Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:255

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-03-2017
Datum publicatie
12-04-2017
Zaaknummer
14/06337
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:662, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Gebruik van verklaringen die medeverdachten in eigen zaak hebben afgelegd als bewijs. Strijd met art. 301.4 Sv? Ook indien ervan moet worden uitgegaan dat het Hof het voorschrift van art. 301.4 Sv niet in acht heeft genomen door verklaringen voor het bewijs te bezigen die niet zijn voorgelezen of waarvan niet de korte inhoud is meegedeeld, heeft verdachte i.c. geen rechtens te respecteren belang bij haar klacht. Dit gelet op de plaatsgevonden gang van zaken en de omstandigheid dat niet blijkt dat verdachte in enig opzicht in haar verdedigingsbelang is geschaad. Samenhang met 14/06223 en 14/06340.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/06337

Mr. Machielse

Zitting 14 maart 2017 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte] 1

1. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft op 27 november 2014 verdachte vrijgesproken van de feiten 1 en 2 en haar voor feit 3: medeplegen van: om een feit, bedoeld in het derde lid (oud) / vierde lid (nieuw) van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander gelegenheid of middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan zij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel keert zich tegen de bewezenverklaring. Uit de gebezigde bewijsmiddelen zou niet kunnen volgen dat verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat de stof bestemd was tot het plegen van de genoemde feiten.

3.2. Het hof heeft bewezen verklaard dat

"zij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 juni 2006 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of vervaardigen van (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine en/of 3,4-Methyleendioxymethylamfetamine (MDMA), zijnde amfetamine en 3,4-Methyleendioxymethylamfetamine (MDMA) middelen als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen

– zich en anderen een middel tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen

hebbende verdachte en verdachtes mededaders opzettelijk daartoe

– een benodigdheid besteld

en

zij in de periode van 1 juli 2006 tot en met 13 november 2008 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of vervaardigen van (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine en/of 3,4-Methyleendioxymethylamfetamine (MDMA), zijnde amfetamine en 3,4-Methyleendioxymethylamfetamine (MDMA) middelen als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen

– zich en anderen gelegenheid en middelen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en

– voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),

hebbende verdachte en verdachtes mededaders opzettelijk daartoe

– hoeveelheden chemicaliën/grondstoffen voorhanden gehad en

– hoeveelheden (laboratorium)benodigdheden besteld en/of voorhanden gehad."

3.3. Het hof heeft de voorts in het verkorte arrest een aantal bewijsoverwegingen opgenomen, waarvan de inhoud aldus luidt:

“De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Uit de bewijsmiddelen blijkt van de navolgende feiten en/of omstandigheden:

– Op 18 oktober 2008 werd bij een brand in een pand aan de [b-straat 1] in Breda een laboratorium aangetroffen dat was ingericht voor de productie van synthetische drugs met daarbij diverse grondstoffen, chemicaliën en productiemiddelen om amfetamine te kunnen vervaardigen. Tevens is gebleken dat daar cocaïne werd gewonnen uit een niet nader gedefinieerde grondstof. In het pand werd een nota betreffende de huur van een loods aan de [a-straat 1] in Ooltgensplaat aangetroffen.

- Op 13 november 2008 zijn in een loods aan de [a-straat 1] in Ooltgensplaat diverse chemicaliën en oplosmiddelen aangetroffen voor de vervaardiging van synthetische drugs als MDMA en amfetamine en voor de isolatie van cocaïne. Daarnaast werden diverse goederen aangetroffen die in direct verband kunnen worden gebracht met goederen die in het laboratorium aan de [b-straat 1] in Breda werden gebruikt. Het hof gaat ervan uit dat de loods aan de [a-straat 1] in Ooltgensplaat als opslagruimte heeft gediend voor het laboratorium aan de [b-straat 1] in Breda.

– Het bedrijf van medeverdachte [medeverdachte 3] , [A] B.V., was vanaf 1 juli 2005 huurde van het pand aan de [b-straat 1] in Breda en [medeverdachte 3] had vanaf de zomer van 2008 het pand onderverhuurd aan medeverdachte [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft half augustus 2008 de sleutels van het pand gekregen.

