Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:262

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-01-2017
Datum publicatie
12-04-2017
Zaaknummer
15/04392
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:670, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Deelneming aan samenscholing, art. 2.2 APV Amsterdam 2008. 1. Deelneming. 2. Kwalificatie van het bewezenverklaarde als “overtreding van art. 2.2 lid 3 van de APV Amsterdam 2008 en overtreding van art. 2.2 lid 1 van de APV Amsterdam 2008”. Ad 1. De term “deelnemen” komt binnen de context van art. 2.2 APV Amsterdam 2008 een eigen betekenis toe, die afwijkt van de betekenis die aan het begrip deelnemen wordt gegeven in de art. 47 en 48 Sr. Voldoende voor een bewezenverklaring van "deelnemen" in de zin van art. 2.2 APV Amsterdam 2008 is dat verdachte een bijdrage heeft geleverd aan de dreiging die van een groep uitgaat door deel uit te maken van die groep. Ad 2. Het Hof heeft - niet onbegrijpelijk - geoordeeld dat “de samenkomst tot doel had een confrontatie met de ME op te zoeken en de ontruiming (fysiek) te verhinderen”. Daarin ligt ’s Hofs oordeel besloten dat de samenkomst niet (primair) het karakter had van gemeenschappelijke meningsuiting, maar was gericht op het beletten van de politie de aangekondigde ontruiming door te zetten d.m.v. de uitoefening van feitelijke dwang. Gelet op de wetsgeschiedenis geeft ’s Hofs oordeel dat “geen sprake was van een manifestatie in de zin van de WOM” en dat “de gedragingen van de aanwezigen [...] dan ook [vallen] onder de werking van art. 2.2 van de APV Amsterdam 2008” niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Hetgeen in de toelichting op het middel wordt opgemerkt over een ruime interpretatie van het door art. 11 EVRM beschermde recht van vrije vereniging noopt i.c. niet tot een ander oordeel.

Samenhang met 15/04385, 15/04384, 15/04387 en 15/04390.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/04392

Zitting: 10 januari 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Bij arrest van 31 augustus 2015 heeft het gerechtshof Amsterdam de verdachte wegens “overtreding van artikel 2.2 lid 3, van de Algemene Plaatselijke Verordening Amsterdam 2008 en overtreding van artikel 2.2 lid 1 van de Algemene Plaatselijke Verordening Amsterdam 2008”, veroordeeld tot twee geldboetes, elk van vijftig euro, telkens bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door één dag hechtenis.

  2. De onderhavige zaak hangt samen met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 5] (15/04384), [medeverdachte 2] (15/04390), [medeverdachte 3] (15/04387) en [medeverdachte 4] (15/04385). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Het eerste middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof, inhoudende dat de vervolgingsbeslissing door het openbaar ministerie niet tot stand is gekomen in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur, onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd. Voorts klaagt het middel over de motivering van de strafoplegging.

  5. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat:

“zij op 05 juli 2011 te Amsterdam op of aan de weg, te weten de Passeerdersgracht, terwijl zij, bij een gebeurtenis die tot toeloop van publiek aanleiding gaf en bij enig voorval (te weten de (voorbereiding en uitvoering van de) ontruiming van een of meer panden gelegen aan de Passeerdersgracht 23 en Passeerdersgracht 25 aldaar, door één of meer ambtenaren van politie) waardoor ongeregeldheden ontstonden, aanwezig was, niet op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie direct haar weg heeft vervolgd in de aangegeven richting, immers heeft verdachte geen gevolg gegeven aan drie vorderingen van de politie om zich te verwijderen in de richting van de Prinsengracht;

en

zij op 05 juli 2011 te Amsterdam op of aan de weg, te weten de Passeerdersgracht, heeft deelgenomen aan een samenscholing en op andere wijze de orde heeft verstoord, immers heeft verdachte deel uitgemaakt van een groep mensen (van ongeveer 150 personen), door en/of vanwege welke groep

- tafels en andere voorwerpen op de rijbaan van de Passeerdersgracht zijn geplaatst en die rijbaan werd geblokkeerd aan de zijde van op die dag door ambtenaren van politie te ontruimen panden (gelegen aan de Passeerdersgracht 23 en 25) en

- luide muziek werd voortgebracht en op andere wijze veel geluid werd geproduceerd en

- nadat er door de (politie (drie maal) was gevorderd dat de groep zich moest verwijderen massaal werd gejoeld en geschreeuwd en

- flessen werden gegooid en

- werd gescandeerd: "Kraken gaat door" en "Jullie marionetten van de overheid" en

- terwijl die groep over de Passeerdersgracht door ambtenaren van politie werd verdreven en bewogen in de richting van de Prinsengracht werd gegooid met diverse voorwerpen, te weten een verfbom en andere voorwerpen en

- schopbewegingen werden gemaakt naar ambtenaren van politie.”

6. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit. Uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnotities blijkt dat de raadsman daartoe heeft aangevoerd dat de verdachte en de medeverdachten behoorden tot een groep van ongeveer 150 personen die op 5 juli 2011 op dezelfde gronden, dezelfde plaats en onder dezelfde omstandigheden zijn aangehouden. De raadsman meent dat tussen de zaken geen juridisch relevant verschil bestaat. De verdachte en de medeverdachten zijn vervolgd, terwijl andere verdachten niet zijn vervolgd en de desbetreffende zaken zijn verjaard of tegen de uitspraak in eerste aanleg, inhoudende vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging, geen hoger beroep is ingesteld. Door aldus te handelen heeft het openbaar ministerie het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur dan wel het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging geschonden. Voorts is gehandeld in strijd met art. 14 EVRM, omdat sprake is van een verschil in behandeling van personen in analoge of gelijksoortige situaties. Ten slotte is de Aanwijzing voor de opsporing geschonden, omdat hierin is bepaald dat (vrijwel) gelijke zaken ook zoveel mogelijk op

gelijke wijze worden behandeld, aldus de raadsman.

7. Het hof heeft het verweer verworpen en daartoe het volgende overwogen:

“Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

(…)

Het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur

De raadsman heeft verder gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de verdachte wel is vervolgd en andere op 5 juli 2011 aangehouden personen niet. Bovendien is in de zaak van [betrokkene 1], tegen wie door de kantonrechter later een vonnis is gewezen dat inhoudelijk gelijk is aan het tegen de verdachte gewezen vonnis, anders dan in de voorliggende zaak, geen hoger beroep ingesteld. Ook om die reden is sprake van schending van het beginsel van een redelijke billijke belangenafweging, alsook het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur.

De advocaat-generaal heeft op de terechtzittingen in hoger beroep toegelicht dat het Openbaar Ministerie eerst de onherroepelijke vonnissen/arresten tegen de onderhavige, willekeurig gekozen, verdachte en haar (mede)verdachten wilde afwachten alvorens in de zaken van de andere verdachten die op 5 juli 2011 zijn aangehouden een beslissing tot vervolging te nemen. Inmiddels is de driejaarstermijn verlopen en zijn die zaken verjaard, zodat een vervolging niet meer aan de orde is. Daarnaast worden een aantal verdachten voor openlijke geweldpleging als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht vervolgd. Die zaken zijn aanhangig bij de rechtbank en voor onderzoek verwezen naar de rechter-commissaris. In de zaak tegen de verdachte [betrokkene 1] heeft de officier van justitie abusievelijk verzuimd hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de kantonrechter.

Het in artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel houdt in dat de officier van justitie bevoegd is, op gronden aan het algemeen belang ontleend, af te zien van vervolging. Beslist de officier van justitie dat hij tot vervolging overgaat, dan staat die beslissing in het algemeen niet ter beoordeling van de rechter. Slechts indien de vervolging in strijd is met wettelijke of verdragsrechtelijke bepalingen of met beginselen van goede procesorde - waaronder het gelijkheidsbeginsel - kan er sprake zijn van een verval van het recht tot strafvordering en van een door de rechter om die reden uit te spreken niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

De omstandigheid dat andere verdachten, die op 5 juli 2011 zijn aangehouden, niet zijn vervolgd levert op zichzelf onvoldoende grond op voor de constatering dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Ook overigens is in deze zaak geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden, waaruit zou moeten worden afgeleid dat het Openbaar Ministerie bij zijn belangenafweging niet in redelijkheid heeft kunnen beslissen de verdachte te vervolgen.

Daarbij moet tevens in aanmerking worden genomen dat het Openbaar Ministerie heeft meegedeeld dat het ervoor gekozen heeft om eerst de onherroepelijke vonnissen/arresten in de onderhavige zaken af te wachten alvorens een vervolgingsbeslissing te nemen ten aanzien van de andere verdachten. Ten aanzien van de zaak [betrokkene 1] overweegt het hof dat het Openbaar Ministerie niet aan een onjuiste beslissing, zoals het abusievelijk nalaten hoger beroep in te stellen, in andere zaken is gebonden.

Van schending van het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel is gezien het voorgaande dus evenmin sprake. Het verweer wordt verworpen.

(…)

Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding het Openbaar Ministerie in de onderhavige zaak niet-ontvankelijk in de vervolging te verklaren. Ook niet als het de verweren van de raadsman in onderlinge samenhang beschouwt.”

8. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. In art. 167, eerste lid, Sv is aan het openbaar ministerie de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur, dat in de strafrechtspraak ook wel is omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging.1 Het ten onrechte niet vervolgen van derden wier gedragingen evenzeer als die van de verdachte het voorwerp van strafvervolging dienen te zijn, leidt niet zonder meer tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging tegen de verdachte.2

9. Door te oordelen dat de omstandigheid dat andere verdachten niet (verder) zijn vervolgd onvoldoende grond oplevert voor de constatering dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, heeft het hof het in het voorafgaande beschreven toetsingskader niet miskend. Voor zover in de schriftuur wordt opgemerkt dat het hof heeft vastgesteld dat de vervolging van de verdachte het resultaat is van willekeur, berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft vastgesteld dat het openbaar ministerie de beslissing over de vervolging van andere verdachten heeft willen uitstellen totdat duidelijkheid bestond over de haalbaarheid van de vervolging van de verdachte en de medeverdachten. In de overwegingen van het hof ligt voorts besloten dat sprake is geweest van een aselectieve keuze – door het hof minder gelukkig als “willekeurig” aangeduid – van verdachten die in eerste instantie zijn vervolgd. Het oordeel van het hof dat in het licht van de vastgestelde feiten en omstandigheden van schending van het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel geen sprake is, acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat het het openbaar ministerie vrij staat, mede in het licht van een doelmatige besteding van de justitiële capaciteit, ervoor te kiezen niet alle zaken tegelijkertijd aan te brengen, maar eerst de onherroepelijke vonnissen / arresten af te wachten in een aantal vergelijkbare zaken. De omstandigheden dat een vervolging van de andere verdachten wegens verjaring niet meer mogelijk is en dat in één van de zaken is verzuimd hoger beroep in te stellen, doen daaraan niet af. Voor het geval in de andere zaken sprake is geweest van het abusievelijk niet stuiten van de verjaring en van een verzuim hoger beroep in te stellen, valt niet in te zien dat die omstandigheid kan leiden tot niet-ontvankelijkheid in de vervolging van de verdachte. Het oordeel van hof dat geen sprake is van een schending van het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel is dan ook niet onbegrijpelijk, terwijl het toereikend is gemotiveerd.

