Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:279

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
31-03-2017
Datum publicatie
09-06-2017
Zaaknummer
16/02774
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1068, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Incident tot voeging in hoger beroep. Tijdstip waarop vordering tot voeging moet worden ingesteld (art. 218 Rv); belang bij voeging (art. 217 Rv).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 16/02774

mr. P. Vlas

Zitting: 31 maart 2017

Conclusie inzake:

1. [eiser 1] ,

2. [eiser 2] ,

3. [eiser 3]

(hierna: [eiser] c.s.)

tegen

1. [verweerster 1]

(hierna: [verweerster 1] ),

2. [verweerder 2] , zowel in hoedanigheid van curator in het faillissement van New Tulip Holding B.V. als pro se

(hierna: [verweerder 2] ),

3. de besloten vennootschap Sint Maarten Beheer B.V.

(hierna: Sint Maarten),

4. [verweerder 4]

(hierna: [verweerder 4] ).

Deze zaak gaat over de vraag of een incidentele vordering tot voeging op de voet van art. 218 jo. 353 Rv tijdig is ingesteld en voorts of voldoende belang bestaat voor toewijzing van deze vordering.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Voor zover van belang heeft de onderhavige zaak betrekking op het volgende.1 New Tulip Holding B.V. (hierna: NTH) exploiteerde een bloembollenbedrijf en huurde ten behoeve van haar bedrijfsuitoefening bedrijfsruimte van [verweerster 1] in [plaats].

1.2

In juni 2009 is NTH in staat van faillissement verklaard met benoeming van [verweerder 2] als curator. [verweerster 1] verwijt [verweerder 2] onder meer dat hij in het kader van de faillissementsafwikkeling aan [verweerster 1] in eigendom toebehorende zaken tezamen met de roerende activa van NTH heeft verkocht aan Sint Maarten en dat [verweerder 2] heeft toegelaten dat Sint Maarten willens en wetens die bestanddelen uit de bedrijfsruimte heeft weggenomen en zich heeft toegeëigend.

1.3

[verweerder 4] wordt door [verweerster 1] onder meer verweten dat hij als bestuurder van Sint Maarten zich zaken liet verkopen waarvan hij als voormalig bestuurder van NTH wist of had moeten beseffen dat die zaken niet tot het vermogen van NTH maar van [verweerster 1] behoorden. Die wetenschap van [verweerder 4] is aan Sint Maarten toe te rekenen, aldus [verweerster 1] .

1.4

In de hoofdzaak vordert [verweerster 1] veroordeling van [verweerder 2] , Sint Maarten en [verweerder 4] tot betaling van schadevergoeding wegens inbreuk op haar eigendomsrecht.

1.5

In hoger beroep bij het hof ’s-Hertogenbosch hebben [eiser] c.s. gevorderd zich in de hoofdzaak te mogen voegen aan de zijde van [verweerster 1] . Daarvoor hebben [eiser] c.s. aangevoerd, kort gezegd, dat zij als leidinggevende managers en de grootste financiers van NTH en aandeelhouders van [verweerster 1] erbij belang hebben om in de hoofdzaak de stellingen en jegens [eiser] c.s. geuite beschuldigingen van zowel [verweerder 2] als Sint Maarten en [verweerder 4] in de hoofdzaak te kunnen ontkrachten.

1.6

[verweerster 1] heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering in het incident. [verweerder 2] , Sint Maarten en [verweerder 4] hebben verweer gevoerd en zich op het standpunt gesteld (1) dat de vordering in het incident te laat is ingesteld, (2) dat [eiser] c.s. geen belang hebben bij toewijzing van de vordering, en (3) dat voeging van [eiser] c.s. aan de zijde van [verweerster 1] in strijd komt met een goede procesorde.

1.7

Bij arrest van 5 april 2016 heeft het hof de incidentele vordering van [eiser] c.s. tot voeging aan de zijde van [verweerster 1] afgewezen en de zaak in de hoofdprocedure verwezen naar de rol van 30 augustus 2016 voor het wijzen van arrest.