– Medeverdachte [betrokkene 1] is met enige regelmaat in het pand aan de [b-straat 1] in Breda geweest en heeft -onder meer- laboratoriumgerelateerde producten besteld die op dat adres werden afgeleverd.

– [betrokkene 1] heeft in april 2005 de loods aan de [a-straat 1] in Ooltgensplaat in opdracht van [medeverdachte 3] gehuurd op naam van [B] . Na de zomer van 2008 is [medeverdachte 1] die ruimte gaan gebruiken. Zowel [medeverdachte 1] (vanaf de zomer van 2008) als [betrokkene 1] (vanaf april 2005) hadden toegang tot die loods.

– Verdachte heeft op verzoek van haar echtgenoot, [betrokkene 1] (die weer op verzoek - van [medeverdachte 3] handelde) in januari 2006 voor de Bruker Tensor de bibliotheek genaamd “Georgia State Crime Laboratory Drug Library” besteld. Deze bestelling is betaald via de bankrekening van [A] BV. [medeverdachte 3] was als enige bevoegd om betalingen vanaf deze bankrekening te verrichten.

– Er is correspondentie over deze bestelling gevoerd door verdachte. Na de bestelling van deze bibliotheek heeft verdachte (laboratorium)benodigdheden en chemicaliën besteld op verzoek van [betrokkene 1] , die op zijn beurt in opdracht van [medeverdachte 3] handelde.

– [medeverdachte 3] heeft eind 2007/begin 2008 [betrokkene 1] gevraagd om de Tensor te laten repareren. Vanaf die tijd stond de Tensor in de woning van [betrokkene 1] en verdachte.

– [medeverdachte 3] heeft ermee ingestemd dat iemand moest leren hoe de Tensor werkte.

Medeverdachte [betrokkene 3] is hiervoor opgeleid en heeft in opdracht van [betrokkene 1] en een andere persoon wiens naam zij niet wenst te noemen in zijn en verdachtes woning monsters getest die, naar [betrokkene 3] later begreep, te maken hadden met BMK en PMK. De resultaten van de testen heeft [betrokkene 3] aan verdachte2 en die andere persoon doorgegeven. Ook heeft zij op verzoek van [betrokkene 1] vertalingen gemaakt met betrekking tot de vervaardiging van XTC. Deze handelingen vonden plaats vanaf begin 2008 en zijn voor een deel doorgegaan tot na de zomer van 2008, toen [medeverdachte 3] het pand aan de [b-straat 1] in Breda had onderverhuurd aan [medeverdachte 1] . [betrokkene 3] heeft in de zomer van 2008 op verzoek van [betrokkene 1] schoongemaakt in het pand aan de [b-straat 1] in Breda. Ze heeft trechters en wat potjes zien staan en een zuurkast in een ruimte die ze als laboratorium aanduidde. Ze kreeg het telefoonnummer van [medeverdachte 3] voor het geval er bijvoorbeeld ingebroken was. Kort na de zomer van 2008 heeft [betrokkene 1] aan [betrokkene 3] verteld dat hij bezig was met het zoeken van een goed proces voor de vervaardiging van phenylaceton ofwel XTC, dat weet ze niet meer precies. Ze heeft vervolgens nog ongeveer 15 testen gedaan.

– [betrokkene 1] is, nadat [medeverdachte 1] het pand in onderhuur kreeg, doorgegaan met het verrichten van werkzaamheden in het pand aan de [b-straat 1] in Breda in opdracht van [medeverdachte 1] dan wel de met deze in verband staande Russen. Hij heeft onder meer glaswerk schoongemaakt. Dat glaswerk bestond uit glazen buizen en bochten die aan elkaar geschroefd waren en hij heeft een metalen rek om een glazen cylinder gelast.

– [betrokkene 1] is minder dan 10 uur voor de melding van de brand aanwezig geweest in het pand aan de [b-straat 1] in Breda.

– [medeverdachte 1] is, gelet op het aangetroffen DNA, zowel in de grote bedrijfsruimte (BB) als in het laboratorium (BL) in het pand aan de [b-straat 1] in Breda geweest.

Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte:

– van 2 tot en met 6 januari 2006 via haar mailadres heeft gecorrespondeerd met Bruker Tensor over de aanschaf van de bibliotheek genaamd “Georgia Crime Lab Drug Library”;

– op 6 juni 2006 correspondentie heeft gevoerd over pompen, welke correspondentie werd aangetroffen in de woning van [medeverdachte 3] ;

– op 23 juni 2006 correspondentie heeft gevoerd over een haakse vertragingskast, welke correspondentie werd aangetroffen in de woning van [medeverdachte 3] ;

– in de periode van 1 juli 2006 tot en met 31 maart 2007 bestellingen heeft gedaan van filterpapier bij [D] bestemd voor [A] ;

– voor [A] zoutzuur heeft besteld bij [C] BV, waarvan de leveringen hebben plaatsgevonden op 3 juli 2006 en 9 februari 2007;

– op 24 oktober 2007 voor [A] informatie heeft opgevraagd voor een circulatiepomp voor thermische olie bij [E];

– op 1 november 2007 correspondentie heeft gevoerd over een pomp, welke correspondentie werd aangetroffen in het pand aan de [b-straat 1] ;

op 13 januari 2008 heeft gecorrespondeerd met Bruker over storingen aan de Tensor;

– in de periode van 1 januari 2008 tot en met 18 oktober 2008 [betrokkene 3] heeft toegelaten tot haar woning om met de Tensor potjes met chemicaliën te laten analyseren en [betrokkene 3] meerdere malen heeft gebeld of ze kwam.

Tot slot blijkt uit de bewijsmiddelen dat medeverdachte [betrokkene 1] in 1997 in Tsjechië is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar en 6 maanden voor verboden productie en bezit van verdovende en psychotrope stoffen en giften.

Uit vorenstaande feiten en/of omstandigheden in onderling (tijds)verband en samenhang bezien, leidt het hof af dat vanaf het moment dat ten behoeve van de Tensor de bibliotheek genaamd “Georgia State Crime Laboratory Drug Library” werd besteld (9 januari 2006), er sprake is geweest van voorbereidingshandelingen van een feit als bedoeld in het derde (oud)/vierde (nieuw) lid van artikel 10 van de Opiumwet. Tot in of omstreeks augustus 2008 waren daarbij betrokken verdachte, [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [medeverdachte 3] en daarna verdachte, [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [medeverdachte 1] .

Door de verdediging is aangevoerd dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte het opzet heeft gehad op het ten laste gelegde handelen. Zij heeft immers alle bestellingen in opdracht van [betrokkene 1] gedaan en wist niet dat die bestellingen en (de activiteiten met) de Bruker Tensor te maken hadden met de productie van synthetische drugs.

Het hof overweegt als volgt.

Verdachte heeft verklaard dat zij de bestellingen in kwestie heeft gedaan op verzoek van [betrokkene 1] . Voorts heeft zij bij gelegenheid van verhoren door de politie -deels zakelijk weergegeven- het navolgende verklaard:

d.d. 6 juli 2009:

O: U blijft bij de verklaring dat u Tsjechië heeft verdrongen. [betrokkene 4] verklaart dat u moet hebben geweten dat het een XTC lab betrof in Tsjechië. Ook [betrokkene 5] en uw broer [betrokkene 6] verklaren dat u moet hebben geweten dat hij en [betrokkene 1] (hof: medeverdachte [betrokkene 1] ) in Tsjechië voor een XTC lab zijn veroordeeld. U deed, gezien uw opleiding en arbeidsverleden (ik bedoel het leiden van een zaak met 8 man personeel), de boekhouding voor [betrokkene 1] . [betrokkene 1] had echter geen inkomen. U deed echter wel bestellingen van laboratoriummaterialen en chemicaliën. Dan had u toch op een gegeven moment argwaan moeten krijgen en vragen waar dit voor was. Wij vermoeden dat u had kunnen weten dat er meer aan de hand was. Wilt u hier op reageren?

