Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:304

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-02-2017
Datum publicatie
21-04-2017
Zaaknummer
16/04400
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:760, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Kort geding. Gebod tot verschaffen van toegang aan de eigenaar van een perceel (ADM-terrein) door de gebruikers daarvan. Grenzen van de rechtsstrijd. Is het gebod voldoende bepaald? (Samenhang met 16/01172)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

16/04400

Mr. F.F. Langemeijer

24 februari 2017

Conclusie inzake:

[eiseres 1] en 81 anderen

tegen

1. Chidda Vastgoed B.V.

2. Amstelimmo B.V.

Een groep gebruikers zonder recht of titel van het terrein van een voormalige scheepswerf is in dit kort geding veroordeeld om aan de huidige eigenaren toegang te verlenen tot dat terrein, op straffe van verbeurte van een dwangsom. In cassatie gaat het om de vraag of de voorzieningenrechter buiten de grenzen van de rechtsstrijd tussen partijen is getreden en om de vraag of de inhoud van de veroordeling voldoende precies bepaald is1.

1 De feiten en het procesverloop

1.1.

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten zoals vermeld in het bestreden arrest onder 2.2 – 2.13, hieronder verkort weergegeven:

1.1.1.

Chidda Vastgoed B.V. en Amstelimmo B.V. (hierna: Chidda c.s.) zijn sinds 2 mei 1997 eigenaar van het complex [A] te Amsterdam. Een gedeelte daarvan (in de gedingstukken aangeduid als: het ADM-terrein) is omheind en afgesloten door middel van een hekwerk met een toegangspoort. Het gedeelte achter het hek omvat de voormalige scheepswerf van de Amsterdamsche Droogdok Maatschappij, bestaande uit twee bedrijfsgebouwen − een grote loods en een kantorengebouw − met het bijbehorende terrein, twee bedrijfswoningen (voormalige opzichterswoningen) en een haven die wordt aangeduid als ‘het ADM-water’. Buiten de hekken omvat het complex [A] een groot, onbebouwd en gedeeltelijk verhard terrein dat in de gedingstukken is aangeduid als: het buitenterrein.

1.1.2.

In 1987 is het ADM-terrein voor het eerst gekraakt. Het is in 1992 ontruimd. In de akte van 2 mei 1997 waarbij Complex [A] B.V. als verkoper en Chidda c.s. als koper staan vermeld, zijn bedingen opgenomen zoals weergegeven in het arrest onder 2.3, waaronder de bestemming van het terrein, een recht van eerste koop voor de gemeente Amsterdam en een kettingbeding2.

1.1.3.

In oktober 1997 is het ADM-terrein voor de tweede maal gekraakt. Op het ADM-terrein wonen en werken nu meer dan 100 mensen. De meeste gebruikers wonen in op dit terrein geplaatste caravans, zelfgebouwde hutten, woonwagens of in vaartuigen op het ADM-water. Een gedeelte van het zgn. buitenterrein is geleidelijk in gebruik genomen door een groot aantal personen die daar verblijven in caravans, auto’s en tenten.

1.1.4.

Op 3 juli 2013 heeft de raad van de gemeente Amsterdam het bestemmingsplan ‘Amerikahaven’ vastgesteld. Het ADM-terrein heeft daarbij de bestemming ‘Bedrijf-1’ gekregen en het perceel water de bestemming ‘Water 2’. De op de plankaart voor ‘Bedrijf-1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor havengebonden bedrijven die vallen in categorie 1, 2, 3, 4 of 5 van de van deze regels deel uitmakende ‘Staat van Inrichtingen bestemmingsplan Amerikahaven’. In de Staat van Inrichtingen is onder meer opgenomen: ‘Scheepsbouw, reparatiebedrijven en scheepssloperijen’.

1.1.5.

Chidda c.s. heeft in augustus 2014 contact gezocht met de gebruikers van het ADM-terrein. Zij wenste toegang tot het terrein om dit samen met derden te bezichtigen, het te inventariseren en werkzaamheden op het terrein uit te voeren omdat zij doende is, een economische invulling aan het terrein te geven. Overleg met één van de gebruikers heeft niet geleid tot afspraken.

1.1.6.

In opdracht van Chidda c.s. heeft Rotteveel M4 een ontwikkelingsstudie verricht naar de (her)ontwikkeling van het ADM-terrein. Daarbij is het terrein verdeeld in vijf kavels.

1.1.7.

Op 22 mei 2015 hebben Chidda c.s. een huurovereenkomst gesloten met [B] B.V. (hierna: [B]) voor het gebruik van een gedeelte van het complex (kavel 2, de loods van ca. 3.000 m² met ca. 50.000 m² omliggende grond). In de huurovereenkomst staat dat het gehuurde door of vanwege de huurder zal worden bestemd om te worden gebruikt als werf voor het repareren, bouwen en demonteren van schepen, machines en werktuigen, en handelingen die daarmee in verband staan, daaruit voortvloeien of daaraan bevorderlijk kunnen zijn. De huurovereenkomst is door [B] geparafeerd, maar niet ondertekend.

1.1.8.