1.8

Het hof heeft deze beslissing als volgt gemotiveerd (rov. 3.4 t/m 3.6). Ingevolge art. 218 jo. 353 Rv moet de incidentele vordering tot voeging worden ingesteld vóór of op de roldatum waarop de laatste conclusie (in hoger beroep: memorie) in het aanhangige geding wordt genomen. In de hoofdzaak is de memorie van grieven van [verweerster 1] genomen op de rol van 19 mei 2015 en zijn de memories van antwoord van [verweerder 2] , Sint Maarten en [verweerder 4] genomen op 25 augustus 2015, waarna de zaak voor beraad is gezet op de rol van 8 september 2015. Op de rol van de laatstgenoemde datum is door [eiser] c.s. de onderhavige incidentele memorie tot voeging ingediend. [verweerster 1] heeft op de rol van 8 september 2015 bij akte verzocht nog een memorie van antwoord in incidenteel appel te mogen nemen, omdat volgens [verweerster 1] in de memories van antwoord in principaal appel nieuwe stellingen zijn opgeworpen die een (verkapt) incidenteel appel inhouden en waartegen [verweerster 1] zich nog wenst te verweren. Het hof heeft dit verzoek afgewezen, omdat de memories van antwoord – kort gezegd – geen grieven bevatten. Over de toewijsbaarheid van het verzoek van [verweerster 1] om een memorie van antwoord in incidenteel appel te mogen nemen, heeft nog een aktewisseling plaatsgevonden. Nu een akte, althans aktes als de onderhavige, niet kan/kunnen worden aangemerkt als een conclusie (memorie) en de memories van antwoord als de laatste conclusies in de hoofdzaak moeten worden aangemerkt, moet de gevolgtrekking zijn dat de incidentele vordering tot voeging niet tijdig in de zin van art. 218 jo. 353 Rv is ingediend. Reeds om die reden acht het hof de vordering in het incident niet toewijsbaar. Het standpunt van [eiser] dat ervan moet worden uitgegaan dat voeging kan worden gevraagd totdat arrest is bepaald, heeft het hof verworpen. Het inhoudelijke debat in de hoofdzaak was reeds afgerond (rov. 3.4).

1.9

Het hof is vervolgens ten overvloede ingegaan op de vraag of [eiser] c.s. voldoende belang bij de gevraagde voeging hebben (rov. 3.5). Het hof heeft in rov. 3.6 overwogen dat [eiser] c.s. als belang bij de voeging met name hebben aangevoerd dat in de memories van antwoord jegens hen beschuldigingen en verdachtmakingen zijn geuit, inhoudende dat [eiser] c.s. vernielingen zouden hebben aangericht aan de onderhavige bedrijfsruimte en daaruit zaken zouden hebben ontvreemd. [eiser] c.s. vrezen voor aansprakelijkstelling door [verweerster 1] en wensen zich daarom tegen die beschuldigingen en verdachtmakingen te verweren. Volgens het hof valt evenwel niet in te zien hoe een voor [verweerster 1] nadelige uitkomst van de hoofdzaak, die betrekking heeft op de vraag of en in hoeverre [verweerster 1] jegens [verweerder 2] , Sint Maarten en/of [verweerder 4] aanspraak kan maken op schadevergoeding en alleen gezag van gewijsde heeft tussen die partijen, de rechtspositie van [eiser] c.s. in dat opzicht kan schaden. De enkele (feitelijke) betrokkenheid van [eiser] c.s. bij het in de hoofdzaak spelende feitencomplex is onvoldoende voor voeging. De omstandigheid dat [eiser] c.s. (voormalige) managers, financiers en aandeelhouders zijn, kan volgens het hof niet tot een ander oordeel leiden. Dat derde betrokkenen (zoals bestuurders, aandeelhouders, geldverstrekkers, werknemers, klanten, leveranciers, etc.) mogelijk indirect nadeel of baat kunnen hebben bij de uitkomst van een door de desbetreffende partij gevoerde procedure, kan niet ertoe leiden dat die derden reeds om die reden als gevoegde partij moeten worden toegelaten tot een procedure. Van een eigen (financieel) belang van [eiser] c.s. dat in het gedrang zou kunnen komen bij een voor [verweerster 1] nadelige uitkomst van de hoofdzaak is volgens het hof niet gebleken. Voor zover bij [eiser] c.s. de wens bestaat zich aan de zijde van [verweerster 1] te voegen teneinde deze bij te staan in de hoofdzaak, overweegt het hof dat het instrument voeging daarvoor niet is bedoeld. Ook dan ontbreekt het eigen belang van [eiser] c.s. bij de gevraagde voeging.

