Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:30

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-01-2017
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
15/02710
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:169, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Witwassen. Terecht voorgestelde klacht over tegenstrijdigheid tussen de door het Hof als b.m. 3 en 4 gebezigde verklaringen van verdachte. De gegronde klacht leidt niet tot cassatie. Het Hof heeft de tegenstrijdige onderdelen van de als b.m. 3 gebruikte verklaring van verdachte niet geloofwaardig geacht en ten onrechte opgenomen. De bewezenverklaring is, indien deze niet redengevende onderdelen van de verklaring worden weggedacht, z.m. toereikend gemotiveerd. Verdachte heeft onvoldoende rechtens te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak. Samenhang met 15/02733 P.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/02710

Zitting: 10 januari 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 11 juni 2015 de verdachte wegens “witwassen” veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van vijftig uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

  2. Deze strafzaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte (nr. 15/02733 P), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

  3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, aangezien het hof twee bewijsmiddelen tot het bewijs heeft gebezigd die met elkaar in strijd zijn.

  5. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij in de periode van 1 juni 2008 tot en met 26 juni 2008, te Rotterdam, een voorwerp, te weten een (personen) auto (merk Audi, type Q7), voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp middellijk afkomstig was uit enig misdrijf.”

6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

(i) Een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 26 juni 2008, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

“Op 26 juni 2008 zagen wij een personenauto rijden van het merk Audi, type Q7. Wij zagen dat het kenteken een wit kenteken betrof waar in zwart op stond [AA-00-BB] .

Ter controle op de juiste naleving van de bepalingen gesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gaven wij de bestuurder van de personenauto een stopteken waaraan hij voldeed.

De bestuurder bleek te zijn: [betrokkene 1] . Ik, verbalisant [verbalisant 1] , vroeg aan de bestuurder [betrokkene 1] of hij papieren bij zich had van de auto waar hij in reed.

Het kentekenbewijs kon hij mij desgevraagd niet tonen. Wij, verbalisanten, hoorden dat [betrokkene 1] zei dat een vriend van hem eigenaar van de auto was en dat hij er in mocht rijden.

Ik, verbalisant [verbalisant 2] , vroeg de centralist van de politie meldkamer het kenteken " [AA-00-BB] " in de systemen te controleren. Tevens gaf ik het chassisnummer door. Dit betrof [001] . Ik hoorde dat het door ons opgegeven chassisnummer thuis hoorde op een Suzuki SX4. Het kenteken [AA-00-BB] hoorde thuis op een Duits Volkswagen Passat, rood van kleur.

Aangekomen op het bureau van politie te Gouda meldde zich de verdachte [verdachte] . [verdachte] gaf aan dat hij de eigenaar van de Audi Q7 was die wij zojuist hadden aangetroffen.”

(ii) Een op 27 juni 2008 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:

“Ik ben afgelopen dinsdag (het hof begrijpt: 23 juni 2008) door politie in Rotterdam staande gehouden. Die hebben mijn papieren en auto gecontroleerd.”

(iii) Een op 26 juni 2008 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:

“Ik ben eigenaar van een Audi Q7. Dit voertuig is voorzien van een kenteken dat begint met [AA] . Ik heb het voertuig afgelopen maandag gekocht in Bremen te Duitsland bij autobedrijf [A] . Deze heb ik daar handje contantje betaald. Ik heb dit voertuig gekocht voor een oom van mij in Marokko en heb dit geld ook van hem gehad. Ik zou dan binnenkort het voertuig naar Marokko rijden.”

(iv) Een op 26 juni 2008 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:

“Ik zal het maar gewoon zeggen van die oom klopt niet.”

(v) Een op 10 februari 2009 bij de Duitse politie afgelegde verklaring van [betrokkene 2] , voor zover inhoudende:

“Ik ben zowel de eigenaar als de directeur van Autohandel [A] te Bremen.

Ik heb de Audi Q7 op internet, op de site mobile.de, geadverteerd en te koop aangeboden. Op 20 juni 2008 ontving ik de schriftelijke bestelling van de firma [B]. De koper, [betrokkene 3], bevestigde mij per fax dat hij de Audi Q7 zou kopen. De koopprijs werd bepaald op 37.250 Euro. Voor die prijs werd de Audi later ook verkocht.

