Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:297

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-03-2017
Datum publicatie
21-04-2017
Zaaknummer
16/00397
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:721, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen hennepteelt en medeplegen diefstal elektriciteit. Aantreffen hennepkwekerij n.a.v. melding MMA (Meld Misdaad Anoniem) waarna o.g.v. art. 2 Politiewet (oud) een camera is geplaatst o.b.w.v. vervolgens opsporingsambtenaren het bedrijfspand o.g.v. art. 9.1.b Opiumwet zijn binnengetreden. Middelen m.b.t. de rechtmatigheid van het binnentreden en medeplegen. HR: art. 81.1 RO. CAG t.a.v. medeplegen: Gezamenlijke uitvoering van hennepteelt en daarvoor gebruikte diefstal van elektriciteit. Samenhang met 16/05140 P.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/00397

Zitting: 7 maart 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 8 mei 2015 de verdachte wegens 1. en 2. de voortgezette handeling van “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd” en “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel” en 3. “diefstal door twee of meer verenigde personen” een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

  2. Deze strafzaak hangt samen met de ontnemingszaak (nr. 16/05140 P) tegen de verdachte, waarin ik vandaag eveneens concludeer.

  3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. M.S. Kikkert, advocaat te Haarlem, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.1

4. Het gaat in deze zaak om het volgende. Op enig moment is bij de politie een MMA-melding binnengekomen, inhoudende dat zich in een bedrijfspand achter een garagebedrijf, dat is gelegen op het adres [a-straat 1] in Hillegom, vermoedelijk een hennepkwekerij bevindt. Naar aanleiding van deze melding heeft een verbalisant op 9 september 2012 ter plaatse onderzoek verricht, waarbij hij heeft geconstateerd dat op het adres [a-straat 2] in Hillegom autogarage “[A]” is gevestigd. Voorts heeft de verbalisant een controle in het uittreksel van de kamer van koophandel uitgevoerd, waaruit is gebleken dat op het voornoemde adres autobedrijf “[A]” stond geregistreerd en dat de medeverdachte [betrokkene 1] eigenaar is van dat bedrijf.2 Op 25 oktober 2012 heeft de politie op de voet van art. 2 Politiewet (oud) een camera geplaatst, teneinde de bedrijfsmatigheid in dit pand te achterhalen.3 Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de politie op 8 januari 2013 een onderzoek ingesteld in het bedrijfspand door kennelijk op de voet van art. 9, eerste lid, aanhef en onder b, Opiumwet het pand binnen te treden. Daarbij is een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met, verdeeld over verschillende ruimtes in het pand, een groot aantal (455) hennepplanten.4 Voorts heeft een fraudespecialist van elektriciteitsmaatschappij Liander N.V. geconstateerd dat er in het bedrijfspand een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt ten behoeve van die hennepkwekerij.5 De verdachte is veroordeeld ter zake van het samen met [betrokkene 1] opzettelijk telen en aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennepplanten (feiten 1 en 2) en het samen met [betrokkene 1] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening wegnemen van een hoeveelheid elektriciteit (feit 3).6

5. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat er sprake was van een redelijk vermoeden dat zich in het pand een hennepkwekerij bevond en dat er rechtmatig is binnengetreden.

6. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota, heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten, onder meer omdat het bedrijfspand onrechtmatig is binnengetreden, aangezien er geen sprake was van een redelijk vermoeden van overtreding van de Opiumwet. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. De MMA-melding bleek op meerdere punten onjuist te zijn. Er bestond op dat moment nog geen verdenking ex art. 27 Sv. Op het moment van het binnentreden wordt het redelijke vermoeden door de verbalisanten kennelijk gestaafd op grond van een tweeënhalve maand oude zak aarde, nietszeggende camerabeelden van het pand en een MMA-melding waarvan één van de verbalisanten heeft gezien dat deze niet klopt, terwijl nergens uit blijkt dat de verdenking nog actueel was. Er is verder niets geverifieerd en nader onderzoek is achterwege gebleven, aldus de raadsman.7

7. Het hof heeft dit verweer onder “bewijsoverwegingen” als volgt samengevat en verworpen:

“Ter terechtzitting in hoger beroep van 24 april 2015 heeft de raadsman van de verdachte overeenkomstig zijn pleitnota vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit. (…) Voorts heeft de raadsman betoogd dat het binnentreden in het pand onrechtmatig is geweest nu er geen redelijk vermoeden van schuld bestond.

(…)

Met betrekking tot de rechtmatigheid van het binnentreden in het bedrijfspand overweegt het hof het volgende.

Uit de zich in het dossier bevindende stukken alsmede uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het navolgende gebleken.

De politie heeft op een zeker moment een melding 'Meld Misdaad Anoniem' binnengekregen, inhoudende: 'Achter het garagebedrijf aan de [a-straat 1] in Hillegom is een bedrijfspandje waar de vermoedelijke hennepkwekerij zich bevindt. Het pand is dichtgetimmerd en de ramen zijn dichtgemaakt met piepschuim. Er komen onbekende personen op ongebruikelijke tijden in het pand die er kort verblijven'.

Verbalisant [verbalisant] is na deze melding op 9 september 2012 ter plaatse gegaan. Hij zag dat er in de ochtend licht brandde op de eerste verdieping en hoorde een geluid dat vermoedelijk afkomstig was van een afzuiginstallatie.