Op 22 mei 2015 hebben Chidda c.s. en [B] een huurovereenkomst gesloten voor het gebruik van het ADM-water. In deze huurovereenkomst staat dat het gehuurde door of vanwege de huurder zal worden bestemd om te worden gebruikt voor het tijdelijk af- en aanmeren van zee- en binnenvaartschepen, duwbakken en coasters, laden en lossen, en handelingen die daarmee in verband staan, daaruit voortvloeien of daaraan bevorderlijk kunnen zijn.

1.1.9.

In een op 20 april 2015 bij de rechtbank Amsterdam aanhangig gemaakte bodemprocedure, gericht tegen hen die verblijven of wonen op het ADM-terrein, heeft Chidda c.s. de ontruiming van het ADM-terrein gevorderd. Bij vonnis van 6 januari 2016 – d.w.z. na het vonnis van de voorzieningenrechter in dit kort geding, maar vóór het in cassatie bestreden arrest van het gerechtshof − heeft de rechtbank de vordering in de bodemprocedure afgewezen.3

1.2.

Op 18 juni 2015 hebben Chidda Vastgoed B.V. en Amstelimmo B.V. onder meer de huidige eisers tot cassatie (hierna: [eiser] c.s.) in kort geding gedagvaard4. Chidda c.s. heeft gevorderd, kort gezegd, dat iedere gedaagde voor zich wordt veroordeeld om het registergoed met bijbehorende bedrijfsgebouwen, water en woningen vóór 1 augustus 2015 te verlaten en te ontruimen en ter beschikking van eiseressen te stellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Daarnaast vorderde Chidda c.s. dat iedere gedaagde voor zich wordt veroordeeld om Chidda c.s. en de haren op werkdagen van 09:00 tot 17:00 uur voor bezichtigingen onbelemmerd vrij toegang te verlenen tot het registergoed en de zich daarop bevindende panden, ook dit op straffe van verbeurte van een dwangsom.

1.3.

[eiser] c.s. hebben verweer gevoerd5. Bij vonnis van 13 juli 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:4393) heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam de vordering tot algehele ontruiming afgewezen bij gebrek aan spoedeisend belang (rov. 5.6 – 5.9 Rb).

1.4.

De vordering die betrekking had op het aan Chidda c.s. verlenen van toegang tot het terrein werd door de voorzieningenrechter wel toegewezen. De voorzieningenrechter overwoog dat Chidda c.s. toegang tot het terrein dienen te krijgen om haar plannen te kunnen uitwerken. Een vrije en onbelemmerde toegang voor Chidda c.s. op de door haar genoemde uren van de dag grijpt teveel in de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers in. De voorzieningenrechter heeft daarom bepaald dat de gebruikers, nadat zij minimaal 24 uur van tevoren van Chidda c.s. per e-mail een aankondiging hebben ontvangen met het tijdstip van bezoek en de namen van de bezoekers, aan Chidda c.s. toegang dienen te verlenen tot het ADM-terrein6. In het dictum van het vonnis luidt het als volgt:

“6.1. veroordeelt gedaagden hoofdelijk, nadat zij daartoe minimaal 24 uur van tevoren van Chidda c.s. per e-mail (...) een aankondiging hebben ontvangen met daarin het tijdstip en de namen van de bezoekers, Chidda c.s. en de haren op de door haar aangegeven dag en tijdstip toegang te verlenen tot het registergoed, bestaande uit bedrijfsterrein met bijbehorend water, daarop staande opstallen, omvattend bedrijfsgebouwen en een tweetal woningen met aanhorigheden, kade en verdere toebehoren, staande en gelegen aan de Hornweg te Amsterdam, kadastraal bekend (…), volgens het kadaster plaatselijk bekend als [A] en Hornweg 2,

6.2.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk aan Chidda c.s. een dwangsom te betalen van € 500,- per dag of gedeelte daarvan dat zij niet voldoen aan het bepaalde onder 6.1., tot een maximum van € 50.000,- is bereikt”.

1.5.

Chidda c.s. heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Haar grieven richtten zich tegen de afwijzing van haar vordering tot ontruiming van het terrein. [eiser] c.s. hebben incidenteel hoger beroep ingesteld. Grief 3 in het incidenteel hoger beroep was gericht tegen het in het vonnis onder 6.1 en 6.2 gegeven bevel. Na wijziging bij akte in hoger beroep hebben [eiser] c.s. in het incidenteel appel primair geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van Chidda c.s. en subsidiair tot beperking van de veroordeling ten aanzien van de vooraankondiging (minimaal vier dagen tevoren), de frequentie (maximaal tweemaal per maand) en de voorwaarden voor het verkrijgen van toegang. [eiser] c.s. stelden voor dat de toegang wordt beperkt tot de enkele bezichtiging, niet-ingrijpende metingen boven het oppervlakte en het maken van beeldopnamen in het kader van het ‘nader concretiseren van de plannen met betrekking tot de verhuur aan [B] van kavel 2 en het in staat stellen van geïnteresseerde huurders, door middel van de enkele bezichtiging, tot het zich vormen van een beeld van de andere kavels van het ADM-terrein’, alles met uitsluiting van toegang tot de zich op het registergoed bevindende woningen)7.