A: (hof: antwoord verdachte) Ik wist ook dat hij voor een XTC lab is veroordeeld. Het klopt dat er genoeg aanknopingspunten zijn geweest voor vragen te stellen, maar ik heb ze niet gesteld.

d.d. 7 juli 2009:

V: Waarom heeft u deze vragen niet gesteld?

A: Dat vraag ik me nu ook duizend keer af. Waarom heb ik die vragen niet gesteld.

V: Was u bang dat het antwoord zou zijn dat [betrokkene 1] die weer zou gebruiken bij de productie van drugs?

A: Misschien wilde ik het niet weten, misschien was ik bang voor het antwoord.

V: Als wij uw verklaring samenvatten, wist u dat [betrokkene 1] had vastgezeten voor de productie van XTC, heeft u diverse laboratoriummaterialen, chemicaliën en de tensor voor [betrokkene 1] besteld ofwel offertes aangevraagd. U had wel het vermoeden dat het fout zat, maar dat u uit liefde voor [betrokkene 1] er verder geen vragen over gesteld hebt. Is dit goed samengevat?

A: Ja.

Gelet op deze verklaringen van verdachte, bezien in onderling verband en samenhang met de overige bewijsmiddelen, is het hofvan oordeel dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de bestellingen die zij deed en haar bemoeienissen met [betrokkene 3] en de Bruker Tensor te maken hadden met de productie van synthetische drugs en heeft zij die kans ten tijde van de gedragingen bewust aanvaard.

Het hof verwerpt derhalve het verweer.”

3.4. Om niet in herhaling te vallen wil ik enkel de kern van het verwijt dat het hof aan verdachte maakt aangeven.

Verdachte heeft bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat haar partner, [betrokkene 1] , betrokken was bij het organiseren van de productie van synthetische drugs. [betrokkene 1] was eerder in Tsjechië voor een soortgelijk feit veroordeeld tot jarenlange gevangenisstraf. Dat wist verdachte. Zij heeft voor [betrokkene 1] een spectrometer en boeken over het fabriceren van synthetische drugs aangeschaft. Een spectrometer is een apparaat om chemicaliën en de daarvan gemaakte producten te testen. Bij de aanschaf van de spectrometer werd ook een opleiding aangeboden om met het apparaat te werken, welke opleiding door [betrokkene 7] is gevolgd. Verdachte voerde alle correspondentie voor [betrokkene 1] per e-mail, omdat [betrokkene 1] daarmee niet om kon gaan. [betrokkene 3] voerde tests uit tijdens de productie van synthetische drugs. Ook verdachte belde haar om te vragen of zij langs wilde komen. Verdachte bestelde ook voor [betrokkene 1] een grote hoeveelheid laboratoriumbenodigdheden, filterpapier, zoutzuur en elektrische apparatuur zoals pompen en hydromotoren en correspondeerde over deze bestellingen. De inhoud van de e-mails werd haar door [betrokkene 1] opgegeven.

Deze gedragingen heeft het hof kunnen aanmerken als het medeplegen van – in plaats van medeplichtigheid aan – voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a Opiumwet, in aanmerking genomen dat een verweer over de kwalificatie die past bij het vastgestelde handelen van verdachte in feitelijke aanleg niet is gevoerd.

Het middel faalt.

5.1. Het tweede middel klaagt over de beslissing van het hof om alle processen-verbaal van de terechtzittingen in de zaken van de medeverdachten in het dossier te voegen. Het hof heeft ten bezware van verdachte op die verklaringen van medeverdachten, door hen in hun eigen zaak afgelegd, acht geslagen zonder dat blijkt dat die verklaringen ter terechtzitting zijn voorgelezen of dat daar hun korte inhoud is medegedeeld.

5.2. Het proces-verbaal van het onderzoek in hoger beroep van 28 oktober 2014 houdt onder meer het volgende in:

"De voorzitter deelt mede, dat de strafzaak tegen verdachte gelijktijdig, doch niet gevoegd, zal worden behandeld met de eveneens ter terechtzitting van heden aangebrachte strafzaken tegen [betrokkene 1] (parketnummer 20-001814-11), [medeverdachte 3] (parketnummer 20-001925-11), [betrokkene 2] (parketnummer 20-001924-11), J. [betrokkene 3] (parketnummer 20-001921-11) en [medeverdachte 1] (parketnummer 20-001927-11).

