Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:326

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-03-2017
Datum publicatie
09-05-2017
Zaaknummer
16/04460
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:838, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ontzegging rijbevoegdheid (OBM) bij onbekend gebleven bestuurder. Art. 181 WVW 1994. Art. 62 jo. 92 RVV 1990. De bijkomende straf van OBM kan ook aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig worden opgelegd, indien deze wordt veroordeeld t.z.v. overtreding van art. 62 RVV 1990, terwijl het feit is begaan door een bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BC9414). Middel berust kennelijk op opvatting dat OBM t.z.v. zo’n overtreding niet zonder nadere motivering m.b.t. de verwijtbaarheid van de eigenaar of houder van een motorvoertuig aan deze kan worden opgelegd. Aldus stelt het een eis die het recht niet kent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/0 4460

Mr. Machielse

Zitting 7 maart 2017

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch (enkelvoudige kamer) heeft verdachte op 25 september 2015 voor: Overtreding van het bepaalde in artikel 62 jo. bord A1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 veroordeeld tot een geldboete van € 860 en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee maanden.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof de ontzegging van de rijbevoegdheid heeft opgelegd zonder in het bijzonder de redenen te geven die tot oplegging van deze straf hebben geleid. In de toelichting op het middel wordt uitgebreid ingegaan op de veronderstelde ratio en achtergrond van artikel 181 WVW 1994. De aansprakelijkheid van de kentekenhouder heeft volgens de steller van het middel minder te maken met de geconstateerde verkeersovertreding dan met het verzaken van een zorgplicht, ertoe strekkende dat moet worden voorkomen dat met het voertuig verkeersovertredingen worden begaan die ongestraft zouden blijven als de bestuurder niet bekend is. Het verwijt aan de kentekenhouder heeft dus een ander karakter dan het verwijt aan de bestuurder. Dat verwijt kan ook variëren. De kentekenhouder kan opzettelijk de identiteit van de bestuurder verzwijgen, maar ook niet in staat zijn om die identiteit prijs te geven omdat hij onvoldoende heeft toegezien op de mogelijkheid dat ook anderen van het voertuig gebruik zouden maken. Bij een veroordeling voor artikel 181 WVW 1994 zou de aard van het verwijt dat men aan de kentekenhouder maakt een rol moeten kunnen spelen in die zin dat de kentekenhouder die slechts uit onachtzaamheid de bestuurder niet kan identificeren niet met deze bestuurder gelijk kan worden behandeld. De ontzegging van de rijbevoegdheid strekt normaal tot bevordering van de verkeersveiligheid, maar lijkt minder gepast in gevallen waarin de kentekenhouder met de identiteit van de bestuurder verwijtbaar niet bekend is, dan in gevallen waarin de kentekenhouder opzettelijk deze identiteit verborgen houdt. De steller van het middel bepleit een bijzondere motiveringsplicht bij veroordeling voor artikel 181 WVW 1994, zeker wanneer een ontzegging van de rijbevoegdheid wordt uitgesproken. De rechter zal dan zich uitdrukkelijk moeten uitlaten over de verwijtbaarheid van de kentekenhouder. En dat heeft het hof in de onderhavige zaak niet gedaan.

3.2. Voor een goed begrip van de huidige regeling met betrekking tot de verkeersdelicten, begaan door een onbekend gebleven bestuurder, lijkt het mij zinvol om in te gaan op de geschiedenis van de wetgeving. Daar kan wellicht duidelijker worden welke gevallen de wetgever voor ogen stonden bij de invoering van de mogelijkheid van oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid aan de eigenaar van een motorrijtuig waarmee die verkeersdelicten zijn begaan.

3.3.1. In 1924 werd de Motor- en rijwielwet voorzien van een nieuw artikel 32 dat de eigenaar van een motorrijtuig op gelijke wijze aansprakelijk maakte voor de door de onbekende bestuurder gepleegde overtreding. Volgens de toelichting werd zo de aansprakelijkheid voor overtredingen van de bestuurder in sommige gevallen bij een ander, de eigenaar of houder van een motorrijtuig, gebracht.1

3.3.2. Tijdens de bezetting gold de Wegenverkeersregeling naast nog enige gehandhaafde bepalingen van de Motor-en Rijwielwet. De wens tot zuivering van de wetgeving na de bezetting leidde tot het alsnog invoeren van de Wegenverkeerswet van 13 september 1935.2 Deze wet trad vervolgens op 1 januari 1951 als Wegenverkeerswet in werking. Artikel 40 WVW nam artikel 32 van de Motor- en Rijwielwet met een kleine wijziging over. De eigenaar kon op gelijke wijze als de bestuurder aansprakelijk worden gesteld voor het verkeersdelict, en kon zich uitsluitend vrijwaren van aansprakelijkheid door de bestuurder bekend te maken of door aannemelijk te maken dat het motorrijtuig tegen zijn wil was gebruikt en dat hij dit gebruik niet had kunnen beletten.