1.6.

Bij arrest van 21 juni 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:2392) heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter van 13 juli 2015 bekrachtigd. Ten aanzien van de veroordeling tot het verlenen van toegang overwoog het hof het volgende8:

“3.8.3. [eiser] c.s. hebben na wijziging van eis in incidenteel hoger beroep primair gevorderd dat de vordering van Chidda c.s. alsnog geheel wordt afgewezen en subsidiair dat Chidda c.s. minimaal vier dagen van tevoren de aankondiging moeten hebben gedaan en [eiser] c.s. Chidda c.s. en de hunnen maximaal twee maal per maand toegang hoeven te verlenen, welke toegang is beperkt tot de enkele bezichtiging, niet-ingrijpende metingen boven de oppervlakte en het maken van beeldopnamen in het kader van ‘het nader concretiseren van de plannen met betrekking tot de verhuur aan [B] van kavel 2 en het in staat stellen van geïnteresseerde huurders, door middel van een enkele bezichtiging, tot het zich vormen van een beeld van de andere kavels van het ADM-terrein’, met uitsluiting van toegang tot de zich op het registergoed bevindende woningen.

[eiser] c.s. hebben daartoe aangevoerd dat de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 5.12 van het bestreden vonnis de belangen van partijen tegen elkaar heeft afgewogen, waarbij aan de zijde van Beekman c.s. artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK in het geding zijn. De getroffen voorziening is echter te onbepaald, als gevolg waarvan dat partijen van mening verschillen over de reikwijdte van de aan [eiser] c.s. opgelegde verplichting. Dat leidt tot een onwerkbare situatie. [eiser] c.s. hebben voorts erop gewezen dat Chidda c.s. in de eerste aanleg van deze procedure slechts toelating hebben gevorderd voor bezichtigingen, zodat de veroordeling slechts daarop betrekking kan hebben. Voor zover de voorzieningenrechter heeft beoogd een verder strekkende voorziening te geven is zij daarmee buiten de rechtsstrijd van partijen getreden, aldus [eiser] c.s.

3.8.4.

Het hof is van oordeel dat de voorzieningenrechter niet buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. Weliswaar hebben Chidda c.s. in de ingestelde vordering alleen gerefereerd aan toelating voor bezichtigingen, maar de rechtsstrijd van partijen omvatte ook de door Chidda c.s. gevorderde ontruiming. Was deze vordering toegewezen dan hadden Chidda c.s. na de ontruiming de volledige beschikking over hun eigendom gehad en hadden zij hun plannen ongehinderd verder kunnen uitwerken. [eiser] c.s. maken zonder recht of titel gebruik van het terrein dat Chidda c.s. in eigendom toebehoort. De voorzieningenrechter en de bodemrechter hebben echter geoordeeld dat de plannen van Chidda c.s. en [B] onvoldoende concreet zijn om geïntimeerden tot ontruiming te veroordelen, omdat niet voldoende duidelijk is dat de plannen daadwerkelijk uitvoerbaar zullen zijn en niet is uitgesloten dat ontruiming tot leegstand zal leiden. Chidda c.s. kunnen hun plannen alleen maar concreter en overtuigender maken wanneer zij in de gelegenheid zijn deze verder uit te werken en zij hebben daarbij als eigenaar een gerechtvaardigd belang. Voor de uitwerking van de plannen van Chidda c.s. is mede noodzakelijk dat zij de voor het aanvragen van vergunningen benodigde rapportage en werkzaamheden kunnen (laten) verrichten, waartoe ook behoort het verrichten van bodemonderzoek. De rechtbank heeft in het bodemvonnis Chidda c.s., naar aanleiding van de daartoe strekkende verweren van geïntimeerden, voorgehouden dat zij onvoldoende hebben gedaan ter voorbereiding van het verkrijgen van de benodigde vergunningen en heeft daarbij aandacht besteed aan de mogelijkheid dat het verblijf van geïntimeerden voor Chidda c.s. problemen kan opleveren bij het uitwerken van hun plannen. Ook uit het bestreden vonnis valt af te leiden dat de voorzieningenrechter zich hiervan rekenschap heeft gegeven. Voor zover de voorzieningenrechter bij de getroffen ordemaatregel meer heeft toegewezen dan was vervat in de vordering tot toelating van Chidda c.s., moet deze maatregel worden uitgelegd als de toewijzing van het mindere ten opzichte van de (afgewezen) vordering tot ontruiming, hetgeen de voorzieningenrechter kennelijk voor ogen heeft gestaan. De voorzieningenrechter is derhalve binnen de rechtsstrijd van partijen gebleven.

3.8.5.