(...)

Naar aanleiding van een verzoek van de raadsman van medeverdachte [medeverdachte 1] , mr. Kuijpers, om het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank op 28 maart 2011 in de zaak tegen medeverdachte [betrokkene 1] in het dossier van zijn cliënt te voegen, stelt de voorzitter voor om uit praktisch oogpunt alle processen-verbaal van alle zaken over en weer in alle dossiers te voegen.

De advocaat-generaal en de raadsman hebben hiertegen geen bezwaar.

Na een korte onderbreking van het onderzoek voor beraad in raadkamer deelt de voorzitter de beslissing van het hof mede.

Het hof heeft zelf niet langer de behoefte om [betrokkene 1] als getuige te horen.

Het hof zal alle verklaringen van alle in deze strafzaak gehouden zittingen over en weer voegen in alle dossiers. Het hof acht dit noodzakelijk om tot een goede beoordeling te komen in alle zaken.

De voorzitter stelt de raadsman in de gelegenheid om de medeverdachten als getuigen te horen. De raadsman geeft te kennen daar geen gebruik van te willen maken.”

Het onderzoek ter terechtzitting is op 28 oktober onderbroken en op 30 oktober, in aanwezigheid van verdachte en haar advocaat, hervat. De AG heeft toen gerequireerd en de advocaat heeft het woord gevoerd. Verdachte heeft als laatste gesproken. Vervolgens is het onderzoek weer onderbroken tot 13 november 2014. Daar is verdachte noch haar advocaat verschenen waarna de voorzitter het onderzoek heeft gesloten.

5.3. Artikel 301, vierde lid, Sv luidt:

"Ten bezware van de verdachte wordt geen acht geslagen op stukken, die niet zijn voorgelezen of waarvan de korte inhoud niet overeenkomstig het derde lid is meegedeeld."

5.4. Onder stukken waarop ten bezware van de verdachte geen acht mag worden geslagen dan voorzover zij zijn voorgelezen of hun korte inhoud is medegedeeld, als bedoeld in artikel 301 lid 4 Sv, zijn te begrijpen stukken welke van invloed kunnen zijn op het bewijs van het tenlastegelegde, de strafbaarheid van het bewezene en van de verdachte of de oplegging van straf of maatregel.3 De achterliggende gedachte is dat ten bezware van verdachte geen acht mag worden geslagen op stukken of verklaringen waarvan verdachte geen kennis heeft kunnen nemen en waarop hij niet heeft kunnen reageren.4 Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen die maken dat verdachte geen belang heeft bij de klacht dat ten bezware van verdachte acht is geslagen op stukken die niet zijn voorgehouden of medegedeeld. Te denken is aan de situatie waarin verdachte en diens advocaat geacht kunnen worden op de hoogte te zijn geweest van de inhoud van de stukken.5 Of waarin de verdediging alsnog mededeelt geen behoefte meer te hebben aan de voorlezing van stukken uit het dossier.6

5.5. In HR 14 oktober 2014, ECLI:2014:2969 deed zich een situatie voor die sterke gelijkenis vertoont met de gang van zaken in de onderhavige zaak. De strafzaak van een medeverdachte is gelijktijdig, maar niet gevoegd, met die van verdachte behandeld. De medeverdachte is in de zaak van verdachte als getuige gehoord. Het proces-verbaal van het onderzoek in de zaak van de verdachte houdt in dat de verklaring die de medeverdachte als verdachte in zijn eigen zaak heeft afgelegd als herhaald en ingelast zal worden beschouwd. Die verklaring is inderdaad in het proces-verbaal van het onderzoek tegen verdachte opgenomen. De verdediging heeft de gelegenheid gehad de verklaring van de medeverdachte tegen te spreken, welke gelegenheid de verdediging ook heeft benut. In cassatie werd er over geklaagd dat het hof als bewijsmiddel 63 een verklaring die medeverdachte N in eerste aanleg had afgelegd, had gebruikt hoewel die geen deel uitmaakte van het dossier in verdachtes strafzaak. In eerste aanleg waren de zaken van verdachte en medeverdachte N niet gelijktijdig behandeld. Daarom zou er sprake zijn van een schending van het vierde lid van 301 Sv. De Hoge Raad overwoog:

"2.4. Ook indien ervan moet worden uitgegaan dat de verklaring die N als verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg7 in zijn eigen strafzaak heeft afgelegd, geen deel uitmaakt van het dossier in de onderhavige strafzaak en die verklaring ook niet ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde is gesteld, heeft de verdachte geen rechtens te respecteren belang bij zijn klacht op grond van het volgende.

