Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:271

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-03-2017
Datum publicatie
21-04-2017
Zaaknummer
15/04319
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:701, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Noodweer, art. 41.1 Sr. Nachtelijke schietpartij op parkeerterrein bij partycentrum waarbij de verdachte alsook het slachtoffer schoten lossen en het slachtoffer komt te overlijden. Gelet op de vaststellingen van het hof en in aanmerking genomen hetgeen voorop is gesteld, getuigt het oordeel van het hof dat "voor de verdachte de reële mogelijkheid [bestond] om nadat het eerdere conflict met het slachtoffer was beëindigd, weg te gaan en zich aan verder agressief gedrag van het slachtoffer te onttrekken" en dat van de verdachte ook gevergd mocht worden dat hij wegging, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Middel faalt. CAG gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/04319

Zitting: 7 maart 2017 (bij vervroeging)

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 7 september 2015 door het hof Den Haag wegens “doodslag”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren en zes maanden met de aftrek als bedoeld in artikel 27(a) Sr. Voorts heeft het hof een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd als nader in het arrest omschreven.

  2. De onderhavige strafzaak wordt voor de tweede keer aan de Hoge Raad voorgelegd. Het hof Den Haag heeft de verdachte eerder bij arrest van 26 april 2013 wegens doodslag veroordeeld. Het van de kant van verdachte ingestelde cassatieberoep tegen de verwerping van het beroep op noodweer trof doel wegens het niet begrijpelijke oordeel van het hof dat verdachte zich aan de dreigende aanranding had moeten onttrekken. De Hoge Raad vernietigde het genoemde arrest en wees de zaak terug naar het hof Den Haag.1 Het thans bestreden arrest betreft het arrest van het hof Den Haag na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.A.J. Verploegh, advocaat te 's-Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

4 Het middelricht zich tegen de verwerping van het beroep op noodweer.

5. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij op 5 september 2010 te Zoetermeer opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen kogels afgevuurd op het lichaam van [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”

6. Het hof heeft – voor zover voor de bespreking van het middel van belang – het volgende overwogen:

“De raadsman van de verdachte heeft - voor het geval het hof bewezen zou verklaren hetgeen de verdachte is ten laste gelegd - een beroep gedaan op noodweer. Hij heeft daartoe - zakelijk weergegeven - betoogd dat het schieten van de verdachte geboden was door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de zijde van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft zijn vuurwapen op de verdachte gericht en heeft schoten in zijn richting gelost. Daartegen kon en mocht de verdachte zich verdedigen. De raadsman is van mening dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen gaat het hof uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Op 5 september 2010 zijn buiten partycentrum "[A]" te Zoetermeer met een vuurwapen schoten afgevuurd ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.

Die nacht vond in het partycentrum een feest plaats. Na afloop van het feest ontstond buiten het partycentrum een ruzie, waarbij [betrokkene 1] en [betrokkene 2], het latere slachtoffer [slachtoffer] en de verdachte waren betrokken. [slachtoffer] en [betrokkene 2] keerden zich tegen de verdachte en er werd geschreeuwd. [slachtoffer] was die avond heel boos en agressief en liep bovendien met een vuurwapen te zwaaien. Na deze ruzie is de verdachte, samen met [betrokkene 1], naar zijn auto gelopen. Hierna is de verdachte terug gelopen en heeft hij bij de auto van [betrokkene 4] gestaan. Vervolgens is [slachtoffer] in de richting van de verdachte gelopen. [slachtoffer] ging verbaal tekeer tegen de verdachte en hij had nog steeds een wapen bij zich. Vervolgens hebben zowel [slachtoffer] als de verdachte op elkaar geschoten, waarbij [slachtoffer] dodelijk is geraakt.

Van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding kan niet worden gesproken, indien degene die zich verdedigt zich aan de (dreigende) aanranding had kunnen en moeten onttrekken. Bij beantwoording van de vraag of aan de verdachte het zogenoemde onttrekkingsvereiste kan worden tegengeworpen, komt het aan op de omstandigheden van het geval. Omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen, zijn onder meer het al dan niet plotselinge karakter van de aanranding, de plaats waar de aanranding plaatsvond en het gedrag van de verdachte voorafgaand aan de aanranding.

Het hof is van oordeel dat het onttrekkingsvereiste in de onderhavige zaak aan de verdachte kan worden tegengeworpen.