1.10

[eiser] c.s. hebben tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof in het voegingsincident. [verweerster 1] , [verweerder 2] , Sint Maarten en [verweerder 4] zijn in cassatie niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel komt met twee onderdelen op tegen de beslissing van het hof om de incidentele vordering van [eiser] c.s. tot voeging af te wijzen. Aangezien deze beslissing voor [eiser] c.s. geldt als een eindbeslissing, kunnen zij in hun cassatieberoep worden ontvangen.2

2.2

Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 3.4. en 3.5 van het bestreden arrest en valt uiteen in vijf subonderdelen (a t/m e). Subonderdeel 1 onder a betoogt dat het hof in rov. 3.4 ten onrechte heeft geoordeeld dat de vordering tot voeging van [eiser] c.s. niet tijdig is ingediend. Het onderdeel betoogt dat het hof heeft miskend dat voeging mogelijk is zolang de zaak nog niet in staat van wijzen is, dat wil zeggen dat nog geen datum voor arrest is bepaald.3 Blijkens rov. 3.4 was de zaak verwezen naar de rol van 8 september 2015 voor beraad, waarmee kennelijk is bedoeld het partijberaad zoals bedoeld in art. 2.22 van het pilotreglement voor civiele dagvaardingszaken bij het hof ’s-Hertogenbosch.4 Volgens het middel heeft het hof met zijn beslissing miskend dat voeging nog mogelijk was tot op het moment dat de zaak in staat van wijzen was, wat op het moment dat de incidentele memorie werd genomen nog niet het geval was.

2.3

Blijkens art. 217 Rv kan een ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding vorderen zich daarin te mogen voegen; dit kan zowel in het geding in eerste aanleg als ook in hoger beroep (art. 353 Rv).5 De vordering om zich als partij te mogen voegen in een tussen andere partijen aanhangig geding dient ingevolge art. 218 Rv te worden ingesteld bij incidentele conclusie (in eerste aanleg) of memorie (in hoger beroep) vóór of op de roldatum waarop de laatste conclusie respectievelijk memorie in het aanhangige geding wordt genomen. De tekst van de wet is duidelijk: de partij die zich in hoger beroep wenst te voegen in een tussen andere partijen aanhangig geding heeft tot aan de laatste memorie de mogelijkheid om een incidentele vordering tot voeging in te stellen. Wat betreft het tijdstip is dus beslissend of in de hoofdzaak al dan niet de laatste memorie is genomen. De incidentele vordering tot voeging is te laat ingediend in het geval dat de laatste memorie reeds is genomen, ook al is nog geen datum voor uitspraak bepaald.6 Waar in de parlementaire geschiedenis van art. 218 Rv wordt opgemerkt dat ‘de vordering tot voeging (…) niet meer kan worden ingesteld nadat een dag is bepaald voor het uitspreken van een vonnis’7, heeft de wetgever daarmee niet anders bedoeld dan uit de bepaling zelf voortvloeit. Indien een datum voor uitspraak is vastgesteld, duidt dat erop dat geen conclusies meer kunnen worden genomen. Is nog geen datum voor uitspraak bepaald terwijl de laatste conclusie wel is genomen, dan kan niet meer alsnog een incidentele vordering tot voeging worden ingesteld.8 De passage in de parlementaire geschiedenis waarop het middel zich beroept, dient naar mijn mening niet anders te worden gelezen dan als een voorbeeld ter verduidelijking. Daaruit volgt niet dat het is toegestaan een incidentele vordering tot voeging in te dienen ná het nemen van de laatste conclusie in het geval dat de rechter nog geen datum voor uitspraak heeft bepaald. De klacht faalt derhalve.

2.4

Subonderdeel 1 onder b voert aan dat de incidentele vordering tot voeging tijdig is ingediend, omdat dit tegelijkertijd is gebeurd op het moment dat [verweerster 1] op de rol van 8 september 2015 nog een akteverzoek heeft gedaan, waarin is verzocht nog een memorie van antwoord in incidenteel appel te mogen nemen, omdat de memories van antwoord een (verkapt) incidenteel appel zouden inhouden.