De door [betrokkene 3] gemachtigde en voor het ophalen van de Audi verschenen lasthebber was de heer [verdachte] . Hij bracht ook de 37.250 Euro mee en betaalde bij mij met contant geld voor de Audi.”

(vi) Een vertaald exemplaar van een koopovereenkomst van autobedrijf [A] van 23 juni 2008, voor zover inhoudende:

“Op basis van uw bestelling ontvangt u hierbij het volgende gebruikte voertuig:

Fabrikant: Audi-Q7

Voertuig ID-nr.: [001]

Prijs af vestiging 37.250,00 EUR

Toeslag 19% BTW Xxxxx EUR

Bedrag van de rekening 37.250,00 EUR”

(vii) Een op 17 juli 2008 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 3] , voor zover inhoudende:

“ [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte [verdachte] ) vroeg mij of ik hem zou kunnen helpen met de aankoop van een auto in Duitsland.

Hij wil een Audi Q7 kopen en vraagt of ik wil bemiddelen bij de koop. Dat wil ik en ik ga voor hem bellen naar het betreffende bedrijf [A] in Duitsland. Na het gesprek met [A] belde ik [verdachte] en hij ging akkoord met de overeengekomen prijs. Ik heb hierna [A] gebeld dat we een akkoord hadden. Hierna heeft [A] de koopovereenkomst naar mij op de fax gezet. Ik heb de overeenkomst ondertekend en weer terug gefaxt naar hem. Ik heb de koopovereenkomst aan [verdachte] doen toekomen met een door mij opgemaakte volmacht waarmee [verdachte] de auto op zou kunnen halen. Mijn commissie was een bedrag van om en nabij de 1.000 euro. Ik heb dit bedrag later ontvangen.”

(viii) Een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 14 juli 2008, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 3] , voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

“Verdachte [verdachte] heeft omtrent de aanschaf van Audi Q7 verklaard dat hij deze in Duitsland heeft gekocht en contant heeft betaald. Hij zou dit hebben betaald van zijn spaargeld. Hij heeft hiervoor een bedrag van € 12.000,- gepind van zijn girorekeningnummer [002] bij de Postbank. De rest van het aankoopbedrag heeft hij betaald van zijn spaargeld dat hij thuis bewaarde.

Door mij is onderzoek gedaan naar inkomsten, vermogen en betalingen.

Onderzoek Belastingdienst:

[verdachte] heeft de afgelopen jaren de volgende netto bedragen uit loon en/of uitkering en studiefinanciering ontvangen:

Jaar Loon/uitkering Studiefinanciering

2003 € 1.271 -

2004 € 1.308 € 6.480

2005 € 2.134 € 7.950

2006 € 3.787 € 7.995

2007 € 7.263 -

Onderzoek Postbankrekening [002]

Uit de door de Postbank verstrekte informatie blijkt het volgende:

op 20 juni 2008 wordt een bedrag van € 15.000 ontvangen van Postbank tegenrekening [003] ;

op 20 juni 2008 wordt een bedrag van € 12.000,- contant opgenomen.

Uit aanvullende informatie blijkt nog het volgende:

Rekeningnummer [003] betreft een intern rekeningnummer van de Postbank wat onder andere wordt gebruikt voor buitenlandoverboekingen;

het geldbedrag van € 15.000,- blijkt een buitenlandboeking te betreffen vanuit Luxemburg.”

(ix) Een op 27 juni 2008 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:

“U vraagt mij naar [betrokkene 1] , de jongen die in mijn auto reed.

Hij is een vriend van mij, ik ken hem nu 4 jaar via mijn neef. Ik weet dat hij met drugs te maken heeft, want hij loopt in Maastricht te sjoemelen.”

(x) Een op 2 december 2008 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:

“Wij hebben van jou money transfers opgevraagd over de periode 24 oktober 2005 t/m 4 februari 2008. Waarvoor en aan wie heb je deze bedragen betaald?

Ik heb dit gedaan voor [betrokkene 4] . Hij vroeg mij dit geld over te maken naar een kennis van [betrokkene 4] in Marokko.