Vervolgens zijn er in de periode van 25 oktober 2012 tot 31 oktober 2012 camerabeelden gemaakt van het garagepand aan de [a-straat 1] te Hillegom. Op deze camerabeelden is te zien dat diverse mensen het bedrijfspand betreden, al dan niet met spullen, ook op nachtelijke tijdstippen. Ook de verdachte wordt op de camerabeelden frequent gezien.

Na vaststelling van de identiteit van de verdachte wordt geconstateerd dat de verdachte eerder is veroordeeld voor het kweken van hennep.

Op 29 oktober 2012 is de grijze Hyundai bestelauto van verdachte met het kenteken [AA-00-BB] gezien bij [B], een winkel gespecialiseerd in systemen en producten voor wietplantages, aan de Schermerweg te Alkmaar. De auto stond op dat moment geparkeerd.

Op 8 januari 2013 wordt wederom condens op de ramen van het pand geconstateerd.

Het hof concludeert op grond van de bovenstaande feiten en omstandigheden dat sprake is van een redelijk vermoeden dat zich in het pand een hennepkwekerij bevond en er aldus rechtmatig op 8 januari 2013 is binnengetreden in het bedrijfspand. Hoewel tussen de datum van het ophangen van de camera en het binnentreden enige tijd is verstreken, is het hof van oordeel dat hierdoor het recht op binnentreden in het bedrijfspand niet is verlopen.”

8. Ingevolge art. 9, eerste lid aanhef en onder b, Opiumwet hebben opsporingsambtenaren, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, toegang tot de plaatsen, waar een overtreding van de Opiumwet gepleegd wordt of waar redelijkerwijze vermoed kan worden, dat zodanige overtreding gepleegd wordt.

9. Verdenking van overtreding van de Opiumwet kan worden aangenomen op basis van anoniem aan de politie verstrekte informatie.8 De beantwoording van de vraag of dergelijke informatie toereikend is voor de toepassing van art. 9, eerste lid aanhef en onder b, Opiumwet is in belangrijke mate afhankelijk van aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval. Het oordeel van de feitenrechter daarover kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst.9

10. In de hiervoor onder 7 weergegeven overwegingen ligt als het oordeel van het hof besloten dat ten tijde van het binnentreden van het bedrijfspand door de politie redelijkerwijze vermoed kon worden dat er in dat pand een overtreding van de Opiumwet werd gepleegd.

11. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Er was sprake van een concrete en gedetailleerde MMA-melding betreffende de vermoedelijke aanwezigheid van een hennepkwekerij in een bedrijfspand, terwijl nader onderzoek heeft plaatsgevonden ter verificatie van die melding.10 Gelet op die verificatie, heeft het hof feitelijk en niet onbegrijpelijk vastgesteld dat de MMA-melding voldoende steun vond in verschillende andere omstandigheden. Zo heeft de politie deze melding meermalen ter plaatse gecontroleerd, zijn er camerabeelden gemaakt van het pand waarop bedrijvigheid zoals weergegeven in bewijsmiddel 3 is waargenomen en is geconstateerd dat de verdachte eerder is veroordeeld voor het kweken van hennep en dat zijn bestelauto bij een “growshop” stond geparkeerd.

12. Anders dan de steller van het middel aanvoert, doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet af dat de MMA-melding reeds enige tijd vóór het binnentreden van het bedrijfspand bij de politie was ingekomen. Uit de vaststellingen van het hof blijkt dat de politie in de tussenliggende periode nader onderzoek heeft verricht naar de melding, terwijl op de dag van het binnentreden condens op de ramen van het pand is geconstateerd.11 Aldus heeft het hof het in het middel bedoelde verweer op goede gronden en toereikend gemotiveerd verworpen. Gelet op de onderbouwing van het verweer door de raadsman, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. Voor zover het middel tot uitgangspunt neemt dat het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die tot de afwijking van het standpunt van de verdediging hebben geleid, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist het feitelijke grondslag.

13. Daarbij komt het volgende. Het hof heeft vastgesteld dat het bedrijfspand waarin de politie is binnengetreden aan de medeverdachte [betrokkene 1] toebehoorde. Dit pand was geen eigendom van de verdachte. Dit brengt mee dat, zelfs al zou er sprake zijn geweest van onrechtmatig binnentreden van dit bedrijfspand, het niet de verdachte maar [betrokkene 1] zou zijn geweest die door de niet-naleving van het desbetreffende voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. Ook daarop strandt het middel.12

14. Het middel faalt.

15. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ten aanzien van feit 1 ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat er sprake is van medeplegen van het opzettelijk telen en aanwezig hebben van hennepplanten, terwijl de raadsman van de verdachte gemotiveerd heeft gesteld dat er hooguit sprake is van medeplichtigheid. Het derde middel behelst de klacht dat het hof ten aanzien van feit 3, gelet op het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsman, onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat er sprake is van medeplegen van diefstal van elektriciteit. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

16. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 1 juni 2012 tot en met 7 januari 2013 te Hillegom tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft geteeld in een pand aan [a-straat 2] een groot aantal hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.”

17. Voorts is ten laste van de verdachte onder 2 bewezen verklaard dat:

“hij op 8 januari 2013 te Hillegom tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [a-straat 2] 455 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.”

18. Daarnaast is ten laste van de verdachte onder 3 bewezen verklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 8 januari 2013 te Hillegom tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pand aan de [a-straat 2] heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit toebehorende aan Liander N.V.”

