.”

(ii) Een proces-verbaal van bevindingen en verloop onderzoek van de politie van 17 november 2011, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , voor zover inhoudende als mededeling van de verbalisant:

“Op 13 april 2011 werd de woning aan [a-straat 1] te Hoofddorp in afwezigheid van en tegen de wil van de bewoner, ter inbeslagneming betreden, met gebruikmaking van een machtiging afgegeven door een hulpofficier van justitie op grond van de Opiumwet.

Het perceel betreft een vrijstaande woning, gelegen aan [a-straat 1] te Hoofddorp in de gemeente Haarlemmermeer. De woning heeft twee woonlagen, begane grond en de eerste verdieping. Nadat de deur was geopend, werd er een hennepkwekerij aangetroffen in drie slaapkamers op de eerste verdieping.

In totaal hingen er in de 3 kweekruimtes 55 assimilatielampen van 600 Watt. In totaal stonden er 300 plantenbakken, zonder complete hennepplanten. In deze plantenbakken zaten afgeknipte wortels.

Alle hennepplanten werden door middel van een irrigatiesysteem, komende vanaf de waterbak vanuit dezelfde ruimtes, van een vloeistof voorzien. In de kweekruimten hingen koolstoffilters. Via een flexibel buizensysteem stonden de filters in verbinding met een luchtfilter, welke in de ruimte hing.

De stroomvoorziening van de kwekerij werd onderzocht door een medewerker van energiebedrijf Liander. Hierbij werd geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van de kwekerij illegaal werd afgenomen. Het bleek dat buiten de meter om stroom werd afgenomen.

In de woning lagen ongeopende poststukken op naam van [verdachte] . De eigenaar van de woning bleek een man genaamd [betrokkene 1] , wonende te Hoofddorp. Deze man deelde desgevraagd telefonisch mede dat hij de woning had verhuurd aan een man genaamd [verdachte] . Deze man had een huurcontract ondertekend en betaalde de huur.”

(iii) Een op 2 mei 2011 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 2] , voor zover inhoudende:

“Ik ben samen met mijn man, genaamd [betrokkene 1] , eigenaar van de woning gelegen aan [a-straat 1] te Hoofddorp.

Wij hebben genoemde woning per 1 juni 2010 verhuurd aan [verdachte] . De woning is verhuurd voor een periode van een jaar met een optie tot verlenging.

Mijn man is op 23 april 2011 naar de woning aan [a-straat 1] gegaan, omdat hij had vernomen van een kennis dat er een inval in de woning was geweest. Mijn man kreeg van de agent die hem te woord stond te horen dat er een inval is geweest in verband met en hennepkwekerij.

[verdachte] heeft een huurachterstand over de maanden april en mei.”

(iv) Een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 17 november 2011, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , voor zover inhoudende als mededeling van de verbalisant:

“Naar aanleiding van de aanhouding buiten heterdaad van de verdachte [verdachte] werd een aanvullend onderzoek ingesteld. Uit een door slachtoffer/getuige aan de politie ter beschikking gesteld huurcontract betreffende de verhuur van zijn woning op het adres [a-straat 1] te Hoofddorp bleek dat de woning was verhuurd aan [verdachte] . Bij dit huurcontract was een kopie gevoegd van het identiteitsbewijs van [verdachte] .

Op woensdag 16 november 2011 nam ik telefonisch contact op met [betrokkene 1] . Desgevraagd verklaarde [betrokkene 1] mij het volgende:

- Ik heb [verdachte] persoonlijk ontmoet in de woning tijdens de ondertekening van het huurcontract.

- De man op de foto van het identiteitsbewijs is de man die ik ken als [verdachte] .

- [verdachte] heeft een paar keer de huur contact (het hof begrijpt: contant) aan mij betaald en een paar keer via de bank.”

(v) Een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 16 november 2011, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , voor zover inhoudende als mededeling van de verbalisant:

“Naar aanleiding van de aanhouding buiten heterdaad van de verdachte [verdachte] werd een aanvullend onderzoek ingesteld. Uit een door de aangever [betrokkene 1] aan de politie ter beschikking gesteld huurcontract betreffende de verhuur van zijn woning op het adres [a-straat 1] te Hoofddorp bleek dat de woning was verhuurd aan [verdachte] . Bij dit huurcontract was een kopie gevoegd van het identiteitsbewijs van [verdachte] .