10. Voor zover het middel beoogt te klagen over het kennelijke oordeel van het hof dat art. 14 EVRM niet is geschonden, faalt het eveneens. Het discriminatieverbod van art. 14 EVRM behelst geen zelfstandig recht, maar een afgeleid recht. Dat betekent dat art. 14 EVRM in beginsel slechts in verband met de uitoefening van een ander inhoudelijk verdragsrecht kan worden ingeroepen.3 Mede tegen de achtergrond van hetgeen het hof heeft geoordeeld ten aanzien van de beweerde schending van beginselen van een goede procesorde, is het kennelijke oordeel van het hof dat geen sprake is van een schending van art. 14 EVRM niet onbegrijpelijk. In het licht van het aangevoerde, was het hof tot een nadere motivering van zijn oordeel niet gehouden. In hoger beroep heeft de raadsman in dit verband immers slechts zonder specifieke onderbouwing betoogd dat “het verschil in behandeling – in combinatie met het recht op een eerlijk proces als neergelegd in art. 6 EVRM – ook een schending van art. 14 EVRM op[levert]”.

11. Het middel bevat voorts de klacht dat het hof er geen blijk van heeft gegeven te hebben getoetst aan “het vervolgingsbeleid zoals neergelegd in de Aanwijzing voor de opsporing”.4 Deze klacht faalt reeds omdat de Aanwijzing voor de opsporing, anders dan de Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen, niet ziet op de beslissing al dan niet tot vervolging over te gaan.

12. Het middel behelst ten slotte de klacht dat de beslissing over de strafoplegging onbegrijpelijk is, dan wel ontoereikend is gemotiveerd, omdat het hof geen overweging heeft gewijd aan de noodzaak van het aan de verdachte opleggen van twee geldboeten, terwijl het niet heeft weersproken dat de overige betrokkenen geen straf opgelegd hebben gekregen.

13. Uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnotities blijkt dat de raadsman het hof heeft verzocht in geval van bewezenverklaring te volstaan met de toepassing van art. 9a Sr. Daartoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd:

“Bij bewezenverklaring: verzoek tot 9a. 140 betrokkenen hebben geen straf opgelegd gekregen.”

14. Het hof heeft de strafoplegging – voor zover hier van belang – als volgt gemotiveerd:

“Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het niet voldoen aan vorderingen van de politie en het verstoren van de openbare orde op 5 juli 2011. De verdachte heeft door haar handelen blijk gegeven van een gebrek aan respect jegens de politie, heeft het gezag van de politie ondermijnd, de politie belemmerd in haar werk en overlast veroorzaakt voor omwonenden. Het hof oordeelt dat kan worden volstaan met een constatering van een geringe termijnoverschrijding.

Voorts zal het hof rekening houden met het feit dat andere op 5 juli 2011 in de groep aangehouden verdachten (al dan niet abusievelijk) niet zijn vervolgd.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 10 augustus 2015 is de verdachte onbekend in de Nederlandse Justitiële Documentatie.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.”

15. De keuze van de factoren welke voor de bepaling van de straf of maatregel van belang zijn te achten, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en deze keuze behoeft geen motivering.5 Bovendien kan in cassatie niet worden onderzocht of de juiste straf of maatregel is opgelegd en evenmin of de straf of maatregel beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren.6 Art. 9a Sr biedt de rechter de mogelijkheid in geval van schuldigverklaring af te zien van het opleggen van een straf of maatregel. Het gaat daarbij om een bevoegdheid, niet om een verplichting.7

16. Uit de hiervoor weergegeven motivering van de strafoplegging volgt dat het hof het bepalen van de straf in mitigerende zin rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat andere verdachten niet zijn vervolgd, maar daarin geen aanleiding heeft gevonden om art. 9a Sr toe te passen. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Gelet op hetgeen de verdediging ter onderbouwing van het verzoek tot toepassing van art. 9a Sr naar voren heeft gebracht, was het hof niet gehouden dit oordeel nader te motiveren. Anders dan de steller van het middel veronderstelt, dwingt de rechtspraak van het EHRM niet tot een ander oordeel.

17. Het middel faalt.

18. Het tweede middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van het als eerste ten laste gelegde feit niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

19. Het hof heeft – voor zover voor de beoordeling van dit middel van belang – ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

“zij op 05 juli 2011 te Amsterdam op of aan de weg, te weten de Passeerdersgracht, terwijl zij, bij een gebeurtenis die tot toeloop van publiek aanleiding gaf en bij enig voorval (te weten de (voorbereiding en uitvoering van de) ontruiming van een of meer panden gelegen aan de Passeerdersgracht 23 en Passeerdersgracht 25 aldaar, door één of meer ambtenaren van politie) waardoor ongeregeldheden ontstonden, aanwezig was, niet op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie direct haar weg heeft vervolgd in de aangegeven richting, immers heeft verdachte geen gevolg gegeven aan drie vorderingen van de politie om zich te verwijderen in de richting van de Prinsengracht;”

20. Het derde lid van art. 2.2 van de APV Amsterdam 2008 luidt als volgt:

“Degene die op of aan de weg bij een gebeurtenis die tot toeloop van publiek aanleiding geeft of bij enig voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan aanwezig is dan wel zich in de richting van die gebeurtenis of dat voorval begeeft, vervolgt op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie direct zijn weg in de aangegeven richting.”

21. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal van 18 juli 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] [ongenummerde pagina].

Dit (kopie van het) proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van voornoemde verbalisant:

Ik, verbalisant, verklaar het volgende over hetgeen voorafging aan de ontruiming van het pand aan de Passeerdersgracht 23-25 te Amsterdam.

Bij brief van 10 mei 2011 heeft officier van justitie A. Kramer aan degenen die wonen of vertoeven in het gekraakte gedeelte van het pand aan de Passeerdersgracht 23-25 medegedeeld dat jegens hen de verdenking bestond van overtreding van de artikelen 138, 138a en/of 139 van het Wetboek van Strafrecht en dat het voornemen bestond om het pand te ontruimen, uiterlijk op dinsdag 5 juli 2011.

Op de website www.indymedia.nl verscheen op 1 juli 2011 de volgende tekst:

“Aan alle sympathisanten van Schijnheilig,

Op dinsdagochtend zal Schijnheilig aan de Passeerdersgracht worden ontruimd.

We verwachten dat de ME dinsdagochtend rond 06.00 zal arriveren. De manifestatie zal doorlopen tot het moment waarop de ME tot inkeer is gekomen. ”

Het is mij, verbalisant [verbalisant 1], ambtshalve bekend dat mededelingen op deze site goed gelezen worden binnen de Amsterdamse kraakbeweging en dat in het verleden regelmatig oproepen tot acties op deze sites zijn gedaan waaraan door meerdere mensen gehoor werd gegeven en waarbij openbare ordeverstoringen zijn voorgevallen.

De burgemeester van Amsterdam was op 5 juli 2011 te 06:50 uur niet in kennis gesteld van een op dat moment in de Passeerdersgracht te Amsterdam plaatshebbende betoging of samenkomst als bedoeld in artikel 2.32 van de Algemene Plaatselijke Verordening van Amsterdam.


2. Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal met nummer 2011170605-72 van 7 juli 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] [ongenummerde pagina’s],

Dit (kopie van het) proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van voornoemde verbalisant:

Op 5 juli 2011 was ik, [verbalisant 2], commissaris, dienstdoende als Chef ordehandhaving binnen de Staf Grootschalig en Bijzonder Politieoptreden inzake de ontruiming van kraakpanden, belast met de operationele aansturing van de ontruiming van diverse percelen in het zorggebied van de regio.

Op 5 juli 2011 omstreeks 06:50 uur arriveerde ik bij de eerste op de lijst te ontruimen panden, te weten de Passeerdersgracht 23 te Amsterdam. Aldaar constateerde ik dat een grote groep mensen zich op de rijbaan van de Passeerdersgracht bevonden ter hoogte van de percelen 25 tot en met 17. Wij zagen dat personen gehuld waren in feestkleding en zich met diverse toeters en trommels ook als zodanig gedroegen. Ook constateerde ik dat verschillende personen bivakmutsen droegen en vooral in het zwart gekleed waren. Op diverse openbare gebouwen en bruggen waren spandoeken aangebracht met teksten zoals “kraken gaat door ”, en “Van der Laan gaat eraan”.

Ik zag dat de groep personen zich vrijwel onophoudelijk met elkaar verbond. Ik zag dat zij om elkaar heen liepen en veel en kort met elkaar woorden wisselden. Ik hoorde ook dat zij als groep bij wisselende samenstelling liedjes meezongen met de instrumenten die bespeeld werden en dat zij leuzen scandeerden. Ook zag ik dat zij met elkaar soms dansen uitvoerden. Ook bevonden zij zich vrijwel onophoudelijk om en nabij elkaar. Hieruit concludeerde ik dat hier sprake was van een groep personen die gezamenlijk optrok.

Ook zag ik dat een aantal tafels was geplaatst over de hele rijbaan van de Passeerdersgracht aan de zijde van het te ontruimen perceel. Ik zag dat in deze barricade die werd gevormd door de tafels, verschillende personen uit de groep zich schuil hielden. Ook zag ik dat achter deze tafels diverse bioscoopstoelen over de hele zijde van de rijbaan waren gepositioneerd. Ter hoogte hiervan zag ik dat een viertal personen zichzelf hadden vastgeketend aan een groot blok beton. Ik zag dat zij met één hand in het betonblok vastzaten.

Tevens was te zien dat verschillende individuen op momenten van kleding wisselden. Er werd met muziekinstrumenten en door muziek, kennelijk op versterkte wijze voortgebracht, veel geluid geproduceerd. Maar ook een aantal individuen deden doeken voor hun mond en hadden voorwerpen in hun handen, kennelijk met de bedoeling hiermee te gooien.

Op 5 juli 2011 te 06.57 uur, sprak ik door de dakmegafoon de woorden: “Hier spreekt de politie! Verwijdert u of geweld zal worden gebruikt! Dit is mijn eerste vordering!” Op deze woorden werd door de groep massaal gereageerd met joelen en schreeuwen. Ook werden er verschillende (bier-)flessen in de richting van mijn voertuig gegooid. Hierop heb ik aan het ME Peloton opdracht gegeven een linie te vormen op de Lijnbaansgracht ter hoogte van de Passeerdersgracht en het Raamplein te Amsterdam.

