Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:313

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-03-2017
Datum publicatie
09-05-2017
Zaaknummer
15/04213
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:827, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beroep op afwezigheid van alle schuld (avas), nu het voor verdachte "onduidelijk" was of het voorhanden hebben van het minipistool onder de reikwijdte van de WWM viel. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2004:AO1490 m.b.t. de vereisten voor het slagen van een beroep op avas wegens dwaling t.a.v. de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde. Het kennelijke oordeel van het Hof dat niet aannemelijk is dat verdachte t.t.v. het begaan van het feit in de overtuiging verkeerde dat zijn gedraging niet ongeoorloofd was, is onjuist noch onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/04213

Zitting: 14 maart 2017

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 7 augustus 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens onder 2, “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, onder 3, ‘’opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, onder 4,‘’bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’’ en, onder 9, ‘’bedreiging met zware mishandeling’’ veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft 4 middelen van cassatie voorgesteld.

  3. De voorgeschiedenis die heeft geleid tot onderhavige strafzaak is een wat wonderlijke. Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt het volgende. De verdachte is naar eigen zeggen al jaren in een strijd verwikkeld met politie en justitie om een in zijn ogen gevaarlijk minipistooltje onder het bereik van de Wet wapens en munitie te brengen. Het gaat hierbij om een zogenaamd enkelschots penvuurpistool van het merk Berloque dat slechts enkele centimeters groot is. Volgens de verdachte zouden de politie en het openbaar ministerie van mening zijn dat deze minipistooltjes speelgoed zijn en derhalve niet onder de Wet wapens en munitie vallen. Om zijn verhaal kracht bij te zetten heeft hij naast de vele contacten met de politie en het openbaar ministerie onder meer filmpjes geplaatst op Facebook en Youtube om het gevaar van deze minipistooltjes aan te tonen. Omdat de verdachte niet zijn gewenste doel bereikte, is hij verder gegaan met zijn acties. Daarbij heeft hij uiteindelijk aan het Tweede Kamerlid Van Haersma Buma een kogelbrief, met een minikogeltje van het pistooltje, gestuurd. De toenmalig voorzitter van de Tweede Kamer Van Miltenburg ontving van hem een dreigmail. De verdachte is hierop aangehouden en bij de doorzoeking in zijn woning zijn verdovende middelen en het minipistooltje met munitie inbeslaggenomen. De verdachte is daarop vervolgd voor bedreiging, verboden wapenbezit, en het overtreden van de Opiumwet. Hoewel het erop lijkt dat de verdachte wat betreft de vervolging voor verboden wapenbezit eindelijk zijn zin heeft gekregen, heeft hij zich wat de overtreding van de Wet wapens en munitie betreft ten overstaan van het hof beroepen op afwezigheid van alle schuld. Op de verwerping van dit verweer heeft het eerste middel betrekking.

  4. Omdat de middelen zich ook richten tegen de bewezenverklaringen van de (andere) feiten, zal ik met het oog daarop eerst de inhoud van deze bewezenverklaringen en de bewijsmiddelen weergeven.

  5. De bewezenverklaringen van het hof luiden als volgt:

‘’Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2, 3, 4 en 9 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

2:

hij op 23 maart 2014 te Rotterdam, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een enkelschots penvuur pistool van het merk Berloque, kaliber 2 mm penvuur en bijbehorende onderdelen, te weten 5 schietbekers, en munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van die wet in de vorm van 14 pyrotechnische patronen met siereffect en 17 penvuur knalpatronen van het kaliber 2 mm en 2 penvuur kogelpatronen van het kaliber 2 mm, voorhanden heeft gehad;

3:

hij op 23 maart 2014 te Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 11,5 gram (netto), van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4:

hij op 6 oktober 2013 te Den Haag A. van Miltenburg (voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend in een e-mailbericht (afkomstig van " [...] @gmail.com"), gericht aan de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie van de Tweede Kamer, waarin hij aandacht vraagt voor het gevaar van minipistolen, onder meer geschreven: "Sedert enige jaren zit ik in conflict met de Rotterdamse politie en het Rotterdamse OM omtrent minipistolen, die volgens het OM speelgoed zouden zijn, die geen letsel veroorzaken. (....) Omdat men niet toe wilt geven en ik er van overtuigd ben dat ik in mijn recht sta en derhalve van mijn leven niet op zal geven is een volgende logische stap om publiekelijk met die dingen te gaan schieten. Een schietpartij vanaf de publieke tribune van de 2e kamer haalt immers direct het nieuws en zo valt het verhaal achter de pistooltjes te openbaren, daar waar Justitie de kwestie tot aan het Ministerie al jaren in de doofpot probeert te houden."

9:

hij in de periode van 13 mei 2010 tot en met 19 mei 2010, te Den Haag S. van Haersma Buma (als Tweede Kamerlid/fractievoorzitter van de CDA fractie in de Tweede Kamer der Staten-Generaal) heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk dreigend een zogenaamde kogelbrief met daarop geplakt een 2 mm penvuur patroon verstuurd dit lid van de CDA-fractie van de Tweede Kamer met daarin onder meer de volgende tekst: "Het ligt in de lijn van verwachtingen dat u dit keer niet zult kunnen pretenderen dat u geen kogelbrief heeft ontvangen, al was het alleen al omdat u op YouTube kan zien hoe ik deze brief aan u post. Als u op YouTube zoekt op [...], dan treft u een hele reeks filmpjes, die elke grens van fatsoen overschrijden en u zult niet kunnen begrijpen dat justitie geen vervolging durft in te stellen. In vol ornaat treft u bovendien het minivuurwapen dat ik van Justitie aan kinderen mag verkopen en als ik u was zou ik mij eens afvragen of u zou willen dat uw kind met dit wapen op zolder met zijn vriendjes gaat zitten experimenteren? Ik ga er vooralsnog vanuit dat deze kogelbrief voor uw partij voldoende zal zijn om Hirsch Ballin in die 2e kamer het vuur aan de schenen te leggen en ik niet het complete koningshuis op een kogelbrief hoef te trakteren, of bombrieven hoef te versturen, dankzij de springstof die ik voorhanden mag hebben van Justitie.’’