In de zeventiger jaren van de vorige eeuw rees echter de vraag of men wel de een strafrechtelijk aansprakelijk kon maken voor het delict van de ander. Het schuldbeginsel en de praesumptio innocentiae werden in het geweer geroepen tegen deze aansprakelijkheid. In 1972 voorzag de Hoge Raad artikel 40 WVW van een nieuw fundament. De strafbaarheid van artikel 40 WVW berustte niet op een risico-aansprakelijkheid of op een enkele verschuiving van aansprakelijkheid, maar op het niet nakomen van de verplichting door de eigenaar om ervoor te zorgen dat met het motorrijtuig geen verkeersovertredingen door onbekende bestuurders worden begaan.3 De veroordeelde eigenaar zette echter door en wendde zich tot de Europese Commissie voor de rechten van de mens. Deze verklaarde de klacht niet ontvankelijk. De Commissie zag er geen bezwaar in om de eigenaar aansprakelijk te stellen voor verkeersovertredingen die hij niet zelf had begaan.4

3.3.3. Inmiddels was artikel 40 WVW al aangepast in die zin dat de eigenaar niet meer aansprakelijk was voor het verkeersdelict, maar voor het eigen nalaten om op eerste vordering de identiteit van de onbekende bestuurder bekend te maken.5 Door deze wijziging kreeg artikel 40 WVW de volgende inhoud:

“1. Hij, die met een motorrijtuig, waarmede een overtreding is begaan van een bij of krachtens deze wet gesteld voorschrift, heeft doen of laten rijden, is, indien de identiteit van de bestuurder, die de overtreding heeft gepleegd, niet kon worden vastgesteld, verplicht op de eerste vordering van een der in artikel 42 bedoelde personen binnen een daarbij te stellen termijn, die tenminste 48 uur bedraagt, de identiteit van de bestuurder bekend te maken.

2. Niet strafbaar is hij die, indien hij niet in staat is de identiteit van de bestuurder bekend te maken, de identiteit bekend maakt van degene, aan wie hij het motorrijtuig ter beschikking heeft gesteld. ”

De focus was dus verlegd van een eigen aansprakelijkheid van de eigenaar voor het delict in de richting van een verplichting voor de eigenaar of houder om informatie te verstrekken.

3.3.4. In 1985 werd een voorstel ingediend voor een wijziging van de regeling. De Memorie van toelichting bij het voorstel wees erop dat de wijziging van 1974 erop was gericht om de identiteit van de bestuurder te achterhalen. Maar het gemotoriseerde verkeer is enorm uitgebreid en de controle van de verkeersregels gebeurt voor een groot deel geautomatiseerd, door bijvoorbeeld roodlichtcamera's en automatische snelheidsmeting. Artikel 40 WVW is gericht op het vaststellen van de identiteit van de bestuurder. Maar de eigenaar moet wel die bestuurder met het motorrijtuig hebben "doen of laten rijden". Alleen dan is hij verplicht de bestuurder te noemen. En ook deze aangewezen persoon kan weer een ander hebben "doen of laten rijden". Voor het vaststellen dat de een inderdaad de ander heeft "doen of laten rijden" was de politie goeddeels afhankelijk van de mededelingen van de eigenaar of de door hem aangewezen persoon. Dat betekende dat de opsporing van de werkelijke bestuurder omslachtig was en het resultaat ervan onzeker. Dat geldt ook voor de grote massa van kleine verkeersovertredingen. Vandaar dat een aanpassing van artikel 40 WVW noodzakelijk werd geoordeeld.6 Voorgesteld werd een nieuw artikel 40, waarvan het eerste lid de volgende inhoud had:

“Indien een bij of krachtens deze wet als overtreding strafbaar gesteld feit wordt begaan door een bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder van een motorrijtuig, kan de eigenaar of houder van dat motorrijtuig voor dat feit aansprakelijk worden gesteld en gestraft met de op het feit gestelde geldboete voor zover deze niet reeds naast de bestuurder voor dat feit aansprakelijk is.”