Op woensdag 16 november 2011 nam ik telefonisch contact op met [betrokkene 3] van [A] te Amstelveen en ik vroeg hem over de omstandigheden waaronder het huurcontract was afgesloten. Desgevraagd verklaarde [betrokkene 3] mij het volgende:

(...)

- De man op de foto van het identiteitsbewijs is de man die het huurcontract ondertekende. Ik herkende hem zeker voor 100 procent.

- Na een tijd ben ik een keer langs de woning gegaan en toen zag ik dat de benedenverdieping nog in dezelfde staat was als tijdens het afsluiten van het huurcontract. De woning zag er niet bewoond uit en ik vond dit verdacht. Ik heb toen [betrokkene 1] op de hoogte gebracht en kort hierna werd de woning door de politie ontruimd.

(...)

- [verdachte] kwam betrouwbaar over. Hij heeft leugens verteld om de woning te kunnen huren. Hij zou er zelf gaan wonen wat hij niet deed.”

(vi) Een op 16 november 2011 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:

“Verdachte verklaarde uit zichzelf:

Je moet het lekker doen zoals ik. Helemaal voor jezelf. Er moet toch wiet komen voor de coffeeshops. Opgeven is geen optie.”

(vii) Een “aangifteformulier veroorzaken gevaarlijke situatie en diefstal energie” van 22 april 2011 betreffende de onderneming Liander N.V., voor zover hier van belang inhoudende als verklaring van [betrokkene 4] , administratief medewerker van de afdeling energiefraude:

“Pleegplaats: Hoofddorp

Adres: [a-straat 1]

Postcode: [postcode]

Liander N. V. transporteert en distribueert energie naar particulieren en bedrijven, waaronder naar de contractant van bovengenoemd perceel. Liander N. V. heeft vanaf 16 september 2011 (het hof begrijpt: 16 september 2010) met een persoon/bedrijf genaamd [verdachte] een overeenkomst betreffende aansluiting en transport van elektriciteit naar bovengenoemd perceel.

Als in deze aangifte wordt gesproken over hennepplantage en/of hennepplanten, hennepstekjes, hennepstekkerij en/of hennepresten, kan ik mededelen dat voornoemde fraudespecialist en [betrokkene 5] hebben verklaard dat zij dit herkenden aan de hen bekende kleur en vormgeving en dat zij daarbij de hen bekende, typische, geur van hennep roken.

De fraudespecialist (M02) constateerde op 14 april 2011 verboden handelingen aan de elektriciteitsinstallatie en trof aan dat aan de bovenzijde van de zekeringhouders een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt. Hij zag namelijk een extra aansluiting en dat deze aansluiting buiten de elektriciteitsmeter om liep naar de hennepplantage en deze voorzag van elektriciteit. De eerdergenoemde fraudespecialist zag dat de hoofdbeveiliging ten behoeve van de elektrische installatie verzwaard was. Contractueel hoort er 3 X 25 Amp in te zitten. Hij zag dat er nu zekeringen met een waarde van 3 x 63 Amp geplaatst waren.

Door voorstaande werd schade en hinder veroorzaakt aan Liander N. V, omdat de juiste tarievenregeling niet kon worden toegepast. Door de manipulatie werd de afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage niet via de elektriciteitsmeter geregistreerd.

Naar aanleiding van deze inventarisatie en het door Liander N. V. ingestelde onderzoek is door mij een berekening gemaakt waaruit blijkt dat er minimaal 104.772 kWh illegaal is afgenomen (weggenomen) ten behoeve van de hennepplantage.

Niemand is gerechtigd de elektra, zijnde eigendom van Liander N. V. op deze wijze weg te nemen en zich toe te eigenen.

Bijlage: historisch verbruik elektriciteit, inhoudende:

(…).”