Hoe kwam [betrokkene 4] aan dit geld?

Ik weet zeker dat hij dit met verdovende middelen heeft verdiend.

Je hebt in je verklaring op 27 juni 2008 verteld dat [betrokkene 1] met drugs te maken heeft. Hij zou sjoemelen in Maastricht. Wat doet [betrokkene 1] dan in Maastricht?

Ik denk dat hij met drugshandel bezig is.”

(xi) Een proces-verbaal van politie van 26 januari 2009, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , voor zover - voor de beoordeling van het middel van belang - inhoudende als relaas van de verbalisanten:

“Van [betrokkene 1] is bekend dat hij actief is in het drugrunnercircuit in de Limburgse grensstreek.

Verdachte [verdachte] blijkt tevens voor te komen in de bestanden van het zogenaamde Jointhitteam wat actief rechercheert op drugsrunners. Verdachte [verdachte] blijkt meerdere malen (4 maal) onder verdachte omstandigheden te zijn gezien in de streek waar drugsrunners actief zijn. De gedragingen van [verdachte] werden aangemerkt als verdacht van betrokkenheid bij het runnen in de verdovende middelen scène.

Dat [verdachte] en [betrokkene 1] kennelijk een meer dan oppervlakkige relatie met elkaar hebben, wordt bevestigd door historische gegevens van de mobiele telefoons van verdachte [verdachte] . (…)."

7. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde op de grond dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is, aangezien er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de auto is gekocht met geld dat van misdrijf afkomstig is. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. Uit het dossier blijkt niet meer dan dat de verdachte in de periferie van het criminele circuit wat geld heeft proberen te verdienen. De verdachte heeft gemeend dat het verstandig zou zijn om een auto te kopen en die vervolgens hetzij in Nederland hetzij in Marokko weer te verkopen, waarbij hij een gedeelte van het aankoopbedrag van zijn vader heeft geleend. Daarnaast heeft hij een bedrag van € 15.000,- ontvangen op zijn bankrekening. De omstandigheid dat dit bedrag afkomstig was van een Luxemburgse bankrekening, betekent niet dat de verdachte er vanuit had moeten gaan dat dit fout geld betrof. Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar de financiële omstandigheden van de verdachte. Daaruit had kunnen blijken dat hij makkelijk geld verdiende en spendeerde. De verdachte heeft wisselende verklaringen afgelegd over de financiering van de auto, aangezien hij zich schaamde over het feit dat de auto in beslag was genomen, terwijl hij die auto deels met geleend geld van zijn vader had betaald. Dit wordt onderbouwd met een ter terechtzitting overgelegd rekeningafschrift. Bovendien is er sprake van wat spraakverwarring en doet de verdachte zich slimmer voor dan hij is.

8. Het hof heeft dit verweer onder “nadere bewijsoverweging” als volgt samengevat en verworpen:

“De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd - kort en zakelijk weergegeven - dat de verdachte behoort te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Ter adstructie heeft hij aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de personenauto, merk Audi, type Q7 heeft gekocht met geld dat uit misdrijf afkomstig is, mede gelet op de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte omtrent de herkomst van dat geld.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard - zakelijk weergegeven -:

- dat hij het geldbedrag voor de aankoop van de Audi Q7 deels van zijn vader heeft geleend, te weten een bedrag van € 16.000,-;

- dat hij € 12.000,- van zijn eigen rekening heeft opgenomen nadat er € 15.000,- op zijn rekening was bijgeschreven vanaf een bankrekening uit Luxemburg. Dit bedrag van € 15.000,- is aan de verdachte betaald als koopprijs voor een door de verdachte verkochte personenauto (Audi A4);

- dat hij het restant van het aankoopbedrag van de Audi Q7 heeft betaald met zijn spaargeld dat hij heeft verdiend met diverse banen;

- dat hij thans geen geld meer heeft, mede omdat hij de lening van zijn vader heeft terugbetaald.