6. Voor het bewijs heeft het hof de volgende bewijsmiddelen gebezigd:

‘’Uit de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met bijlagen van de regiopolitie Rotterdam, genummerd 2014108775, opgemaakt door [verbalisant 4] , brigadier van politie, gesloten op 24 april 2014:

Ten aanzien van de feiten 2 en 3:

1. Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant 001, brigadier van politie, gesloten op 24 maart 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 24):

Op 23 maart 2014 is met gebruikmaking van een machtiging tot binnentreden van een woning ter aanhouding van de verdachte [verdachte] en ter doorzoeking op grond van de Wet wapens en munitie het pand [1] aan de [a-straat] te Rotterdam betreden. Naar aanleiding van de vordering tot uitlevering van een of meerdere vuurwapens aan de verdachte, had deze meegedeeld dat hij in het bezit was van een miniatuurpistool, welke zou liggen in de rechterla in de keuken van het pand. Na controle van deze keukenlade werd hierin aangetroffen een zogenaamd miniatuurpistool. Tevens werd in deze lade een gripzakje met 35 a 40 roze pillen, vermoedelijke XTC, gevonden. Het miniatuurpistool en de pillen zijn inbeslaggenomen.

Ten aanzien van feit 2:

2. Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant 017, gesloten op 23 maart 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 29):

Op 23 maart 2015 heb ik ten behoeve van een later in te stellen technisch onderzoek een (vuur)wapen veiliggesteld. Het was mij bekend dat dit wapen die dag in beslag genomen was op de locatie [a-straat 1] te Rotterdam.

Ik zag dat het (vuur)wapen in een houten doosje lag. Tevens zag ik dat er in het doosje nog meer onderdelen lagen, die kennelijk bij dit (vuur)wapen hoorde.

3. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt door verbalisanten 005 en 007, beiden politieambtenaar van politie, gesloten op 23 maart 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 71 ):

Ik heb bij mijn aanhouding gezegd waar het speelgoedpistooltje lag. Dat wapen is dus inbeslaggenomen. Volgens mij is het een vuurwapen. Met het wapen kan een projectiel worden afgeschoten.

4. Een proces-verbaal onderzoek vuurwapen, opgemaakt door verbalisant 21, brigadier van politie, vakspecialist bureau Wapens, Munitie en explosieven, gesloten op 25 maart 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 30 e.v.):

Op verzoek van collega 5, brigadier van politie, heb ik het op 23 maart 2014 in een woning, gelegen [a-straat 1] (het hof begrijpt: [1] ) te Rotterdam, aangetroffen en inbeslaggenomen voorwerpen onderzocht.

Bij dit onderzoek dat ik heb uitgevoerd op dinsdag 25 maart 2014 heb ik gezien dat het voorwerp is een enkelschots penvuur pistooI van het merk: Berloque, kaliber: 2mm penvuur. Het pistool is aan het einde van de loop voorzien van schroefdraad dat bestemd is voor de montage van een zogenaamde schietbeker.

Dit pistool is bestemd en geschikt om projectielen door een loop af te schieten en de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing.

Derhalve is dit pistool een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° gelet op artikel 2, lid 1, categorie III, onder 1° van de Wet wapens en munitie.

Het vuurwapen valt niet onder categorie II, onder 2°, 3° of 6° van de Wet wapens en munitie. Tijdens het afvuren van proefschoten functioneerde het pistool goed.

Bij dit onderzoek heb ik gezien dat de voorwerpen zijn, een vijftal (5) zogenaamde schietbekers te monteren en te gebruiken op/met het enkelschots penvuur pistool van het merk: Berloque kaliber: 2mm penvuur.

In 1998 stelde de Werkgroep Advies Wet Wapens en Munitie, zich mede baserend op het arrest (8 februari 1966, no:63256), dat een gas-/alarmpistool met een schietbeker moet worden gezien als een vuurwapen in de zin van artikel 1, lid 3 van de Wet Wapens en Munitie. De betreffende schietbeker moet worden aangemerkt als een loop in de zin van dit artikel.

Derhalve zijn, mede gelet op artikel 3, 1e lid van de Wet wapens en munitie, de bepalingen met betrekking tot een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3°, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, van toepassing op deze schietbekers.

Bij dit onderzoek heb ik gezien dat de voorwerpen zijn, veertien (14) pyrotechnische patronen met siereffect. Het feit dat gas/alarmpistolen met een schietbeker gezien worden als een vuurwapen met een loop betekent dat de pyrotechnische patronen voor deze wapens moeten worden gezien als munitie in de zin van artikel 1, lid 4 van de Wet Wapens en munitie. Derhalve zijn deze pyrotechnische patronen munitie in de zin van artikel 1, onder 4° gelet op artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.

Bij dit onderzoek heb ik gezien dat de voorwerpen zijn, zeventien (17) penvuur knalpatonen van het kaliber: 2mm.

Deze penvuur knalpatronen zijn geladen met een bepaalde hoeveelheid slagsas en genereren een zodanige gasdruk om projectielen of stoffen af te schieten.

In de praktijk zijn deze knalpatronen bewezen krachtig genoeg te zijn om een daartoe aangebracht projectiel of een stof door middel van een vuurwapen af te schieten. Bedoelde knalpatronen kunnen daarom worden aangemerkt al munitie in de zin van de Wet Wapens en munitie.

Derhalve zijn deze knalpatronen munitie in de zin van artikel I , onder 4° gelet op artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.

