Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:256

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-03-2017
Datum publicatie
12-04-2017
Zaaknummer
14/06340
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:664, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Gebruik van verklaringen die medeverdachten in eigen zaak hebben afgelegd als bewijs. Strijd met art. 301.4 Sv? Ook indien ervan moet worden uitgegaan dat het Hof het voorschrift van art. 301.4 Sv niet in acht heeft genomen door verklaringen voor het bewijs te bezigen die niet zijn voorgelezen of waarvan niet de korte inhoud is meegedeeld, heeft verdachte i.c. geen rechtens te respecteren belang bij zijn klacht. Dit gelet op de plaatsgevonden gang van zaken en de omstandigheid dat niet blijkt dat verdachte in enig opzicht in zijn verdedigingsbelang is geschaad. Samenhang met 14/06223 en 14/06337.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/06340

Mr. Machielse

Zitting 14 maart 2017 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte] 1

1. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft verdachte op 27 november 2014 vrijgesproken van de feiten 1 en 2 en hem voor 3: medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander gelegenheid of middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt over de beslissing van het hof om alle processen-verbaal van de terechtzittingen in de zaken van de medeverdachten in het dossier te voegen. Het hof heeft ten bezware van verdachte op die verklaringen van medeverdachten, die dezen in hun eigen zaak hebben afgelegd, acht geslagen zonder dat blijkt dat die verklaringen ter terechtzitting zijn voorgelezen of dat daar hun korte inhoud is medegedeeld.

3.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat verdachte

“in de periode van 1 augustus 2008 tot en met 13 november 2008 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of vervaardigen van (een) hoeveelhe(i)d(en) van een m ateriaal bevattende amfetamine en/of 3,4-Methyleendioxymethylamfetamine (MDMA) en/of cocaïne, zijnde amfetamine en 3,4-Methyleendioxymethylamfetamine (MDMA) en cocaïne middelen als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen

– zich en anderen gelegenheid en middelen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en

– voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),

hebbende verdachte en verdachtes mededaders opzettelijk daartoe

– een pand en een loods ter beschikking gehad,

– hoeveelheden chemicaliën/grondstoffen voorhanden gehad en

– meerdere onderdelen van een productieopstelling voorhanden gehad.”

3.3. Het proces-verbaal van het onderzoek in hoger beroep van 28 oktober 2014 houdt onder meer het volgende in:

"De voorzitter deelt mede, dat de strafzaak tegen verdachte gelijktijdig, doch niet gevoegd, zal worden behandeld met de eveneens ter terechtzitting van heden aangebrachte strafzaken tegen [betrokkene 1] (parketnummer 20-001814-11), [medeverdachte 3] (parketnummer 20-001925-11), [betrokkene 2] (parketnummer 20-001924-11), [betrokkene 3] (parketnummer 20-001921-11) en [medeverdachte 2] (parketnummer 20-001926-11).

(...)

Na afloop van het verhoor van de medeverdachte [betrokkene 1] in diens strafzaak verzoekt de raadsman van verdachte om de verklaring die [betrokkene 1] als verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd ook in het onderhavige dossier te voegen.

(...)

De voorzitter deelt mede dat er op een eerdere zitting door de verdediging is verzocht om de medeverdachten [betrokkene 1] en [medeverdachte 2] als getuigen te horen.

De raadsman deelt daarop mede dat hij blijft bij het verzoek om [betrokkene 1] als getuige te horen, maar dat dit ook afhankelijk is van de beslissing op zijn verzoek om de verklaring die [betrokkene 1] vandaag in zijn eigen zaak heeft afgelegd in het dossier te voegen. De raadsman verzoekt tevens om ook de verklaring die [betrokkene 1] op 28 maart 2011 ter terechtzitting van de rechtbank heeft afgelegd in het dossier van zijn cliënt te voegen.

De voorzitter stelt voor om uit praktisch oogpunt alle processen-verbaal van alle zaken over en weer in alle dossiers te voegen.

De advocaat-generaal en de raadsman hebben hiertegen geen bezwaar.

Na een korte onderbreking van het onderzoek voor beraad in raadkamer deelt de voorzitter de beslissing van het hof mede.

Het hof heeft zelf niet langer de behoefte om [betrokkene 1] en [medeverdachte 2] als getuigen te horen.

Het hof zal alle verklaringen van alle in deze strafzaak gehouden zittingen over en weer voegen in alle dossiers. Het hof acht dit noodzakelijk om tot een goede beoordeling te komen in alle zaken.

De voorzitter stelt de raadsman in de gelegenheid om de medeverdachten als getuigen te horen. De raadsman geeft te kennen alleen de medeverdachte [betrokkene 1] als getuige te willen horen."