19. Deze bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen:
(i) De op de terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:

“Ik weet niet meer wanneer er exact is verbouwd en wanneer de kwekerij klaar was. We zijn in september begonnen met het bouwen van de kwekerij. De camerabeelden zijn van 25 oktober 2012. Misschien heb ik toen af en toe eens een vat gevuld. (.... ) Een watervat wordt twee keer per wéék gevuld. Ik deed dat niet altijd.”

(ii) Een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 23 november 2012, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

“Op maandag 29 november 2012, omstreeks 15.15 uur, is de grijze Hyundai bestelauto met het kenteken [AA-00-BB] gezien bij [B] aan de Schermerweg te Alkmaar.”

(iii) Een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 18 december 2012, betreffende de waarneming door de verbalisant van de camerabeelden, die in de periode van 25 oktober 2012 tot en met 30 oktober 2012 door de politie zijn gemaakt van het pand gelegen aan de [a-straat 2] in Hillegom. De verbalisant heeft op die beelden onder meer waargenomen dat de verdachte en diverse andere personen frequent, zowel in de nachtelijke uren als overdag, het bedrijfspand hebben betreden en dat de verdachte verschillende goederen, waaronder zakken met aarde, een haspel en op een slijptol gelijkend gereedschap, bij het pand naar binnen heeft gedragen.

(iv) Een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 10 januari 2013, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

“Ik heb op 8 januari 2013 een onderzoek ingesteld in een bedrijfspand, zijnde perceel [a-straat 2] te Hillegom.

Als in dit proces-verbaal wordt gesproken over hennepkwekerij en/of hennepplanten, hennepstekjes/stekkerij en/of hennepresten, kan ik mededelen, dat ik dit herkende aan de mij bekende kleur en vormgeving en dat ik daarbij de mij bekende, typische geur van hennep rook.

Hennep staat vermeld op lijst II van de Opiumwet.

Perceel:

Ik zag dat het hier een autobedrijf betrof met aanpandig een andere ruimte. Ik zag dat de deurramen van het aanpandige pand waren gesloten met luxaflex. Zicht naar binnen was niet mogelijk. Ik zag ook bovenramen, welke eveneens waren gesloten met luxaflex.

Tenslotte zag ik een raam aan de achterzijde van het pand. Ik zag hier op/ achter het raam condensvorming.

Toegang tot kwekerij :

Nadat de deur was geopend aan de achterzijde van het kantoor van het autobedrijf, kwam ik terecht in het aanpandige pand.

Hier zag ik diverse ruimtes. Ik zal per ruimte omschrijven wat ik zag.

In ruimte C zag ik onder andere het volgende:

• Zakken met gebruikte aarde. Ik zag in de aarde wortels en oude hennepbladen. Ik herkende dit aan de vormgeving (verdord) en aan de kleur (bruin).

In ruimte D zag ik onder andere het volgende:

• In het eerste gedeelte hennepbladen;

• In het tweede gedeelte aan de wand een paneel met 24 voorschakelapparaten. Ik zag ook dat deze een wattage van 6900 Watt bezaten en dat de aansluiting "open", lag. Ik zag ook een elektrapaneel dat "open" lag. Ik zag daarbij ook een tijdklok. Op het paneel stonden handmatig geschreven aantekeningen, betrekking op de installatie/gebruik.

In ruimte E zag ik onder andere het volgende:

• Deze ruimte was geheel ingericht met een inwerking zijnde hennepkwekerij;

• In een zogenaamd kweekbed potten. In de potten waren/ werden hennepplanten geteeld. Er werden 16 planten op 1 vierkante meter geteeld.

In ruimte F zag ik onder andere het volgende:

• Op en aan 15 droogrekjes hennepresten. Het is aannemelijk, dat er op deze droogrekjes al eerder hennep is gedroogd;

• Een zak met hennepafval. Ik zag aarde, wortels en afgeknipte stelen van planten. Ik zag aan de onderzijde van de steel een stekplug. Dit betreft een eerdere oogst;

• 29 potten met aarde en een afgeknipte steel. Ik zag aan de onderzijde van de steel een stekplug. Ik zag en ik voelde, dat de onderzijde van de steel (het hart) nog vochtig was. Dit betekent, dat deze planten korte tijd hiervoor waren afgeknipt (= geoogst). Dit betreft een eerdere oogst;

• Een paneel met 9 voorschakelapparaten;

• Een paneel met elektra. Ik zag dat de elektra "open" was en ik zag ook een tijdklok.

In de kweektent G1 zag ik onder andere het volgende:

• potten waarin hennepplaten aanwezig waren/werden geteeld. De planten waren nagenoeg oogstrijp (ongeveer de 9e week van de bloeifase. Ik zag dat er 9 planten op 1 vierkante meter werden geteeld;

• Op 4 droogrekjes henneptoppen;

• Achterin potten met aarde en een afgeknipte (=geoogste) steel. Deze waren identiek aan de potten in ruimte F (de genoemde 29 potten).

In de kweektent G2 zag ik onder andere het volgende:

• Hennepplanten in potten aanwezig/ werden geteeld. De planten verkeerde in ongeveer de achtste week van de bloeifase.

In ruimte H zag ik onder andere het volgende:

• 2 zakken met hennepafval. Ik zag dat dit geknipte hennepplanten waren.

In de kweektent H zag ik onder andere het volgende:

• Potten waarin hennepplanten aanwezig waren/werden geteeld. De planten waren ongeveer in de vierde week van de cyclus. Er werden 9 planten op 1 vierkante meter geteeld.