2.5

Deze klacht is tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft in rov. 3.4 terecht geoordeeld dat de door [verweerster 1] op de rol van 8 september 2015 genomen akte niet kan worden aangemerkt als een memorie, zodat de memories van antwoord van [verweerder 2] , Sint Maarten en [verweerder 4] als de laatste memorie in de hoofdzaak in de zin van art. 218 Rv moeten worden aangemerkt, met als gevolg dat de incidentele vordering tot voeging te laat is ingesteld.

2.6

Subonderdeel 1 onder c betoogt dat de door [verweerster 1] op de rol van 8 september 2015 genomen akte kan c.q. moet worden aangemerkt als de laatste memorie in de zin van art. 218 Rv en dat de twee-conclusieregel zich er geenszins tegen verzet dat op het moment dat die akte wordt genomen een incidentele conclusie tot voeging wordt ingediend.

2.7

De klacht faalt om dezelfde reden als de klacht van subonderdeel b. Verder mist de klacht feitelijke grondslag, voor zover wordt betoogd dat het hof zijn beslissing (mede) heeft gebaseerd op de veronderstelling dat het tijdstip waarop de incidentele vordering tot voeging is ingediend in strijd zou komen met de twee-conclusieregel. Het hof heeft de incidentele vordering tot voeging uitsluitend beoordeeld volgens de daarvoor geldende maatstaf in art. 218 Rv door na te gaan of de incidentele vordering tot voeging is ingesteld voordat de laatste memorie in de hoofdprocedure was genomen.

2.8

Subonderdeel 1 onder d klaagt dat het hof heeft miskend dat de twee-conclusieregel het interventierecht niet mag beperken of onmogelijk maken. De klacht bouwt voort op de klacht van subonderdeel c en deelt het lot daarvan.

2.9

Subonderdeel 1 onder e betoogt dat het hof in rov. 3.5 slechts het juridisch kader weergeeft en geen op de onderhavige zaak toegesneden beslissing. Indien en voor zover het hof bedoeld heeft te beslissen dat de eisen van een goede procesorde in de onderhavige zaak aan de vordering tot voeging in de weg zouden staan, is de beslissing van het hof ongenoegzaam gemotiveerd, aldus de klacht.

2.10

Het subonderdeel faalt reeds omdat het zich keert tegen een overweging ten overvloede, te weten rov. 3.5 (‘Voorts, ten overvloede, wordt overwogen (…)’). Het subonderdeel faalt ook inhoudelijk. Het hof heeft in rov. 3.5 een algemene uiteenzetting gegeven over het belangvereiste als voorwaarde voor toewijzing van een incidentele vordering tot voeging op grond van art. 217 Rv. In het kader van deze algemene uiteenzetting heeft het hof terecht overwogen dat aan de toewijsbaarheid van een incidentele vordering tot voeging de eisen van een goede procesorde in de weg kunnen staan.9 Anders dan het subonderdeel betoogt, heeft het hof in rov. 3.5 noch in een andere rechtsoverweging beslist dat de eisen van een goede procesorde in de weg staan aan de toewijsbaarheid van de incidentele vordering tot voeging, zodat van een – door het middel bepleite – onbegrijpelijke beslissing op dit punt geen sprake kan zijn.

2.11

Onderdeel 2 keert zich tegen rov. 3.6, waarin het hof heeft beslist dat [eiser] c.s. geen belang hebben bij hun incidentele vordering tot voeging. De bespreking van dit onderdeel kan achterwege blijven, omdat de beslissing van het hof om de incidentele vordering tot voeging af te wijzen is gebaseerd op twee zelfstandige gronden, te weten (1) het niet tijdig indienen van de vordering (rov. 3.4) en (2) het ontbreken van belang bij de vordering (rov. 3.5 en 3.6). Aangezien onderdeel 1 van het middel waarin de eerste grond (rov. 3.4) wordt bestreden niet tot cassatie kan leiden, kan het eindoordeel van het hof dat de vordering tot voeging wordt afgewezen in stand blijven, zelfs al zou onderdeel 2 slagen. Geheel ten overvloede zal ik de klacht kort inhoudelijk bespreken.