Daarop is medeverdachte [betrokkene 1] als getuige gehoord.

Het onderzoek ter terechtzitting is op 28 oktober onderbroken en op 30 oktober, in aanwezigheid van verdachte en haar advocaat, hervat. De AG heeft toen gerequireerd en de advocaat heeft het woord gevoerd. Verdachte heeft als laatste gesproken. Vervolgens is het onderzoek weer onderbroken tot 13 november 2014. Daar is verdachte noch haar advocaat verschenen waarna de voorzitter het onderzoek heeft gesloten.

3.4. Artikel 301, vierde lid, Sv luidt:

"Ten bezware van de verdachte wordt geen acht geslagen op stukken, die niet zijn voorgelezen of waarvan de korte inhoud niet overeenkomstig het derde lid is meegedeeld."

3.5. Onder stukken waarop ten bezware van de verdachte geen acht mag worden geslagen dan voorzover zij zijn voorgelezen of hun korte inhoud is medegedeeld, als bedoeld in artikel 301 lid 4 Sv, zijn te begrijpen stukken welke van invloed kunnen zijn op het bewijs van het tenlastegelegde, de strafbaarheid van het bewezene en van de verdachte of de oplegging van straf of maatregel.2 De achterliggende gedachte is dat ten bezware van verdachte geen acht mag worden geslagen op stukken of verklaringen waarvan verdachte geen kennis heeft kunnen nemen en waarop hij niet heeft kunnen reageren.3 Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen die maken dat verdachte geen belang heeft bij de klacht dat ten bezware van verdachte acht is geslagen op stukken die niet zijn voorgehouden of medegedeeld. Te denken is aan de situatie waarin verdachte en diens advocaat geacht kunnen worden op de hoogte te zijn geweest van de inhoud van de stukken.4 Of waarin de verdediging alsnog mededeelt geen behoefte meer te hebben aan de voorlezing van stukken uit het dossier.5

3.6. In HR 14 oktober 2014, ECLI:2014:2969 deed zich een situatie voor die sterke gelijkenis vertoont met de gang van zaken in de onderhavige zaak. De strafzaak van een medeverdachte is gelijktijdig, maar niet gevoegd, met die van verdachte behandeld. De medeverdachte is in de zaak van verdachte als getuige gehoord. Het proces-verbaal van het onderzoek in de zaak van de verdachte houdt in dat de verklaring die de medeverdachte als verdachte in zijn eigen zaak heeft afgelegd als herhaald en ingelast zal worden beschouwd. Die verklaring is inderdaad in het proces-verbaal van het onderzoek tegen verdachte opgenomen. De verdediging heeft de gelegenheid gehad de verklaring van de medeverdachte tegen te spreken, welke gelegenheid de verdediging ook heeft benut. In cassatie werd er over geklaagd dat het hof als bewijsmiddel 63 een verklaring die medeverdachte N in eerste aanleg had afgelegd, had gebruikt hoewel die geen deel uitmaakte van het dossier in verdachtes strafzaak. In eerste aanleg waren de zaken van verdachte en medeverdachte N niet gelijktijdig behandeld. Daarom zou er sprake zijn van een schending van het vierde lid van 301 Sv. De Hoge Raad overwoog:

"2.4. Ook indien ervan moet worden uitgegaan dat de verklaring die N als verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg6 in zijn eigen strafzaak heeft afgelegd, geen deel uitmaakt van het dossier in de onderhavige strafzaak en die verklaring ook niet ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde is gesteld, heeft de verdachte geen rechtens te respecteren belang bij zijn klacht op grond van het volgende.

De strafzaak van de verdachte is op de terechtzitting in hoger beroep gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de strafzaken van N en H. De verklaring die N in de onderhavige zaak als getuige ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd bestaat nagenoeg geheel uit (de weergave van) de verklaring die hij als verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd. Blijkens het in 2.3 weergegeven gedeelte van die verklaring komt de inhoud daarvan naar het kennelijke - en niet onbegrijpelijke - oordeel van het hof in essentie overeen met de inhoud van de verklaring die als bewijsmiddel 63 is opgenomen. Nadat de getuige N zijn verklaring had afgelegd, hebben de verdachte en zijn raadsman de gelegenheid gekregen opmerkingen te maken en aan de getuige vragen te stellen. Door de in bewijsmiddel 63 genoemde verklaring van N voor het bewijs te bezigen, is de verdachte niet in zijn verdedigingsbelang geschaad."

