Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:258

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-02-2017
Datum publicatie
12-04-2017
Zaaknummer
15/04162
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:666, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Strafmotivering. ’s Hofs overweging bevat, i.s.m. art. 359.6 Sv, geen opgave van de redenen die i.h.b. hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Dat verzuim leidt krachtens art. 359.8 Sv tot nietigheid. Volgt gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/04162

Zitting: 28 februari 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is door de enkelvoudige kamer van het gerechtshof Amsterdam op 16 juli 2015 voor “diefstal” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken met aftrek van voorarrest.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

  3. Het middel

3.1. Het middel klaagt dat het hof in strijd met art. 359 lid 6 Sv heeft verzuimd in het arrest in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.

3.2. Het hof heeft in zijn aantekening van het mondeling arrest ter motivering van de opgelegde (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf van vier weken onder de kop “Oplegging van straf” het volgende overwogen:

“De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot de straf die in eerste aanleg is opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en gelet de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft bij de strafoplegging in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Winkeldiefstal is een ergerlijk feit dat voor de gedupeerden schade en hinder veroorzaakt. In het nadeel van de verdachte slaat het hof acht op een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 2 juli 2015 waaruit blijkt dat hij eerder voor diefstal onherroepelijk is veroordeeld.

Al het vorenstaande overwegende, acht het hof oplegging van de hierna te melden straf passend en geboden.”

3.3. Blijkens recente rechtspraak van de Hoge Raad wordt het motiveringsvereiste van art. 359 lid 6 Sv aldus ingevuld dat uit de strafmotivering expliciet moet blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat zo'n sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen.1

3.4. Het hof heeft eerst de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf en de in hoger beroep gevorderde straf weergegeven. Vervolgens heeft het hof na de door hem gegeven standaardmotivering, een nadere toelichting gegeven ten aanzien van de ernst van het gepleegde feit en daarbij tevens gelet op de schade en overlast die het handelen van de verdachte heeft voor gedupeerden. Ten nadele van de verdachte heeft het hof nog zijn justitiële documentatie meegewogen (recidive). Tenslotte heeft het hof, ‘al het vorenstaande overwegende, oplegging van de hierna te melden straf passend en geboden’ geacht. Daarmee wordt de lat die de Hoge Raad heeft gelegd in zijn hierboven genoemde recente rechtspraak niet gehaald. Door in zijn strafmotivering slechts te verwijzen naar ‘de hierna te melden straf” heeft het hof immers niet ondubbelzinnig doen blijken dat hij onder ogen heeft gezien dat een straf wordt opgelegd die vrijheidsbeneming met zich brengt. De overwegingen van het hof bevatten aldus, in strijd met het zesde lid van art. 359 Sv, geen opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Daarmee schiet de strafmotivering tekort. Het middel slaagt.2

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191, rov. 4.3.3.

2 Vgl. recente arresten waarin voldaan was aan het motiveringsvoorschrift van art. 359 lid 6 Sv: HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2852 (betrof een grensgeval; het hof had de opgelegde straf in de strafmotivering omschreven als een deels voorwaardelijke gevangenisstraf), HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2772 en HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191. Recente arresten waarin niet aan het vereiste werd voldaan: o.m. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2202 en HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2193 (grensgeval; het hof overwoog geen aanleiding te zien af te wijken van de in eerste aanleg opgelegde straf, die het hof passend en geboden achtte (die straf betrof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand). Het hof had naar het oordeel van de Hoge Raad met zijn overwegingen de drempel van art. 359 lid 6 Sv niet gehaald). Hierbij teken ik aan dat de Hoge Raad het motiveringsvoorschrift van art. 359 lid 6 Sv zodanig gewicht toekent dat in dergelijke zaken kennelijk geen plaats is voor afdoening met toepassing van art. 80a RO wegens onvoldoende belang van de verdachte bij de klacht (vgl. de conclusie van AG Knigge (ECLI:NL:PHR:2016:742) vóór HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2202 en de conclusie van AG Vegter (ECLI:NL:PHR:2015:1747) vóór HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2580).