Bij dit onderzoek heb ik gezien dat de voorwerpen zijn, twee (2) penvuur kogelpatronen van het kaliber: 2mm. Deze penvuur kogelpatronen zijn van origine penvuur knalpatronen van het kaliber: 2cm, deze zijn voorzien van een projectiel. Derhalve zijn deze samengestelde kogelpatronen munitie in de zin van artikel I, onder 4° gelet op artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.

Ten aanzien van feit 3:

5. Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, opgemaakt door verbalisant 18, brigadier van politie, gesloten op 23 maart 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 70):

Op 23 maart 2014 ontvingen wij de volgende stukken van overtuiging met het verzoek om deze te onderzoeken op de aanwezigheid van verdovende middelen: SVO 4593207 gripzakje bruin materiaal

SVO 4593209 zakje roze pillen.

Monstername

Van de stukken van overtuiging wordt, nadat het netto gewicht is bepaald een monster genomen.

SVO 4593209 totaal netto inhoud (gram) 11,5.

Van het stuk van overtuiging werd monstermateriaal genomen dat aan een aantal microchemische testen onderwerpen werd.

SVO 4593209 indicatief resultaat MDMA.

Ten aanzien van feit 4:

6. Een proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 1] namens A. van Miltenburg, opgemaakt door [verbalisant 2] , hoofdagent van politie, gesloten op 14 oktober 2013, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 90 e.v.):

Ik ben werkzaam als beveiligingsambtenaar bij de Tweede Kamer der Staten Generaal en door mevrouw A van Miltenburg, voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, schriftelijk gemachtigd tot het doen van aangifte van een bedreiging ten aanzien van mevrouw A van Miltenburg, de bewoners en bezoekers. Op zondag 6 oktober 2013 om 22:22 uur is er een mail binnengekomen in de mailbox van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie van de Tweede Kamer. De mail is afkomstig van [...] @omail.com.

De inhoud van de mail:

Geachte mevrouw! mijnheer

Naar aanleiding van een minivuurwapen dat volgens het OM speelgoed zou zijn, had ik gaarne even uw aandacht voor het volgende:

Sedert enige jaren zit ik in conflict met de Rotterdamse Politie en het Rotterdamse OM omtrent een minipistolen, die volgens het OM speelgoed zouden zijn, die geen letsel veroorzaken. Dit is absoluut niet het geval en om de vete omtrent deze wapens te beslechten heb ik de zaak in 2010 al eens op het internet uit de hand laten escaleren, met dit als gevolg

http://www.youtube.com/ [...]

ondanks het feit dat deze acties al te zot voor woorden waren sorteerde ze echter niet het gewenste effect, want de afgelopen 3 jaar is het OM niet met een strafzaak gekomen, noch met een sepot en zelfs op het besluit dat minipistolen speelgoed zouden zijn is het OM niet terug willen komen.

Omdat men niet toe wilt geven en ik er van overtuigd ben dat ik in mijn recht sta en derhalve van mijn leven niet op zal geven is een volgende logische stap om publiekelijk met die dingen te gaan schieten.

Een schietpartij vanaf de publieke tribune van de 2e kamer haalt immers direct het nieuws en zo valt het verhaal achter de pistooltjes te openbaren, daar waar Justitie de kwestie tot aan het Ministerie al jaren in de doofpot probeert te houden.

Dergelijke acties heb ik de afgelopen jaren nagelaten omdat ik mij besef dat ik onvermijdelijk mensen de stuipen op het lijf zal jagen als ik publiekelijke schietpartijen organiseer, maar aan de andere kant kan ik niet veel anders aangezien zelfs schieten op Ministers niets opleverde en bovendien levert een partij van die wapens, die door toedoen van Justitie op straat is gekomen dusdanig gevaar op dat ik wat paniek op de koop toe zal moeten nemen.

Nou goed, zojuist stuitte ik surfend op uw commissie van Veiligheid en Justitie en het leek mij raadzaam om nog eens te proberen om de aandacht van de politiek op het probleem te vestigen, alvorens te gaan knallen.

Baat het niet dan ondermijnt het in ieder geval de strafbaarheid van het schieten, als dit nodig mocht zijn en zoals u al in de filmpjes zag kon Justitie me al niets maken.

Het hele verhaal staat min of meer als open brief op de tijdslijn van de volgende facebookpagina, die ik voor een van mijn favoriete Officieren van Justitie heb geopend:

https://www.facebook.com/ [...]

Als bijlage bij deze mail treft u nog een tweetal brieven van de Minister van Justitie waarin hij laat weten weg te lopen, voor zijn verantwoordelijkheid en waarin hij de eindverantwoordelijkheid verlegd, naar het Openbaar Ministerie, die op hun beurt weer denken dat ze Jezus zijn en waarvan u een besluit treft waardoor ik geen wapenhandelaar meer ben, maar een speelgoed verkoper van wel heel gevaarlijk speelgoed

http://www.youtube.com/ [...]

Ik hoop dat u er iets mee kan, maar vooral dat er na 10 jaar ook eindelijk eens iets mee gedaan wordt.

Er op vertrouwend u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd en in afwachting van uw antwoord, hoogachtend [verdachte] .

Mevrouw A van Miltenburg voelt zich door bovenstaand e-mailbericht ernstig bedreigd en is bang dat de afzender van dit bericht haar, de bewoners en bezoekers daadwerkelijk van het leven zal beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe zal brengen. In het bijzonder naar aanleiding van de volgende twee alinea's:

Omdat men niet toe wilt geven en ik er van overtuigd ben dat ik in mijn recht sta en derhalve van mijn leven niet op zal geven is een volgende logische stap om publiekelijk met die dingen te gaan schieten.

Een schietpartij vanaf de publieke tribune van de 2e kamer haalt immers direct het nieuws en zo valt het verhaal achter de pistooltjes te openbaren, daar waar Justitie de kwestie tot aan het Ministerie al jaren in de doofpot probeert te houden.