• Nadat ik een rij potten had weggehaald, zag ik de kalkaanslag op de grond. Het is mij bekend, dat dit ontstaat na ongeveer twee oogsten en bij het in aanraking komen van vloeistof. Ik zag ook aan de onderzijde van de potten kalkaanslag.

In Box i zag ik onder andere het volgende:

• 7 potjes met daarin een hennepplantje;

• Een hoeveel identieke potjes. Ik zag dat deze gebruikt waren;

• 2 zakken met gebruikte aarde.

Bedrijfsmatigheid:

Gezien bovenstaande bevindingen voldeed de schuur geheel aan de indicatoren voor bedrijfsmatig handelen, met betrekking tot de teelt van Cannabis, zoals omschreven in de Aanwijzing Opiumwet(2011A013) de dato 1 juli 2011.

Mij wees niets op enige commerciële bedrijvigheid in het pand. Het' gehele pand was ingericht voor de teelt van hennep.

Aantal planten:

In ruimte E werden 249 hennepplanten geteeld.

In ruimte GI werden 13 potten met een hennepplant en 67 potten met een steel (geoogst) aangetroffen. Zoals Ik heb omschreven zag ik ook nog in ruimte F de genoemde 29 potten met steel. In ruimte H werden 97 planten geteeld.”

(v) Een op 23 januari 2013 bij de politie afgelegde verklaring van de medeverdachte [betrokkene 2], voor zover inhoudende:

“Ik kwam via [verdachte] in contact met [betrokkene 1]. In het bijzijn van deze twee mannen is er overeenkomen dat ik die werkzaamheden zou doen, om een kwekerij voor hun beide in te richten. De kwekerij was van hun gezamenlijk.

Ik heb alles boven iets van 6 maanden terug ingericht. De kwekerij die beneden zat heb ik iets van 2 maanden terug ingericht.

Het klopt dat [betrokkene 1] [verdachte] heeft benaderd voor de hennepkwekerij. Vervolgens heeft [verdachte] mij benaderd, omdat hij weet dat ik meerdere klussen doe.”

20. De bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit steunt daarnaast nog op het volgende bewijsmiddel:

(i) Een schriftelijke aangifte van 17 januari 2013 namens Liander N.V., opgemaakt door [betrokkene 3], administratief medewerker van de afdeling energiefraude van Leander N.V., voor zover inhoudende als verklaring van de aangever (bewijsmiddel 6):

“Namens Liander N.V. ben ik uit hoofde van mijn functie bevoegd om aangifte te doen bij de politie.

Liander N.V. heeft vanaf 1 februari 2008 met een persoon/bedrijf genaamd [A] een overeenkomst betreffende aansluiting en transport van elektriciteit naar bovengenoemd perceel.

Op verzoek van Liander N.V. is in samenwerking met de politie te Lisse op 8 januari 2013 door fraudespecialist (M03) van Liander N.V., een onderzoek ingesteld naar de aansluiting, waaronder de meetinrichting die eigendom is van Liander N.V. en die zich bevindt in bovengenoemd perceel.

Als in deze aangifte wordt gesproken over hennepplantage en/of hennepplanten, hennepstekjes, hennepstekkerij en/of hennepresten, kan ik mededelen dat voornoemde fraudespecialist en [verbalisant] hebben verklaard dat zij dit herkenden aan de hen bekende kleur en vormgeving en dat zij daarbij de hen bekende, typische, geur van hennep roken.

Bij dit onderzoek is het volgende geconstateerd. De fraudespecialist (M03) constateerde op 8 januari 2013 verboden handelingen aan de elektriciteitsinstallatie en trof het volgende aan:

De eerdergenoemde fraudespecialist zag dat de zegels van de hoofdaansluitkast waren verbroken. Hij zag namelijk dat de deksel van de hoofdaansluitkast niet meer gemonteerd was. Hierdoor zag hij dat aan de bovenzijde van de zekeringhouders een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt en dat deze aansluiting buiten de elektriciteitsmeter om liep naar de hennepplantage en deze voorzag van elektriciteit. De eerdergenoemde fraudespecialist zag dat de hoofdbeveiliging ten behoeve van de elektrische installatie verzwaard was van 3 x 25 A naar 3 x 35 A. Hij zag namelijk dat er zwaardere hoofdzekeringen geplaatst, waren. Door voorstaande werd schade en hinder veroorzaakt aan Liander N.V., omdat de juiste tarievenregeling niet kon worden toegepast. Voorts was het gelijktijdige af te nemen vermogen van de getransporteerde elektriciteit niet meer in overeenstemming met de installatie.

Door de manipulatie werd de afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage niet via de elektriciteitsmeter geregistreerd.

Uit het door Liander N.V. ingestelde onderzoek is gebleken dat er een hennepplantage was ingericht in bovengenoemd perceel in ieder geval in de periode van juni 2012 tot 8 januari 2013. Dit betekent dat er in deze periode vermoedelijk sprake is geweest van tenminste twee eerdere oogsten. De aangetroffen teelt was tenminste negen weken oud.

Naar aanleiding van deze inventarisatie en het door Liander N.V. ingestelde onderzoek is door mij een berekening gemaakt waaruit blijkt dat er minimaal 62.581 kWh illegaal is afgenomen (weggenomen) ten behoeve van de hennepplantage (zie bijlage "berekening energieverbruik").

Niemand is gerechtigd de elektra, zijnde eigendom van Liander N.V. op deze wijze weg te nemen en zich toe te eigenen.”

21. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota, heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat de verdachte van de feiten 1 en 3 dient te worden vrijgesproken, aangezien er gelet op de rol van de verdachte geen sprake was van medeplegen maar van medeplichtigheid.13 De raadsman heeft daartoe ten aanzien van feit 1 het volgende aangevoerd. In zijn latere verklaring heeft [betrokkene 1] verklaard dat de verdachte zou hebben geholpen met het opbouwen van de hennepkwekerij en met het doen van wat boodschappen. [betrokkene 2] heeft op de terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij de werkzaamheden niet heeft verricht in opdracht van de verdachte maar in opdracht van [betrokkene 1]. De verdachte zelf heeft verklaard dat hij niet de initiator en/of eigenaar van de hennepkwekerij is geweest maar dat hij wel van de kwekerij wist, de planten wel eens water heeft gegeven en een boodschap heeft gedaan. De camerabeelden zeggen niets over een grote rol van de verdachte. De verdachte heeft een zeer beperkte rol vervuld. Door de hennepkwekerij op te bouwen, een ton met water te vullen en af en toe een boodschap te doen is er geen sprake van een intellectuele of materiële bijdrage die zo wezenlijk is dat er sprake is van medeplegen.
Voorts heeft de raadsman ten aanzien van feit 3 het volgende aangevoerd. De stukken van het strafdossier bevatten geen enkel bewijsmiddel betreffende een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte bij de diefstal van stroom. De omstandigheid dat voor de expert van Liander N.V. in de meterkast een illegale aansluiting te zien was, betekent niet dat een leek als de verdachte dat ook moet hebben gezien op het moment dat hij de stoppen heeft vervangen. Een eerdere veroordeling voor het kweken van hennep maakt van de verdachte nog geen expert. Ook de foto’s van de meterkast in het dossier geven geen blijk van een evident illegale aansluiting van de elektriciteit, aldus de raadsman.14

22. Het hof heeft dit verweer onder “bewijsoverwegingen” als volgt samengevat en verworpen:

“Ten slotte heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat gelet op de rol van zijn cliënt er geen sprake kan zijn van medeplegen. Zijn cliënt is hooguit medeplichtig aan het telen van hennep.

(…)

Het hof overweegt met betrekking tot het medeplegen dan wel medeplichtigheid aan het telen van hennep het volgende.

Uit de zich in het dossier bevindende stukken alsmede uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het navolgende gebleken.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij af en toe de planten in de kwekerij water kwam geven en soms boodschappen deed ten behoeve van de kwekerij. Hij heeft [betrokkene 2] geholpen met het bouwen van de kwekerij. Hij deed dit in opdracht van [betrokkene 1], de eigenaar van het bedrijfspand aan de [a-straat 1] in Hillegom. De verdachte speelde volgens eigen zeggen slechts een ondergeschikte rol.

Getuige [betrokkene 2] verklaart echter bij de politie op 23 januari 2013 dat hij door de verdachte zelf werd benaderd voor het bouwen van de hennepkwekerij. Hij kwam via de verdachte in contact met [betrokkene 1]. In het bijzijn van de twee mannen is met [betrokkene 2] overeengekomen dat [betrokkene 2] een kwekerij voor hen beiden zou inrichten in het bedrijfspand van [betrokkene 1]. Volgens [betrokkene 2] was de kwekerij van beide mannen.

Op de camerabeelden die zijn gemaakt in de periode van 25 oktober 2012 tot 31 oktober 2012 zijn diverse mensen te zien die het bedrijfspand betreden. De verdachte wordt ook frequent op deze camerabeelden waargenomen waarbij hij onder meer goederen het pand in draagt.

Het hof concludeert op grond van het bovenstaande dat de door de verdachte en door zijn mededader [betrokkene 1] ontplooide activiteiten met betrekking tot de hennepkwekerij, te duiden zijn als een nauwe en bewuste samenwerking nu zij beiden het plan hebben opgevat een kwekerij te starten en gezamenlijk [betrokkene 2] inhuurden om de kwekerij te bouwen. Ook op grond van de camerabeelden kan worden vastgesteld dat de verdachte frequent aanwezig was in de hennepkwekerij.

Het hof verwerpt de verweren.”

23. Het in de onderhavige zaak onder 3 bewezen verklaarde feit is mede geënt op de strafbepaling van art. 311, eerste lid, onder 4°, Sr. Het in die bepaling opgenomen bestanddeel "door twee of meer verenigde personen" kan worden opgevat als "medeplegen" in de zin van art. 47 Sr.15 Zowel ten aanzien van feit 1 als ten aanzien van feit 3 geldt dat voor het bewijs van medeplegen een bewuste en nauwe samenwerking is vereist.16 Dit criterium veronderstelt dat de verdachte opzet had op de samenwerking en op het grondfeit.17 De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Als van medeplegen sprake is, kan de verdachte ook in strafrechtelijke zin aansprakelijk worden gehouden voor uitvoeringshandelingen die (uitsluitend) door de medeverdachte zijn verricht. Om van medeplegen van het opzettelijk telen van een grote hoeveelheid hennep (feit 1) en van medeplegen van diefstal van elektriciteit (feit 4) te kunnen spreken is een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte vereist, welke samenwerking moet zijn gericht op het telen van hennepplanten in het bedrijfspand van de medeverdachte [betrokkene 1] respectievelijk op de diefstal van de elektriciteit. Het bestaan van uitdrukkelijke afspraken tussen de medeverdachte en de verdachte is daarvoor niet doorslaggevend. De bewuste samenwerking kan ook stilzwijgend geschieden.18