7. Het hof heeft in de bestreden uitspraak onder “bewijsoverweging” in reactie op een door de raadsvrouwe van de verdachte gevoerd bewijsverweer het volgende overwogen:

“De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - kort samengevat - bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de diefstal van elektriciteit in de periode van 1 september 2010 tot en met 3 februari 2011, omdat een discrepantie bestaat tussen de periodes die ten laste zijn gelegd voor de hennepteelt en de diefstal van de elektriciteit. Ter onderbouwing hiervan heeft zij aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt sinds wanneer de elektriciteit is afgenomen en de verdachte enkel één oogst wordt verweten.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het exacte moment waarop de verdachte is begonnen met de diefstal van de elektriciteit blijkt weliswaar niet uit het dossier, maar blijkens de aangifte van Liander heeft de verdachte, naar het hof begrijpt, op 16 september 2010 een contract afgesloten met Liander ten behoeve van het leveren van elektriciteit. Het in de aangifte van Liander genoemde jaartal van 2011 (dossierpagina 64) moet op een kennelijke schrijffout berusten, gelet op de aanvang van de huurtermijn op 1 juni 2010 en het in de aangifte opgenomen “historisch verbruik elektriciteit” (dossierpagina 67). Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op tijdstippen in de periode van 16 september 2010 tot en met 12 april 2011 elektriciteit heeft weggenomen.”

8. Voorts heeft het hof in de aanvulling met bewijsmiddelen onder “bewijsoverweging” nog het volgende overwogen:

“De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn - ook in hun onderdelen - telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.”

9. Volgens art. 342, tweede lid, Sv kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door het hof niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de bewezenverklaring als geheel en vereist niet dat elk aspect van de bewezenverklaring door meer dan één bewijsmiddel wordt ondersteund. Voorts strekt de bepaling ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij het hof verbiedt tot een bewezenverklaring te komen indien de door één getuige genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.3

10. Het hof heeft het bewijs van het onder 2 ten laste gelegde feit voor een belangrijk deel gestoeld op de waarneming van een fraudespecialist van energiemaatschappij Liander N.V, zoals opgenomen in het namens Liander N.V. ingediende aangifteformulier (bewijsmiddel 7). Deze op schrift getelde waarneming betreft in formele zin geen getuigenverklaring zoals bedoeld in art. 342, eerste lid, Sv. Die omstandigheid laat onverlet dat in materiële zin sprake is van een verklaring van een getuige, waarop het bewijs niet uitsluitend kan worden gegrond.4

11. In de bestreden uitspraak ligt als het oordeel van het hof besloten dat de als bewijsmiddel 7 voor het bewijs gebruikte bevindingen van een fraudespecialist van energiemaatschappij Liander N.V., inhoudende dat hij heeft gezien dat in de desbetreffende woning een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt die liep naar de hennepplantage en deze voorzag van elektriciteit, voldoende steun vinden in ander gebezigd bewijsmateriaal.

12. In het licht van hetgeen hiervoor onder 9 is vooropgesteld, geeft dit oordeel geen blijk van miskenning van art. 342, tweede lid, Sv, terwijl dit oordeel gelet op de hiervoor onder 6 weergegeven inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen evenmin onbegrijpelijk is. Voor zover het middel berust op de veronderstelling dat alleen van steun in de hiervoor bedoelde zin sprake kan zijn als in het desbetreffende bewijsmiddel melding wordt gemaakt van de diefstal van elektriciteit, gaat het uit van een eis die het recht niet kent. In dit verband is van belang dat uit de bewijsvoering volgt dat het bewezen verklaarde wegnemen van elektriciteit plaatsvond ten behoeve van een hennepkwekerij waarbij de verdachte was betrokken. In andere bewijsmiddelen is voldoende steun te vinden voor het aantreffen van de hennepkwekerij ten behoeve waarvan de illegale elektriciteitsaansluiting is aangelegd en in gebruik is geweest. Hetzelfde geldt voor de betrokkenheid van de verdachte bij de hennepkwekerij. Uit het relaas van verbalisant [verbalisant 2] volgt dat op 13 april 2011 in een woning in Hoofddorp een hennepkwekerij is aangetroffen, dat in de drie kweekruimtes 55 assimilatielampen van 600 Watt hingen en dat een medewerker van Liander N.V. heeft geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van die kwekerij illegaal werd afgenomen (bewijsmiddel 2). De verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] (de mede-eigenaren van de woning) en [betrokkene 3] (de makelaar die de verhuur van de woning heeft geregeld) houden in dat de verdachte de woning met ingang van 1 juni 2010 heeft gehuurd (bewijsmiddelen 3, 4 en 5). In de aangifte van Liander N.V. heeft [betrokkene 4] verklaard dat door de manipulatie van de elektriciteitsinstallatie de afgenomen stroom ten behoeve van de hennepplantage niet via de elektriciteitsmeter werd geregistreerd, dat volgens zijn berekening minimaal 104.772 kWh aan elektriciteit illegaal is weggenomen ten behoeve van de hennepplantage en dat niemand is gerechtigd om op deze wijze elektriciteit van Liander N.V. weg te nemen en zich toe te eigenen (bewijsmiddel 7). Het hof heeft in zijn bewijsoverwegingen op basis van deze aangifte vastgesteld dat de verdachte op 16 september 2010 een contract heeft afgesloten met Liander N.V. ten behoeve van het leveren van elektriciteit.