De verhouding tussen eigenaar en bestuurder kon volgens de Minister op drie wijzen gestalte krijgen. In de eerste plaats kan de eigenaar zelf het motorrijtuig hebben bestuurd. De tweede mogelijkheid is dat een derde het motorrijtuig bestuurde en dat de eigenaar weet wie dat was. Dan was het aan de eigenaar om te beslissen of hij de naam van bestuurder bekend zou maken of niet. In de derde categorie gevallen weet de eigenaar niet wie het voertuig heeft bestuurd. Soms kan aan de eigenaar daarvan geen verwijt worden gemaakt. Maar van de eigenaar mag worden verwacht dat hij eraan meewerkt dat met zijn motorrijtuig geen strafbare feiten worden begaan die ongestraft zouden blijven bij gebreke van een bekende dader. De eigenaar draagt medeverantwoordelijkheid voor een deel van het algemene risico waaraan het verkeer een ieder blootstelt door het in het verkeer brengen en houden van het motorrijtuig. Daarom rust op hem een zorgplicht die meebrengt dat hij na een redelijke tijd nog moet kunnen achterhalen wie het motorrijtuig indertijd heeft gebruikt.7

Volgens de Minister kon op deze voet voor overtredingen een systeem worden geïntroduceerd dat aanleunt tegen de oude regeling en wel aldus dat:

“de eigenaar of houder aansprakelijk zou kunnen worden gesteld voor het geconstateerde feit, tenzij hij de bestuurder alsnog zou bekend maken, dan wel aannemelijk zou worden dat hem terzake van het onbekend blijven van de bestuurder geen verwijt treft.”

Voor overtredingen zal de eigenaar of houder van een motorrijtuig zonder meer in plaats van de onbekende bestuurder aansprakelijk worden gesteld. Hij kan aan die aansprakelijkheid ontkomen door op tijd de bestuurder bekend te maken of wanneer hij niet heeft kunnen vaststellen wie heeft bestuurd en hem van die onwetendheid geen verwijt kan worden gemaakt. De eigenaar heeft dus de keuze; de strafrechtelijke consequenties zelf dragen of de identiteit van de bestuurder prijsgeven. Bij verkeersovertredingen, begaan door een onbekende bestuurder, zal de opsporing zich dus richten op de eigenaar; dat levert een werkbesparing op. Dat is ook nodig gelet op de massaliteit van het probleem, overigens zonder dat dit aan de vereiste rechtswaarborgen van een billijke, doelmatige en efficiënte stijl van afdoening hoeft af te doen. Deze gedeelde aansprakelijkheid is niet alleen beperkt tot overtredingen maar ook tot oplegging van geldboete, dus met uitzondering van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen.8

Als het om een misdrijf gaat ligt het anders. Bij misdrijven wordt geen keuzevrijheid aan de eigenaar gegund. De eigenaar zal volgens het nieuwe artikel 41 kunnen worden verplicht om de bestuurder bekend te maken. Voldoet hij niet aan deze plicht dan is dat een strafbaar feit. Het is niet aanvaardbaar om de eigenaar van een motorrijtuig aansprakelijk te doen zijn voor een misdrijf waarbij hij niet betrokken was. Maar anderzijds is het ook gewenst om bij misdrijven de focus op de bestuurder zelf te houden:

“Dat betekent dat van de eigenaar of houder van een motorrijtuig wel medewerking mag worden verwacht aan de opsporing van degene die met zijn motorrijtuig een ernstig strafbaar feit heeft gepleegd, maar dat de aansprakelijkheid voor dat feit uitsluitend op de dader dient te rusten.” 9

Ook dan kan de eigenaar zich overigens disculperen. In geval van een misdrijf moet de opsporing zich dan concentreren op de onbekende bestuurder, zij het dat de eigenaar tot medewerking kan worden verplicht. Verzaakt de eigenaar deze informatieplicht dan kan hem wel een ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd. De eigenaar kan er een groot belang bij hebben om niet aan de vordering te voldoen met name als hij zelf betrokken was bij het misdrijf. De mogelijkheid van een ontzegging van de rijbevoegdheid kan ertoe dienen de verleiding te verminderen om niet aan zijn informatieplicht te voldoen.10

Bij Tweede Nota van Wijziging is het eerste lid van het voorgestelde artikel 40 aanzienlijk gewijzigd en wel aldus:

“Indien een bij of krachtens deze wet als overtreding strafbaar gesteld feit wordt begaan door een bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder van een motorrijtuig, kan de eigenaar of houder van dat motorrijtuig voor dat feit worden gestraft voor zover deze niet reeds naast de bestuurder voor dat feit aansprakelijk is.”