De linie eenmaal geformeerd, heb ik middels de dakmegafoon het volgende gesproken: “Hier spreekt nogmaals de politie! Verwijdert u of geweld zal worden gebruikt! Verwijdert u in de richting van de Prinsengracht en verlaat de Passeerdersgracht! Dit is mijn tweede vordering! ” Ook hierop werd door de groep personen met gejoel gereageerd. Ik hoorde en zag dat de groep personen zich geheel keerde tegen de inmiddels uitgestapte ME-ers. Ik hoorde dat zij scandeerden dat “Kraken door zou gaan ” en “jullie marionetten van de overheid”. Hierop heb ik de waterwerper opdracht gegeven zich achter inmiddels opgestelde ME-linie te positioneren. Nadat de waterwerper zich achter de linie had gepositioneerd heb ik door de dakmegafoon de volgende waarschuwing gesproken: “Hier spreekt de politie! Dit is mijn derde en tevens laatste vordering! Verwijdert u of geweld zal worden gebruikt! Verwijdert u in de richting van de Prinsengracht! ” Inmiddels constateerde ik ook dat aan de overzijde van de het te ontruimen pand aan de Passeerdersgracht een persoon muziek maakte middels versterking. Dat maakte een hels kabaal en was kennelijk bedoeld om de groep personen voor het te ontruimen pand te ondersteunen in hun protesten.

Ook zag ik dat verschillende personen uit de groep vooral zwarte kleding droegen, een doek voor hun mond hadden gebonden en enkelen daarbij ook een zonnebril droegen. Ook zag ik dat enkelen uit de groep soms van kleding wisselden. Ik zag dat zij soms zwarte jacks droegen, maar ook soms het jack uitdeden waarop ineens een compleet anders gekleurd shirt of jack te voorschijn kwam.

Ik zag en hoorde dat de groep personen op de Prinsengracht geen gehoor aan het voornoemde bevel gaven en zich niet verwijderden. Hierop werd op last van mij een charge uitgevoerd door de mobiele eenheid waarbij de groep personen met geweld werden opgedreven in de richting van de Prinsengracht. Ik zag dat hierop een verfbom in de richting van de ME-linie werd gegooid. Ook zag ik dat personen uit de groep gooiden met diverse voorwerpen zoals stokken en flesjes.

Ik zag dat tijdens het opdrijven door de mobiele eenheid diverse personen uit de groep schopbewegingen maakten naar de agenten in de linie en dat er door diverse personen uit de groep met voorwerpen naar de agenten werd gegooid. Ik zag vervolgens dat de groep door de ME-linie werd gedreven in de richting van de Prinsengracht. Ook zag ik dat enkele personen uit de groep zich verwijderden in de richting van de Prinsengracht en ik zag dat zij hun weg vervolgden in de richting van de ME-voertuigen die opgesteld stonden op de Prinsengracht ter hoogte van de woningen aan de overzijde van het pand aan de Passeerdersgracht. Evenwel zag ik dat het grootste deel van de groep zich dicht op elkaar liet verplaatsen in de richting van de Passeerdersgracht. Ik zag dat zij vooral hierbij om elkaar heen draaiden, dansten en elkaar in wisselende samenstelling vasthielden.

Er werden diverse voorwerpen, die her en der op straat lagen, in de richting van de ME-linie gegooid. Ook hielden verschillende personen zich hinderlijk op voor de ME-linie. Hierop heeft de Algemeen Commandant mij de opdracht gegeven de hele groep aan te houden. De groep personen bleef vooral bij elkaar en bewoog zich in de richting van de Passeerdersgracht (het hof begrijpt: Prinsengracht). Om het werk van de ME-ers voor het pand aan de Passeerdersgracht niet te verhinderen besloot ik om de groep in te laten sluiten op de Prinsengracht, dus om de hoek van het te ontruimen pand.

De hele groep bewoog zich van de Passeerdersgracht rechtsaf de Prinsengracht op in de richting van de Raamstraat. Ik heb een ME-linie laten vormen op de Prinsengracht ter hoogte van de Passeerdersgracht om te voorkomen dat de groep personen zich weer in de richting van het te ontruimen pand zou begeven. Ik zag bij deze actie dat enkele personen zich bewogen in de richting van de ME-voertuigen, kennelijk met de bedoeling om zich uit de voeten te maken. Het overgrote deel van de groep bleef bij elkaar.

Al met al constateer ik dat bij verplaatsing van de groep personen vanaf de Passeerdersgracht in de richting van de Prinsengracht er voldoende ruimte, tijd en gelegenheid is geweest om te voldoen aan mijn eerder gegeven bevel om zich te verwijderen.

Om tot aanhouding over te kunnen gaan van de groep personen die zich ophielden voor de inmiddels statisch opgestelde ME-linie, op de Prinsengracht ter hoogte van de Passeerdersgracht, besloot ik om een ME-linie te laten vormen op de Prinsengracht ter hoogte van de Raamstraat. Het duurde ongeveer tien minuten voor deze linie gevormd was, omdat hiervoor omtrekkende bewegingen met ME-voertuigen gemaakt moesten worden. Ik zag dat dit niet zozeer een probleem was om de aanhouding gestand te doen, omdat de groep personen steeds bij elkaar bleef en zich hinderlijk en al muziek makend ophield voor de statisch opgestelde ME-linie.

Ik zag dat door de groep personen ook de inmiddels genaderde ME-auto werden beroerd. Ik zag dat een groot deel van de groep personen de ME-auto als groep op en neer bewoog waardoor het voertuig ging schommelen.

Op 5 juli 2011 te 08.37 uur heb ik door middel van de dakmegafoon van het commandovoertuig waarin ik mij bevond de groep ingesloten personen op de Prinsengracht aangeroepen dat zij allen waren aangehouden terzake verstoring van de openbare orde.

3. Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal met nummer PL136B 2011170605-72 van 10 mei 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] [ongenummerde pagina’s].

Dit (kopie van het) proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van voornoemde verbalisant:

Ik, verbalisant, heb op 5 juli 2011 dienst gedaan in het kader van de Staf Grootschalig en Bijzonder Politieoptreden. Van dit optreden heb ik een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt, genummerd 2011170605-72. In het algemeen wil ik opmerken dat op 5 juli (het hof begrijpt: 2011) door mij geconstateerd werd dat een groep personen, die ik in voornoemd proces verbaal van bevindingen heb omschreven, zich vrijwel onophoudelijk om en nabij elkaar bevonden. Nadat ik luid en duidelijk mijn vorderingen gedaan had en ik zag dat zij zich niet voldeden aan de vordering om zich te verwijderen en in de richting van de Prinsengracht te gaan, heb ik door de Mobiele Eenheid een linie laten vormen over de Passeerdersgracht en daarmee een charge uitgeoefend in de richting van de Prinsengracht. Alhoewel ik zag dat enkelen zich verwijderden in de richting van de Prinsengracht bleef een groot deel van de groep zich voor de linie ophouden. Ik meen mij te herinneren dat ik zag dat enkele van de personen uit de groep zich verwijderden in de richting van de Looiersgracht. Een enkele zag ik rechtsaf slaan over de Prinsengracht in de richting van de Leidsestraat.

Ik heb beschreven dat er steeds sprake was van eenzelfde groep personen die zich ophield voor de weer langzaam in beweging gekomen linie over de Passeerdersgracht in de richting van de Prinsengracht. Door de vorming van de linies Mobiele Eenheid over de Passeerdersgracht en de Prinsengracht werd het vanaf de zijde van de Lijnbaansgracht en vanaf de zijde van de Looiersgracht niet mogelijk om zich als persoon weer bij de groep personen te begeven.

4. De verklaring van de getuige [verbalisant 2] op de terechtzitting in hoger beroep van 17 augustus 2015:

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

In dit geval was de doelstelling van de actie om tot een ontruiming te komen. Voor het te ontruimen pand stonden mensen voor de deur. De ontruimingseenheid kon daarom niet tot ontruiming overgaan.

Ik heb drie vorderingen gedaan. Ik kreeg zelfs nog klachten van het hoofdbureau op de Elandsgracht met de vraag of het niet wat zachter kon met het doen van die vorderingen.

Tijdens de afsluiting van de Leidsegracht is het voor mensen nog mogelijk geweest om weg te gaan, maar niet om terug te komen. Op de vraag van de raadsman of bij het tegenhouden ter hoogte van de Passeerdersgracht de demonstranten volop alle kanten op konden, kan ik bevestigend antwoorden.

5. De eigen waarneming van het hof op de terechtzitting 17 augustus 2015 die is verwoord in de navolgende - zakelijk weergegeven - passages van het van die zitting opgemaakte proces-verbaal:

“De camerabeelden, die zijn opgeslagen op een DVD met opschriften “[betrokkene 2]” en “Ontruiming 5- 7-’11” en die op 5 juli 2011 door (naar het hof begrijpt) [betrokkene 2] zijn gemaakt, worden afgespeeld en door het hof en de andere in de zittingszaal aanwezigen bekeken.

Het hof doet vervolgens de volgende waarnemingen:

- tot minuut 01.00 zijn op de beelden mensen met zonnebrillen en capuchons te zien;

- minuut 02.25: te zien is een rookbom en te horen is een knal;

- minuut 03.20: te zien is nog een rookbom, daarna zijn vier knallen te horen;

- minuut 03:40: te zien is een gemaskerde man en een vuurtje op de straat, tevens is het straatnaambordje van de Passeerdersgracht te zien;

- minuut 04.30: het vuur is nog steeds te zien;

- minuut 05.30: de ME komt in beeld;

- minuut 05.40: te horen is dat de eerste vordering wordt gedaan;

- minuut 05.50: te zien is dat de eerste charge wordt uitgevoerd;

- minuut 06.00: te zien zijn tafels op de rijbaan;

- minuut 06.20: te zien zijn mensen met bedekte gezichten en er wordt geschreeuw gehoord;

- minuut 06.40: te zien zijn mensen die als bruid verkleed zijn, de raadsman merkt op dat de leus “kraken gaat door ” te horen is en wijst op de borden die op de beelden te zien zijn;

- minuut 07.10: de ME komt in contact met de bruiden;

- minuut 07.27: duidelijk te zien zijn de tafels op de rijweg, er is veel geluid op de achtergrond te horen, alsook het geluid van versterkte gitaren;

- minuut 08.52: te zien is een persoon met een bivakmuts en personen met luchtbedden. Te zien is dat de tafels niet over de gehele rijbaan staan en dat mensen weg kunnen lopen;

- minuut 10.40: te zien is dat een charge wordt uitgevoerd, waarbij de ME over de tafels klimt;