Mevrouw A van Miltenburg stelt u het e-mail bericht, alsmede de daarbij behorende eigenschappen van de verzender, ter beschikking. Zij heeft er geen bezwaar tegen dat u dit e-mail bericht gebruikt voor uw onderzoek.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

7. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt door verbalisant 005, brigadier van politie, gesloten op 4 april 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 93 e.v.):

Ik begrijp van u, dat ik verdacht word van het bedreigen van mevrouw A. van Miltenburg, zijnde voorzitter van de tweede kamer.

U zegt mij, dat ik per e-mail deze vrouw heb bedreigd en dat ik daarbij gebruik heb gemaakt van een mailadres met daarbij de naam [...] @gmail.com.

Ik heb daarover het volgende te verklaren.

U houdt mij een zinsnede voor waarin ik zou dreigen met een schietpartij van de publieke tribune. Een en ander houdt direct verband met het als vuurwapen bestempelen van een minipistooltje. Ik heb hierover uitgebreid verklaard in het onderzoek tegen de officier van justitie [...] . Dat mailtje heb ik inderdaad geschreven, doch verstuurd aan de vaste Kamercommissie van veiligheid en justitie. Ik heb die mail in oktober 2013 al verzonden. In die mail heb ik verwezen naar het gevaar van die minipistolen en daarbij heb ik verwezen naar de facebookpagina van [...] , die ik speciaal voor hem had geopend.

Ten aanzien van feit 9:

8. Een proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 1] namens S. van Haersma Buma, opgemaakt door [verbalisant 3] , hoofdagent van politie, gesloten op 24 juni 2010, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 453 e.v.):

Ik ben werkzaam als beveiligingsambtenaar bij de Tweede Kamer der Staten Generaal en door de heer Mr. S van Haersma Buma, secretaris van de CDA-Tweede Kamerfractie, schriftelijk gemachtigd tot het doen van aangifte van een bedreiging ten aanzien van de landelijke politieke partijen:

De Socialistische Partij ( S.P.)

De Partij van de Arbeid ( P.v.d.A)

Het Christelijk Democratisch Appel ( C.D.A.)

De Democraten 66 (D’66)

Het Christen Unie ( C U.)

Groen Links ( G.L.)

Het is mij ambtshalve bekend dat de Kamerleden van bovenstaande politieke partijen werden bedreigd middels zogenaamde kogelbrieven. De kogelbrieven zijn bezorgd bij de fracties van de politieke partijen in de Tweede Kamer. Ik zal hieronder verder verklaren over de door CDA ontvangen brief. Op 18 mei 2010 is bij de postkamer van de Tweede Kamer te ‘s-Gravenhage een zogeheten kogelbrief bezorgd. De inhoud van de brief is als volgt:

Betreft: 2mm kogelbrief

Onderwerp: het bijbehorende vuurwapen

Geachte mevrouw/ mijnheer

Naar aanleiding van een miniatuurvuurwapen dat de Politie en justitie doelbewust foutief beoordelen om een corruptieschandaal in de doofpot te houden, waardoor kinderen door dit wapen gewond kunnen raken, had ik gaarne even uw aandacht voor het volgende.

Direct onder de datum ziet u een messing busje met een klein pennetje erin en aangezien dit een scherp 2mm penvuur patroontje zal blijken te zijn, kan u niet anders dan concluderen dat u zojuist van de een, of andere malloot een kogelbrief heeft ontvangen. De eerste reden dat u een kogelbrief heeft ontvangen is dat ik een beroepscrimineel ben, sinds 2002 als vuurwapengevaarlijk te boek sta, sinds 2007 zelfs ben veroordeeld voor het bouwen van explosieve om derden mee op te blazen en een schurfthekel aan alles wat met politiek te maken heeft begin te krijgen.

De tweede reden is dat ik zoveel schijt aan de Politie en Justitie heb, dat ik heden ten dagen gewoon stront te kort kom en dat kan ik niet mooier laten zien dan alle politieke partijen op een kogelbrief te trakteren. In dit kader kan u natuurlijk niet anders dan aangifte doen van het feit dat u een kogelbrief heeft ontvangen, waarna u met lede ogen zal moeten constateren dat Justitie mij al maanden helemaal nergens voor vervolgd.

De derde reden is dat ik in 2005 een vuurwapen en 500 gram springstof van de Politie heb teruggekregen. Dat is op zich natuurlijk al debiel genoeg, maar omdat de Politie en Justitie dergelijke blunders in de doofpot willen houden verkoop ik momenteel al enkele maanden een minivuurwapen waar mensen levensgevaarlijk gewond door kunnen raken, om zo aan te tonen dat het wapen niet verkocht zou mogen worden.

Eerder heb ik ‘de politiek’ reeds benaderd en gewezen op het miniatuurvuurwapen, maar blijkbaar had men geen trek om iemand met een strafblad te helpen in een conflict met Justitie.

Het ligt in de lijn van verwachtingen dat u dit keer niet zult kunnen pretenderen dat u geen kogelbrief heeft ontvangen, als was het alleen al omdat u op you-tube kan zien hoe ik deze brief aan u post

Als u op you-tube zoekt op [...], dan treft u een hele reeks filmpjes, die elke grens van fatsoen overschrijden en u zult niet kunnen begrijpen dat Justitie geen vervolging in durft te stellen

In vol ornaat treft u bovendien het minivuurwapen dat ik van Justitie aan kinderen mag verkopen en als ik u was zou ik mij eens afvragen of u zou willen dat uw kind met dit wapen op zolder met zijn vriendjes gaat zitten experimenteren?