Naar het oordeel van het hof is bovengenoemde verklaring van de verdachte onaannemelijk en ongeloofwaardig. Allereerst neemt het hof daarbij in aanmerking dat de verdachte pas in hoger beroep heeft verklaard over de lening van zijn vader, terwijl hij die verklaring niet anders heeft onderbouwd dan met een rekeningafschrift op naam van zijn vader waaruit blijkt dat zijn vader op 20 maart 2008 een bedrag van € 9.025,10 op zijn rekening bij geschreven heeft gekregen. Deze onderbouwing is onvoldoende, want uit dit afschrift blijkt niet dat er een overboeking van € 16.000,- heeft plaatsgevonden naar de rekening van de verdachte. Bovendien is door de verdediging geen verzoek gedaan tot het horen van de vader van de verdachte als getuige en evenmin is de vader van de verdachte meegebracht naar de terechtzitting in hoger beroep teneinde door het hof te worden gehoord.

Ten aanzien van de - eerst in hoger beroep afgelegde - verklaring van de verdachte, inhoudende dat het op zijn rekening bij geschreven geldbedrag van € 15.000,- de tegenprestatie betreft van een door de verdachte verkochte Audi A4, zodat daarvan niet kan worden gezegd dat dat geld van misdrijf afkomstig was en dat de verdachte daarvan wist, is het hof eveneens van oordeel dat deze verklaring onaannemelijk en ongeloofwaardig is, nu ook deze stelling op geen enkele manier is onderbouwd en bovendien pas op een laat tijdstip is afgelegd.

Voorts stelt het hof op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep de volgende feiten en omstandigheden vast.

De verdachte heeft de personenauto (Audi Q7) gekocht voor een bedrag van € 37.250,-, dat hij in contanten heeft betaald. In 2007 heeft de verdachte een inkomen genoten van € 7.263,-. De verdachte heeft verklaard dat hij money transfers heeft verricht naar Marokko voor ene [betrokkene 4] terwijl hij zeker weet dat die [betrokkene 4] dit geld met verdovende middelen heeft verdiend. Bovendien gaat de verdachte om met [betrokkene 1] , van wie hij vermoedt dat deze zich met drugshandel bezig houdt.

Nu de verdachte naar eigen zeggen omgaat met kennissen die in het criminele milieu verkeren (en waarvoor hij hand- en spandiensten heeft verricht), de verdachte niet over de (legale) tegoeden beschikte die de aankoop van een dergelijke auto kunnen verklaren terwijl die auto in contanten is betaald, alsmede de omstandigheid dat de verdachte zowel bij de politie als in eerste aanleg en vervolgens in hoger beroep voortdurend op belangrijke onderdelen wisselend heeft verklaard over de aankoop van de auto en over de herkomst van het geld waarmee die aankoop is gedaan, is het hof van oordeel dat het op grond van voornoemde feiten en omstandigheden in onderlinge verband en samenhang bezien niet anders kan zijn dan dat het geld waarmee de Audi Q7 is gefinancierd, van enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte daarvan op de hoogte was zodat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

Het hof verwerpt het verweer.”

9. De steller van het middel merkt terecht op dat de als bewijsmiddel 3 voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat hij het voertuig heeft gekocht voor een oom van hem in Marokko en dat hij dit geld ook van die oom heeft gehad, in strijd is met de als bewijsmiddel 4 tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat (het verhaal) van die oom niet klopt. De vraag rijst of deze tegenstrijdigheid tot gevolg heeft dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. Bij de beantwoording van deze vraag zijn verschillende benaderingen mogelijk.

10. In de eerste plaats is denkbaar dat het hof de op 26 juni 2008 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat hij het voertuig heeft gekocht voor een oom van hem in Marokko en dat hij dit geld ook van die oom heeft gekregen, heeft beschouwd als een kennelijke leugen die tot doel had de waarheid omtrent de aankoop van de auto en de herkomst van het geld waarmee die aankoop is gedaan te bemantelen.