- minuut 10.50: te zien is dat er voorwerpen naar de ME worden gegooid;

- minuut 11.20: te zien is dat er bierflesjes worden gegooid door een gemaskerd persoon;

- minuut 11.50: te zien is dat een luchtbed als schild wordt gebruikt;

- minuut 12.00: te zien is dat bierflesjes en een bierkrat worden gegooid en dat een persoon is op een auto geklommen;

- minuut 12.50: te zien is dat mensen op trommels slaan;

- minuut 13.00: te zien is dat de groep verder weg wordt gedreven;

- minuut 13.30: te zien is dat een vuilniszak wordt gegooid naar de ME;

- minuut 13.50: te zien is dat de groep zich inmiddels op de Prinsengracht bevindt. Te zien is dat er mensen weglopen aan de achterkant van de groep;

- minuut 14.50: te zien is dat de groep nog steeds op dezelfde plek staat. Waargenomen wordt dat er geen zicht is op de achterkant van de groep op de Prinsengracht;

- minuut 16.20: te zien is dat er een persoon naar de groep loopt;

- minuut 16.30: te zien is dat er personen tegen een ME-bus staan, zij houden de bus tegen. Te zien is dat de bus naar voren rijdt en ME 'ers zich voor de bus hebben opgesteld;

- minuut 17.30: te zien is dat de groep in beweging is;

- minuut 17.56: te zien is dat de groep stil staat en dat de voorste rij mensen met de armen in elkaar gehaakt staan;

- minuut 18.20: duidelijk te zien is dat de groep ingesloten is. Te zien is dat niemand aanstalten maakt om de groep te verlaten. Te zien is dat (naar mag worden aangenomen) politie in burger personen weghaalt uit de groep, terwijl de groep schreeuwt;

- minuut 19.50: te zien is dat de ME nog een charge op de groep uitvoert.

In minuut 18 en 19 was te horen dat een persoon zegt: “die mogen de groep verlaten” en “de groep is ingesloten, u kunt uw werk doen. Aan jullie degene eruit te halen die jullie moeten hebben”.

De camerabeelden, die zijn opgeslagen op een DVD met opschriften “[betrokkene 3] ” en “Ontruiming 5- 7-’ 11" en die op 5 juli 2011 door (naar het hof begrijpt) [betrokkene 3] zijn gemaakt, worden afgespeeld en door het hof en de andere in de zittingszaal aanwezigen bekeken.

Het hof doet vervolgens de volgende waarnemingen:

- minuut 01.40: te zien zijn drie gemaskerde mannen op de Passeerdersgracht, aan de overkant van het pand Schijnheilig;

- minuut 02.15: te zien is de kant van de straat, tegenover het pand-Schijnheilig;

- minuut 02.30: te zien zijn personen die zich in een bootje bevinden, tegenover het pand Schijnheilig;

- minuut 06.12: te zien is een grote groep personen, tegenover het pand Schijnheilig. Te zien is dat de ME slaat en dat mensen weglopen. Te zien is dat mensen afbuigen in de richting van de Prinsengracht, waar later mensen worden aangehouden. ”

en de waarneming van het hof dat op de op de eerstgenoemde DVD opgeslagen beelden is te zien dat de groep, op het moment van aanhouding, met de armen in elkaar gehaakt op de grond zit.

6. Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal met nummer PLI33L 2011170696-160 van 5 juli 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] [ongenummerde pagina’s].

Dit (kopie van het) proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van voornoemde verbalisant:

Op 5 juli 2011, omstreeks 07:00 uur, bevond ik mij in burger gekleed, op de openbare weg, de Passeerdersgracht te Amsterdam. Ik maakte op dat moment deel uit van de aanhoudingseenheid in de functie sectiecommandant ter aansturing en ondersteuning van de Romeo 30 en 40. Deze eenheid is een onderdeel van de Mobiele Eenheid met als speciale taak het aanhouden van verdachten.

Door de “Chef Ordehandhaving”, de commissaris [verbalisant 2], was aan de aanwezigen voor genoemd pand meerdere keren de vordering gegeven zich te verwijderen. Zowel aan de zijde van de Mamixstraat als aan de zijde van de Prinsengracht zag ik meerdere groepen krakers staan die onder andere diverse barricades hadden opgezet. Nadat de personen in genoemde straat de gelegenheid was gegeven de straat te verlaten, zag ik dat hier door de groep geen gehoor aan werd gegeven. Vervolgens zag ik dat de Mobiele Eenheid in linie de groep richting de Prinsengracht verdreef. Ik zag dat de krakersgroep hier hevig verzet tegen bood. Dit verzet bestond uit onder andere het gooien van flessen naar de Mobiele Eenheid, het blijven staan en het gebruiken van fysiek geweld tegen de leden van de Mobiele Eenheid. Hierop werd door de Mobiele Eenheid een charge uitgevoerd en lukte het de Mobiele Eenheid de groep krakers richting de Keizersgracht (het hof begrijpt: de Prinsengracht) te verdrijven. Tijdens deze charge en het verdrijven van de groep, zag ik dat er vanuit de groep met flessen gegooid werd naar de Mobiele Eenheid. De groep krakers die uit ongeveer uit 150 personen bestond bleef vervolgens voor de linie van de Mobiele Eenheid staan. Ik zag dat vanaf de zijde van de Leidsestraat vervolgens een tweede linie werd geformeerd, waardoor deze groep krakers door de twee linies van de Mobiele Eenheid werd ingesloten ter hoogte van de Prinsengracht 420 te Amsterdam. Vervolgens kreeg ik de opdracht de ingesloten groep krakers aan te houden voor het verstoren van de openbare orde. Dit heeft de Chef Ordehandhaving middels de dakmegafoon van zijn voertuig de groep te kennen gegeven.

7. Een proces-verbaal met nummer 0507110833316923 van 5 juli 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 8] en [verbalisant 3] [ongenummerde pagina].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van voornoemde verbalisanten:

Dag maand jaar tijdstip

05 07 11 0837

Plaats gedraging/overtreding: Prinsengracht thv 408-410 te Amsterdam

Ik, ambtenaar, constateerde dat op genoemde datum, tijdstip en plaats, door betrokkene/verdachte de volgende gedraging/overtreding werd verricht/gepleegd:

Openbare orde verstoren art. 2.2. lid 1 APV

De betrokkene/verdachte gaf, daarnaar gevraagd, op te zijn genaamd:

Naam: [verdachte]

Voornaam: [...]

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

Geboorteland: Nederland

Geboortedatum: [...]/[...]/1987

Overtredingsgegevens: Zie pvb van bevindingen

Opmerkingen ambtenaar, stamnummer 18645:

Waarnemingen en aanhoudingen werden geconstateerd en verricht door tweede verbalisant

Gegevens eerste verbalisant: [verbalisant 8]

Plaats en datum: Amsterdam 05/07/2011

Gegevens tweede verbalisant: [verbalisant 3]

VERBETERING BEWIJSOVERWEGING

De zinsnede “Op de camerabeelden van 15 juli 2011”, die op pagina 5 van het verkort arrest is opgenomen, dient te worden gelezen als: “Op de camerabeelden van 5 juli 2011”.

NADERE BEWIJSOVERWEGING

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn - ook in hun onderdelen - telkens gebezigd tot het bewijs van het feit, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben.”

22. Uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnotities blijkt dat de raadsman heeft betoogd dat het als eerste ten laste gelegde feit niet kan worden bewezen, omdat – kort gezegd – niet blijkt dat de verdachte is aangehouden in de samengedreven groep en niet duidelijk is vanaf waar de vorderingen om zich te verwijderen in de richting van de Prinsengracht zijn gedaan. Voorts staat volgens de raadsman niet vast dat de verdachte die vorderingen heeft waargenomen en bestaat er geen bewijs dat de verdachte aan de vorderingen geen gehoor heeft gegeven. Het hof heeft in reactie op deze verweren – voor zover voor de beoordeling van dit middel van belang – het volgende overwogen:

“Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de tenlastegelegde feitelijkheden hebben plaatsgevonden op 5 juli 2011 op de Passeerdersgracht te Amsterdam aan de zijde van het pand Schijnheilig, maar ook aan de overzijde, de Passeerdersgracht met de even huisnummers. Immers, op de camerabeelden is ook aan die zijde van de gracht te zien dat er gebruik is gemaakt van rookbommen en dat personen zich gehuld in donkere kleding en gezichtsbedekking op straat en aangrenzend op het water ophielden. In het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 2], is vermeld dat aan de overzijde van het te ontruimen pand een persoon muziek maakte die werd versterkt en welk geluid een hels kabaal maakte en kennelijk bedoeld was om de groep van personen voor het te ontruimen pand te versterken.

Het hof oordeelt dat deze feitelijkheden op 5 juli 2011 hebben geleid tot verstoring van de openbare orde op de gehele Passeerdersgracht in de zin van artikel 2.2, eerste lid, van de APV Amsterdam 2008.

Op de camerabeelden, zoals getoond ter terechtzitting in hoger beroep van 17 augustus 2015, is te zien dat een grote groep personen zich ophoudt op de Passeerdersgracht en dat binnen deze groep vorenomschreven feitelijkheden plaatsvinden. Commissaris van Politie [verbalisant 2] omschrijft in het proces-verbaal van bevindingen van 7 juli 2011, dat de groep personen zich vrijwel onophoudelijk met elkaar verbond. De personen liepen om elkaar heen en wisselden woorden met elkaar. De verbalisant hoorde ook dat zij als groep bij wisselende samenstellingen liedjes meezongen met de instrumenten die bespeeld werden en dat zij leuzen scandeerden. Ook zag hij dat zij met elkaar dansen uitvoerden. Zij bevonden zich vrijwel onophoudelijk om en nabij elkaar. Hieruit concludeerde verbalisant dat het een groep personen betrof die gezamenlijk optrok.

[verbalisant 2] beschrijft in voornoemd proces-verbaal dat hij tot driemaal toe door de dakmegafoon de groep het bevel heeft gegeven zich te verwijderen in de richting van de Prinsengracht. Op de vorderingen werd door de groep massaal gereageerd met joelen en schreeuwen. Ook werden flessen in de richting van het voertuig van [verbalisant 2] gegooid. Op de beelden is de eerste vordering en de reactie daarop van de groep te zien en te horen. Getuige [verbalisant 2] heeft voorts ter terechtzitting verklaard dat vanuit het hoofdbureau van politie op de Elandsgracht die dag klachten kwamen wegens het harde volume waarmee de vorderingen werden gedaan. Het hof acht derhalve niet aannemelijk dat de verdachte de vordering niet heeft gehoord.

