Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:251

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-02-2017
Datum publicatie
12-04-2017
Zaaknummer
16/01912
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:655, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag. Art. 552a Sv. De uitleg van een klaagschrift is aan de feitenrechter en zijn oordeel dienaangaande kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Aan het door klager ingediende klaagschrift ligt de stelling ten grondslag dat zijn broer als rechthebbende moet worden aangemerkt van de onder klager inbeslaggenomen auto. Kennelijk heeft de Rb. het klaagschrift aldus verstaan dat het strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen auto - via klager - aan diens broer. Die uitleg is niet onbegrijpelijk. De wet kent niet de mogelijkheid dat op verzoek van een belanghebbende teruggave van het inbeslaggenomene aan een ander wordt gelast. Derhalve heeft de Rb. klager terecht n-o verklaard in het klaagschrift. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01912 B

Zitting: 28 februari 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[klager]

  1. De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft de klager bij beschikking van 10 maart 2016 niet-ontvankelijk verklaard in zijn op de voet van art. 552a Sv ingediende klaagschrift.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. M. Hoekzema, advocaat te Utrecht, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel

3.1. Het middel klaagt dat de rechtbank de klager ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn klaagschrift, strekkende tot opheffing van het beslag op een onder hem in beslag genomen auto en teruggave van die auto aan hem.

3.2. De bestreden beschikking houdt in:

“Het beklag

In het klaagschrift heeft klager zich op het standpunt gesteld dat de auto niet door een strafbaar feit is onttrokken aan enig rechthebbende. Klager heeft geen afstand van de auto gedaan. De auto dient ook niet te worden veiliggesteld ten behoeve van een voordeelsontneming. De auto is van de broer van klager. Deze had zijn auto uitgeleend aan klager.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het klaagschrift gegrond verklaard dient te worden. De inbeslaggenomen auto is van de broer van klager en er is geen strafvorderlijk belang meer bij inbeslagneming.

De beoordeling

Het klaagschrift is tijdig ingediend.

Klager heeft gesteld dat hij de inbeslaggenomen auto van zijn broer had geleend. De wet kent echter niet de mogelijkheid tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen aan een ander dan aan degene die een klaagschrift tot teruggave heeft ingediend. Derhalve had niet klager, maar zijn broer een klaagschrift moeten indienen. Gelet hierop is de raadkamer van oordeel dat klager niet-ontvankelijk in zijn klaagschrift dient te worden verklaard.”

3.3. In het midden kan blijven of het beslag op de voet van art. 94 of 94a Sv is gelegd, nu volgens het openbaar ministerie geen belang van strafvordering aanwezig is dat zich tegen teruggave van de auto verzet en, ingevolge art. 116 lid 1 Sv, voor beide beslaggronden geldt dat het openbaar ministerie een inbeslaggenomen voorwerp doet teruggeven aan de beslagene, zodra het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet. Is het de beslagene die bij klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp verzoekt, dan dient de rechtbank in een dergelijk geval de teruggave te gelasten aan die beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. De vraag of de klager redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van het voorwerp moet worden beschouwd komt niet aan de orde in geval onder de klager beslag is gelegd. 1

3.4. Wellicht berust de beslissing van de rechtbank op de onjuiste veronderstelling dat de klager in zijn klaagschrift de teruggave van de auto aan zijn broer verzoekt. Waarom klagers broer dan niet op de voet van art. 552a lid 5 Sv op zijn minst als belanghebbende is opgeroepen voor de behandeling van het klaagschrift (althans blijkt dit niet uit de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden) wordt mij niet duidelijk.

3.5. Wat daar ook van zij, duidelijk is dat de rechtbank niet de aan te leggen maatstaf heeft toegepast bij de beoordeling van klagers klaagschrift, waarin hij teruggave aan hem verzoekt van de onder hem in beslag genomen auto die zijn broer aan hem heeft geleend. Het middel slaagt.

4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 en HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO1624, NJ 2011/125.