24. In de hiervoor onder 22 weergegeven overwegingen ligt als het oordeel van het hof besloten dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte [betrokkene 1] opzettelijk een grote hoeveelheid hennepplanten heeft geteeld en ten behoeve van die hennepkwekerij met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een hoeveelheid elektriciteit heeft weggenomen, terwijl de betrokkenheid van de verdachte heeft plaatsgevonden in het kader van een gezamenlijke uitvoering van die feiten. Dit oordeel geeft gelet op hetgeen hiervoor onder 23 is vooropgesteld geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In het licht van de hiervoor onder 19 en 20 weergegeven inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in samenhang bezien met de voornoemde nadere bewijsoverwegingen van het hof, is het oordeel evenmin onbegrijpelijk.

25. Het hof is ervan uitgegaan dat er sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering van de hennepteelt en de daarvoor gebruikte diefstal van elektriciteit. Gelet op de volgende, uit de bewijsvoering volgende feiten en omstandigheden, is dat oordeel niet onbegrijpelijk. De medeverdachte [betrokkene 1] heeft de verdachte benaderd voor het inrichten van een hennepkwekerij in het bedrijfspand van [betrokkene 1], waarna de verdachte op zijn beurt [betrokkene 2] heeft benaderd (bewijsmiddel 5). Vervolgens zijn de verdachte en [betrokkene 1] gezamenlijk overeengekomen dat [betrokkene 2] werkzaamheden zou verrichten teneinde voor hen beiden een hennepkwekerij in te richten, terwijl zowel de verdachte als [betrokkene 1] eigenaar was van de kwekerij (bewijsmiddel 5). De verdachte heeft [betrokkene 2] geholpen met de bouw van de hennepkwekerij (bewijsmiddel 1). Nadat de verdachte actief betrokken was geweest bij de installatie van de kwekerij, is de verdachte ook actief betrokken geweest bij de verzorging van de hennepplanten. Hij heeft verschillende keren boodschappen gedaan ten behoeve van de kwekerij en hij heeft zakken met aarde naar de kweekruimte gebracht, terwijl hij de kweekruimte zowel overdag als ‘s nachts frequent heeft bezocht (bewijsmiddel 3). Ook heeft de verdachte de planten water gegeven door watervaten te vullen (bewijsmiddel 1).

26. Uit het voorgaande volgt dat de verdachte de mede-initiator en de mede-eigenaar is geweest van de hennepkwekerij in het bedrijfspand van de medeverdachte [betrokkene 1], dat hij actief betrokken is geweest bij de opbouw van de kwekerij en dat hij tevens actief betrokken is geweest bij de verzorging van de hennepplanten. Daaruit heeft het hof kunnen afleiden dat er bij de hennepteelt (feit 1) sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking bestaande in een gezamenlijke uitvoering. Gelet op de onderbouwing van het door de raadsman gevoerde verweer ten aanzien van het ten laste gelegde medeplegen, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.19 Voor zover het middel tot uitgangspunt neemt dat het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die tot de afwijking van het standpunt van de verdediging hebben geleid, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist het feitelijke grondslag.

27. Anders dan in de toelichting op het tweede middel wordt betoogd, was het hof niet gehouden te motiveren waarom het de op 23 januari 2013 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 2] voor het bewijs heeft gebruikt in plaats van zijn latere op de terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring. De raadsman van de verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep immers geen betrouwbaarheidsverweer gevoerd ten aanzien van de politieverklaring van [betrokkene 2]. In het licht van de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de rechter die over de feiten oordeelt, stond het het hof vrij de bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 2] tot het bewijs te bezigen en zijn op de terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring en de op de terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van [betrokkene 1] terzijde te stellen.

28. Hetgeen hiervoor uiteen is gezet ten aanzien van de gezamenlijke uitvoering van de hennepteelt, geldt naar mijn mening ook voor het onder 3 bewezen verklaarde medeplegen van de diefstal van de elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij. Daarbij wijs ik erop dat uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte betrokken is geweest bij het aanleggen van de hennepkwekerij, in welk verband kennelijk ook de illegale elektriciteitsaansluiting ten behoeve van de hennepkwekerij is aangelegd. Gelet hierop is het hof er kennelijk en niet onbegrijpelijk vanuit gegaan dat de opbouw van de hennepkwekerij mede betrekking had op de in bewijsmiddel 6 genoemde illegale elektriciteitsaansluiting, als gevolg waarvan de afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage niet via de elektriciteitsmeter werd geregistreerd. In dat verband is van belang dat het telen van hennep nauw is verbonden met de diefstal van de voor die hennepteelt gebruikte elektriciteit.20 Het hof heeft uit de bewijsvoering kunnen afleiden dat de verdachte ook ten aanzien van de diefstal van elektriciteit een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd en dat ook in dat verband sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte.21

29. De onderhavige zaak verschilt van zaken waarin de Hoge Raad casseerde omdat de bewezenverklaring van (mede)plegen van diefstal van elektriciteit in hennepzaken niet naar de eis der wet met redenen was omkleed. Daarbij moet in de eerste plaats worden bedacht dat de bewezenverklaring niet is toegesneden op het plegen maar op het medeplegen van diefstal van elektriciteit.22 Anders dan een bewezenverklaring die is geënt op het plegen van diefstal, kan de verdachte in geval van medeplegen van diefstal ook in strafrechtelijke zin aansprakelijk worden gehouden voor uitvoeringshandelingen die (uitsluitend) door de medeverdachte zijn verricht. In de tweede plaats blijkt uit de bewijsvoering dat de verdachte actief betrokken is geweest bij het aanleggen van de hennepkwekerij, in welk verband kennelijk ook de illegale elektriciteitsaansluiting ten behoeve van de hennepkwekerij is aangelegd.23