Dat aan Chidda c.s. en de hunnen desverzocht na 24 uur toelating moet worden verleend voor de verdere uitwerking van hun plannen, moge door [eiser] c.s. worden ervaren als een inbreuk op hun privacy en in verband met de korte termijn ook als lastig te organiseren, maar dat is onvoldoende om de mogelijkheden van Chidda c.s verder in te perken. Aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van [eiser] c.s. en de belangen van hun kinderen is, naar het oordeel van het hof, afdoende tegemoetgekomen door de aan de toelating verbonden voorwaarden in het dictum van het bestreden vonnis. Het hof is voorts van oordeel dat de veroordeling tot toelating, mede in het licht van het voorgaande, voldoende duidelijk en bepaald is. Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep hebben [eiser] c.s verklaard dat, na de aanvankelijk gerezen problemen, op dit moment het maken van afspraken niet meer tot problemen leidt. Voorts is van de zijde van Chidda c.s. gesteld dat zij de aankondiging steeds ruim van tevoren doet. Niet aannemelijk is geworden dat dit in de toekomst anders zal zijn.”

1.7.

Namens [eiser] c.s. is – tijdig9 – beroep in cassatie ingesteld. Tegen Chidda c.s. is in cassatie verstek verleend. [eiser] c.s. hebben hun beroep schriftelijk laten toelichten.

2 Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1.

Het eerste cassatiemiddel is gericht tegen rov. 3.8.4 en heeft betrekking op de vraag of het hof binnen de grenzen van de rechtsstrijd is gebleven. Het tweede middel is gericht tegen rov. 3.8.5 en ziet op de vraag of de inhoud van de veroordeling voldoende is bepaald om daaruit te kunnen opmaken welke de rechten en verplichtingen van elk van partijen zijn.

2.2.

Middel 1 klaagt dat het hof buiten de grenzen van de vordering van Chidda c.s. is getreden. Het hof heeft ten onrechte de toewijzing van de vordering op de wijze als geschied in het vonnis van de voorzieningenrechter, aangemerkt als een toewijzing van het ‘mindere’ ten opzichte van de vordering tot ontruiming. Volgens de klacht heeft het hof miskend dat aan twee eisen moet worden voldaan, te weten:

(i) er moet sprake zijn van een veroordeling die, objectief beschouwd, als het ‘mindere’ is aan te merken ten opzichte van de (afgewezen) verder gaande vordering;

(ii) de veroordeelde partij heeft de vordering begrepen, althans had deze redelijkerwijs moeten begrijpen, als mede gericht op hetgeen wordt toegewezen.

Subsidiair acht het middel de redengeving onbegrijpelijk. De toelichting op deze klacht wijst erop dat, met name, de verplichting om Chidda c.s. toe te laten voor andere doeleinden dan enkel een bezichtiging van het terrein niet simpelweg is aan te merken als ‘het mindere’ ten opzichte van hetgeen in eerste aanleg door Chidda c.s. was gevorderd.

2.3.

Het voorgelegde vraagstuk houdt verband met de lijdelijke rol van de burgerlijke rechter: de rechter legt niet ongevraagd een bevel op, maar uitsluitend op vordering van de eisende partij. Dit volgt onder meer uit art. 23 en 24 Rv en, wat betreft het hier toepasselijke materiële recht, uit art. 3:296 BW. Daarnaast speelt het procedurele beginsel van hoor en wederhoor een rol: indien aan de vordering van de eisende partij een uitleg wordt gegeven waarop de wederpartij niet verdacht was en waarmee zij redelijkerwijs ook geen rekening behoefde te houden, wordt de wederpartij geschaad in haar mogelijkheden om zich te verdedigen tegen de (aldus opgevatte) vordering. In de rechtspraak komen beide aspecten tot uitdrukking. Betrekkelijk recent heeft de A-G Wuisman de vereisten bondig samengevat:

“Rechtens is er ruimte om, indien van een vordering het gevorderde meerdere niet toewijsbaar blijkt, dan eventueel het mindere van diezelfde vordering toe te wijzen hoewel dat mindere niet expliciet is gevorderd. Dan dient echter wel aan een aantal voorwaarden te zijn voldaan. Het meerdere en het mindere dienen eenzelfde grondslag te hebben, die grondslag laat toewijzing van de vordering als zodanig toe, en duidelijk moet zijn dat de eiser toewijzing van het mindere ook gewild heeft, indien het meerdere niet toewijsbaar blijkt, en dat de wederpartij dat ook heeft begrepen althans redelijkerwijs heeft kunnen begrijpen.”10

2.4.

De vordering van Chidda c.s. in eerste aanleg vermeldde een doelbeperking: “voor bezichtigingen”11. In het dictum van het (door het hof bekrachtigde) vonnis van de voorzieningenrechter komt een doelbeperking niet voor. In zoverre is de tekst van de veroordeling ruimer dan gevorderd. In het incidenteel appel hebben [eiser] c.s. hiertegen een grief gericht. Het hof heeft die grief verworpen, daarbij overwegend dat – voor zover de voorzieningenrechter meer heeft toegewezen dan was gevorderd – dit te beschouwen is als een toewijzing van ‘het mindere’ ten opzichte van de (niet toegewezen) vordering tot algehele ontruiming van het terrein als ‘het meerdere’.

2.5.