Deze wijziging wil voorkomen

“dat de eigenaar of houder van een motorrijtuig die zelf gereden heeft, het uit vrees voor een ontzegging van de rijbevoegdheid laat aankomen op een veroordeling op grond van artikel 40, eerste lid, in plaats van voor de door hem begane overtreding. Vooral voor de wat ernstiger overtredingen van de maximum snelheid zou dit verschijnsel zich kunnen voordoen.” 11

De Minister legde uit dat de aanvankelijke beperking tot een geldboete in artikel 40 WVW moest worden gezien tegen de achtergrond van de massaliteit van de verkeersovertredingen waarbij als regel met de oplegging van een geldboete kon worden volstaan. Maar nu de regeling inmiddels mede bedoeld is om te zijner tijd als aanvulling te dienen op het systeem van administratiefrechtelijke afdoening van verkeersovertredingen is het ongewenst als oplegging van een hechtenisstraf en van de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid onmogelijk zou zijn. Juist bij de wat ernstiger overtredingen zou zo een beperking tot ongelijke behandeling en ondergraving van de rechtshandhaving kunnen leiden.12 Deze aangepaste versie van artikel 40 is uiteindelijk wet geworden.13

3.3.5. In 1991 werd het ontwerp voor de huidige Wegenverkeerswet 1994 ingediend. Het voorstel kende afzonderlijke regelingen voor het geval er sprake was van een verkeersmisdrijf of van een verkeersovertreding, begaan door een onbekend gebleven bestuurder. Wanneer een verkeersmisdrijf was begaan door een onbekend gebleven bestuurder kwam op de eigenaar of houder van het motorrijtuig een verplichting te rusten om, na daartoe te zijn gevorderd, de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend te maken. Als de eigenaar of houder niet heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder was en hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt gold dat niet. Aldus het voorgestelde artikel 156 dat als artikel 165 thans in de WVW 1994 is opgenomen. Artikel 156 was een ongewijzigd duplicaat van artikel 41 van de Wegenverkeerswet.14 Het voorgestelde artikel 171 gaf een voorziening wanneer een overtreding werd begaan door een onbekend gebleven bestuurder. Dan konden de op het feit gestelde straffen worden uitgesproken tegen de eigenaar of houder van dat motorrijtuig. Het tweede lid van het voorgestelde artikel 171 somde de disculpatiemogelijkheden op. Het voorgestelde artikel 171 was vrijwel geheel gelijk aan zijn voorganger, artikel 40 van de Wegenverkeerswet. Het voorgestelde artikel 171 is uiteindelijk hernummerd tot artikel 181 en behoudens een kleine wijziging, wet geworden.

Buiten de gevallen die in het tweede lid van het voorgestelde artikel 171 zijn genoemd, konden aan de eigenaar dezelfde straffen worden opgelegd als aan de bestuurder. Dat gold zowel voor de bedreigde hechtenis, de geldboete als voor de ontzegging van de rijbevoegdheid.15 Aan beide onderdelen van de nieuw voorgestelde wetgeving is verder geen aandacht meer besteed. Klaarblijkelijk was men van oordeel dat de regeling in de Wegenverkeerswet voldoende duidelijk en praktisch was, en daarom kon worden gekopieerd.

De WVW 1994 maakt dus ook een onderscheid in de regeling voor aansprakelijkheid voor gedragingen van onbekend gebleven bestuurder is al naargelang het gaat om misdrijven dan wel om overtredingen. Artikel 165 WVW 1994 verplicht de eigenaar of houder van een motorrijtuig waarmee een verkeersmisdrijf is begaan door een onbekend gebleven bestuurder om de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend te maken. Op het niet nakomen van deze verplichting stelt artikel 177 WVW 1994 een straf van hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie. Ingevolge het tweede lid van artikel 178 WVW 1994 is het niet nakomen van deze verplichting een overtreding. De rijbevoegdheid kan aan de eigenaar of houder in zo een geval worden ontzegd voor een duur van ten hoogste twee jaar (artikel 179 lid 2 WVW 1994).

3.3.6. Voor verkeersovertredingen begaan door een onbekend gebleven bestuurder geldt een ander regime dan voor de verkeersmisdrijven. Voor dat geval zijn de volgende wetsartikelen van belang:

Artikel 177 WVW 1994:

“1. Overtreding van:

(...)

d. het bepaalde krachtens deze wet, voor zover die overtreding uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.”

