Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:267

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
31-01-2017
Datum publicatie
21-04-2017
Zaaknummer
16/01294
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:697, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verlof tot tenuitvoerlegging van een door de Belgische rechter opgelegde gevangenisstraf. Art. 350 Sv. CAG: ook voor de WOTS-procedure moet worden aangenomen dat de beraadslagingen over de punten waarover de rechtbank moet beslissen, dienen te geschieden door de rechters die de zaak in haar geheel ter terechtzitting hebben onderzocht. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01294 W

Zitting: 31 januari 2017

Mr. D.J.C. Aben

Standpunt/conclusie inzake:

[veroordeelde]

1. Het cassatieberoep richt zich tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 februari 2016 waarbij zij verlof heeft verleend tot de tenuitvoerlegging in Nederland van de beslissing van het hof van beroep van Luik (België) van 9 november 2011, waarbij [veroordeelde] wegens – zoals de rechtbank dat heeft samengevat – de verkoop en in-/uitvoer van gemiddeld 25 kilogram verdovende middelen (heroïne en cocaïne) per maand gedurende vijf maanden, en het als leider deelnemen aan een criminele organisatie, was veroordeelde tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren. De rechtbank heeft [veroordeelde] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 72 maanden.

2. Tegen dit vonnis is namens de veroordeelde cassatieberoep ingesteld.

3. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft tijdig twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel behelst de klacht dat zich bij de stukken geen door de voorzitter en de griffier ondertekend origineel exemplaar bevindt van het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 18 juni 2014. Het tweede middel behelst de klacht dat de rechtbank bij het bepalen van de straf (1) geen rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde op de grond dat hij niet ter terechtzitting van 28 januari 2016 was verschenen, en (2) voorbij is gegaan aan hetgeen ter terechtzitting van 18 juni 2014 was aangevoerd over diens persoonlijke omstandigheden, met inbegrip van de erbarmelijke detentieomstandigheden in België.

5. Beide middelen borduren voort op de veronderstelling dat de uitspraak van de rechtbank berust op de terechtzitting van 18 juni 2014. Dat is niet het geval. Om dat duidelijk te maken geef ik de gang van zaken weer.

6. Op de terechtzitting van 18 juni 2014, waar de zaak voor het eerst inhoudelijk werd behandeld, was de rechtbank samengesteld uit mr. Bade als voorzitter en mrs. Dijkers en Wieman-Bart als rechters. In deze samenstelling heeft de rechtbank de tussenbeslissing van 2 juli 2014 gegeven. Daarbij is het onderzoek heropend en vervolgens voor onbepaalde tijd geschorst teneinde onderzoek te laten doen naar de vraag wanneer de veroordeelde op grond van de Belgische regelgeving in aanmerking zou zijn gekomen voor voorwaardelijke invrijheidsstelling.

7. Vervolgens is de zaak ter terechtzitting van de rechtbank van 28 januari 2016 inhoudelijk behandeld. De rechtbank was toen samengesteld uit mr. Bade, wederom als voorzitter, maar nu met mrs. Jordaans en Van der Leeden als rechters. De veroordeelde was niet ter terechtzitting verschenen. De ter terechtzitting verschenen raadsvrouw verklaarde door de veroordeelde niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd.

8. Nu de rechtbank ter terechtzitting van 28 januari 2016 anders was samengesteld, had zij – op straffe van nietigheid1 – het onderzoek van de zaak opnieuw moeten aanvangen. Hiervan had de rechtbank alleen mogen afzien indien de veroordeelde en de officier van justitie hadden ingestemd met hervatting van het onderzoek ter terechtzitting in de stand waarin zich dat op de vorige terechtzitting bevond. Nu uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat beiden daarmee hebben ingestemd, moet het ervoor worden gehouden dat die instemming niet is gegeven.2

9. Hierbij zie ik niet over het hoofd dat het in de artikelen 348 en 350 Sv gegeven beslissingsmodel niet van overeenkomstige toepassing is verklaard op de WOTS procedure, zodat evenmin is voorgeschreven dat de rechtbank “beraadslaagt naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting”, zoals is voorgeschreven in artikel 350 Sv, eerste lid, Sv. Om bij dit wetsartikel te blijven: dat kan niet integraal van toepassing zijn op de WOTS-procedure al was het maar omdat de WOTS-rechter voor in het bijzonder de bewezenverklaring “is gebonden aan de vaststelling van de feiten die de buitenlandse rechter kennelijk aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd3 en dus niet mag beraadslagen over de vraag “of bewezen is dat het feit door den verdachte is begaan”.

10. Bij de parlementaire voorbereiding van de WOTS is van regeringswege opgemerkt dat getracht is in het wetsontwerp “zoveel mogelijk” aan te sluiten “bij de procedures van het Wetboek van Strafvordering […] ten einde deze wet geheel in het systeem van het Nederlandse recht te laten passen en onnodige toepassingscomplicaties te voorkomen.4

11. Het gaat er hier echter niet zozeer om in hoeverre het ‘beslissingsmodel’ in de artikelen 348 en 350 Sv van toepassing moet worden geacht op de WOTS-procedure, maar om het uitgangspunt dat daaraan ten grondslag heeft gelegen voor wat betreft de eis dat het vonnis wordt gewezen door de rechters die de zaak in haar geheel hebben onderzocht. Blok & Besier schrijven hierover het volgende:

Zo bepaalt het Wetboek noch hier, noch elders, wie aan de beraadslaging en de vaststelling van den inhoud van het vonnis zullen deelnemen. […] Vermoedelijk is de wetgever van oordeel geweest, dat het zoo van zelf sprak, dat de beraadslaging zou geschieden door de drie rechters, die de zaak – en deze in haar geheel – ter terechtzitting hadden onderzocht en wier onderzoek volgens de artt. 348 en 350 den grondslag moesten uitmaken van de beraadslaging, welke tot de beslissing leidde, dat hij het niet noodig heeft geacht dit uitdrukkelijk te zeggen.5

12. Melai brengt het vereiste – dat alleen de rechters die het onderzoek op de terechtzitting volledig hebben bijgewoond kunnen deelnemen aan de beraadslagingen – in verband met de “inwendige openbaarheid”.