Een bevel om aan de eigenaar toegang tot het terrein te verlenen op daartoe aan te kondigen tijdstippen kon door het hof objectief (logisch) worden beschouwd als het mindere ten opzichte van de gevorderde algehele ontruiming van het terrein. Dat oordeel is niet rechtens onjuist, noch onbegrijpelijk: een ontruiming zou immers neerkomen op het volledig en in de tijd onbeperkt12 ter beschikking stellen van het terrein aan de eigenaar13. Het verlenen van toegang daarentegen is, naar zijn aard, telkens een tijdelijke zaak. Beide maatregelen (het bevel tot ontruiming onderscheidenlijk het bevel om toegang tot het terrein te verlenen) zijn gebaseerd op dezelfde grondslag, namelijk: dat [eiser] c.s. inbreuk maken op het eigendomsrecht van Chidda c.s. en onrechtmatig handelen jegens Chidda c.s. door zonder recht of titel op het terrein te verblijven. Het hof heeft mogen aannemen dat Chidda c.s. toewijzing van een minder ver strekkende voorziening wensten indien de vordering tot ontruiming niet toewijsbaar zou blijken te zijn. Voor zover dat al niet duidelijk was in eerste aanleg, is het duidelijk geworden in de procedure bij het gerechtshof: Chidda c.s. heeft bij memorie van antwoord in het incidenteel appel geconcludeerd tot verwerping van deze grief van de gebruikers.

2.6.

In het bestreden arrest ligt het oordeel besloten dat [eiser] c.s. hebben begrepen, althans redelijkerwijs hadden moeten begrijpen, dat Chidda c.s. met haar vordering tot ontruiming tevens heeft willen bewerkstelligen dat zij onbelemmerd toegang tot het terrein zou verkrijgen: niet slechts voor bezichtigingen, maar ook voor alle voorgenomen activiteiten. De inleidende dagvaarding maakt inderdaad onderscheid tussen de vordering tot ontruiming en de vordering om toegang te verlenen voor bezichtigingen. Toch heeft het hof op basis van het tussen partijen gevoerde debat mogen aannemen dat [eiser] c.s. uit de opstelling van Chidda c.s.14 hebben begrepen, althans hadden moeten begrijpen, waar het Chidda c.s. om te doen was. Het bevel om toegang te verlenen zonder de beperking tot “bezichtigingen” was een reactie op het door [eiser] c.s. tegen de ontruimingsvordering gevoerde verweer. Dat verweer hield in dat Chidda c.s. bij de gevorderde ontruiming geen belang heeft, omdat de plannen die Chidda c.s. met het terrein heeft nog niet kunnen worden gerealiseerd: zo moeten eerst vergunningen worden verkregen. Daarvoor moet nog het nodige worden gedaan en moet onderzoek worden verricht. De voorzieningenrechter heeft kennelijk voor ogen gehad, dat een impasse zou ontstaan indien Chidda c.s. enerzijds geen ontruiming kan bewerkstelligen omdat de voorbereiding van de plannen voor de exploitatie van haar eigendom nog niet ver genoeg gevorderd is, en anderzijds Chidda c.s. geen toegang tot haar eigen terrein zou kunnen krijgen om datgene te doen wat nodig is om die plannen nader uit te werken (met inbegrip van de daarvoor benodigde vergunningaanvragen en de daartoe noodzakelijke onderzoeken op dit terrein).

2.7.

[eiser] c.s. hebben in hoger beroep betoogd dat voorzichtigheid bij de uitleg van de veroordeling nodig is en “dat slechts van die activiteiten, die dusdanig inherent zijn aan het verlenen van toegang tot het terrein om de redenen zoals in de procedure aan de orde zijn gekomen en als zodanig aan de vordering ten grondslag zijn gelegd, in redelijkheid gesteld kan worden dat het dulden ervan begrepen moet worden onder de verlening van toegang tot het terrein”15. Dit impliceert dat de activiteiten van Chidda c.s. op het terrein niet louter beperkt zouden blijven tot het bezichtigen daarvan. Het hof heeft uit het tussen partijen gevoerde debat kunnen en mogen opmaken dat [eiser] c.s. hebben begrepen, althans hebben moeten begrijpen, dat het Chidda c.s. – als de vordering tot ontruiming niet onverkort kon worden toegewezen – met haar vordering niet slechts in staat gesteld wilde worden om het terrein te bezichtigen, maar ook om in staat gesteld wilde worden om die werkzaamheden op het terrein uit te voeren (of te laten uitvoeren) die nodig zijn ter uitwerking van haar plannen voor de exploitatie van het terrein. De vraag welke activiteiten wel en welke activiteiten niet onder de veroordeling vallen, behoort niet tot het voorwerp van middel 1, maar zal aan de orde komen bij de bespreking van het tweede cassatiemiddel. Middel 1 faalt.

2.8.