De strafzaak van de verdachte is op de terechtzitting in hoger beroep gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de strafzaken van N en H. De verklaring die N in de onderhavige zaak als getuige ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd bestaat nagenoeg geheel uit (de weergave van) de verklaring die hij als verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd. Blijkens het in 2.3 weergegeven gedeelte van die verklaring komt de inhoud daarvan naar het kennelijke - en niet onbegrijpelijke - oordeel van het hof in essentie overeen met de inhoud van de verklaring die als bewijsmiddel 63 is opgenomen. Nadat de getuige N zijn verklaring had afgelegd, hebben de verdachte en zijn raadsman de gelegenheid gekregen opmerkingen te maken en aan de getuige vragen te stellen. Door de in bewijsmiddel 63 genoemde verklaring van N voor het bewijs te bezigen, is de verdachte niet in zijn verdedigingsbelang geschaad."

5.6. Niet blijkt dat in die zaak de verdediging uitdrukkelijk akkoord is gegaan met de beslissing die aan de mededeling van de voorzitter ten grondslag lag. In de onderhavige zaak heeft de verdediging wél aangegeven geen bezwaar te hebben en niet van de geboden gelegenheid te willen gebruikmaken om de medeverdachten als getuigen te horen. De verdediging was, nu de zaken gelijktijdig maar niet gevoegd zijn behandeld, op de hoogte van de verklaringen van de medeverdachten en is in de gelegenheid geweest om die medeverdachten als getuigen te ondervragen. Aldus lijkt mij voldoende recht gedaan te zijn aan het belang van verdachte om niet geconfronteerd te worden met hem onbekende gegevens die nadelig voor hem kunnen uitpakken en die hij niet heeft kunnen weerspreken. Men zou mij nog voor de voeten kunnen werpen dat in HR 14 oktober 2014 de medeverdachten in ieder geval beëdigd zijn voordat zij ermee instemden dat hun verklaring als verdachte in hun eigen zaak afgelegd als verklaring van een getuige in de strafzaak tegen verdachte mocht worden gebruikt. Maar deze waarborg had de verdachte in de onderhavige zaak ook kunnen bereiken door erop te staan dat de medeverdachten als getuigen in zijn zaak zouden optreden, welke gelegenheid hem door de voorzitter is geboden. Ik moet bekennen dat het wel mijn voorkeur zou hebben gehad als de medeverdachten in de zaak van verdachte zouden hebben verklaard als getuige, waarbij zij dan zouden hebben kunnen verwijzen naar de verklaring die zij in hun eigen zaak hebben afgelegd, maar een rechtens door het vierde lid van artikel 301 Sv beschermd belang van verdachte is naar mijn oordeel niet geschaad.

5.7. Dat niet ter plekke en onmiddellijk proces-verbaal is opgemaakt in de zaken van de medeverdachten, waarin hun verklaringen zijn neergelegd en dat zulke processen-verbaal dan ook niet aan verdachte en haar advocaat zijn verstrekt staat daaraan niet in de weg. Ook als de medeverdachten als getuigen zouden zijn opgetreden in de strafzaak tegen verdachte zou verdachte na afloop van de zitting ook niet hebben kunnen beschikken over een proces-verbaal met die verklaringen als inhoud. Het gaat erom dat verdachte op de hoogte is van de inhoud van die verklaringen. Omdat de strafzaak tegen verdachte 'gelijktijdig' met de strafzaken tegen de medeverdachten is behandeld ligt het mijns inziens voor de hand om – anders dan de steller van het middel – aan te nemen dat zij aanwezig is geweest toen die medeverdachten als verdachte in hun eigen zaak hun verklaring aflegden.