Ik ga er vooralsnog vanuit dat deze kogelbrief voor uw partij voldoende zal zijn om Hirsch Ballin in die 2e kamer het vuur aan de schenen te leggen en ik niet het complete koningshuis op een kogelbrief hoef te trakteren, of bombrieven hoef te versturen, dankzij de springstof die ik voorhanden mag hebben van Justitie.

Erop vertrouwend u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd en in afwachting van uw antwoord, hoogachtend [verdachte] ; [a-straat 1] , [...] Rotterdam [...] @Gmail.com, 06— [...] , you-tube [...].

Ik doe aangifte namens de Kamerleden/medewerkers van genoemde politieke partijen die kennis hebben genomen van de inhoud van de dreig/kogelbrieven. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

9. Als schriftelijk bescheid, de hiervoor omschreven kogelbrief (blz. 458)’’

7. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof het verweer dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd heeft verworpen.

7.1.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld. Dit beroep houdt volgens de overgelegde pleitnota, voor zover hier van belang, het volgende in:

‘’FEIT 2

Voorhanden hebben van het mini pistooltje.

In 2005 is een exact hetzelfde mini pistool met kogeltjes bij cliënt in beslag genomen Zoals gezegd: cliënt werd in 2005 in verzekering gesteld en 1,5 dag later naar huis gestuurd. Het mini pistooltje werd aan hem terug gegeven want het zou geen verboden wapen zijn.

Vanaf dat moment krijgt cliënt van de politie en het OM gemengde signalen over de mini pistolen in relatie tot de WWM. Ik som deze op:

- pv van [verbalisant 1] d.d. 11 september 2006: het mini pistool valt niet onder de WWM.

- een brief van ovj Groen d.d. 30 november 2009 (p.206): de minipistolen niet onder de WWM vallen, het zou speelgoed zijn.

- een brief van hoofdovj Korvinus d.d. 8 april 2010: de mini pistolen vallen niet onder de WWM en zijn terecht teruggegeven.

- Een rapport van Spijkers d.d. 24 maart 2010 (p. 183): de mini pistolen vallen niet onder de WWM.

- Het rapport van het NFI dd. 3 juni 2010 (p.55 ev) : de pistolen en bijbehorende munitie vallen wel onder de WWM.

- een brief van AG Gerding d.d. 19 maart 2012: in deze brief wordt in het midden gelaten of de mini pistolen onder de WWM vallen. Dit zou een kwestie van interpreteren zijn.

Kortom: wel / niet: het is niet te volgen welk standpunt het OM inneemt. Laat staan dat dat voor cliënt duidelijk is geweest.

De rechtbank oordeelt in het vonnis dat het voor cliënt in ieder geval duidelijk moet zijn geweest na het verhoor op 5 augustus 2010 (p.355) omdat hij toen door de politie tijdens het verhoor geconfronteerd is met de conclusie van het NFI.

Waar de rechtbank aan voorbij gaat is echter dat cliënt nooit officieel iets te horen heeft gekregen. Dat het NFI een conclusie trekt wil niet zeggen dat politie /justitie die conclusie eigen maken. Zo ja: dan had dat duidelijk uitgesproken moeten worden aan cliënt, zeker nu hij tot op dat moment steeds te horen kreeg dat het speelgoed was. Een duidelijk signaal zou bijvoorbeeld zijn geweest om cliënt ook daadwerkelijk te vervolgen voor het voorhanden hebben. Maar wat gebeurd er: cliënt wordt vrijgelaten bij de raadkamer en hoort nooit meer iets. Hoe verwarrend is dat. Volgens het NFI zou hij dus wapens in huis hebben gehad. Toch wordt hij vrijgelaten, wordt hij niet gedagvaard oid en hoort er niets meer van: dan is toch volstrekt onduidelijk voor client of justitie de conclusie van het NFI deelt.

En welke brief valt dan op 19 maart 2012 op de mat: de brief van mr R.A.F. Gerding waarin Gerding stelt ‘of een Berloque pistool onder de wet valt, is dus een kwestie van interpretatie. In de stukken lees ik dat de politie heeft geoordeeld dat het voorwerp niet onder de wet valt. En hij eindigt zijn brief met de opmerking: wel kan ik mij voorstellen dat u de voorwerpen veilig opgeborgen houdt om (verdere) problemen te voorkomen.

Het moge zo zijn dat cliënt geconfronteerd is met een NFI rapport. Zijn invrijheidstelling, het uitblijven van een vervolging en de brief die hij twee jaar later van Gerding Krijgt staan daar haaks op: “Ik lees in de stukken dat ze niet verboden zijn”, houdt u ze veilig opgeborgen: hieruit kun je in alle redelijkheid opmaken dat je dus wel mini pistolen in huis mag hebben. In combinatie met al die eerdere brieven / pv’s is voor cliënt gewoon onduidelijk geweest of het nou wel of niet verboden was.

De verdediging doet derhalve een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling te aanzien van de wederrechtelijkheid van het -indien bewezen- feit waarbij cliënt heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Was het nou verboden of moest hij ze veilig in de keukenla opbergen zoals Gerding min of meer adviseert. Cliënt dient te worden ontslagen van rechtsvervolging.’’

7.2.

Het hof heeft het verweer verworpen en, voor zover relevant, daartoe het volgende overwogen:

‘’Ten aanzien van feit 2:

Ten tijde van het plegen van het feit was verdachte al op de hoogte dat bij nader onderzoek het NFI het litigieuze wapen, een enkelschots penvuur pistool van het merk Berloque, kaliber 2 mm, en bijbehorende munitie alsnog had beoordeeld als een vuurwapen, dan wel munitie in de zin van de Wet wapens en munitie. Bovendien was verdachte voor het voorhanden hebben van een zelfde wapen bij arrest van 8 november 2011 ook al veroordeeld door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Verdachte wist derhalve dat hij in het bezit was van een verboden wapen en munitie.

