Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:303

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-03-2017
Datum publicatie
21-04-2017
Zaaknummer
16/05140
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:727, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ontneming w.v.v. hennepkwekerij. Vd is in de samenhangende strafzaak o.m. veroordeeld voor medeplegen hennepteelt.. Middel m.b.t. de berekening van het netto–voordeel ad 50% van de netto-opbrengst. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 16/00397.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/05140 P

Zitting: 7 maart 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[betrokkene]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij uitspraak van 8 mei 2015 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 14.245,97 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

  2. Deze ontnemingszaak hangt samen met de strafzaak (nr. 16/00397) tegen de betrokkene, waarin ik vandaag eveneens concludeer.

  3. Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. M.S. Kikkert, advocaat te Haarlem, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.1

4. Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de betrokkene 50% van de netto-opbrengst heeft ontvangen, terwijl de raadsman van de betrokkene gemotiveerd heeft gesteld dat de betrokkene slechts een kleine rol heeft gespeeld en nauwelijks voordeel heeft genoten.

5. Op 8 januari 2013 is in het bedrijfspand van de medeveroordeelde [betrokkene 1] te Hillegom een hennepkwekerij met 455 hennepplanten aangetroffen. In de samenhangende strafzaak is de betrokkene onder meer ter zake van het medeplegen van het opzettelijk telen van een groot aantal hennepplanten in de periode van 1 juni 2012 tot en met 7 januari 2013 en het opzettelijk aanwezig hebben van 455 hennepplanten op 8 januari 2013 veroordeeld. In de onderhavige ontnemingszaak heeft het hof overwogen dat de betrokkene “uit het bewezen verklaarde handelen” wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het hof heeft het totale wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene en [betrokkene 1] geschat op een bedrag van € 28.491,94,-. Daarbij is het hof uitgegaan van één oogst van 302 hennepplanten. Vervolgens heeft het hof het door de betrokkene verkregen wederrechtelijk voordeel, overeenkomstig de beslissing van de rechtbank in eerste aanleg en de vordering van de advocaat-generaal bij het hof, geschat op een bedrag van € 14.245,97.

6. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota, heeft de raadsman van de betrokkene primair verzocht “de ontneming te berekenen op de eigen verklaring van cliënt, te weten 200 euro per week, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat cliënt niet elke week betaald heeft gekregen”. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. Uit het dossier blijkt dat de betrokkene een kleine rol heeft gespeeld. Hij zou € 200,- per week krijgen voor het geven van water en het doen van boodschappen maar hij is lang niet elke week daadwerkelijk uitbetaald. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat de betrokkene een grote rol heeft gehad en daadwerkelijk heeft meegedeeld in de winst, terwijl uit de laatste verklaring van [betrokkene 1] zelfs het tegendeel blijkt, aldus de raadsman.

7. Het middel klaagt niet over de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel als zodanig, maar over de mate van toerekening van het voordeel aan de betrokkene. Het hof heeft 50% van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene toegerekend en daartoe onder “vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel”, mede in reactie op het verweer van de raadsman, het volgende overwogen:

“Het hof acht het aannemelijk dat de verdachte de netto-opbrengst heeft gedeeld met zijn mededader [betrokkene 1]. Het hof gaat er vanuit dat ieder 50% van de netto-opbrengst heeft ontvangen. De netto-opbrengst bedraagt:

50% van € 28.491,94 = € 14.245,97.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, niet aannemelijk is gemaakt, zoals gesteld door de verdediging, dat de veroordeelde slechts een geringe rol heeft gespeeld bij het telen van de hennep. De door de verdachte en door zijn mededader [betrokkene 1] ontplooide activiteiten met betrekking tot de hennepkwekerij zijn te duiden als een nauwe en bewuste samenwerking.”

8. Als het hof in geval van meer dan één dader niet aanstonds de omvang van het voordeel van elk van hen kan vaststellen, moet het hof op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval bepalen welk deel van het totale voordeel aan elk van hen moet worden toegerekend. Bij die omstandigheden van het geval kan worden gedacht aan de rol die de verschillende daders hebben gespeeld en aan het aantreffen van het voordeel bij één of meer van hen. Indien de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andere toerekening, kan dit ertoe leiden dat het voordeel pondspondsgewijs wordt toegerekend.2 Wat betreft de mate van toerekening van het door het hof vastgestelde totale wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene geldt niet de eis dat de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aan wettige bewijsmiddelen moeten zijn ontleend. Voldoende is dat die feiten en omstandigheden, zoals een bepaalde rolverdeling, uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken.3

9. In de hiervoor onder 7 weergegeven overwegingen heeft het hof ten aanzien van de toerekening van het voordeel geoordeeld dat de betrokkene en de medeveroordeelde [betrokkene 1] ieder 50% van de netto-opbrengst hebben ontvangen. Daartoe heeft het hof overwogen dat de door de betrokkene en [betrokkene 1] ontplooide activiteiten ten aanzien van de hennepkwekerij zijn te duiden als een nauwe en bewuste samenwerking, terwijl niet aannemelijk is gemaakt dat de betrokkene slechts een geringe rol heeft gespeeld bij het telen van de hennep.