11. Een verklaring van de verdachte, die naar het oordeel van het hof kennelijk leugenachtig is en is afgelegd om de waarheid te bemantelen, kan tot het bewijs worden gebezigd. Zodanig oordeel zal dan wel voldoende grondslag moeten vinden in door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, die zijn vervat in een of meer andere gebezigde bewijsmiddelen. Tot deze andere bewijsmiddelen kunnen in ieder geval niet worden gerekend bewijsmiddelen, inhoudende verklaringen van de verdachte zelf of van andere personen die slechts behelzen hetgeen de verdachte aan hen heeft meegedeeld.1

12. In de onder 8 weergegeven bewijsoverweging heeft het hof niet expliciet overwogen dat het de twee laatste zinnen van de verklaring van de verdachte, die als bewijsmiddel 3 is opgenomen, als kennelijk leugenachtig beschouwt. Daarin gaat het hof wel in op andere lezingen van de feiten door de verdachte, die door het hof als onaannemelijk en ongeloofwaardig worden beschouwd. Voor het geval de bewijsvoering aldus moet worden begrepen, dat het hof de twee laatste zinnen van de verklaring van de verdachte, die als bewijsmiddel 3 is opgenomen, als kennelijk leugenachtig heeft aangemerkt, geldt het volgende. De verdachte zelf heeft verklaard dat zijn eerdere verklaring ten aanzien van zijn oom onjuist was (bewijsmiddel 4). Nu het gaat om een verklaring van de verdachte, kan daarin evenwel niet de grondslag worden gevonden voor de kennelijke leugenachtigheid van de eerdere verklaring. Uit de in de overige bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden is niet zonder meer een voldoende grondslag te ontlenen voor het oordeel dat de passage over de oom van de verdachte kennelijk leugenachtig is en is afgelegd om de waarheid te bemantelen. Indien moet worden aangenomen dat het hof de bedoelde passage van de als bewijsmiddel 3 opgenomen verklaring als kennelijk leugenachtig heeft beschouwd, is de bewezenverklaring niet voldoende met redenen omkleed.2

13. Tot cassatie hoeft zulks evenwel niet te leiden. Uit de bewijsoverweging, die hiervoor onder 8 is opgenomen, volgt dat het hof geen geloof heeft gehecht aan de wisselende verklaringen van de verdachte. Daarin ligt besloten dat zulks ook geldt voor de laatste twee zinnen van de verklaring van de verdachte, die als bewijsmiddel 3 is opgenomen, en waarvan de verdachte ook zelf heeft verklaard dat deze niet in overeenstemming met de waarheid zijn (bewijsmiddel 4). Het hof heeft geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat het geld waarmee de auto is gefinancierd van enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte daarvan op de hoogte was. Daartoe heeft het hof onder meer overwogen dat de verdachte zowel bij de politie als in eerste aanleg en in hoger beroep voortdurend op belangrijke onderdelen wisselend heeft verklaard over de aankoop van de auto en over de herkomst van het geld waarmee de aankoop is gedaan. Indien de laatste twee zinnen van de als bewijsmiddel 3 opgenomen verklaring van de verdachte - en de als niet redengevend aan te merken verklaring van de verdachte die als bewijsmiddel 4 is opgenomen - worden weggedacht, is de bewezenverklaring zonder meer toereikend gemotiveerd. Gelet hierop behoeft voornoemd verzuim wegens het ontbreken van belang voor de verdachte bij vernietiging op dit punt niet tot cassatie te leiden. Daarop strandt het middel.3

14. Het middel faalt.

15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9968, NJ 2012/466, rov. 4.2, HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3992, NJ 2012/7, rov. 2.3 en 2.4, HR 6 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3461, NJ 2006/162, rov. 4.4, HR 24 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2897, NJ 2005/396, rov. 3.4, HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6616, rov. 3.5, HR 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8873, NJ 2002/567, rov. 4.5 en HR 19 maart 1996, NJ 1996/540 m.nt. Schalken, rov. 4.4 en 4.5.

2 Vgl. voor een recente zaak waarin wel kon worden aangenomen dat het hof de verklaring van de verdachte stilzwijgend als kennelijk leugenachtig heeft bestempeld en dat dit oordeel steunde op nader aangeduide, andere onderdelen van de bewijsvoering: HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:2 (eerste middel, art. 81 RO).

3 Vgl. HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430 m.nt. Van Kempen, rov. 2.5.1, HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1167, NJ 2014/382 m.nt. Keulen, rov. 3.6, HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1176, NJ 2014/381 m.nt. Keulen, rov. 2.6 en HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241 m.nt. Bleichrodt, rov 2.2.5.