Hoewel ook het hof er van uitgaat dat [slachtoffer] op enig moment met een vuurwapen schoten heeft gelost, bestond er naar het oordeel van het hof voor de verdachte de reële mogelijkheid om, nadat het eerdere conflict met [slachtoffer] was beëindigd, weg te gaan en zich aan verder agressief gedrag van [slachtoffer] te onttrekken.

Weggaan en aldus een nadere confrontatie voorkomen kon naar 's hofs oordeel in de gegeven omstandigheden ook van de verdachte worden gevergd.

De verdachte en [betrokkene 1] hebben een confrontatie gehad met [betrokkene 2] en een agressief schreeuwende [slachtoffer]. De agressie van [slachtoffer] was kennelijk gericht tegen de verdachte en niet tegen de andere aanwezige personen. De verdachte wist dat ook. Daarna had de verdachte, gelet op de toestand van [slachtoffer], zich kunnen en ook moeten realiseren dat de situatie kon escaleren.

Het hof gaat er daarbij - anders dan de verdediging heeft betoogd - op grond van de verklaringen van de getuigen [betrokkene 5], [betrokkene 7] en [betrokkene 8] van uit dat de verdachte tijdens

het eerste conflict buiten heeft gezien dat [slachtoffer] een vuurwapen bij zich had. Dat de verdachte het wapen pas heeft gezien ten tijde van de tweede confrontatie buiten, zoals de verdachte zelf heeft verklaard, acht het hof ongeloofwaardig.

Het hof gaat er op grond van de bewijsmiddelen tevens van uit dat de verdachte vervolgens - na de eerste confrontatie met [slachtoffer] en aldus na het zien van het vuurwapen van [slachtoffer] - naar zijn auto is gelopen om zijn eigen vuurwapen te halen. Het hof acht het uitgesloten dat de verdachte al eerder, ten tijde van het feest en de daaropvolgende eerste confrontatie met [slachtoffer] buiten, in het bezit was van een vuurwapen. Uit de verklaringen van de bewakers van partycentrum [A] blijkt immers dat sprake was van een strenge ingangscontrole, waar de bezoekers door een metaaldetector moesten, hun tassen moesten open maken om te worden gecontroleerd, hun zakken moesten leegmaken en zij bovendien werden gefouilleerd. Hetgeen na afloop van het feest buiten is gebeurd besloeg slechts een kort tijdsbestek en vervolgens is de verdachte één keer heen en weer gelopen naar de auto. Het dossier biedt geen enkel alternatief scenario dan dat de verdachte op dat moment het wapen uit zijn auto heeft gepakt.

Dit alles leidt tot de slotsom dat de verdachte niet alleen niet van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om te vertrekken, hoewel hij die gelegenheid wel had toen hij zich bij zijn auto bevond, maar bovendien zichzelf heeft bewapend alvorens in het bezit van een vuurwapen terug te lopen in de richting van waar [slachtoffer] zich bevond, wetende dat [slachtoffer] het die avond op hem gemunt had, agressief was en een vuurwapen bij zich droeg. Daarmee heeft de verdachte zich naar het oordeel van het hof welbewust in een situatie begeven waarin hem geen beroep op noodweer toekomt.

Het verweer wordt verworpen.

Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde feit uitsluiten. De verdachte is dus strafbaar.”

7. De bespreking van het middel wordt enigszins gehinderd door de wijze waarop het middel is vorm gegeven. Het middel zelf houdt in dat het zich richt tegen de verwerping van het beroep op noodweer en als ik het goed zie eindigt de toelichting niet met een rechtsklacht, maar met (een) motiveringsklacht(en) (niet genummerde, maar twaalfde pagina van de schriftuur). De motiveringsklachten hebben enerzijds betrekking op het zogenaamde onttrekkingsvereiste en anderzijds op culpa in causa. Gelet daarop zal ik nu eerst de overwegingen over beide leerstukken uit het overzichtsarrest van de Hoge Raad2 citeren.

8. Rechtsoverweging 3.5.2 betreft de noodzaak van verdediging en het onttrekkingsvereiste en deze overweging houdt (met weglating van een noot) in:

“Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond.

Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Bij de verwerping van een beroep op noodweer kan dus niet worden volstaan met het enkele argument dat de verdachte zich aan de aanranding had kunnen onttrekken.

Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Dit is bijvoorbeeld niet het geval wanneer de positie van de verdachte en de ruimte waarin hij zich bevindt, redelijkerwijs geen mogelijkheid bieden tot onttrekking aan de aanranding.