10. Het bestreden oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. In de samenhangende strafzaak is de betrokkene, voor zover hier van belang, veroordeeld ter zake van het medeplegen van het opzettelijk telen van een grote hoeveelheid hennep. Uit de bewijsvoering van het hof in de strafzaak kan worden afgeleid dat de betrokkene de mede-initiator en de mede-eigenaar is geweest van de hennepkwekerij, dat hij actief betrokken is geweest bij de opbouw van de kwekerij en dat hij tevens actief betrokken is geweest bij de verzorging van de hennepplanten. In de onderhavige ontnemingszaak kon het hof van die vaststellingen uitgaan. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof in een ontnemingszaak is gebonden aan het oordeel van het hof in de bijbehorende hoofdzaak. Verweren die betrekking hebben op het bewijs van het feit dat aan de betrokkene ten laste is gelegd, horen in de hoofdzaak thuis. Dit brengt mee dat in deze ontnemingszaak niet met vrucht kan worden geklaagd dat er geen sprake zou zijn van het medeplegen van hennepteelt, aangezien een dergelijk verweer niet kan gelden als een verweer dat betrekking heeft op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat.4

11. In de hiervoor onder 7 weergegeven overwegingen van het hof ligt voorts als zijn oordeel besloten dat de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andere toerekening. In het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. De betrokkene heeft op de terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij € 200,- in de week heeft gekregen. Op de terechtzitting in hoger beroep heeft hij evenwel verklaard dat hetgeen hij in eerste aanleg heeft verklaard niet klopt en dat hij niet af en toe geld heeft gekregen. Het oordeel van het hof betreffende de toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene is toereikend gemotiveerd. De in de toelichting op het middel aangevoerde omstandigheden, die grotendeels een herhaling behelzen van de in hoger beroep naar voren gebrachte argumenten, doen hieraan niet af.

12. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, heeft het hof door aldus te oordelen de bewijslast niet omgekeerd. Het hof is, zoals gezegd, uitgegaan van de veroordeling ter zake van medeplegen van hennepteelt in de strafzaak en het heeft kennelijk in het door het hof verrichte onderzoek en in hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht onvoldoende aanknopingspunten gezien om te komen tot een andere verdeling dan een pondspondsgewijze toerekening van het voordeel. Gelet op de omstandigheden van het geval, stond het het hof dan ook vrij deze wijze van toerekening te hanteren.5

13. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De raadsman van de betrokkene heeft in de onderhavige ontnemingszaak en in de samenhangende strafzaak één schriftuur met in totaal vier middelen van cassatie ingediend. De eerste drie middelen hebben betrekking op de strafzaak, terwijl het vierde middel ziet op de ontnemingszaak. In de brief van een gerechtssecretaris van de Hoge Raad van 6 december 2016, gericht aan de raadsman, is kenbaar gemaakt dat de rolraadsheer van de Hoge Raad de cassatie-akte aldus uitlegt, dat zowel cassatieberoep is ingesteld tegen de strafzaak als tegen de ontnemingszaak en dat middel 4 zal worden behandeld in het kader van de ontnemingszaak. In aansluiting hierop, zal ik het vierde middel in deze ontnemingszaak bespreken en komen het eerste, het tweede en het derde middel aan de orde in de samenhangende strafzaak.

2 Vgl. HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1118, NJ 2016/493 m.nt. Keulen, rov. 2.3, HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:873, rov. 3.4.2, HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1667, NJ 2009/19, rov. 2.3, HR 10 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7386, rov. 4.3, HR 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8491, NJ 2006/63, rov. 3.3.2 en HR 1 juli 1997, NJ 1998/242 m.nt. Reijntjes, rov. 4.4.

3 Vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3491, NJ 2015/62 m.nt. Reijntjes, rov. 3.3, HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9426, NJ 2010/407, rov. 2.4.2 en HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2142, NJ 2010/202, rov. 2.4.

4 Vgl. HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7360, NJ 2012/161, rov. 2.3, HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3424, NJ 2011/100 m.nt. Borgers, rov. 3.5.1., HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6199, NJ 2006/370, rov. 3.3, HR 30 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2295, NJ 2001/219, rov. 4.3 en HR 8 juni 1999, NJ 1999/589, rov. 3.3.

5 Vgl. HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1558, NJ 2014/47, rov. 2 en HR 10 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7386, rov. 4.