(…)

De raadsvrouw van verdachte heeft ten aanzien van feit 2 een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld en betoogd dat - kort gezegd - verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Om die reden zou verdachte moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt als volgt:

Verdachte heeft de tenlastegelegde gedragingen opzettelijk begaan. De schulduitsluitingsgrond waarop een beroep is gedaan vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen en in hetgeen het hof hiervoor in het bijzonder heeft overwogen. Het verweer wordt verworpen.’’

7.3.

Volgens de steller van het middel weerlegt het hof met zijn overwegingen niet hetgeen de raadsvrouw ter terechtzitting heeft gesteld, namelijk dat door de invrijheidstelling, het uitblijven van een vervolging en de brief in 2012 van advocaat-generaal Gerding het voor de verdachte onduidelijk is gebleven of het minipistooltje en de bijbehorende munitie verboden was. Het middel stelt daarmee dus niet de vraag aan de orde of het minipistooltje onder de (reikwijdte van de) WWM valt, maar of dat voor de verdachte in dit geval voldoende duidelijk was.1 Daaraan wordt in de toelichting van het middel toegevoegd dat het hof niet zou hebben beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting, aangezien het feitelijk onjuist is dat de verdachte bij arrest van 8 november 2011 al zou zijn veroordeeld voor bezit van hetzelfde wapen. Uit het op de ter terechtzitting voorgehouden uittreksel justitiële documentatie blijkt volgens de steller van het middel niet, dat de verdachte bij arrest van 8 november 2011 is veroordeeld voor overtreding van de Wet wapens en munitie. Wel is er sprake van een arrest van 8 augustus 2011, waarbij de verdachte voor overtreding van de Wet wapens en munitie juist is vrijgesproken.

7.4.

Het gaat in onderhavige zaak om een beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling, één van de vier te onderscheiden typen van afwezigheid van alle schuld.2 Voor een geslaagd beroep hierop moet sprake van zijn van een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de verweten gedraging.3 Anders gezegd: de verdachte wist niet en behoefde ook niet te weten dat zijn handelingen ongeoorloofd waren. Deze strafuitsluitingsgrond vormt een bijzondere uitzondering op het uitgangspunt dat men geacht wordt de wet te kennen, dat als keerzijde geldt van het legaliteitsbeginsel dat voorschrijft dat van te voren duidelijk moet worden vastgelegd wat strafbaar is.4 Bij een dergelijk beroep op afwezigheid van alle schuld, zal de verdachte aannemelijk moeten maken dat hij heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Van een dergelijke onbewustheid kan slechts sprake zijn, indien de verdachte ten tijde van het begaan van het feit in de overtuiging verkeerde, dat zijn gedraging niet ongeoorloofd was.5

7.1.

Een dergelijke overtuiging van niet-strafbaarheid kan ontstaan wanneer iemand advies heeft ingewonnen bij een dusdanig gezaghebbende persoon of instantie, dat diegene in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies kon vertrouwen dat bepaald handelen niet strafbaar is.6 Een bekend voorbeeld is het Motorpapieren-arrest waarin de Hoge Raad voor het eerst een beroep op rechtsdwaling in stand liet.7 Het ging daarbij om de bezitter van een nieuwe motor die aan een politieagent zijn papieren toonde en vroeg of dit alles was wat hij nodig had om te mogen rijden, waarna hij vervolgens (alsnog) werd bekeurd vanwege het niet hebben van een nationaliteitsbewijs. Het is voor een geslaagd beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling niet altijd noodzakelijk dat de betrokkene actief inlichtingen inwint over de geoorloofdheid van een gedraging. Het hoeft evenmin te gaan om een geïndividualiseerd advies. Zo kon de overtuiging van niet-strafbaarheid ook ontstaan door een door het Ministerie van Justitie verspreide folder welke diende ter ondersteuning van een inleveractie van verboden wapens, waarin het wapen van de betrokken verdachte niet stond vermeld. 8 In dat geval ging het niet om onjuiste inlichtingen maar om een lacune in de gegeven informatie. Het hof had bij de verwerping van het beroep op afwezigheid van alle schuld nader moeten motiveren waarom de verdachte niet mocht afgaan op de informatie in de folder. De Hoge Raad achtte de motivering van het hof dat gevoeglijk mag worden aangenomen dat deze folder niet de volledige weergave bevatte van de ten aanzien van verboden wapens geldende wettelijke regeling, niet voldoende.

7.2.

In het onderhavige geval heeft de verdachte aanvankelijk meerdere malen bericht gekregen van zowel de politie als het openbaar ministerie dat het bezit van het minipistooltje niet strafbaar is. Mij lijkt dat dit gezaghebbende instanties en/of personen zijn en dat de verdachte op grond hiervan erop mocht vertrouwen dat het betreffende minipistooltje niet valt onder de Wet wapens en munitie, althans dat het bezit daarvan niet strafbaar is. Daarna heeft de verdachte echter, kennelijk op basis van het nader ingesteld onderzoek door het NFI – een gezaghebbende instantie op het gebied van wapens en munitie –, op 5 augustus 2010 tijdens een verhoor te horen gekregen dat het minipistooltje wel onder de Wet wapens en munitie valt. Vanaf dat moment mag worden verondersteld, hetgeen het hof ook gedaan heeft, dat de verdachte hoorde te beseffen dat zijn handelen strafbaar was. Het feit dat hij toen is vrijgelaten en dat er op dat moment geen vervolging is ingesteld, maken dat niet anders. Dat kan uit opportuniteitsoverwegingen zijn gebeurd. Daarbij kan ik me voorstellen dat er toen niet meteen vervolgd is omdat de verdachte toen voor het eerst te horen kreeg dat zijn handelen toch strafbaar was. De rechtbank en het hof hebben klaarblijkelijk ook dienovereenkomstig geredeneerd door vanwege het eerder gewekte gerechtvaardigd vertrouwen het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren terzake van de later alsnog ingezette vervolging voor het bezit van het minipistooltje en de bijbehorende munitie in die periode, hetgeen oorspronkelijk is tenlastegelegd onder feit 7.