5.8. Ook de rechtbank heeft op 28 maart 2011 de zaken tegen alle verdachten gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld. Uit het proces-verbaal van die zitting blijkt dat alle verdachten in het begin aanwezig waren, maar dat de gelijktijdige behandeling is onderbroken en dat vervolgens de zitting in de zaak van verdachte is hervat waarna de bespreking van de feiten heeft plaatsgevonden. Ik ga ervan uit dat de gang van zaken bij de behandeling door de rechtbank van de strafzaken tegen de andere verdachten op gelijke wijze is verlopen, waardoor de mogelijkheid bestaat dat verdachte niet is aanwezig geweest bij het afleggen van de verklaringen van de andere verdachten. Met betrekking tot de verklaringen van de medeverdachten in hoger beroep staat wel genoegzaam vast dat verdachte daarvan kennis heeft genomen. Maar ten aanzien van de verklaringen ten overstaan van de rechtbank ben ik niet zo zeker.

5.9. In de aanvulling met bewijsmiddelen heeft het hof een aantal malen verwezen naar verklaringen van medeverdachten ter terechtzitting van de rechtbank van 28 maart 2011. Het betreft de uitlatingen waarnaar de volgende voetnoten verwijzen: 31, 73, 91, 102, 108, 119, 123, 141 en 145. Het betreft verklaringen die medeverdachten [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] in hun eigen strafzaak ter terechtzitting van de rechtbank van 28 maart 2011 hebben afgelegd.

5.10. Voetnoot 31 wordt bevestigd door de verklaring die [medeverdachte 1] ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd (voetnoot 32).

Voetnoot 73 verwijst naar de bestelling en de reparatie van de spectrometer. Ook voetnoot 72 en voetnoten 74 hebben daarop betrekking. Deze beide voetnoten verwijzen naar de verklaring die [betrokkene 1] als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris heeft afgelegd en ondersteunen voetnoot 73.

Voetnoot 91 betreft een verklaring van [medeverdachte 3] , inhoudende dat hij ermee heeft ingestemd dat iemand moest leren hoe de spectrometer werkte. De bemoeienis van [medeverdachte 3] met de spectrometer wordt bevestigd door de verklaringen die [betrokkene 1] ten overstaan van de rechter-commissaris heeft afgelegd en waarnaar de voetnoten 89 en 90 verwijzen.

Voetnoot 102 verwijst naar de verklaring van [medeverdachte 3] over de aanschaf van spullen bij [betrokkene 5] . Verdachte zelf heeft in dezelfde zin verklaard (voetnoot 100), evenals [betrokkene 1] ten overstaan van de rechter-commissaris (voetnoot 101).

Dat [medeverdachte 3] een keer bij [D] is geweest en spullen voor [betrokkene 1] heeft meegenomen (voetnoot 108) vindt volgens voetnoot 107 bevestiging in het dossier.

Voetnoot 119 wordt weer bevestigd door voetnoot 117 en 118, verklaringen van [betrokkene 1] , afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris.

Voetnoot 123 verwijst naar de verklaring van 28 maart 2011 van [betrokkene 1] , als verdachte afgelegd ten overstaan van de rechtbank. Dat [betrokkene 1] daar heeft gezegd dat hij wel wist dat er ketels bij de productie van drugs gebruikt worden lijkt mij eerlijk gezegd een feit van algemene bekendheid in te houden.

[betrokkene 1] heeft een week voor de brand een paar glazen buizen schoongemaakt voor [medeverdachte 1] . Hij kreeg geld van [medeverdachte 1] (voetnoot 141). Dit vindt bevestiging in de verklaring die [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris heeft afgelegd (voetnoot 139 en 142).

Voetnoot 145 verwijst naar de uitlating van [betrokkene 1] dat de koffer die in de loods aan de [a-straat 1] te [a-straat 1] is gevonden van hem en van [medeverdachte 2] was. De betrokkenheid van verdachte bij deze koffer blijkt uit materiaal waarnaar de voetnoten 60, 61 104 en 106 verwijzen. In die koffer is namelijk correspondentie die verdachte heeft gevoerd over de spectrometer aangetroffen.