Middel 2 is gericht tegen het oordeel in rov. 3.8.5 dat de (door het hof bekrachtigde) veroordeling voldoende duidelijk en bepaald is. De klacht houdt in dat dit oordeel in strijd is met het vereiste van voldoende bepaalbaarheid, zoals dit mede voortvloeit uit art. 8 EVRM16. De toelichting op deze klacht wijst op het (in het kader van art. 8 lid 2 EVRM te hanteren) proportionaliteitsvereiste: de proportionaliteit van de inmenging kan eerst worden vastgesteld als de omvang van de inmenging kan worden bepaald. Volgens [eiser] c.s. heeft het hof geen maatstaf aangereikt aan de hand waarvan beoordeeld kan worden of een bepaalde activiteit die Chidda c.s. op het terrein wil gaan uitvoeren wel of niet onder de veroordeling valt. Dit gebrek kan leiden – en heeft volgens de toelichting inmiddels geleid − tot conflicten tussen partijen over de vraag of in een concreet geval dwangsommen zijn verbeurd.

2.9.

Op zichzelf is het de burgerlijke rechter toegestaan, een verbod of een bevel in ruime of algemene termen te formuleren. Daarmee wordt voorkomen dat de eisende partij zich telkens opnieuw tot de rechter zou moeten wenden om uitbreiding van een gegeven, maar te beperkt geformuleerd, bevel of verbod te verkrijgen. Een ruim of algemeen geformuleerd bevel of verbod dient, vanuit een oogpunt van rechtszekerheid, evenwel te voldoen aan de eis dat het een voldoende afbakening behelst van hetgeen daaronder valt.17

2.10.

Het hof is van oordeel dat Chidda c.s. op dit moment onvoldoende belang heeft bij de gevorderde ontruiming. Daarvoor is het nog te vroeg, volgens de voorzieningenrechter en volgens de rechtbank in de bodemprocedure18. Volgens het hof heeft Chidda c.s. er wel belang bij, dat zij in staat wordt gesteld haar plannen voor exploitatie van dit terrein verder uit te werken en daartoe toegang tot het ADM-terrein te krijgen. Voor een verdere uitwerking van de plannen kan het nodig zijn dat Chidda c.s. – ten behoeve van het aanvragen van vergunningen − rapportage en werkzaamheden verricht of laat verrichten; daartoe behoort volgens het hof ook het verrichten van bodemonderzoek in of op dit terrein. Daarmee ontvalt de feitelijke grondslag aan de klacht dat het hof ‘geen enkele maatstaf’ zou hebben aangereikt aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of een activiteit die Chidda c.s. op het terrein wil gaan uitvoeren onder de veroordeling valt. In de redenering van het hof is de maatstaf gelegen in het doel dat met die activiteit is beoogd. Wanneer Chidda c.s. op grond van deze veroordeling toegang verlangt tot het ADM-terrein, kan telkens worden getoetst of de voorgenomen activiteit dienstig is aan dat doel.

2.11.

Bij deze uitleg blijft nog steeds de vraag of in het vonnis de veroordeling (met dwangsomsanctie) toereikend is omschreven. Een verschuiving van de doelbeperking ‘voor bezichtigingen’ naar de doelbeperking ‘activiteiten op het terrein, welke nodig zijn om Chidda c.s. in staat te stellen hun plannen met het ADM-terrein verder uit te werken’ maakt de reikwijdte van het rechterlijk bevel tot op zekere hoogte afhankelijk van de plannen (en dus van de wil) van Chidda c.s. Het hof noemt weliswaar de publiekrechtelijke beperkingen van het gebruik die voortvloeien uit het bestemmingsplan en noemt ook het door Chidda c.s. aan de rechter overgelegde ontwikkelingsplan voor het Complex [A] (zie rov. 3.6.5), maar het hof acht de plannen nog onvoldoende concreet. Plannen van Chidda c.s. met betrekking tot een toekomstige exploitatie van het ADM-terrein kunnen bovendien wijzigen in de tijd of naar gelang de wensen van een potentiële huurder. Een veroordeling die aan deze plannen gekoppeld is, is daarom enigszins willekeurig.

2.12.

De kern van het geschil lijkt mij te zijn, dat enerzijds helder is dat het bevel méér omvat dan het verschaffen van toegang tot het terrein enkel voor bezichtiging daarvan, maar dat het bevel anderzijds in het midden laat of de veroordeling ruimte laat voor andere activiteiten dan het opnemen van de bestaande toestand door zintuiglijke waarneming, al dan niet ondersteund met instrumenten zoals meet- en fotoapparatuur e.d. Staat deze veroordeling Chidda c.s. toe om op het terrein ook fysieke werkzaamheden uit te voeren tot behoud, tot afscherming of zelfs tot bouwkundige verandering van hetgeen ter plaatse aanwezig is? Naast een bouwkundige inspectie of rondleidingen van potentiële klanten, kan worden gedacht aan, bijvoorbeeld, reparatie- of onderhoudswerkzaamheden aan gebouwen, kademuren of aanwezige nutsvoorzieningen, aan opmetingen, bodemonderzoek etc. De gedingstukken bevatten enige aanwijzingen dat Chidda c.s. de via dit vonnis verkregen toegang tot het terrein tevens wil gebruiken om de boel op te knappen in het kader van haar plannen voor verhuur van het terrein. Zo heeft Chidda c.s. aan het hof onder meer te kennen gegeven:

- dat zij in staat moet worden gesteld onbelemmerd werkzaamheden uit te voeren (of te laten uitvoeren) om het verhuurde aan de huurder [B] op te leveren19;

- dat zij als eigenaar er belang bij heeft, haar eigendom zoveel mogelijk aantrekkelijk te maken voor verhuur aan derden20.