13. Aldus is van strijd met art. 342, tweede lid, Sv geen sprake en is de bewezenverklaring van feit 2 voldoende gemotiveerd. In het licht van hetgeen de raadsvrouwe van de verdachte ten aanzien van feit 2 heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. De raadsvrouwe heeft immers slechts een bewijsverweer gevoerd ten aanzien van de periode waarin dit feit is gepleegd en niet ten aanzien van (het ontbreken van) steunbewijs.5

14. Anders dan de steller van het middel betoogt, doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet af dat de in het relaas van de verbalisant [verbalisant 2] (bewijsmiddel 2) genoemde “medewerker van energiebedrijf Liander” dezelfde persoon zou zijn als de in het aangifteformulier van Liander N.V. bedoelde “fraudespecialist (M02)” van Liander N.V. De bevindingen van de fraudespecialist vinden immers voldoende steun in ander gebezigd bewijsmateriaal.

15. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Op 26 april 2016 is het cassatieberoep namens de verdachte (gedeeltelijk) ingetrokken, voor zover het is gericht tegen de beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering. Een dergelijke beperking van het cassatieberoep is toelaatbaar. Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Aben (ECLI:NL:PHR:2014:1415) onder 2 (voetnoot 1) voorafgaand aan HR 2 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:3273 (art. 81 RO), onder verwijzing naar HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610.

2 Het hof heeft deze bewijsmiddelen zowel voor feit 1 als voor feit 2 gebruikt.

3 Vgl. HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2911, rov. 2.3, HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2483, rov. 2.3, HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1817, rov. 3.2, HR 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1354, NJ 2014/329 m.nt. Rozemond, rov. 3.2, HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, NJ 2013/515 m.nt. Reijntjes, rov. 3.2, HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1890, NJ 2013/279 m.nt. Reijntjes, rov. 3.4, HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ6144, NJ 2012/252 m.nt. Schalken, rov. 3.2, HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1728, NJ 2010/612 m.nt. Borgers, rov. 2.4 en HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515 m.nt. Borgers, rov. 2.4.

4 Vgl. G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, achtste druk, Deventer: Kluwer 2014, p. 777 en A.L. Melai & M.S. Groenhuijsen e.a. (red.), Het Wetboek van Strafvordering (losbladig), Deventer: Kluwer, aant. 8 bij art. 344 Sv (bijgewerkt tot en met 17 december 2007).

5 Zie HR 24 maart 2015, nr. 13/02458 (niet gepubliceerd; art. 81 RO, tweede middel) en HR 22 april 2014, nr. 13/01497 (niet gepubliceerd; art. 81 RO, eerste middel). Vgl. voorts HR 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1354, NJ 2014/329 m.nt. Rozemond, rov. 3. Vgl. voor een zaak waarin de Hoge Raad ten aanzien van diefstal van elektriciteit bij een hennepkwekerij heeft geoordeeld dat de bewezenverklaring slechts op één bewijsmiddel steunt: HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5500, NJ 2012/597, rov. 2.