De stelling van de verdediging dat geen sprake is geweest van een (bevoegd gegeven) bevel verwerpt het hof met verwijzing naar rechtsoverweging 2.4.3 uit ECLI:NL:HR:2014:3639 waarin is overwogen: “Anders dan het geval is indien de strafvervolging betrekking heeft op het misdrijf van art. 184 Sr, is hier niet vereist dat de vordering of het bevel door de politieambtenaar is gedaan of gegeven krachtens een wettelijk voorschrift dat uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van de vordering of het geven van het bevel. Dat verschil laat zich mede hierdoor verklaren dat de Gemeentewet de bevoegdheid van de raad tot het stellen van straf op overtreding van zijn verordeningen heeft beperkt tot overtredingen. Indien het niet opvolgen van een op een bepaling van een Algemeen Plaatselijke Verordening gegrond bevel van de politieambtenaar zonder het vereiste van verlening van een uitdrukkelijke bevelsbevoegdheid aan die ambtenaar het misdrijf van art. 184 Sr zou opleveren, zou in strijd met de Gemeentewet de bedoelde bevoegdheid van de raad in feite zijn uitgebreid tot misdrijven.”

De mensen in de groep gaven geen gehoor aan de vorderingen. [verbalisant 2] heeft hierop de ME, die zich inmiddels had opgesteld, het bevel gegeven een charge uit te voeren waarbij de groep personen van de Passeerdersgracht naar de Prinsengracht werd gedreven. Ook dit is op de beelden te zien.

Ook toen de politie de groep naar de Prinsengracht dreef draaiden de mensen in de groep om elkaar heen, dansten en hielden elkaar vast in wisselende samenstelling. Vanuit de groep werd een verfbom in de richting van de ME-linie gegooid en werd met diverse voorwerpen, zoals stokken en flesjes, naar de agenten gegooid. Diverse personen uit de groep maakten schopbewegingen naar de agenten in de linie.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft getuige [verbalisant 2] verklaard dat het voor personen uit deze groep mogelijk was om de groep te verlaten maar dat het niet mogelijk was om daarna terug te keren naar deze groep. Voorts is gebleken dat er ook de nodige tijd was om de groep te verlaten. In het voornoemde proces-verbaal omschrijft [verbalisant 2] dat enkele personen zich in de richting van ME- voertuigen bewogen, met de kennelijke bedoeling om zich uit de voeten te maken, maar dat het overgrote deel van de groep bij elkaar bleef.

Het hof oordeelt, gelet op het voorgaande, dat er tijd en gelegenheid is geweest om de samengedreven groep te verlaten, alvorens de personen uit deze groep aangehouden werden. Het hof oordeelt ook dat, in tegenstelling tot hetgeen de raadsman kennelijk aanneemt, de groep personen niet is ontstaan door de actie van de politie, maar dat de groep vrijwillig bij elkaar bleef. Op de beelden is ook te zien dat de groep, op het moment van aanhouding met de armen in elkaar gehaakt op de grond zit.

Uit het proces-verbaal van 5 juli 2011 in het dossier blijkt dat verdachte is aangehouden ter hoogte van Prinsengracht 408 te Amsterdam. Het hof acht het, gelet op de omschrijving van [verbalisant 2] van de beweging van de groep over de Passeerdersgracht naar de Prinsengracht en de vermelding in het proces-verbaal van 5 juli 2011 betreffende de aanhouding van de verdachte buiten twijfel dat de verdachte is aangehouden terwijl zij zich in de groep bevond.

Het hof concludeert op grond van het voorgaande verder dat de personen in de groep op de Prinsengracht, die zijn aangehouden, tevens de personen waren die zich schuldig hebben gemaakt aan de verstoring van de openbare orde op de Passeerdersgracht. De stelling van de verdediging dat zich toevallige passanten in de samengedreven groep bevonden, is volgens het hof niet aannemelijk geworden. Het hof heeft op de beelden ook niet waargenomen dat toevallige passanten bij de groep werden gebracht en werden verhinderd de groep te verlaten. Het hof ziet geen reden om aan te nemen dat dit ten aanzien van de verdachte anders is geweest, te meer nu de verdachte hierover niets heeft verklaard.”

23. Uit de bewijsvoering kan volgens de steller van het middel niet worden afgeleid dat de verdachte, die is aangehouden op de Prinsengracht, zich op de Passeerdersgracht bevond toen de bewezen verklaarde vorderingen werden gedaan en dat zij die vorderingen heeft gehoord.

24. Uit de bewijsoverwegingen van het hof en uit bewijsmiddel 2 volgt dat het hof heeft vastgesteld dat de groep die zich op de Passeerdersgracht bevond en aan de deelnemers waarvan de vorderingen zijn gedaan om zich te verwijderen, na die vorderingen naar de Prinsengracht in de richting van de Raamstraat bewoog en aldaar is ingesloten en aangehouden. Er is steeds sprake geweest van eenzelfde groep personen (bewijsmiddel 3). Uit bewijsmiddel 7 volgt dat de verdachte op de Prinsengracht ter hoogte van nummer 408-410 is aangehouden. Het is een feit van algemene bekendheid dat deze locatie zich bevindt tussen de Passeerderstraat en de Raamstraat. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat het mogelijk was om de groep in de tijd tussen het doen van de vorderingen en het insluiten op de Prinsengracht te verlaten en dat hiervoor ook de nodige tijd bestond, maar dat het niet mogelijk was om na het verlaten van de groep hiernaar terug te keren (bewijsmiddelen 3 en 4). Gelet op deze feiten en omstandigheden, is het oordeel van het hof dat het buiten twijfel staat dat de verdachte is aangehouden terwijl zij zich in de groep bevond en dat zij onderdeel uitmaakte van de groep op de Passeerdersgracht, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Anders de steller van het middel meent, heeft het hof door aldus te oordelen niet de door de raadsman in hoger beroep aangevoerde mogelijkheid dat de verdachte zich pas later bij de groep heeft gevoegd, in het midden gelaten. Het middel faalt in zoverre.

25. Voor zover het middel de klacht behelst dat uit de bewijsvoering niet blijkt vanaf welke plaats de vorderingen zijn gedaan en dat de verdachte de vorderingen niet heeft gehoord, faalt het eveneens. Het hof heeft vastgesteld dat op de camerabeelden waarop de groep zichtbaar is de eerste vordering is te horen en dat de verdachte aanwezig is geweest op de Passeerdersgracht. Voorts blijkt uit bewijsmiddel 4 dat de vorderingen ook in het politiebureau op de Elandsgracht, dat op een paar honderd meter van de Passeerdersgracht is gelegen, te horen waren.

26. De steller van het middel voert voorts aan dat uit bewijsmiddel 3 blijkt dat enkele personen zich na de vorderingen verwijderden in de richting van de Prinsengracht en de Looijersgracht. In het licht van die vaststelling is volgens hem het oordeel van het hof dat de verdachte niet heeft voldaan aan de vorderingen niet zonder meer begrijpelijk. Deze klacht hangt nauw samen met de eerste en kan evenmin slagen. Uit de bewijsvoering blijkt dat de aangehouden groep verdachten door de mobiele eenheid is ingesloten op de Prinsengracht, omdat geen gehoor is gegeven aan de vorderingen om zich te verwijderen uit de Passeerdersgracht. Uit de eigen waarneming door het hof van de camerabeelden (bewijsmiddel 5) blijkt dat tussen het doen van de eerste vordering en het insluiten van de groep ongeveer dertien minuten zijn verstreken. Als de groep zich eenmaal op de Prinsengracht bevindt, lopen uit die groep mensen weg. Tussen dit moment (minuut 13:50) en het moment waarop de groep is ingesloten (minuut 18:20) verstrijken ruim vier minuten. Gelet hierop is het oordeel van het hof dat de verdachte niet aan de vorderingen heeft voldaan niet onbegrijpelijk. In de bewijsvoering ligt immers besloten dat als de verdachte wel zou hebben voldaan aan de vorderingen en zich zou hebben verwijderd uit de groep, zij zich op het moment van insluiten van de groep verdachten niet meer zou hebben bevonden op de Prinsengracht ter hoogte van nummers 408-410.

27. Het middel bevat voorts de klacht dat er dusdanig weinig tijd bestond tussen het doen van de (eerste) vordering om zich te verwijderen en de eerste charge van de mobiele eenheid, dat de verdachte niet in staat kan zijn geacht om aan de vordering te voldoen, zodat de bewezenverklaring op dit punt ontoereikend is gemotiveerd. De steller van het middel doet in dit verband een beroep op de tot het bewijs gebruikte eigen waarneming door het hof van camerabeelden (bewijsmiddel 5). Die waarneming houdt – voor zover hier van belang – in dat op minuut 5:40 is te horen dat de groep voor de eerste maal wordt gevorderd zich te verwijderen en dat op minuut 5:50 is te zien dat de eerste charge wordt uitgevoerd. Uit bewijsmiddel 2 blijkt evenwel dat een charge pas wordt uitgevoerd nadat driemaal is gevorderd de Passeerdersgracht te verlaten en dat na de eerste vordering door de ME een linie wordt gevormd op de Lijnbaansgracht ter hoogte van de Passeerdersgracht en het Raamplein. In lijn hiermee heeft de getuige [verbalisant 2], commissaris bij de politie, ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het peloton zich na de eerste vordering voor de eerste linie prepareert. Het vormen van een linie valt niet onder het commando tot uitvoeren. Het daadwerkelijk uitvoeren van een charge gebeurt alleen op zijn commando. Het peloton wacht totdat drie maal een vordering is gegeven.8 In de nadere bewijsoverweging heeft het hof overwogen dat de mensen in de groep geen gehoor gaven aan de ‘vorderingen’ (meervoud) en dat daarna het bevel is gegeven een charge uit te voeren, waarbij de groep personen van de Passeerdersgracht naar de Prinsengracht werd gedreven. Gelet hierop moet worden aangenomen dat het hof, waar het in verband met zijn waarneming van de camerabeelden spreekt over de eerste ‘charge’ rond minuut 5:50, kennelijk heeft bedoeld vast te stellen dat de mobiele eenheid zich, nadat de eerste vordering is gedaan, heeft opgesteld in een linie. Door de eigen waarneming van het hof op deze manier verbeterd te lezen, komt de feitelijke grondslag aan de klacht te ontvallen, zodat deze faalt. Ook de laatste klacht, inhoudende dat de bewijsvoering op bovenstaand punt innerlijke tegenstrijdigheden bevat, faalt dan bij gebrek aan feitelijke grondslag.

28. De bewezenverklaring van het als eerste ten laste gelegde feit is naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed. Het middel faalt.

29. Het derde middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof, dat geen sprake is geweest van een manifestatie als bedoeld in de Wet openbare manifestaties, onjuist, althans onbegrijpelijk is, dan wel ontoereikend is gemotiveerd.

30. Art. 2.2, vierde lid, APV Amsterdam 2008 luidt als volgt:

“De verboden gelden niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.”

