Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:318

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-02-2017
Datum publicatie
09-05-2017
Zaaknummer
16/00476
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:833, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Fiscale fraude. HR: art. 80a RO. Samenhang met 15/04994; 15/04995 en 15/05118.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 16/00476

Zitting: 14 februari 2017

Mr. P.C. Vegter

Conclusie/standpunt inzake:

[verdachte]

1. Bij arrest van 21 oktober 2015 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, het vonnis van de rechtbank Zutphen van 11 september 2012 bevestigd. Dat vonnis bevat een veroordeling van verdachte wegens – kort gezegd – feitelijk leidinggeven aan medeplegen van belastingfraude (feit 1), feitelijk leiding geven aan medeplegen van valsheid in geschrift (feit 2) en deelneming aan een criminele organisatie (feit 3) tot 10 (tien) maanden gevangenisstraf met aftrek als bedoeld in art. 27 (a) Sr. De feiten 1 en 2 zijn steeds meermalen gepleegd.

2. Er bestaat samenhang met de zaken 15/04994, 15/04995 en 15/05118. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. Het gaat hier om BTW-fraude ter zake van uit Duitsland geïmporteerde en hier verhandelde auto’s.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. C. Verillo, advocaat te Denekamp, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. De bespreking hieronder is kort, omdat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen nu de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

5. Het eerste middel klaagt erover dat het hof “ontoereikend heeft gemotiveerd waarom de verweren tegen de veroordeling in eerste aanleg zijn gepasseerd.” Daartoe worden in de schriftuur de pleitaantekeningen die voor alle feiten een bewezenverklaring betwisten herhaald.

6. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd en daarmee de beslissingen inzake de bewezenverklaring van de feiten 1 t/m 3 alsmede de daarvoor gegeven bewijsconstructie tot de zijne gemaakt. Het middel heeft al geen enkele kans van slagen nu op geen enkele wijze wordt toegelicht op welke grondslag het hof gehouden zou zijn in het arrest te beslissen op hetgeen is aangevoerd in de pleitaantekeningen. Ik merk op dat ik die grondslag ook niet heb kunnen vinden in de artikelen 358, derde lid, Sv of 359, tweede lid, Sv. Nu van verweren of uitdrukkelijk onderbouwde standpunten als in de genoemde bepalingen geen sprake is, zie ik niet dat het hof tekort is geschoten door niet in te gaan op hetgeen is aangevoerd.

7. Het tweede middel klaagt dat het hof “bij de straftoemeting niet voldoende rekening [heeft] gehouden met de tijdsduur van de procedures.” Het middel is niet gezet in de sleutel van de overschrijding van de redelijke termijn en evenmin wordt geklaagd over een ontoereikende reactie op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de straftoemeting.

8. De feitenrechter is vrij is in de keuze van de straf en de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. Of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren kan in cassatie niet worden onderzocht. Het middel stuit daarmee al af op vaste rechtspraak.1 Uit de door het hof bevestigde strafmotivering blijkt bovendien dat in aanmerking is genomen dat de feiten van ‘oudere’ datum zijn, dat ernstig rekening is gehouden met de lange periode die inmiddels is verstreken sedert de inverzekeringstelling alsmede dat de overschrijding van de redelijke termijn is verdisconteerd.

9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

10. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 2015, p. 310.