2.12

Art. 217 Rv vereist voor voeging een belang van de partij die om voeging vraagt. Voor het aannemen van een belang voor toewijzing van een incidentele vordering tot voeging is voldoende dat een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij, aan wier zijde de derde zich voegt, de rechtspositie van de derde nadelig kan beïnvloeden. Onder nadelige gevolgen zijn te verstaan de feitelijke of juridische gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van in de uitspraak in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de voeging vordert.10

2.13

[eiser] c.s. hebben aangevoerd dat zij belang hebben bij de voeging omdat in de memories van antwoord beschuldigingen en verdachtmakingen jegens hen zijn geuit die, kort gezegd, erop neerkomen dat [eiser] c.s. vernielingen zouden hebben aangericht aan de bedrijfsruimte van [verweerster 1] en daaruit zaken zouden hebben ontvreemd. [eiser] c.s. vrezen voor aansprakelijkstelling door [verweerster 1] en wensen zich daarom tegen die beschuldigingen en verdachtmakingen te verweren.11 Het komt mij voor dat het hof, mede in het licht van het door partijen gevoerde debat over het al dan niet bestaan van belang bij de gevorderde voeging, terecht heeft geoordeeld dat het [eiser] c.s. aan het voor voeging vereiste belang ontbreekt. De hoofdzaak beperkt zich tot de vraag of, en zo ja, in hoeverre [verweerster 1] jegens [verweerder 2] , Sint Maarten en/of [verweerder 4] aanspraak kan maken op schadevergoeding in verband met de afwikkeling van het faillissement van NTH en de wijze waarop in dat verband met de aan [verweerster 1] in eigendom toebehorende zaken zou zijn omgegaan. De beslissing in de hoofdzaak zal uitsluitend gezag van gewijsde hebben in de betrekkingen tussen die partijen. Mochten [eiser] c.s. in een afzonderlijke procedure door [verweerster 1] in rechte worden aangesproken, dan zullen de voor de behandeling van die zaak relevante feiten moeten worden vastgesteld. Hierop stuit onderdeel 2 af.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 3.1 t/m 3.3 van het bestreden arrest in het voegingsincident van 5 april 2016 van het hof ’s-Hertogenbosch.

2 Zie Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/72 (p. 127).

3 Het middel verwijst in dit verband naar Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, nr. 3, p. 128 (ook opgenomen in Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 385): ‘Volgens artikel 218 (…) moet de vordering worden ingesteld vóór of op de roldatum waarop de laatste conclusie wordt genomen. Wellicht ten overvloede zij hier vermeld dat dit betekent dat de vordering tot voeging (…) niet meer kan worden ingesteld nadat een dag is bepaald voor het uitspreken van een vonnis; (…)’.

4 Art. 2.22 van het pilotreglement luidt als volgt: ‘Na de roldatum waarop de laatst toegelaten memorie van antwoord kon worden genomen, wordt één termijn van twee weken verleend voor het vragen van een akte, pleidooi, arrest of doorhaling. Indien op de betreffende roldatum geen van partijen instructie geeft wordt een datum voor arrest bepaald. In alle gevallen kan het hof ambtshalve een comparitie bepalen’.

5 T&C Rv, art. 218, aant. 1 (Van Dam-Lely); Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 217, aant. 7 (G. Snijders).

6 T&C Rv, art. 218, aant. 1 (Van Dam-Lely); vgl. Groene Serie Rv, art. 218, aant. 2 (G. Snijders).

7 Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, nr. 3, p. 128 (ook opgenomen in Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 385); zie ook noot 3.

8 Zie ook M.O.J. de Folter, Vrijwaring & Interventie, serie Burgerlijk Proces & Praktijk, deel 11, 2009, p. 186.

9 Zie HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768, NJ 2015/206, m.nt. H.B. Krans.

10 Zie HR 14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6692, NJ 2008/168, rov. 3.3; HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768, NJ 2015/206, m.nt. H.B. Krans, rov. 5.3, HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1602, NJ 2015/295, rov. 3.2 en recentelijk HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:306, rov. 3.3.

11 Zie rov. 3.6 van het bestreden arrest.