De verklaringen die medeverdachten in hun eigen strafzaak in eerste aanleg op 28 maart 2011 bij de rechtbank hebben afgelegd vinden dus bevestiging in ander materiaal dat het hof in de bewijsvoering heeft verwerkt en waarvan de verdediging kennis heeft kunnen nemen. Daarom heeft verdachte bij een klacht over schending van het vierde lid van artikel 301 Sv geen belang.

Het middel faalt.

6.1. Het derde middel klaagt over schending van de redelijke termijn in cassatiefase. Op 2 december 2014 is het beroep in cassatie ingesteld, maar het dossier is eerst op 4 augustus 2016 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. De steller van het middel wijst er ook nog op dat de aanvulling met bewijsmiddelen niet heeft plaatsgevonden binnen de in het derde lid van artikel 365a Sv bepaalde termijn.

6.2. De data die in de schriftuur zijn genoemd zijn correct. Dat betekent dat de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn in deze zaak met een jaar en twee dagen is overschreden. Voorts zal de Hoge Raad niet binnen twee jaar na het instellen van het beroep in cassatie uitspraak doen. De redelijke termijn is dus ook in zoverre overschreden. Dat dient te leiden tot een verlaging van de opgelegde straf.

7. De middelen 1 en 2 falen naar mijn oordeel. Het eerste middel kan volgens mij met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden afgedaan. Het derde middel is gegrond, hetgeen tot een vermindering van de opgelegde straf dient te leiden. Ambtshalve heb ik geen andere dan de hiervoor onder 6.2 besproken grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

8. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de opgelegde straf zal verminderen en het beroep voor het overige zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met nr.14/06223 ( [medeverdachte 3] ) en nr. 14/06340 ( [medeverdachte 1] ) waarin ik ook vandaag concludeer.

2 AM: moet zijn “ [betrokkene 1] ”. Zie de aanvulling met bewijsmiddelen, p. 33 onderaan.

3 HR 20 september 2011, NJ 2011, 607 m.nt. Borgers.

4 Vgl. HR 8 januari 2013, NJ 2013, 264 m.nt. Borgers, rov. 3.4.2. Zie voorts Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, 8e druk, p. 705 e.v.

5 HR 21 maart 1989, NJ B19 189, 206. Zie Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, 8e druk, p. 7056 en voetnoot 338. Zie ook HR 18 februari 1997, NJ 1997, 412, in welke zaak het Antilliaanse hof een beroep van de verdachte dat hij bij de politie niet in vrijheid had verklaard, heeft weerlegd met een verwijzing naar een verklaring die een politieagent niet in verdachtes zaak, maar in de zaak van de medeverdachte had afgelegd. De HR overwoog dat een beklaagde in de uitspraak niet mag worden geconfronteerd met ter terechtzitting niet ter sprake gekomen en voor hem nadelige gegevens. Maar nu de verklaring die de politieagent in de zaak tegen medeverdachte ten overstaan van het Antilliaanse hof heeft afgelegd, naar de HR ambtshalve bekend was, niet wezenlijk verschilt van de verklaring die de politieagent in eerste aanleg in in de zaak tegen verdachte zelf heeft afgelegd, is er geen sprake van strijd met artikel 6 EVRM of met artikel 196 lid 1 SvNA.

6 HR 7 juli 2009, ECLI:2009:BH5707 rov. 3.7.

7 Dat was het gewraakte bewijsmiddel 63. Over de gang van zaken in hoger beroep heeft de HR daarvoor overwogen: "2.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 april 2012 is de strafzaak van N gelijktijdig, doch niet gevoegd, met die van de verdachte behandeld en is N in de zaak van de verdachte als getuige gehoord. Dat proces-verbaal houdt het volgende in: "De verklaring die ik als verdachte heb afgelegd, mag als hier herhaald en ingelast worden beschouwd in de zaken tegen B en H. De voorzitter deelt mede dat de verklaring die de getuige zojuist als verdachte heeft afgelegd als hier herhaald en ingelast zal worden beschouwd, welke verklaring hierna (...) is opgenomen: (...)."