30. Zoals blijkt uit de toelichting, neemt het derde middel tot uitgangspunt dat het hof niet zou hebben beslist op het medeplegen verweer van de raadsman van de verdachte, voor zover dat betrekking heeft op feit 3. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat het hof in zijn hiervoor onder 22 weergegeven overwegingen heeft gerefereerd aan het verweer dat geen sprake kan zijn van medeplegen van hennepteelt en niet expliciet heeft verwezen naar het verweer dat geen sprake kan zijn van medeplegen van diefstal van elektriciteit.24 Uit die overwegingen kan evenwel worden afgeleid dat het hof niet alleen met redenen omkleed heeft beslist op het medeplegen verweer ten aanzien van feit 1 maar ook op het verweer ten aanzien van feit 3 door te overwegen dat de door de verdachte en [betrokkene 1] “ontplooide activiteiten met betrekking tot de hennepkwekerij” zijn te duiden als een nauwe en bewuste samenwerking. Gelet op het verband tussen het telen van hennep en de diefstal van de voor die hennepteelt gebruikte elektriciteit en de omstandigheid dat de verdachte actief betrokken is geweest bij de installatie van de hennepkwekerij, omvatten die activiteiten immers ook de manipulatie van de elektriciteitsmeter. Daarbij neem ik in aanmerking dat ook in de pleitnota in hoger beroep beide onderdelen van het verweer, dat ertoe strekt dat medeplegen niet kan worden bewezen verklaard, gezamenlijk naar voren zijn gebracht. Deze zijn opgenomen onder dezelfde aanhef (“vrijspraak: geen medeplegen maar medeplichtigheid gelet op de rol van cliënt”) en ook overigens wordt in het verweer niet tussen beide feiten gedifferentieerd. Gelet op de onderbouwing van dit onderdeel van het door de raadsman gevoerde verweer ten aanzien van het ten laste gelegde medeplegen, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.

31. Beide middelen falen.

32. Ambtshalve vestig ik nog de aandacht op het volgende. Ingevolge art. 27, eerste lid, Sr dient de rechter bij het opleggen van een taakstraf te bevelen dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht.25 De stukken van het geding houden in dat de verdachte op 10 januari 2013 om 15:00 uur in verzekering is gesteld en dat hij op diezelfde dag om 18:33 uur in vrijheid is gesteld. Het hof heeft nagelaten het in art. 27, eerste lid, Sr bepaalde in acht te nemen, voor zover het deze inverzekeringstelling betreft. In aanmerking genomen dat de verdachte niet voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij vernietiging van de bestreden uitspraak op deze grond, behoeft dit verzuim niet tot cassatie te leiden.26

33. De middelen falen, terwijl het eerste en het tweede middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

34. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De raadsman van de verdachte heeft in de onderhavige strafzaak en in de samenhangende ontnemingszaak één schriftuur met in totaal vier middelen van cassatie ingediend. De eerste drie middelen hebben betrekking op de strafzaak, terwijl het vierde middel ziet op de ontnemingszaak. In de brief van een gerechtssecretaris van de Hoge Raad van 6 december 2016, gericht aan de raadsman, is kenbaar gemaakt dat de rolraadsheer van de Hoge Raad de cassatie-akte aldus uitlegt, dat zowel cassatieberoep is ingesteld tegen de strafzaak als tegen de ontnemingszaak en dat middel 4 zal worden behandeld in het kader van de ontnemingszaak. In aansluiting hierop, zal ik het eerste, het tweede en het derde middel in deze strafzaak bespreken en komt het vierde middel aan de orde in de samenhangende ontnemingszaak.

2 Zie het proces-verbaal van bevindingen van de politie van 21 september 2012.

3 Zie het proces-verbaal van bevindingen van de politie van 18 december 2012. Dit proces-verbaal is deels als bewijsmiddel 3 tot het bewijs gebezigd.

4 Zie het proces-verbaal van bevindingen van de politie van 10 januari 2013. Dit proces-verbaal is deels als bewijsmiddel 4 voor het bewijs gebruikt.

5 Zie de schriftelijke aangifte van 17 januari 2013 namens Liander N.V. Deze aangifte is als bewijsmiddel 6 tot het bewijs gebezigd.

6 De medeverdachte [betrokkene 1] is niet in hoger beroep gegaan tegen zijn veroordeling door de rechtbank voor zijn aandeel in deze hennepteelt. Op de terechtzitting in eerste aanleg worden de zaken tegen de verdachte en tegen [betrokkene 1] gelijktijdig behandeld met de zaken tegen de andere medeverdachten [betrokkene 4] en [betrokkene 2]. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat deze medeverdachten zijn veroordeeld.

7 Pleitnota in hoger beroep van 24 april 2015, p. 1-2 en p. 4-6.

8 Vgl. HR 11 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1367, NJ 2008/328, rov. 3.4, HR 11 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7662, NJ 2008/329 m.nt. Borgers, rov. 3.4 en HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1375, rov. 3.3.