Tegenover de uitwendige openbaarheid […] staat […] de niet aan beperkende voorzieningen te onderwerpen inwendige openbaarheid. Bijzondere – niet algemeen bekende – feiten die buiten het onderzoek op de terechtzitting ter kennis van de rechtbank zijn gekomen, kunnen niet geldig aan de beslissing van de rechtbank ten grondslag worden gelegd: deze beperking geldt ten aanzien van alle onderdelen van de rechterlijke beslissing, met name ook ten aanzien van de gegevens die een rol kunnen spelen bij de in art. 350 opgeworpen vragen.6

13. De beperking dat alleen de rechters die het onderzoek op de terechtzitting volledig hebben bijgewoond kunnen deelnemen aan de beraadslagingen, geldt volgens Melai “ten aanzien van alle onderdelen van de rechterlijke beslissing”.

14. Ook voor de WOTS-procedure moet worden aangenomen dat de beraadslagingen over de punten waarover de rechtbank moet beslissen, dienen te geschieden door de rechters die de zaak in haar geheel ter terechtzitting hebben onderzocht.

15. Nu de rechtbank ter terechtzitting van 28 januari 2016 anders was samengesteld, en uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal niet blijkt dat de veroordeelde en de officier van justitie hebben ingestemd met hervatting van het onderzoek ter terechtzitting in de stand waarin zich dat op de vorige terechtzitting bevond, moet het ervoor worden gehouden dat het onderzoek ter terechtzitting op 28 januari 2016 opnieuw is aangevangen, ook al wordt dit niet met zoveel woorden in het proces-verbaal vermeld.7

16. Hiervan uitgaande, kan ik over de middelen kort zijn. Het eerste middel, waarin wordt geklaagd dat zich bij de stukken geen door de voorzitter en de griffier ondertekend origineel exemplaar bevindt van het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 18 juni 2014, faalt omdat de uitspraak die in cassatie aan de orde is niet berust op hetgeen ter terechtzitting van 18 juni 2014 is voorgevallen. Het tweede middel klaagt er in feite over dat de rechtbank niet heeft gerespondeerd op de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde zoals die ter terechtzitting van 18 juni 2014 door de raadsvrouw naar voren zijn gebracht.

17. Inderdaad heeft de rechtbank uitdrukkelijk overwogen geen rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde. Met betrekking tot de in Nederland op te leggen straf heeft de rechtbank in haar vonnis het volgende overwogen:

De veroordeelde is niet ter zitting van 28 januari 2016 verschenen. Hij heeft geen contact gehouden met zijn raadsvrouw en heeft het openbaar ministerie en de rechtbank niet gemeld waar hij naartoe vertrokken is. De rechtbank heeft bij het bepalen van de in Nederland op te leggen straf dan ook geen rekening kunnen houden met de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde. Tevens heeft de veroordeelde door dusdanig te handelen de voorwaarden van zijn schorsing overtreden.

De rechtbank houdt rekening met de omstandigheid dat de veroordeelde is veroordeeld voor verkoop en in/uitvoer van gemiddeld 25 kilogram verdovende middelen per maand gedurende vijf maanden, in totaal een hoeveelheid van ongeveer 125 kilogram. Voorts ziet de veroordeling op deelname aan een criminele organisatie, waarbij in de beslissing is overwogen dat de veroordeelde een leidende positie had. Onderhavige strafbare delicten liggen in internationaal opzicht zeer gevoelig.

18. De rechtbank heeft de straf vastgesteld op basis van de door het hof van beroep van Luik bewezen verklaarde feiten en omstandigheden en daarmee de bijzondere redenen opgegeven die de straf hebben bepaald zoals is bedoeld in artikel 31, eerste lid, WOTS.8 De rechtbank was niet gehouden afzonderlijk in te gaan op de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde zoals die ter terechtzitting van 18 juni 2014 door de raadsvrouw naar voren zijn gebracht op de grond dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting van 28 januari 2016 opnieuw was aangevangen.

19. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zou moeten leiden.

20. De middelen falen.

21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 8 oktober 1928, NJ 1929, p. 83.

2 HR 11 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5584, NJ 2010/284 r.o. 2.4.

3 Art. 28, derde lid, WOTS en art. VOGP.

4 Kamerstukken II 1984/85, 18129, 6 (MvA), p. 18. Zie ook Kamerstukken II 1983/84, 18129, 3, p. 27: “getracht waar mogelijk aansluiting te zoeken bij de vertrouwde procesvoorschriften uit het Wetboek van Strafvordering.

5 A.J. Blok & L.Ch. Besier, Het Nederlandsche strafproces, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & Zoon 1925, tweede deel, 1925, p. 168.

6 WvSv, A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen e.a., artt. 348-349, aant. 7 (suppl. 34, mei 1981).

7 HR 26 oktober 1993, DD 94.093.

8 HR 25 mei 1993, DD 93.438.