Artikel 178 WVW 1994:

“1. (...)

2. De in artikel 177 strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.”

Artikel 181 WVW 1994:

"1. Indien een bij of krachtens deze wet als overtreding strafbaar gesteld feit wordt begaan door een bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder van een motorrijtuig, kunnen de op het feit gestelde straffen worden opgelegd aan de eigenaar of houder van dat motorrijtuig voor zover deze niet reeds naast de bestuurder voor dat feit aansprakelijk is. (...)"

Artikel 62 RVV:

“Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.”

Verkeersborden zijn, evenals verkeerslichten en verkeerstekens op het wegdek verkeerstekens. Bijlage 1 bij het RVV heeft betrekking op verkeersborden. Bord A1 is het bord dat de maximumsnelheid aangeeft.

Artikel 92 RVV

“1. Overtreding van de artikelen (...), 62, (...) is een strafbaar feit.

2. Bij de veroordeling van de bestuurder van een motorvoertuig, een bromfietser of een snorfietser wegens een overtreding als bedoeld in het eerste lid kan hem de bevoegdheid om motorvoertuigen, bromfietsen en snorfietsen te besturen voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd.”

3.3.7. De strafrechtelijke voorzieningen in de WVW 1994 voor de gevallen waarin de bestuurder die een verkeersdelict pleegt onbekend blijft, leunen dus zeer sterk op de verwante bepalingen van de Wegenverkeerswet. Aan de eigenaar van een motorrijtuig, waarmee een onbekend gebleven bestuurder een overtreding heeft gemaakt, moeten dezelfde straffen kunnen worden opgelegd als aan de bestuurder, om de eigenaar die zelf bestuurd zou hebben geen voordeel te geven door over de identiteit van de bestuurder te zwijgen.16 Dat geldt vooral voor de ernstiger overtredingen die niet met een administratieve sanctie behoren te worden afgedaan. Voor die ernstiger overtredingen moet onder meer een ontzegging van de rijbevoegdheid kunnen worden opgelegd.

De in de toelichting op het eerste middel verdedigde stelling dat de eigenaar van een motorrijtuig waarmee een onbekend gebleven bestuurder een overtreding heeft begaan strafrechtelijk aansprakelijk is voor het verzaken van een zorgplicht lijkt mij dus onjuist. Dat geldt wel voor verkeersmisdrijven maar niet voor overtredingen. Bij overtredingen heeft de eigenaar immers de keus.

3.4. In de onderhavige zaak heeft het hof de strafoplegging aldus gemotiveerd:

“Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Op grond daarvan acht het hof oplegging van een geldboete van EUR 860,-- subsidiair 17 dagen hechtenis passend en geboden.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Mee ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof voor de duur van 2 maanden aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen.”

3.5. De onderhavige zaak betreft een snelheidsovertreding. Met het motorrijtuig dat op naam staat van verdachte is ter plekke waar een maximumsnelheid van 120 km/h gold 181 km/h gereden. Dat is een zo forse snelheidsovertreding dat een administratieve afdoening niet meer aan de orde is.

Ik stel voorop dat verdachte in eerste aanleg bij verstek is veroordeeld en dat hij hoger beroep heeft doen instellen, maar in hoger beroep evenmin is verschenen. In geen van beide instanties is verweer gevoerd over de strafoplegging. Verdachte is in de gelegenheid gesteld om de naam en het adres van de bestuurder bekend te maken, maar heeft die gelegenheid niet te baat genomen. De rechter van eerste aanleg en het hof hebben zich dus slechts kunnen verlaten op de inhoud van het dossier. Het hof heeft blijkens de strafmotivering acht geslagen op wat uit het onderzoek ter terechtzitting over de persoon van verdachte naar voren is gekomen. Tot het dossier behoort een Uittreksel Justitiële Documentatie van 25 augustus 2015, waarin een veroordeling van de verdachte van 22 augustus 2012 door de politierechter Maastricht is vermeld ter zake van artikel 7, aanhef en onder a WVW 1994 en van artikel 5 WVW 1994. De politierechter heeft verdachte daarvoor een geldboete van € 500 en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden opgelegd.