3.7. Niet blijkt dat in die zaak de verdediging uitdrukkelijk akkoord is gegaan met de beslissing die aan de mededeling van de voorzitter ten grondslag lag. In de onderhavige zaak heeft de verdediging wél aangegeven geen bezwaar te hebben en van de geboden gelegenheid te willen gebruikmaken om een van de medeverdachten, [betrokkene 1], als getuige te horen. De verdediging was, nu de zaken gelijktijdig maar niet gevoegd zijn behandeld, op de hoogte van de verklaringen van de medeverdachten en is in de gelegenheid geweest om ook de andere medeverdachten als getuigen te ondervragen. Aldus lijkt mij voldoende recht gedaan te zijn aan het belang van verdachte om niet geconfronteerd te worden met hem onbekende gegevens die nadelig voor hem kunnen uitpakken en die hij niet heeft kunnen weerspreken. Men zou mij nog voor de voeten kunnen werpen dat in HR 14 oktober 2014 de medeverdachten in ieder geval beëdigd zijn voordat zij ermee instemden dat hun verklaring als verdachte in hun eigen zaak afgelegd als verklaring van een getuige in de strafzaak tegen verdachte mocht worden gebruikt. Maar deze waarborg had de verdachte in de onderhavige zaak ook kunnen bereiken door erop te staan dat behalve [betrokkene 1] ook de andere medeverdachten als getuigen in zijn zaak zouden optreden, welke gelegenheid hem door de voorzitter is geboden. Ik moet bekennen dat het wel mijn voorkeur zou hebben gehad als ook de andere medeverdachten in de zaak van verdachte zouden hebben verklaard als getuige, waarbij zij dan zouden hebben kunnen verwijzen naar de verklaring die zij in hun eigen zaak hebben afgelegd, maar een rechtens door het vierde lid van artikel 301 Sv beschermd belang van verdachte is naar mijn oordeel niet geschaad.

3.8. Dat niet ter plekke en onmiddellijk proces-verbaal is opgemaakt in de zaken van de medeverdachten, waarin hun verklaringen zijn neergelegd en dat zulke processen-verbaal dan ook niet aan verdachte en zijn advocaat zijn verstrekt staat daaraan niet in de weg. Ook als de medeverdachten als getuigen zouden zijn opgetreden in de strafzaak tegen verdachte zou verdachte na afloop van de zitting ook niet hebben kunnen beschikken over een proces-verbaal met die verklaringen als inhoud. Het gaat erom dat verdachte op de hoogte is van de inhoud van die verklaringen. Omdat de strafzaak tegen verdachte 'gelijktijdig' met de strafzaken tegen de medeverdachten is behandeld ligt het mijns inziens voor de hand om – anders dan de steller van het middel – aan te nemen dat hij aanwezig is geweest toen die medeverdachten als verdachte in hun eigen zaak hun verklaring aflegden.

3.9. Ook de rechtbank heeft op 28 maart 2011 de zaken tegen alle verdachten gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld. Uit het proces-verbaal van die zitting blijkt dat alle verdachten in het begin aanwezig waren, maar dat de gelijktijdige behandeling is onderbroken en dat vervolgens de zitting in de zaak van verdachte is hervat waarna de bespreking van de feiten heeft plaatsgevonden. Ik ga ervan uit dat de gang van zaken bij de behandeling door de rechtbank van de strafzaken tegen de andere verdachten op gelijke wijze is verlopen, waardoor de mogelijkheid bestaat dat verdachte niet is aanwezig geweest bij het afleggen van de verklaringen van de andere verdachten. Met betrekking tot de verklaringen van de medeverdachten in hoger beroep staat wel vast dat verdachte daarvan kennis heeft genomen. Maar ten aanzien van de verklaringen ten overstaan van de rechtbank ben ik niet zo zeker.

3.10. In de aanvulling met bewijsmiddelen heeft het hof een aantal malen verwezen naar verklaringen van medeverdachten ter terechtzitting van de rechtbank van 28 maart 2011. Het betreft verklaringen die medeverdachte [medeverdachte 3] in zijn eigen strafzaak ter terechtzitting van de rechtbank van 28 maart 2011 heeft afgelegd. De voetnoten 31, 91, 102, 108 verwijzen naar onderdelen van deze verklaring.

3.11. Het onderdeel dat hoort bij noot 31 vindt bevestiging in de verklaring die verdachte zelf in hoger beroep heeft afgelegd (voetnoot 32).

Voetnoot 91 verwijst naar een verklaring van [medeverdachte 3] over de spectrometer. Over de gang van zaken met de spectrometer heeft [betrokkene 1] overigens als getuige ten overstaan van de RC verklaard (voetnoten 89 en 90) en die verklaring van [medeverdachte 3] bevestigd.