31. De toelichting bij art. 2.2, vierde lid, APV Amsterdam 2008 bevat de volgende overweging:

“Samenscholingen of samenkomsten kunnen (mede) het karakter hebben van een betoging. Regeling daarvan behoort niet tot de bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever. In het vierde lid zijn daarom uitgezonderd de samenkomsten waarop de Wet openbare manifestaties van toepassing is. De burgemeester moet eventuele maatregelen op die wet baseren. De wet kent aan de burgemeester onder andere bevoegdheden toe om bij ongeregeldheden maatregelen te treffen en bevat dienaangaande strafbepalingen.”

32. Uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnotities blijkt dat de raadsman – kort samengevat – heeft betoogd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat sprake is geweest van een manifestatie als bedoeld in de Wet openbare manifestaties en ingevolge art. 2.2, vierde lid, APV Amsterdam 2008 de in de eerste drie leden van art. 2.2 APV Amsterdam 2008 genoemde verboden in dat geval niet gelden.

33. Het hof heeft dit verweer verworpen en daartoe het volgende overwogen:

“Het hof overweegt hiertoe het volgende. De aanleiding tot de samenkomst op de Passeerdersgracht was de aangekondigde ontruiming van de panden op de nummers 23 en 25. Nadat de politie een brief had gestuurd waarin de ontruiming werd aangekondigd, werd een oproep op het internet geplaatst. Op de website indymedia.nl was te lezen “De manifestatie zal doorlopen tot het moment waarop de ME tot inkeer is gekomen”. De organisator van deze samenkomst heeft niet ten minste 24 uur vóór de aanvang de burgemeester schriftelijk in kennis gesteld als bedoeld in artikel 2.32 van de APV Amsterdam 2008. Op de camerabeelden van 15 juli 2011 is vervolgens te zien dat er rookbommen werden gebruikt, dat er voor het pand op de Passeerdersgracht nummers 23 en 25 barricades waren opgeworpen door middel van tafels en stoelen op de rijweg, waardoor de openbare weg en de toegang tot de te ontruimen panden werden afgesloten, dat er door verschillende personen luchtbedden waren meegenomen naar de samenkomst en dat enkele personen waren gemaskerd of gehuld in bivakmutsen.

Het hof overweegt dat het meenemen van luchtbedden en het dragen van maskers of bivakmutsen slechts tot doel hebben om zich te beschermen - in het geval van een confrontatie met de Mobiele Eenheid (hierna te noemen: ME) - tegen wapenstokken of herkenning. Commissaris van Politie [verbalisant 2] heeft ter zitting toegelicht dat de samenkomst op de Passeerdersgracht en de barricade van de openbare weg en de toegang tot de te ontruimen panden, de ontruiming onmogelijk maakten. Nu tevens rookbommen werden afgestoken, concludeert het hof, alle voornoemde omstandigheden beschouwend, dat de samenkomst tot doel had een confrontatie met de ME op te zoeken en de ontruiming (fysiek) te verhinderen. Het hof is dan ook van oordeel dat er geen sprake was van een manifestatie in de zin van de WOM.

De gedragingen van de aanwezigen vallen dan ook onder de werking van artikel 2.2 van de APV Amsterdam 2008.”

34. De Wet openbare manifestaties strekt ertoe regels te stellen voor de uitoefening van de in de artikelen 6 en 9 GW beschermde grondrechten.9 De desbetreffende grondrechten luiden als volgt:

“Artikel 6

1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 9

1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. ”

35. In het oorspronkelijke voorstel voor de Wet openbare manifestaties was in art. 1, eerste lid, aanhef en onder a een definitie opgenomen van het begrip ‘manifestatie’. Deze luidde als volgt:

“manifestatie: toespraak, voordracht, bijeenkomst of optocht ter belijdenis van godsdienst of levensovertuiging, vergadering of betoging;”10

36. Uit de nota naar aanleiding van het eindverslag blijkt dat alsnog is afgezien van het opnemen van een overkoepelend ‘manifestatie-begrip’ in de wet, teneinde meer differentiatie aan te brengen tussen verschillende soorten manifestaties.11 De opmerkingen in de parlementaire geschiedenis over dit begrip hebben hun betekenis echter niet verloren.12 De memorie van toelichting bij het voorstel bevat hierover onder meer de volgende passage:13

“Onder manifestaties in de zin van het voorstel van Wet openbare manifestaties worden volgens artikel 1, eerste lid, onder a, begrepen: toespraken, voordrachten, bijeenkomsten en optochten ter belijdenis van godsdienst of levensovertuiging, vergaderingen en betogingen. Gemeenschappelijk kenmerk van deze manifestaties is dat zij strekken tot uiting van gedachten, gevoelens of overtuigingen in min of meer collectief verband.

Verschillen bestaan er in hoofdzaak naar gelang het doel en onderwerp van de manifestatie. Bij de door artikel 6 Grondwet beschermde manifestaties gaat het om de belijdenis, dat wil zeggen de uiting van godsdienstige, respectievelijk levensbeschouwelijke, gedachten, gevoelens of overtuigingen. Bij vergaderingen staat de gemeenschappelijke beraadslaging, in de vorm van discussie en eventueel besluitvorming, over een bepaald onderwerp voorop. Doorgaans zal dit onderwerp, bij de voor het publiek toegankelijke vergaderingen waar het hier om gaat, van politieke of maatschappelijke aard zijn. Is de vergadering aldus vooral gericht op interne menings- en besluitvorming, bij de betoging gaat het om het uitdragen van gemeenschappelijk beleefde gedachten of wensen op politiek of maatschappelijk gebied.

Met betrekking tot betogingen zij voorts nog opgemerkt, dat acties, die niet of niet primair het karakter van gemeenschappelijke meningsuiting hebben, doch waarbij andere elementen, zoals bij voorbeeld feitelijke dwang, overheersen, geen betogingen zijn in de hier bedoelde zin. Dat kan bij voorbeeld het geval zijn bij blokkades van wegen en waterwegen, samenscholingen, volksoplopen en dergelijke.”14

37. Uit het voorgaande blijkt dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een betoging in de zin van de Wet openbare manifestaties leidend is of de samenkomst strekt tot uiting van gedachten, gevoelens of overtuigingen in min of meer collectief verband.15 Ook uit de parlementaire geschiedenis van art. 9 GW blijkt dat het bij een betoging als bedoeld in art. 9 GW gaat om het uitdragen van een gemeenschappelijke mening door de deelnemers. Acties waarbij de hoedanigheid van gemeenschappelijke meningsuiting op de achtergrond is geraakt en die het karakter hebben van dwangmaatregelen jegens de overheid of jegens derden, zoals dat bij blokkades van wegen en waterwegen het geval kan zijn, zijn geen betogingen in de zin van art. 9 GW.16 Ook heeft de minister tijdens de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer van het voorstel voor de Wet openbare manifestaties opgemerkt dat hij zich kan voorstellen dat een samenkomst in het algemeen als een betoging kan worden beschouwd, maar dat elementen ervan wegens hun aard en effect – bijvoorbeeld een blokkade van een gebouw tijdens een betoging – niet als zodanig worden aangemerkt en dus niet onder de wettelijke bescherming van het recht tot betoging worden gebracht.17

38. De grens tussen een samenkomst die meningsuiting tot doel heeft en een samenkomst als dwangmaatregel is niet altijd scherp te trekken.18 Een betoging van een bepaalde omvang kan met enige dwang gepaard gaan, terwijl dwang (deels) een doel van een betoging kan zijn. Schilder meent dat ook blokkadeacties kunnen worden aangemerkt als betogingen, tenzij men met de blokkade rechtstreeks een handeling of besluit probeert af te dwingen.19 Eenzelfde standpunt lijkt Loof te zijn toegedaan: wanneer de actie wordt gevoerd om rechtstreeks een bepaalde handeling of een bepaald besluit af te dwingen, dient de actie niet meer als middel om aandacht voor een bepaald standpunt of een bepaalde wens te krijgen, maar (ver)wordt deze tot een doel op zich.20 Van een betoging in de zin van de Wet openbare manifestaties kan dan niet meer worden gesproken.

39. De steller van het middel wijst ook op het internationale kader waarin het recht op betoging tot uitdrukking komt en noemt onder meer art. 11 EVRM, waarin de vrijheid van vergadering en vereniging is neergelegd. Omdat de vergadervrijheid moet worden beschouwd als één van de fundamenten van een democratische samenleving, mag dit recht volgens het Europese hof niet restrictief worden geïnterpreteerd.21 Onder de reikwijdte van deze bepaling vallen allerhande vormen van samenkomsten, waaronder demonstraties. Ook blokkadeacties kunnen daaronder vallen.22 De enkele omstandigheid dat er een risico bestaat op ongeregeldheden tijdens een betoging betekent niet dat aan die betoging de bescherming van art. 11 EVRM komt te ontvallen.23 Dat is evenmin het geval als enkele deelnemers aan de demonstratie gewelddadige intenties hebben of als er ‘marginal or sporadic’ gewelddadig of ander strafbaar gedrag wordt vertoond.24

40. Deze uitgangspunten gelden echter slechts als sprake is van een vreedzame vergadering (‘peaceful assembly’) als bedoeld in art. 11 EVRM. Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof omvat de notie van ‘peaceful assembly’ niet ‘a demonstration where the organisers and participants have violent intentions which result in public disorder’.25 Een samenkomst die met dergelijke ‘violent intentions’ is georganiseerd, zal met andere woorden niet worden beschermd door art. 11 EVRM.26 De Speciale VN-Rapporteur inzake de fundamentele vergadervrijheid en verenigingsvrijheid als bedoeld in de artikelen 21 en 22 IVBPR noemt een vergadering (‘assembly’) ‘an intentional and temporary gathering in private or public space for a specific purpose’ en geeft aldus een ruime definitie van dit begrip. Tegelijkertijd stelt hij vast dat ‘international human rights law only protects assemblies that are peaceful, i.e. those that are not violent, and where participants have peaceful intentions, which should be presumed’.27Deze opvatting is ook in de geschiedenis van totstandkoming van de Wet openbare manifestaties en art. 9 GW terug te vinden. In de memorie van toelichting wordt in verband hiermee opgemerkt dat ‘acties, die niet of niet primair het karakter van gemeenschappelijke meningsuiting hebben, doch waarbij andere elementen, zoals bijvoorbeeld feitelijke dwang, overheersen, geen betogingen zijn in de hier bedoelde zin’.28