3.6. De ontzegging van de rijbevoegdheid is door de wetgever juist ook als sanctie voor de eigenaar van een motorrijtuig bedoeld om die eigenaar niet in een voordeliger positie te brengen dan de bestuurder. Voor ernstige snelheidsovertredingen past een ontzegging van de rijbevoegdheid en de eigenaar die zelf bestuurder was maar op kenteken is betrapt zou er te gemakkelijk van af komen door te zwijgen. Vandaar dat die eigenaar dezelfde risico's moet lopen als de bestuurder. Gelet op de inhoud van het dossier, waaruit is op te maken dat verdachte al eerder heeft getracht zich aan zijn verantwoordelijkheid als weggebruiker te onttrekken, op het feit dat het een forse snelheidsovertreding betreft en dat verdachte geen verweer heeft doen voeren, heeft het hof de strafoplegging toereikend gemotiveerd. De verwijzing naar de verkeersveiligheid in de overwegingen van het hof acht ik hier volledig op zijn plaats, zelfs al zou verdachte niet degene zijn geweest die de auto heeft bestuurd. De verkeersveiligheid komt immers in het gedrang als de eigenaar van het motorrijtuig door de identiteit van een onbekend gebleven dader van een zware snelheidsovertreding niet te openbaren deze zou kunnen vrijwaren van een ontzegging van de rijbevoegdheid waardoor deze – wellicht na verrekening van de opgelegde boete met de eigenaar – weer ongestraft achter het stuur zou mogen plaatsnemen.

Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt over een schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Het cassatieberoep is ingesteld op 22 december 2015 en de stukken zijn eerst op 31 augustus 2016 ter administratie van de Hoge Raad ontvangen.

4.2. Inderdaad is de door de Hoge Raad op 8 maanden gestelde inzendtermijn met 8 dagen overschreden. De door het hof opgelegde hoofdstraf bedraagt echter minder dan € 1000,-.17 Daarom hoeft aan deze overschrijding geen gevolg te worden verbonden en kan de Hoge Raad volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is geschonden.18

5. Het eerste middel faalt. Het tweede middel behoeft niet tot cassatie te leiden. De Hoge Raad kan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in de cassatiefase is geschonden. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen. 1917 - 1918, 273. 3, p. 5-6. Zie J.B.H.M. Simmelink, Kentekenaansprakelijkheid: risico of vermoeden van schuld? in VRA 2007, p. 65 e.v. Zie voor de verschillende stelsels Mw mr M. Barels, Strafrechtelijke, administratiefrechtelijke en fiscale afdoening met de kentekenhouder, VRA 1994, p. 285 e.v.

2 Stb. 1935, 554.

3 HR 21 november 1972, NJ 1973, 123 m.nt. CB.

4 ECRM 26 mei 1975, NJ 1975, 508.

5 Wet van 26 september 1974, Stb. 1974, 546 tot wijziging van de kentekenregeling.

6 Kamerstukken II 1984/85, 19093, nrs. 1-4, p. 7 e.v.

7 Kamerstukken II 1984/85, 19093, nrs. 1-4, p. 9.

8 Kamerstukken II 1984/85, 19093, nrs. 1-4, p. 11.

9 Kamerstukken II 1984/85, 19093, nrs. 1-4, p. 10.

10 Kamerstukken II 1984/85, 19093, nrs. 1-4, p. 14.

11 Kamerstukken II 1987/88, 19093, nr. 11, p. 1-2.

12 Kamerstukken II 1987/88, 19093, nr. 11, p. 2.

13 Wet van 1 april 1988, Stb. 1988, 164.

14 Kamerstukken II 1990/91, 22030, nr. 3, p. 146.

15 Kamerstukken II 1990/91, 22030, nr. 3, p. 151.

16 In zijn noot onder HR 29 juni 1993, NJ 1994, 34 schrijft Knigge over art. 40 Wegenverkeerswet, de voorganger van art. 181 WVW 1994; “Het bijzondere van art. 40 WVW is zogezien, dat de vervolging is gebaseerd op een alternatief verwijt. De verdachte wordt verweten dat hij ofwel zelf de verkeersovertreding heeft begaan, ofwel de auto ter beschikking heeft gesteld aan iemand die hij niet kan of wil bekend maken.”

17 HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358 m.nt. Mevis, rov. 3.6.2 onder C.

18 Vgl. HR 17 november 2009, nr. 08/00685 (niet gepubliceerd), waarin het hof verdachte had veroordeeld tot een hechtenisstraf van twee weken en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden. De HR achtte de klacht over schending van de redelijke termijn gegrond en overwoog: “Gelet op de aan de verdachte opgelegde hechtenisstraf van twee weken en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.”