2.13.

Het komt mij voor, om de redenen genoemd in alinea 2.10 hiervoor, dat het hof slechts een ordemaatregel van tijdelijke aard heeft willen treffen, die Chidda c.s. in staat stelt op het terrein datgene te doen wat nodig is om haar plannen voor de exploitatie nader uit te werken en te onderbouwen. Deze uitwerking en onderbouwing omvat alle onderzoeken op het ADM-terrein die nodig zijn voor het verkrijgen van de daartoe vereiste (publiekrechtelijke) vergunningen. Wanneer de uitwerking van de plannen vaste vormen heeft aangenomen, zodanig dat niet langer gezegd kan worden dat “onvoldoende duidelijk is dat de plannen daadwerkelijk uitvoerbaar zullen zijn en niet is uitgesloten dat ontruiming tot leegstand zal leiden”, zou Chidda c.s. zich opnieuw tot de rechter kunnen wenden met een vordering tot ontruiming. De veroordeling om toegang tot het terrein te verlenen om haar plannen nader uit te werken verschaft Chidda c.s. geen titel om die plannen (na het gereedkomen daarvan of op voorhand) daadwerkelijk uit te voeren. Zo verschaft het vonnis van de voorzieningenrechter Chidda c.s. geen titel om de aanwezige gebruikers van het ADM-terrein te verdrijven; de vordering tot ontruiming is immers afgewezen. In de tussentijd kan Chidda c.s. de normale beheershandelingen op het terrein (laten) verrichten. Zo opgevat, als een doelbeperking, acht ik de veroordeling voldoende duidelijk voor partijen om daaruit hun rechten en verplichtingen te kennen.

2.14.

Mocht de Hoge Raad echter van oordeel zijn dat het door de voorzieningenrechter gegeven bevel tot het verlenen van toegang niet aan de eisen van precisie voldoet en, na gegrondbevinding van middel 2, tot vernietiging van het bestreden arrest overgaan, dan zou hij de zaak zelf kunnen afdoen door het gegeven bevel alsnog te preciseren. In het executiegeschil – kenbaar uit de parallelzaak – heeft Chidda c.s. in voorwaardelijke reconventie voorgesteld dat het bevel tot het verlenen van toegang wordt gepreciseerd als volgt:

(i) voor bezichtigingen en

(ii) voor het uitvoeren van werkzaamheden voor de uitwerking van plannen met het registergoed, waaronder in ieder geval verstaan dient te worden:

a. toegang tot alle ruimtes in het kantoorgebouw en de loods;

b. bouwkundige inspectie van de gebouwen, de woningen en de kadeconstructie;

c. afronden asbestonderzoeken en daaruit voortvloeiende werkzaamheden;

d. bodemonderzoek van het gehele terrein;

e. bodeminventarisatie van het gehele terrein;

f. sonderen van de bodem;

g. nader ecologisch onderzoek;

h. inmeten van het gehele terrein.

2.15.

Wat betreft het beroep op art. 8 EVRM: in rov. 3.8.5 overweegt het hof dat aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van [eiser] c.s. en hun kinderen voldoende tegemoet wordt gekomen door de voorwaarden die aan de veroordeling verbonden zijn. Daarbij heeft het hof betrokken dat [eiser] c.s. bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft verklaard dat het maken van afspraken niet langer tot problemen leidt, dat Chidda c.s. stelde dat zij de aankondiging ruim van tevoren doet en dat volgens het hof niet aannemelijk is dat dit in de toekomst anders zal zijn. Mede in het licht van het voorgaande, kan deze redengeving de beslissing tot bekrachtiging van het vonnis dragen. De slotsom is dat ook middel 2 faalt.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

1 In een tweede kort geding (een executiegeschil) hebben deze gebruikers gevorderd dat de tenuitvoerlegging van het vonnis dient te worden beperkt op de wijze zoals in hun vordering aangegeven. Zie de bij de Hoge Raad onder nr. 16/01172 aanhangige parallelzaak, waarin heden conclusie wordt genomen.

2 Het terrein is de Hoge Raad ook bekend uit HR 24 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3642, NJ 2007/58 m.nt. J. Hijma.

3 ECLI:NL:RBAMS:2016:27. Zie met name rov. 6.8 – 6.15: bij afweging dienen de belangen van Chidda c.s. te wijken voor de belangen van gedaagden om het perceel te kunnen blijven bewonen. Mij is niet bekend of van dit vonnis hoger beroep is ingesteld.