7.3.

Daarmee is de kous echter niet af, want de verdediging heeft ook nog een beroep gedaan op een bericht van advocaat-generaal Gerding, dat de verdachte bijna twee jaar later op 19 maart 2012 krijgt, op grond waarvan de verdachte volgens de verdediging (alsnog) niet kon en behoorde te weten dat zijn handelen strafbaar was. Daarin kan ik de verdediging niet volgen. Een blik over de papieren muur maakt namelijk duidelijk dat in die brief niet meer staat dan dat de wetgever ruimte heeft willen laten om van geval tot geval te beoordelen of een voorwerp al dan niet onder de werking van de wet valt en de vraag of een Berloque pistool onder de wet valt, volgens de advocaat-generaal daarmee een kwestie van interpretatie is. Daarbij stelt hij dat hij in de stukken leest dat de politie (destijds) heeft geoordeeld dat het voorwerp niet onder de wet valt terwijl de verdachte vindt dat het verboden zou moeten zijn. Vervolgens schrijft hij dat hij niet in de positie is om over deze kwestie een uitspraak te doen. Een oordeel over de strafbaarheid geeft hij dus niet en kan hieraan ook niet worden ontleend.

7.4.

Daarbij is nog van belang dat de brief blijkens de inhoud ervan een reactie vormt op vragen van de verdachte die hij reeds op 16 juni en 16 juli 2010 heeft gesteld terwijl de verdachte blijkens de gedingstukken daarna, op 5 augustus 2010, in een verhoor is geconfronteerd met de bevindingen van het NFI dat het aanwezig hebben van het minipistooltje toch strafbaar is. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat de verdachte toen hij de brief van advocaat-generaal Gerding ontving, wist dat zijn handelen strafbaar was, kan niet worden gezegd dat het aannemelijk is geworden dat de verdachte door deze brief alsnog verontschuldigbaar in de overtuiging verkeerde dat zijn handelen niet ongeoorloofd was.

7.5.

Al met al is het oordeel van het hof dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit, op 23 maart 2014 wist dat hij in het bezit was van een verboden wapen en munitie, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

7.6.

Dan wil ik, wellicht ten overvloede, nog het volgende opmerken. In de toelichting op het middel is nog gesteld dat het onduidelijk is op welke uitspraak het hof doelt wanneer het bij de verwerping van het verweer stelt dat het vanwege een eerdere veroordeling voor de verdachte reeds duidelijk was dat het bezit van het minipistooltje strafbaar was. Op het uittreksel justitiële documentatie staat immers geen arrest vermeld met de datum 8 november 2011 en de verdachte is blijkens een arrest d.d. 8 augustus 2011 juist vrijgesproken voor overtreding van de Wet wapens en munitie. Een nader onderzoek in de justitiële documentatie leert echter dat de vaststelling van het hof dat de verdachte al eerder voor het voorhanden hebben van eenzelfde wapen is veroordeeld, weldegelijk klopt. Het betreft het veroordelend arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 december 2007 dat tevens staat vermeld op het uittreksel en heeft geleid tot HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7763. Uit de aan het arrest van de Hoge Raad voorafgaande conclusie van AG Knigge, ECLI:NL:PHR:2009:BG6562, blijkt dat het hier ook gaat om het minipistool van het model Berloque kaliber 2 mm en dat het oordeel van het hof dat dit minipistool kon worden aangemerkt als een vuurwapen van de categorie III zoals bedoeld in art. 1 sub 3e WWM toen door de verdediging niet is bestreden. De Hoge Raad liet de veroordeling van het hof in stand en verwierp het middel met een op 81 RO gestoelde motivering. Nu is het natuurlijk curieus dat nadat deze uitspraak is gedaan, de verdachte meerdere malen van de politie te horen kreeg dat zijn handelen (blijkbaar toch) niet strafbaar was. Een geval van Murphy’s Law? Hoe dan ook, gelet op wat ik hiervoor onder 7.2-7.5 heb overwogen, behoeft de omissie van het hof niet tot cassatie te leiden.9 Ook bij weglating van de overweging dat de verdachte eerder is veroordeeld voor eenzelfde feit, hetgeen dus juist blijkt te zijn maar waarbij het hof een niet bestaande uitspraak heeft aangehaald, is de verwerping van het verweer reeds toereikend gemotiveerd.

Het valt te hopen dat dit de laatste keer is dat de verdachte een vervolging uitlokt vanwege dit minipistooltje en er eindelijk van overtuigd raakt dat hij zijn doel al in 2009 had bereikt. Maar hij zal niet de eerste zijn voor wie de strijd meer voldoening oplevert dan de overwinning.

7.7.

Het middel faalt.

8. Het tweede middel komt op tegen de bewezenverklaring van de onder 3 ten laste gelegde overtreding van de Opiumwet. Daarin wordt gesteld dat deze onvoldoende met redenen is omkleed omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet (zonder meer) volgt dat de verdachte MDMA voorhanden heeft gehad.

8.1.

Het hof heeft naast de gebezigde bewijsmiddelen voor de bewijsvoering, voor zover relevant, nog het volgende overwogen:

‘’Ten aanzien van feit 3:
De in de woning van verdachte aangetroffen MDMA werd aangetroffen in een la waarin zich ook het pistool met munitie bevond. Verdachte heeft verklaard dat hij geen wetenschap had van de aanwezigheid van de MDMA in zijn woning. Verdachte heeft aangegeven dat hij alleen in zijn woning woont en dat het niet anders kan dan dat de politie MDMA in zijn woning moet hebben gelegd. Het hof acht deze verklaring niet aannemelijk zodat het er voor moet worden gehouden dat – bij gebrek van enige andere plausibele verklaring – verdachte op de hoogte is geweest van de aanwezigheid van de aangetroffen MDMA.’’