Hetzelfde geldt voor voetnoot 102. Ook deze verklaring wordt bevestigd door de verklaring die [betrokkene 1] ten overstaan van de RC heeft afgelegd (voetnoot 101).

Voetnoot 108 verwijst naar het onderdeel waar [medeverdachte 3] vertelt over de bestellingen door [betrokkene 1] en [medeverdachte 2] bij [betrokkene 4] resp. over de keer dat hijzelf spullen voor [betrokkene 1] heeft meegenomen bij [A]. Dit onderdeel wordt weer bevestigd door andere stukken waarvan de verdediging kennis heeft kunnen nemen en waarnaar verwezen wordt in de bewijsvoering, meer bepaald in de voetnoten 106 en 107.

De inhoud van de verklaringen die [medeverdachte 3] ter terechtzitting in eerste aanleg in zijn eigen strafzaak op 28 maart 2011 heeft afgelegd wordt dus bevestigd door andere bewijsmateriaal dat het hof heeft gebezigd en waarvan de verdediging kennis heeft kunnen nemen. Aldus heeft de verdachte ook geen belang bij de klacht over schending van het vierde lid van artikel 301 Sv.

Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt over schending van de redelijke termijn in cassatie fase. Op 10 december 2014 is het beroep in cassatie ingesteld, maar het dossier is eerst op 4 augustus 2016 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. De steller van het middel wijst er ook nog op dat de aanvulling met bewijsmiddelen niet heeft plaatsgevonden binnen de in het derde lid van artikel 365a Sv bepaalde termijn.

4.2. De data die in de schriftuur zijn genoemd zijn correct. Dat betekent dat de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn in deze zaak met 11 maanden en 25 dagen is overschreden. Voorts zal de Hoge Raad niet binnen twee jaar na het instellen van het beroep in cassatie uitspraak doen. De redelijke termijn is dus ook in zoverre overschreden. Dat dient te leiden tot een verlaging van de opgelegde straf.

5. Middel 1 faalt naar mijn oordeel. Het tweede middel is gegrond, hetgeen tot een vermindering van de opgelegde straf dient te leiden. Ambtshalve heb ik geen andere dan de hiervoor onder 4.2 besproken grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de opgelegde straf zal verminderen en het beroep voor het overige zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met nr. 14/06337 ([medeverdachte 2]) en nr. 14/06223 ([medeverdachte 3]) waarin ik ook vandaag concludeer.

2 HR 20 september 2011, NJ 2011, 607 m.nt. Borgers.

3 Vgl. HR 8 januari 2013, NJ 2013, 264 m.nt. Borgers, rov. 3.4.2. Zie voorts Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, 8e druk, p. 705 e.v.

4 HR 21 maart 1989, NJ B19 189, 206. Zie Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, 8e druk, p. 7056 en voetnoot 338. Zie ook HR 18 februari 1997, NJ 1997, 412, in welke zaak het Antilliaanse hof een beroep van de verdachte dat hij bij de politie niet in vrijheid had verklaard, heeft weerlegd met een verwijzing naar een verklaring die een politieagent niet in verdachtes zaak, maar in de zaak van de medeverdachte had afgelegd. De HR overwoog dat een beklaagde in de uitspraak niet mag worden geconfronteerd met ter terechtzitting niet ter sprake gekomen en voor hem nadelige gegevens. Maar nu de verklaring die de politieagent in de zaak tegen medeverdachte ten overstaan van het Antilliaanse hof heeft afgelegd, naar de HR ambtshalve bekend was, niet wezenlijk verschilt van de verklaring die de politieagent in eerste aanleg in in de zaak tegen verdachte zelf heeft afgelegd, is er geen sprake van strijd met artikel 6 EVRM of met artikel 196 lid 1 SvNA.

5 HR 7 juli 2009, ECLI:2009:BH5707 rov. 3.7.

6 Dat was het gewraakte bewijsmiddel 63. Over de gang van zaken in hoger beroep heeft de HR daarvoor overwogen: "2.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 april 2012 is de strafzaak van N gelijktijdig, doch niet gevoegd, met die van de verdachte behandeld en is N in de zaak van de verdachte als getuige gehoord. Dat proces-verbaal houdt het volgende in: "De verklaring die ik als verdachte heb afgelegd, mag als hier herhaald en ingelast worden beschouwd in de zaken tegen B en H. De voorzitter deelt mede dat de verklaring die de getuige zojuist als verdachte heeft afgelegd als hier herhaald en ingelast zal worden beschouwd, welke verklaring hierna (...) is opgenomen: (...)."