41. In de onderhavige zaak heeft het hof geoordeeld dat van een betoging als bedoeld in de Wet openbare manifestaties geen sprake is geweest, zodat ook de uitzonderingsbepaling van art. 2.2, vierde lid, APV Amsterdam 2008 niet van toepassing is. Het middel bevat in de eerste plaats de klacht dat het hof een onjuist criterium heeft toegepast bij de beantwoording van de vraag of het bepaalde in art. 2.2, vierde lid, APV Amsterdam 2008 in de onderhavige zaak van toepassing is. Het hof heeft overwogen dat de samenkomst tot doel had een confrontatie met de ME op te zoeken en de ontruiming van het pand aan de Passeerdersgracht (fysiek) te verhinderen. Het hof is daarmee niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het begrip ‘betoging’ als bedoeld in de Wet openbare manifestaties, terwijl het evenmin het verdragsrechtelijk toetsingskader heeft miskend. Aan de orde kwam reeds dat wanneer bij een samenkomst andere elementen overheersen dan het uiten van een gemeenschappelijke mening en de organisatoren niet de intentie hebben om die gemeenschappelijke mening uit te dragen, maar om feitelijke dwang uit te oefenen, die samenkomst niet kan worden beschouwd als een betoging in de zin van de Wet openbare manifestaties. De bescherming van art. 11 EVRM strekt zich evenmin uit tot gevallen waarin bij de organisatoren en deelnemers sprake is van ‘violent intentions which result in public disorder’. Het hof heeft vastgesteld dat de samenkomst tot doel had een confrontatie met de mobiele eenheid op te zoeken en de ontruiming (fysiek) te verhinderen. Het hof heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat in de oproep tot de samenkomst staat vermeld dat de manifestatie zal doorlopen tot het moment waarop de mobiele eenheid tot inkeer is gekomen, terwijl de organisator evenmin tijdig een kennisgeving op grond van art. 2.32 van de APV Amsterdam 2008 heeft gedaan. Op de camerabeelden is te zien dat er rookbommen worden gegooid, een vuurtje wordt gestookt en barricades zijn opgeworpen voor het te ontruimen pand door middel van tafels en stoelen op de rijweg. Dit alles vindt plaats reeds voordat de mobiele eenheid tot charges overgaat. Er was aldus sprake van een samenkomst die de voorgenomen ontruiming onmogelijk maakte. Ook waren voorbereidingen getroffen voor een confrontatie met de mobiele eenheid, zoals het nemen van luchtbedden en het dragen van bivakmutsen en maskers.

42. In het licht van de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden is het oordeel van het hof dat het primaire doel van de samenkomst was om de ontruiming van het pand te belemmeren niet onbegrijpelijk. De enkele omstandigheid dat de actie ook kenmerken had van een betoging doet hieraan niet aan af. Uit de door het hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden kon het hof immers afleiden dat de intentie van de groep van aanvang af is geweest door de uitoefening van feitelijke dwang – en aldus met ‘violent intentions’ – de politie te beletten de aangekondigde ontruiming door te zetten. Onder die omstandigheden kon het hof oordelen dat van een vreedzame betoging geen sprake was. Het met het middel bestreden oordeel van het hof is aldus niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst.

43. Ook de omstandigheid dat in de toelichting op art. 2.2, vierde lid, APV Amsterdam 2008 wordt gesproken over samenkomsten die mede het karakter van een betoging hebben, leidt niet tot een ander oordeel. In die toelichting wordt immers verduidelijkt dat de verboden uit art. 2.2 APV Amsterdam 2008 niet gelden voor samenkomsten ‘waarop de Wet openbare manifestaties van toepassing is’. Als de Wet openbare manifestaties op de desbetreffende samenkomst niet van toepassing is, gelden de verboden uit art. 2.2 APV Amsterdam 2008 wel.

44. De steller van het middel voert nog aan dat de omstandigheid dat de burgemeester niet tijdig in kennis is gesteld van de samenkomst er niet aan afdoet dat van een manifestatie sprake kan zijn. Zulks heeft het hof ook niet miskend; het heeft het gebrek aan notificatie kennelijk in zijn overwegingen betrokken ter onderbouwing van de stelling dat de organisatoren tot doel hadden de ontruiming te belemmeren. Dat stond het hof vrij.

45. Nu het oordeel van het hof dat van een betoging in de zin van de Wet openbare manifestaties geen sprake is niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is, geldt hetzelfde voor het daarin besloten liggende oordeel dat zich geen uitzonderingssituatie voordoet als bedoeld in art. 2.2, vierde lid, APV Amsterdam 2008. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.

46. Het middel faalt.

47. Het vierde middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van het tweede cumulatief ten laste gelegde feit, mede in het licht van de verweren dat niet kan worden vastgesteld waar in de groep de verdachte zich bevond en dat medeplegen niet kan worden bewezen, onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.

48. Het hof heeft – voor zover voor de beoordeling van dit middel van belang – ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

“zij op 05 juli 2011 te Amsterdam op of aan de weg, te weten de Passeerdersgracht, heeft deelgenomen aan een samenscholing en op andere wijze de orde heeft verstoord, immers heeft verdachte deel uitgemaakt van een groep mensen (van ongeveer 150 personen), door en/of vanwege welke groep

- tafels en andere voorwerpen op de rijbaan van de Passeerdersgracht zijn geplaatst en die rijbaan werd geblokkeerd aan de zijde van op die dag door ambtenaren van politie te ontruimen panden (gelegen aan de Passeerdersgracht 23 en 25) en

- luide muziek werd voortgebracht en op andere wijze veel geluid werd geproduceerd en

- nadat er door de politie (drie maal) was gevorderd dat de groep zich moest verwijderen massaal werd gejoeld en geschreeuwd en

- flessen werden gegooid en

- werd gescandeerd: "Kraken gaat door" en "Jullie marionetten van de overheid" en

- terwijl die groep over de Passeerdersgracht door ambtenaren van politie werd verdreven en bewogen in de richting van de Prinsengracht werd gegooid met diverse voorwerpen, te weten een verfbom en andere voorwerpen en

- schopbewegingen werden gemaakt naar ambtenaren van politie.”

49. De uitdrukking ‘samenscholing’ is in de tenlastelegging en de bewezenverklaring kennelijk gebruikt in de betekenis die daaraan ingevolge de APV Amsterdam 2008 toekomt. Het eerste lid van art. 2.2 van de APV Amsterdam 2008 luidt als volgt:

“Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw of vaartuig deel te nemen aan een samenscholing of in groepsverband dan wel afzonderlijk onnodig op te dringen, anderen lastig te vallen, te vechten of op andere wijze de orde te verstoren.”

50. Uit art. 2.1, vierde lid, APV Amsterdam 2008 blijkt dat onder samenscholing wordt verstaan: ‘Het groepsgewijs bij elkaar komen van mensen die een dreigende houding aannemen, kwade bedoelingen hebben of bedreigend overkomen’. Daarbij klinkt de negatieve invloed die van dergelijke samenscholingen op de openbare orde kan uitgaan als leidmotief. Mijn ambtgenoot Knigge merkt in dit verband op dat de term ‘samenscholing’ kan worden geassocieerd met dreigend oproer en de vrees voor massale ongeregeldheden.29 De Hoge Raad oordeelde in deze context dat er een veelheid aan verschijningsvormen is waarin zich verstoring van de openbare orde kan voordoen.30

51. Uit de bewijsvoering in de onderhavige zaak volgt dat zich op de Passeerdersgracht voor de te ontruimen panden een groep mensen bevond die zich vrijwel onophoudelijk met elkaar verbonden, veel om elkaar heen liepen, veel en kort met elkaar woorden wisselden, liedjes zongen en leuzen scandeerden. De te ontruimen panden waren gebarricadeerd met tafels en stoelen die op de rijweg waren geplaatst, waardoor de openbare weg en de toegang tot de te ontruimen panden waren afgesloten. De leden van de groep gaven geen gehoor aan de vorderingen van de politie om zich te verwijderen. Voorts werden er flessen in de richting van het voertuig van verbalisant [verbalisant 2] gegooid. Uit de eigen waarneming door het hof van de camerabeelden blijkt dat er rookbommen en daarop volgende knallen zijn te zien respectievelijk te horen, terwijl ook een vuurtje op straat zichtbaar is. Dit alles vond plaats voordat de ME overging tot de eerste charge. Gelet op deze feiten en omstandigheden, waarvan de vaststelling in cassatie niet is betwist, is het oordeel van het hof dat sprake is van een samenscholing niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

52. Anders dan de steller van het middel aanvoert, staat in cassatie niet vast dat de samenkomst aanvankelijk vreedzaam verliep. De steller van het middel gaat er kennelijk vanuit dat zulks vaststaat omdat de raadsman “onweersproken” naar voren heeft gebracht dat tot het moment waarop de mobiele eenheid ingreep sprake was van een vreedzame demonstratie. Zo werkt het in het strafprocesrecht echter niet. Bovendien heeft het hof juist vastgesteld dat de samenkomst tot doel had een confrontatie met de mobiele eenheid op te zoeken en de ontruiming (fysiek) te verhinderen, terwijl ook uit de waarneming door het hof van de camerabeelden blijkt dat al voordat de mobiele eenheid in beeld komt rookbommen en een vuurtje te zien zijn en knallen zijn te horen.

53. Ingevolge art. 2.2, eerste lid, APV Amsterdam is deelneming aan een samenscholing in de hiervoor bedoelde zin verboden. Vooropgesteld zij dat verschijningsvormen van deelneming buiten de in het algemene deel van het Wetboek van Strafrecht geregelde deelnemingsvormen om strafbaar kunnen zijn gesteld.31 De term ‘deelnemen’ komt binnen de context van de specifieke strafbepaling dan een eigen betekenis toe, die kan afwijken van de betekenis die aan de deelnemingsbepalingen in de artikelen 47 en 48 Sr wordt gegeven.32 Art. 2.2, eerste lid, APV Amsterdam 2008 vormt een dergelijke bijzondere verschijningsvorm van deelneming. De bepaling doet denken aan de in art. 186 Sr strafbaar gestelde deelneming aan een samenscholing. Ingevolge art. 186 Sr is sprake van deelneming aan een samenscholing als men, bij gelegenheid van een volksoploop, zich opzettelijk niet verwijdert onmiddellijk na het derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel. Deelneming heeft ook binnen de context van art. 186 Sr een eigen betekenis.33

54. In zijn commentaar op art. 186 Sr schreef Noyon dat een volksoploop als bedoeld in art. 186 Sr niet bestaat bij elke verzameling van een menigte personen, maar wordt gevormd door een massa die de openbare orde verstoort. ‘Daartoe is echter weder niet noodig dat elk die deel van de menigte uitmaakt de bedoeling heeft de orde te verstoren; het vermeerderen van de massa welke de orde verstoort is reeds zich zelf het deelnemen aan den oploop; het zich er bij voegen is reeds opzettelijk zich bij den oploop aansluiten.’34 Een vergelijkbare redenering dient te gelden wanneer het gaat om het bewijs van deelneming aan een samenscholing als bedoeld in art. 2.2, eerste lid, APV Amsterdam 2008. De in het middel naar voren gebrachte stelling dat voor het bewijs van deelneming aan een samenscholing is vereist dat de verdachte zelf een dreigende houding heeft aangenomen, kwade bedoelingen heeft gehad of bedreigend is overgekomen, vindt geen steun in het recht. Door te verwijzen naar rechtspraak van de Hoge Raad over deelneming als bedoeld in de artikelen 47 en 48 Sr en openlijke geweldpleging in vereniging (artikel 141 Sr) gaat de steller van het middel aldus voorbij aan de bijzondere betekenis die ‘deelnemen’ binnen de context van art. 2.2, eerste lid, APV Amsterdam 2008 toekomt. Ik wijs in dit verband op de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse, die over de verdenking van samenscholing in het kader van de APV Tilburg het volgende opmerkt:

