Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:282

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-03-2017
Datum publicatie
21-04-2017
Zaaknummer
15/05067
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:707, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beslissing beslag, art. 24.1 Sv. Niet blijkt dat de beslissing in het openbaar is uitgesproken. De HR zal doen wat het hof had behoren te doen en zelf de bestreden beslissing ter openbare tz. uitspreken (vgl. ECLI:NL:HR:2009:BJ7799). CAG gevolgd. Samenhang met 15/05069 P, 15/05068.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/05067 B

Zitting: 14 maart 2017

Mr. W.H. Vellinga

Conclusie inzake:

[klager]

  1. Bij beschikking van 27 oktober 2015 heeft het Gerechtshof Amsterdam het beklag strekkende tot teruggave van de onder de klager in beslag genomen loods ongegrond verklaard.

  2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers, 15/05067, 15/05068 en 15/05069. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

  3. Namens de klager heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Het eerste middel klaagt dat het hof, door het beklag ongegrond te verklaren, heeft miskend dat alleen beslag op de voet van art. 94a, leden 1 en 2, Sv kan worden gelegd in geval van verdenking of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.

  5. Art. 94a Sv luidt voor zover van belang:

“1 In geval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete.

2 In geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslag genomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.”

6. Art. 3 Opiumwet luidt:

“Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:

A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;

B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;

C. aanwezig te hebben;

D. te vervaardigen.”

Art. 11 Opiumwet luidt voor zover van belang:

“2 Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder B, C of D, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

(…)

5 Indien een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.”

Art. 1 lid 2 Opiumwetbesluit luidt:

“De hoeveelheid middelen, bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de wet, betreft 500 gram hennep, 200 hennepplanten of 500 eenheden van een ander middel als bedoeld in de bij de wet behorende lijst II.”

7. Ten laste van de verdachte is in de zaak met het nummer 15/05068 bewezenverklaard, dat hij tezamen en in vereniging met anderen hoeveelheden van totaal 4002 hennepplanten heeft geteeld en aanwezig heeft gehad. Dit is een grote hoeveelheid in de zin van art. 11 lid 4 Opiumwet jo. art. 1 lid 2 Opiumwetbesluit. Op de bewezenverklaarde feiten staat dus een geldboete van de vijfde categorie. Dit betekent dat het hof niet heeft miskend dat alleen beslag op de voet van art. 94a, leden 1 en 2, Sv kan worden gelegd in geval van verdenking of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.

8. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

9. Het tweede middel klaagt dat niet blijkt dat de beschikking overeenkomstig het bepaalde in art. 24 lid 1 jo 552 lid 6 Sv in het openbaar is uitgesproken.

10. Uit de stukken die de griffier van het hof op de voet van het bepaalde in art. 434 lid 1 Sv heeft gezonden aan de griffier van de Hoge Raad blijkt niet dat de beschikking in het openbaar is uitgesproken. De Hoge Raad kan dit gebrek herstellen.1

11. Het middel is dus tevergeefs voorgedragen.

12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 O.a. HR 11 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8214.