Onttrekking aan de aanranding moet voorts van de verdachte kunnen worden gevergd. Dit behoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is. Ook bij een aanranding van anderen kan zich het geval voordoen dat men zich niet behoefde te onttrekken aan de aanranding. Bovendien kan iemands hoedanigheid – bijvoorbeeld die van politieambtenaar of van een op basis van art. 53 Sv optredend persoon – hier van belang zijn.”

9. Rechtsoverweging 3.7.1 betreft culpa in causa en deze overweging houdt (met weglating van noten) in:

“Gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, kunnen in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer of noodweerexces, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie, of wanneer hij willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt. De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel of dat een verdachte zich in verband met een mogelijke aanval van het slachtoffer als voorzorgsmaatregel van een illegaal vuurwapen had voorzien, is daartoe evenwel onvoldoende.”

10. De concrete toepassing van de normatieve component3 van het onttrekkingsvereiste4 door het hof wordt door de steller van het middel onbegrijpelijk geoordeeld. Het is volgens hem niet begrijpelijk dat van verdachte gevergd kan worden dat hij zich onttrekt. Dat oordeel is volgens de steller van het middel namelijk gebaseerd op een vaststelling die geen steun vindt in de bewijsmiddelen of in de overige stukken van het dossier. De betwiste vaststelling van het hof is volgens de steller van het middel ‘dat verdachte wist dat na beëindiging van het eerdere conflict, [slachtoffer] het nog steeds op hem gemunt had’.5 De woorden ‘nog steeds’ komen in de overweging van het hof niet voor en leggen het accent anders. Het hof overweegt: “(…) wetende dat [slachtoffer] het die avond op hem gemunt had”. Dit sluit aan op een zin aan het begin van de overweging van het hof: “[slachtoffer] en [betrokkene 2] keerden zich tegen de verdachte en er werd geschreeuwd.” De vaststelling dat [slachtoffer] het die avond op verdachte gemunt had is zonder meer af te leiden uit de bewijsmiddelen 11 en 12. Deze deelklacht mist daarmee zijn doel.

11. Voor zover vervolgens wordt geklaagd dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat het hof heeft vastgesteld dat het eerdere conflict tussen verdachte en [slachtoffer] was beëindigd het volgende. Kennelijk baseert de steller van het middel zijn klacht op het uitgangspunt dat alleen als het conflict nog gaande is van verdachte kan worden gevergd dat hij zich onttrekt. Ik kan dat niet volgen. Ik zou menen dat juist omdat het eerdere conflict is beëindigd door weg te gaan voorkomen kan worden dat de vlam opnieuw in de pan slaat. Van verdachte kon gevergd worden te vertrekken om zo een nieuwe escalatie te voorkomen. Wat daar onbegrijpelijk aan is, ontgaat mij en daarmee faalt de deelklacht.

12. Opmerkelijk dat alle klachten in de toelichting vervolgens geheel zijn opgehangen aan de omstandigheid dat “het hof niet heeft vastgesteld dat verdachte de confrontatie met [slachtoffer] is aangegaan of de aanval heeft uitgelokt door provocatie.” De door de steller van het middel gekozen bewoordingen horen bij culpa in causa.6 Het hof heeft het oordeel dat het beroep op noodweer faalt echter niet gestoeld op culpa in causa en daarom is niet van belang dat het hof daaromtrent niets heeft vastgesteld. Voor zover de klachten hierop voortbouwen behoeven ze geen nadere bespreking. Het oordeel van het hof houdt nu eenmaal niet in dat verdachte de confrontatie met [slachtoffer] heeft gezocht of een aanval van [slachtoffer] heeft uitgelokt. Er is verschil tussen een gedraging gericht op confrontatie (in het kader van culpa in causa) en - zoals in het onderhavige geval - de plicht om zich zo te gedragen dat een confrontatie wordt voorkomen (in het kader van het onttrekkingsvereiste).