9 Vgl. HR 12 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8836, rov. 2.4.1, HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3201, rov. 2.4.1 en HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8622, rov. 2.3.

10 Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2492, NJ 2011/293 m.nt. Buruma, rov. 2.5.

11 Zie de hiervoor onder 7 weergegeven bewijsoverwegingen van het hof.

12 Vgl. HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2749, NJ 2014/462 m.nt. Schalken, rov. 2.5.2, HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308 m.nt. Keulen, rov. 2.4.1 en HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376 m.nt. Buruma, rov. 3.5 (slot).

13 Ten aanzien van feit 2 (het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep) heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

14 Pleitnota in hoger beroep van 24 april 2015, p. 7-10.

15 Zie HR 11 februari 1997, NJ 1997/440, rov. 5.2 en HR 17 november 1981, NJ 1983/84 m.nt. Van Veen, rov. 8. Vgl. voorts HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 m.nt. Mevis, rov. 3.2.2: Ook in een geval waarin de tenlastelegging het delictsbestanddeel “gepleegd door twee of meer verenigde personen” bevat, zal de rechter moeten beoordelen of de door de verdachte geleverde bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

16 Zie ten aanzien van gevallen waarin medeplegen niet bestaat in een gezamenlijke uitvoering in het bijzonder HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637, NJ 2015/391 m.nt. Mevis, rov. 3 en HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis, rov. 3. Naar aanleiding van vragen van de advocaat-generaal heeft de Hoge Raad deze arresten nader toegelicht in HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 m.nt. Mevis, rov. 3.2, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716, rov. 3.2 en HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:713, rov. 3.2. Vgl. voorts HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1323, NJ 2016/412, rov. 3, HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1321, NJ 2016/420, rov. 3 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016/413, rov. 3. Zie nader J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, zesde druk, zesde druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 453-467.

17 Vgl. De Hullu, a.w., p. 463-467 en de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge (ECLI:NL:PHR:2013:885) onder 4.7 voorafgaand aan HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:882.

18 Vgl. De Hullu, a.w., p. 453-467.

19 Vgl. voor zaken waarin het medeplegen heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering: HR 5 juli 2016, nr. 15/00568 (niet gepubliceerd, eerste middel), HR 7 juni 2016, nr. 14/06519 (niet gepubliceerd), HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:883, NJ 2015/396, rov. 3, HR 6 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:10, NJ 2015/399 m.nt. Mevis, rov. 2 en HR 24 juni 2014, nr. 13/00019 (niet gepubliceerd; art. 81 RO, eerste middel). Vgl. voorts HR 20 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2126, NJ 2016/420 m.nt. Rozemond, rov. 2. Vgl. voor falende bewijsklachten betreffende medeplegen van (onder meer) opzettelijk aanwezig hebben van hennep: HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2915 (tweede middel, art. 81 RO; de verdachte is de initiator geweest van de hennepkwekerij in haar eigen woning en zij heeft een actieve bijdrage geleverd aan het verzorgen van de hennepplanten), HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3696, rov. 2, HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4260, rov. 2 en HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1263, rov. 3.

20 De rechtbank had in haar bewijsvoering nog betrokken dat uit de door de verdachte zelf afgelegde verklaringen kan worden afgeleid dat hij wist van de diefstal van de elektriciteit. De verdachte heeft bij zijn verhoor door de politie op 10 januari 2013 immers verklaard dat hij meerdere keren stoppen heeft vervangen in het desbetreffende bedrijfspand (zie het proces-verbaal van verhoor van politie van 10 januari 2013, p. 267-268). Hieruit volgt dat de verdachte meermalen aanwezig is geweest in de ruimte waarin zich de elektriciteitsinstallatie bevond.

21 Vgl. voor een zaak waarin een gezamenlijke uitvoering van de hennepteelt en de daarvoor gebruikte diefstal van elektriciteit is aangenomen HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2915 (tweede middel, art. 81 RO; de verdachte heeft opdracht gegeven tot het aanleggen van de hennepkwekerij, in welk verband ook het elektronische gedeelte in die kwekerij is aangelegd).

22 Anders dan bijvoorbeeld in HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:189 en in HR 1 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0431.

23 Anders dan in HR 7 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6922.

24 De rechtbank heeft in haar vonnis in reactie op een vergelijkbaar verweer, dat in eerste aanleg is gevoerd, wel een aparte overweging gewijd aan dit onderdeel van het verweer.

25 Hoewel de verdachte naast een onvoorwaardelijke taakstraf ook is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en de wet niet voorschrijft welk van beide in het kader van art. 27, eerste lid, Sr voorgaat, kan worden aangenomen dat de aftrek dient te geschieden van de straf die de verdachte in ieder geval daadwerkelijk moet ondergaan, te weten de taakstraf. Vgl. P.M. Schuyt in C.P.M. Cleiren, J.H. Crijns & M.J.M. Verpalen (red.), Tekst & Commentaar Strafrecht, Deventer: Kluwer 2016, aant. 4 onder c bij art. 27 Sr en HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4478, NJ 2013/246 m.nt. Bleichrodt, rov. 3.3 (slot).

26 Vgl. HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4478, NJ 2013/246 m.nt. Bleichrodt, rov. 3. In dit arrest heeft de Hoge Raad naar aanleiding van een middel geoordeeld dat het verzuim om toepassing te geven aan de in art. 27 Sr bedoelde aftrek niet langer noopt tot cassatie. Vgl. voorts HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241 m.nt. Bleichrodt, rov. 2.2.3.