8.2.

Ik ben van oordeel dat het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen zonder meer kon afleiden dat de verdachte MDMA voorhanden heeft gehad. Uit de bewijsmiddelen 1 en 5 volgt immers dat de aangetroffen pillen in de woning van de verdachte blijkens een indicatieve test MDMA bevatten. Voor zover de toelichting de klacht bevat dat de uitgevoerde indicatietest voor de vaststelling van MDMA niet geschikt is, stelt deze klacht de juistheid van het feitelijke oordeel van het hof omtrent de betrouwbaarheid van het resultaat van de tot het bewijs gebezigde test ter discussie. Voor een dergelijke discussie is in cassatie echter geen plaats en in zoverre faalt (ook) deze klacht. Tot slot merk ik op dat de situatie in het arrest waar de steller van het middel zich op beroept, verwezen wordt naar HR 6 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5370, niet te vergelijken is met onderhavig geval. In die zaak was de bewezenverklaring ontoereikend omdat uit het voor het bewijs gebezigde proces-verbaal slechts bleek dat volgens de test sprake zou zijn van XTC (en niet expliciet MDMA). Doorslaggevend hierbij was dat XTC niet als zodanig is vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, en XTC haar effect, behalve aan MDMA, ook aan andere op genoemde lijst vermelde stoffen kan ontlenen.

8.3.

Het middel faalt.

9. Het derde middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van de onder 4 ten laste gelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht onvoldoende met redenen is omkleed omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet (zonder meer) volgt dat er sprake is van een bedreiging in de zin van art. 285 Sr, in het bijzonder dat de tekst van de door de verdachte verzonden e-mail de vereiste redelijke vrees oproept. Het vierde middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van de onder 9 ten laste gelegde bedreiging met zware mishandeling onvoldoende met redenen is omkleed omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet (zonder meer) volgt, dat er sprake is van een bedreiging in de zin van art. 285 Sr. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

9.1.

Het hof heeft, voor zover hier van belang, ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

‘’Ten aanzien van de feiten 4 en 9:

Verdachte heeft zich in zijn strijd om aandacht te vragen voor zijn zaak ook gericht tot de Kamervoorzitter van de Tweede Kamer A. van Miltenburg en de fractievoorzitter van het CDA, S. van Haersma Buma. Aan Van Miltenburg werd door verdachte een mailbericht met dreigende teksten gestuurd, terwijl Van Haersma Buma een kogelbrief van verdachte ontving met dreigende teksten. Deze personen, werkzaam als volksvertegenwoordigers, kenden noch verdachte noch zijn strijd tegen politie en justitie en hebben na ontvangst van het mailbericht dan wel de kogelbrief in redelijkheid kunnen vrezen dat de adressant zijn bedreigingen zou kunnen uitvoeren.’’

9.2.

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd.10 Hierbij is niet vereist dat de bedreiging in het concrete geval op de bedreigde een zodanige indruk heeft gemaakt dat er werkelijk vrees is opgewekt en de bedreigde zich in zijn vrijheid belemmerd achtte.11 Het is voldoende dat de bedreiging in het algemeen een dergelijke vrees kan opwekken. Voorts is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging.12

9.3.

Het hof heeft geoordeeld dat de in de bewezenverklaring onder feit 4 en 9 omschreven uitlatingen van de verdachte, in hun context bezien, respectievelijk jegens Van Miltenburg een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en jegens Van Haersma Buma bedreiging met zware mishandeling opleveren. Het heeft hierbij overwogen dat Van Miltenburg en Van Haersma Buma in redelijkheid hebben kunnen vrezen dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd. Het hof heeft daarmee bovenstaand criterium niet miskend. Gelet op de bewijsvoering is het oordeel van het hof mijns inziens onjuist noch onbegrijpelijk, zodat het hof niet was gehouden zijn oordeel nader te motiveren.

9.4.

De middelen falen.

10. Alle middelen falen en het tweede tot en met het vierde middel kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.

11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Overigens is in de rechtspraak al eerder vastgesteld dat een minipistooltje van het merk Berloque valt onder de Wet wapens en munitie, zie bijvoorbeeld HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7763 en de onderliggende uitspraken, waarin de daar genoemde verdachte dezelfde persoon is als de verdachte in onderhavige zaak.

2 De Hullu, Materieel strafrecht,Wolters Kluwer, Deventer 2015, p. 363. De andere zijn afwezigheid van alle schuld in de vorm van verontschuldigbare feitelijke dwaling, verontschuldigbare onmacht of dat door de verdachte de maximaal van hem te vergen zorg in acht is genomen.

3 De Hullu 2015, p. 369; HR 18 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3361, NJ 2004/491, m.nt. Buruma; HR 9 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1490, NJ 2004/675 m.nt. Mevis en De Lange.

4 De Hullu 2015, p. 365.

5 HR 9 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1490, rov. 3.5, waarin wordt verwezen naar HR 23 mei 1995, NJ 1995/631.

6 HR 13 december 1960, NJ 1961/416, m.nt. Pompe; HR 4 april 2006, ECLI:NL:HR2006:AU4664, NJ 2007/144, m.nt. Schalken, rov. 6.3.

7 HR 22 november 1949, NJ 1950/180 m.nt. Röling.

8 HR 23 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0052.

9 Vgl. HR 12 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1232.

10 HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659; HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4824, NJ 2006/397, m.nt. Buruma; HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7701; P.P.J. van der Meij, T&C Strafrecht 2016, aant. 8 op art. 285 Sr.

11 HR 3 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9309, rov. 3.4.2.

12 HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659; HR 10 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6562.