13. Het hof heeft er de nadruk op gelegd dat verdachte zich niet heeft teruggetrokken, maar gewoon is gebleven en dat zelfs in de wetenschap dat [slachtoffer] een wapen had, terwijl hij zelf ook een wapen heeft gepakt. Waarom niet van verdachte mag worden gevergd dat hij vertrekt in een geval dat hij niet uit is op confrontatie zie ik niet in. Ik acht het mede in het licht van de gehele context niet onbegrijpelijk dat dit van verdachte wordt gevergd, in het bijzonder onder de drie door het hof genoemde omstandigheden: [slachtoffer] had het die avond op verdachte gemunt, [slachtoffer] was agressief en hij had een vuurwapen. Dat impliceert geenszins dat er altijd moet worden geweken voor dreigende agressie van een ander. Ik lees het oordeel van het hof zo dat verdachte zich in het licht van het risico voor (andere) personen die de uitgaansgelegenheid verlieten had moeten onthouden van gewapende terugkeer naar een plaats waar hij een agressieve, gewapende [slachtoffer] die het op hem had gemunt kon verwachten. Dat het hof daarbij betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat verdachte zich voorzag van een vuurwapen, terwijl daarbij niet door het hof is vastgesteld wat verdachte daarmee nu precies beoogde (aanval of verdediging) maakt niet onbegrijpelijk dat van verdachte onthouding gevergd kan worden. Niet aannemelijk is in ieder geval dat er voor verdachte op het moment dat hij zijn wapen pakte noodzaak voor verdediging was. Dat is niet anders als hij weet dat [slachtoffer] over een wapen beschikt.

14. Ik verwijs voor een vergelijkbaar geval naar HR 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2947, NJ 2013/166. In een café had zich een incident voorgedaan waarbij de verdachte was belaagd. Vervolgens buiten het café was de sfeer grimmig en heeft de verdachte zich begeven in de richting van de personen die hem later hebben aangevallen. Van hem kon kennelijk ter vermijding van de kans op escalatie worden verwacht dat hij een andere kant op was gegaan. Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse bij HR 16 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1728 (art. 81 RO), waar het ging om een verdachte die bij de deur van zijn woning werd geslagen door een met een mes gewapende man. Verdachte rende naar boven nadat hij getracht had de deur te sluiten. Eenmaal terug en zelf bewapend met een samoeraizwaard bleek dat de aanvaller hem niet gevolgd was, maar in de tuin stond. Daar kwam het tot een confrontatie. De verdachte had zich moeten onttrekken en niet terugkeren.

15. Verder berusten de klachten op een andere selectie en waardering van feiten dan die bij de verwerping van het beroep op noodweer door het hof in aanmerking is genomen. Dat er een andere selectie en waardering mogelijk is, verbaast niet, maar dat de selectie en waardering die het hof heeft gevolgd onbegrijpelijk is, zie ik niet in.

16 Het middel faalt in alle onderdelen.

17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1243, NJ 2015/258.

2 HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 m.nt. Rozemond.

3 Vgl. J.P. Balkema en P.C. Vegter, ‘Vluchten kan niet meer’, in J.W. Fokkens e.a. (red.), Ad hunc modem. Opstellen over materieel strafrecht. Liber amicorum A.J. Machielse, Kluwer, Deventer 2013, p. 8.

4 Bij beantwoording van de vraag of aan de verdachte het zogenoemde onttrekkingsvereiste kan worden tegengeworpen, komt het aan op de omstandigheden van het geval: HR 6 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3874, NJ 2010/301 en HR 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:106.

5 Zie de zevende pagina van de schriftuur. Ik citeer de zin niet helemaal omdat ik ten behoeve van de leesbaarheid een enkele verschrijving in de zin heb hersteld.

6 De steller van het middel heeft mogelijk een messcherp onderscheid tussen het onttrekkingsvereiste en culpa in causa voor ogen, maar zelfs dat betekent nog niet dat het voorkomen van een aanranding (de plicht om een confrontatie te vermijden) een belangrijke factor kan zijn bij onttrekking. Anders gezegd: culpa in causa is weliswaar een zelfstandige beoordelingsfactor bij een beroep op noodweer, maar de plicht om confrontatie te voorkomen kan een rol spelen bij het onttrekkingsvereiste. Zie J.H. Blomsma en A.H. Klip, Noodweer en noodweerexces, DD 2009/13 en J. de Hullu, Materieel strafrecht, Wolters Kluwer, Deventer 2015, p. 330-331. Bij de beoordeling wegen de feitelijke omstandigheden zwaar. Niet volledig uitgesloten is de feitelijke omstandigheden hier anders te waarderen. Het hof had er voor kunnen kiezen te overwegen dat het teruglopen na uit de auto een wapen te hebben gepakt naar zijn uiterlijke verschijningsvorm een handeling is gericht op confrontatie. Dat is een bouwsteen om verdachte het beroep op noodweer wegens culpa in causa te ontzeggen.