4 Er was aanvankelijk sprake van 113 gedaagden en een algemene vordering tegen hen die op het terrein verblijven. Eerder had Chidda c.s. in een kort geding tegen vier gebruikers van het ADM-terrein toegang gevorderd en medewerking aan bezichtigingen en/of de uitvoering van werkzaamheden te verlenen. Bij vonnis van 23 maart 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:1740) heeft de voorzieningenrechter deze vordering afgewezen wegens het ontbreken van voldoende belang: nu de vordering hoogstens kon worden toegewezen tegen de vier gedagvaarde gebruikers, zou de uitvoering gemakkelijk worden tegengehouden door de overige gebruikers van het terrein.

5 Twee ingestelde vorderingen in (voorwaardelijke) reconventie – zie het vonnis in eerste aanleg onder 4.1 en 4.2 en 5.10 en 5.11 – zijn in cassatie niet meer aan de orde en blijven in deze conclusie onbesproken.

6 Vgl. de samenvatting van het vonnis in het arrest van het gerechtshof onder 3.8.2.

7 Inmiddels hadden 81 van de veroordeelde personen ook een executiegeschil met betrekking tot het vonnis van 13 juli 2015 aanhangig gemaakt bij de voorzieningenrechter. Bij vonnis van 30 november 2015 heeft de voorzieningenrechter te Amsterdam de gevraagde voorziening geweigerd. Het gerechtshof Amsterdam heeft dit vonnis bekrachtigd bij arrest van 22 december 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:5620). Hierop heeft de parallelprocedure nr. 16/01172 betrekking, waarin ook vandaag conclusie wordt genomen.

8 Onderstrepingen toegevoegd, noot plv P-G.

9 Zie art. 402 lid 2 in verbinding met art. 339 lid 2 Rv.

10 Conclusie A-G Wuisman (onder 2.6.1) voor HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3000, met verdere verwijzingen in de voetnoot, waarvan ik noem: de noot van Brunner bij HR 5 november 1982, NJ 1984/125; conclusie A-G Wesseling-van Gent (onder 2.15 - 2.20) voor HR 21 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8246; conclusie A-G Verkade (onder 4.24 - 4.27) voor HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3762, NJ 2008/8. Zie voorts: conclusie A-G Verkade (onder 6.2 – 6.11) voor HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5238; J. Ekelmans, In eerste aanleg (2015), blz. 4 – 6; Groene Serie, Onrechtmatige daad II.1.2.1.3.3 (T.E. Deurvorst).

11 In het hieraan voorafgaande kort geding was nog sprake van: “voor bezichtigingen en/of de uitvoering van werkzaamheden”; zie noot 4 hiervoor.

12 Behoudens een andersluidend oordeel in een bodemprocedure.

13 Vgl. HR 29 oktober 1993, NJ 1994/107, rov. 3.6.

14 Vlg. de ter zitting van de voorzieningenrechter op 29 juni 2015 namens Chidda c.s. overgelegde pleitnotities: "Chidda wil dan ook onbelemmerde toegang tot het Complex voor bezichtigingen en werkzaamheden.” (blz. 2, tweede alinea); “Dat betekent dat er vóór de oplevering aan [B] door Chidda het nodige gedaan moet worden (…)”, waarna een opsomming van te verrichten werkzaamheden aan de loods volgt, (zie blz. 5); “Er is een spoedeisend belang bij onbelemmerde toegang tot het Complex voor het veldwerk en bezichtigingen.” (blz. 9). Zie ook de op die zitting namens (onder meer) [eiser] c.s. overlegde pleitnota, nrs. 9 en 90.

15 Akte houdende aanvulling van gronden (derde incidentele grief), blz. 7 onder 5.

16 Bedoeld is kennelijk: vanwege de inbreuk op het huisrecht van de personen die op het terrein bivakkeren.

17 Zie HR 3 januari 1964, NJ 1964/445 en HR 18 februari 1966, NJ 1966/208. Zie ook de conclusie van A-G Huydecoper (onder 10) voor HR 4 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0140; de conclusie van A-G Verkade (onder 4.4) voor HR 13 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB8949; Groene Serie, Onrechtmatige daad, II.1.2.1.3.4 en 11.1.2.1.3.6 (T.E. Deurvorst). Overigens wordt op deze rechtspraak geen ander licht geworpen door HR 1 december 1972, NJ 1973/111, genoemd in het middel; in dat arrest oordeelde de Hoge Raad dat het hof, op grond van zijn feitelijke vaststellingen, terecht een gevorderd verbod te ruim had geacht om voor toewijzing vatbaar te zijn.

18 Zie rov. 3.3.2 – 3.3.3 en rov. 3.6.4 en 3.6.5 van het bestreden arrest.

19 De appeldagvaarding punt 15, nader uitgewerkt in punten 29 – 33, noemt o.a. het gereedmaken van de bedrijfshal voor oplevering leeg en ontruimd, wind- en waterdicht en bezemschoon, waarvoor herstelwerkzaamheden nodig zijn en het plaatsen van een extra schuifdeur; groenonderhoud, herstel van wegen en parkeerplaatsen en verlichting.

20 Appeldagvaarding punt 15, nader uitgewerkt onder 48 (“juist vanwege die verwaarloosde staat en troosteloze [aanblik] heeft Chidda c.s. een belang om zo spoedig als mogelijk met het herstel een aanvang te kunnen nemen”).