“Van de verdenking van samenscholing zal sprake zijn indien er uit feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld kan worden afgeleid, en wel aan het bijdragen aan de dreiging die van een groep mensen uitgaat. Daarvan kan mijns inziens sprake zijn als men zich duidelijk als lid van een groep met kwade bedoelingen manifesteert. Denk aan het geval dat men meeloopt met een groep die kennelijk er op uit is een aanval op de politie in te zetten.”35

55. In de vaststellingen van het hof ligt besloten dat de verdachte deel uitmaakte van een groep met kwade bedoelingen. Voor zover het middel de klacht bevat dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, omdat niet is komen vast te staan dat de verdachte zelf een dreigende houding heeft aangenomen, kwade bedoelingen heeft gehad of bedreigend is overgekomen dan wel de onder de gedachtestreepjes bewezen verklaarde gedragingen heeft verricht, faalt het omdat het de lat te hoog legt. De klacht dat uit de bewijsvoering niet blijkt dat de verdachte zelf ‘op andere wijze de orde heeft verstoord’ treft op dezelfde grond geen doel. Uit de bewezenverklaring blijkt immers dat het hof als het gaat om het op andere wijze verstoren van de orde eveneens het oog heeft gehad op het in groepsgewijs verband begaan van die ordeverstoring, terwijl het bewijs van die ordeverstoring in het licht van de bewijsvoering voldoende met redenen is omkleed.

56. Ook het bewijs dat de verdachte aan de samenscholing heeft deelgenomen, kan uit de bewijsvoering worden afgeleid. Het hof heeft vastgesteld dat zich op de Passeerdersgracht een groep mensen bevond die om elkaar heen draaiden, dansten en elkaar in wisselende samenstellingen vasthielden. Vanuit die groep werd een verfbom in de richting van de ME-linie gegooid, werden diverse voorwerpen naar de agenten gegooid en werden schopbewegingen in hun richting gemaakt. Tot het moment van aanhouding bestond er voldoende tijd en gelegenheid om de groep te verlaten, maar was het niet meer mogelijk om zich nog bij de groep aan te sluiten. De groep is geleidelijk door de mobiele eenheid van de Passeerdersgracht richting de Prinsengracht gedreven en aldaar ingesloten. Toen de groep was ingesloten en de leden daarvan werden aangehouden, bleven de betrokkenen vrijwillig bij elkaar door met de armen in elkaar gehaakt op de grond te zitten. Ook de verdachte is op dat moment aangehouden. Het hof heeft overwogen dat niet is gebleken dat toevallige passanten bij de groep werden gebracht en werden gehinderd om de groep te verlaten. In het oordeel van het hof ligt voorts besloten dat van een vreedzame demonstratie geen sprake was, omdat het primaire doel van de organisatoren was een ontruiming te beletten. Gelet op de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, is het onder 2 bewezen verklaarde voldoende met redenen omkleed.

57. Het middel faalt.

58. De middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

59. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

60. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, NJ 2013/109 m.nt. Schalken, rov. 2.4, HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:7, NJ 2013/563 m.nt. Van Kempen, rov. 2.4.1 en 2.4.3, HR 19 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:23, NJ 2016/129 m.nt. Reijntjes, rov. 3.4.3, HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:740, rov. 3.10.

2 HR 11 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:286, NJ 2014/137, HR 24 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8772, NJ 2003/167 m.nt. Schalken, rov. 6.2, HR 18 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5207, NJ 2002/318 en HR 16 april 1996, NJ 1996/527, rov. 7.7. Zie ook C.P.M. Cleiren, Beginselen van een goede procesorde, Arnhem: Gouda Quint BV 1989, p. 120 en B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2016, p. 182 met verwijzing naar HR 8 oktober 1991, NJ 1992/156..

3 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken voor HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2577, onderdeel 14. Zie bijv. EHRM 13 januari 2004, NJ 2005/113. Zie ook de noot van ’t Hart onder HR 30 mei 1989, NJ 1989/883, punt 3.

4 Aanwijzing voor de opsporing, Stcrt. 2013, 35757.

5 Vgl. HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805, rov. 3.3, HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9353, rov. 4.3, HR 25 november 2003, nr. 01040/03, NS 2004/18, rov. 4.4, HR 26 juni 1984, NJ 1985/138, rov. 7.5 en A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 313.

6 Vgl. Van Dorst, a.w., p. 310.

7 Vgl. ook in een specifieke context: HR 6 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9394, NJ 2013/12, m.nt. Mevis, rov. 3.5.

8 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 augustus 2015, p. 4-5.

9 Zie over deze wet uitvoerig: B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder, Evaluatie Wet openbare manifestaties, Den Haag 2015.

10 Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 2.

11 Kamerstukken II 1989/88, 19 427, nr. 8, p. 3.

12 Vgl. onderdeel 17 van de conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga voor HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6741, NJ 2007/207.

13 Met weglating van voetnoten.

14 Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 8-9.

15 Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 8. Zie ook onderdeel 18 van de conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga voor HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6741, NJ 2007/207.

16 Kamerstukken II 1976/77, 13 872, nr. 7, p. 33.

17 Handelingen II 27 januari 1988, 41-2235.

18 Vgl. In dit verband C.A.J.M. Kortmann, De Grondwetsherzieningen 1983 en 1987, Deventer: Kluwer 1987, p. 92 en B.M.J. van der Meulen, ‘Artikel 9’, in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, Deventer: Tjeenk Willink 2000, p. 149.

19 A.E. Schilder, Het recht tot vergadering en betoging, Arnhem: Gouda Quint BV 1989, p. 37.

20 J.P. Loof, ‘De burgemeester en de demonstratievrijheid’, Gst. 2007, 104, par. 2.3.

21 B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder, Evaluatie Wet openbare manifestaties, 2015, p. 18 met verwijzing naar EHRM 15 november 2007, nr. 26986/03 (Galstyan v. Armenia), rov. 114.

22 ECRM 6 maart 1989, nr. 13079/87 (G. v. Germany). Zie uitgebreid en met verwijzingen: Roorda, Brouwer en Schilder 2015, p. 18.

23 Zie onder meer EHRM 17 mei 2011, nrs. 28495/06 en 28516/06 (Akgöl and Göl v. Turkey), rov. 43. EHRM 10 juli 2012, nr. 34202/06 (Berladir and others v. Russia), rov. 38: demonstraties kunnen ‘some disruption to ordinary life, including disruption of trafic’ veroorzaken.

24 EHRM 1 december 2011, nrs. 8080/08 en 8577/08 (Schwabe and M.G. v. Germany), rov. 103 en EHRM 12 juni 2014, appl. nr. 17391/06 (Primov and others v. Russia), rov. 155. Zie ook ECRM 16 juli 1980, nr. 8440/78 (Christians Against Racism and Fascism v. the United Kingdom), p. 148.

25 Zie onder meer EHRM 6 maart 1989, nr. 13079/87 (G. v. Germany), EHRM 2 oktober 2001, nr. 29221/95 en 29225/95 (Stankov and The United Macedonian Organisation Ilinden v. Bulgaria), rov. 77-78 en EHRM 1 december 2011, nr. 8080/08 en 8577/08 (Schwabe and M.G. v. Germany (rov. 102-103. Zie ook ECRM 16 juli 1980, nr. 8440/78 (Christians Against Racism and Fascism v. the United Kingdom), p. 148: ‘Under Article 11 (1) of the Convention, the right to freedom of peaceful assembly is secured to everyone who has the intention of organising a peaceful demonstration’.

26 E. Brems en Y. Haeck, ‘Artikel 11: Vrijheid van vreedzame vergadering en vrijheid van vereniging’, in: J. vande Lanotte en Y. Haeck (red.), Handboek EVRM, deel II, Antwerpen/Oxford: Intersentia 2004, p. 1-40, p. 11. Zie hierover ook Loof 2007, par. 2.2 en 2.3 en Roorda, Brouwer en Schilder 2015, p. 19: de intenties van de organisatoren en deelnemers van de vergadering staan centraal bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een ‘peaceful assembly’.

27 Report of the Special Rapporteur on the rights to freedom of peaceful assembly and of association from the United Nations, A/HRC/20/27, 21 mei 2012, p. 7.

28 Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 8.

29 Conclusie A-G Knigge voor HR 22 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9728, NJ 2010/379, onderdelen 48 t/m 54 (APV Utrecht).

30 HR 28 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1490, NJ 2002/483, rov. 4.6. Zie ook HR 11 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0748 (over de APV Rotterdam).

31 A. Postma, Opzet en toerekening bij medeplegen, Nijmegen: WLP 2014, p. 11.

32 Vgl. J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2015, p. 439 en 442, die in dat verband onder meer naar art. 186 Sr verwijst. Andere voorbeelden van strafbare feiten waarin deelneming een eigen betekenis heeft, zijn de artikelen 140 en 306 Sr.

33 Vgl. De Hullu 2015, p. 439. Zie ook aant. 11 bij art. 186 Sr in Tekst & Commentaar Strafrecht (actueel t/m 1 juli 2016): de deelnemingsbepalingen van de artikelen 47, eerste lid, onderdeel 1 en 48 Sr zijn op art. 186 Sr niet van toepassing.

34 Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 3 bij art. 186 (actueel t/m 1 juni 2004), onder verwijzing naar hetgeen Noyon in de vierde druk van het losbladige werk schreef. Zie ook HR 14 januari 1992, NJ 1992/380. Zie ook A.J. Machielse in Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 4 bij art. 306, in welke bepaling deelneming aan een aanval of vechterij strafbaar is gesteld. Onder deelneming in de zin van deze bepaling dient te worden verstaan deelneming in feitelijke zin. “Degene die een daadwerkelijke bijdrage aan de aanval of vechterij levert neemt daaraan deel. Zo een bijdrage kan er al in bestaan wanneer men zich schaart in de gelederen van een van de strijdende partijen. Niet nodig is dus dat men zelf fysiek daadwerkelijk aan het vechten is geweest.”

35 Onderdeel 3.6 van de conclusie van A-G Machielse voor HR 11 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0748.