Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:246

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-03-2017
Datum publicatie
12-04-2017
Zaaknummer
16/02492
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:650, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht diefstal met geweld. De bewezenverklaring, v.zv. inhoudende dat de diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld kan niet z.m. worden afgeleid uit de gebezigde b.m. HR spreekt om doelmatigheidsredenen de verdachte vrij t.z.v. dit onderdeel van de tll. De aard en ernst van al hetgeen voor het overige ten laste van verdachte is bewezenverklaard wordt daardoor niet aangetast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/02492 J

Zitting: 21 maart 2017

Mr. W.H. Vellinga

Aanvullende conclusie inzake:

[verdachte]

  1. In de zogenaamde Borgersbrief wijst mr. Kuijper er terecht op dat ik heb verzuimd mij uit te laten over het vierde middel. Hierbij doe ik dit, daartoe in de gelegenheid gesteld door de Hoge Raad, alsnog.

  2. Het vierde middel bevat een klacht over het bewijs van het onder 6 bewezenverklaarde en een klacht over het verzuim te motiveren waarom is voorbijgegaan aan een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot bewijsmateriaal betreffende het onder 7 bewezenverklaarde feit.

  3. Het Hof heeft onder 6 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“hij op 29 september 2014 te Alphen aan den Rijn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aansteker, toebehorende aan [betrokkene 1] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [betrokkene 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld bestond uit het tegen een muur zetten van [betrokkene 1] en het fouilleren van [betrokkene 1] en doorzoeken van de zakken [betrokkene 1] ;”

4. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“6.1 Een proces-verbaal van aangifte d.d. 8 oktober 2014 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500—2014247830—1.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 120-121):

als de op 8 oktober 2014 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

Ik doe aangifte van diefstal. Ik kwam [verdachte] op 29 september 2014 tegen op het Europark te Alphen aan den Rijn. Ik was met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . [betrokkene 3] was al bij de shelter en wij hadden daar afgesproken. Ik ben met [betrokkene 2] daarheen gefietst. Ik was amper van mijn fiets af toen [verdachte] op mij afliep. Ik moest direct met hem meekomen. Ik moest van hem met mijn armen wijd tegen de muur van de shelter gaan staan. Ook moest ik mijn benen spreiden van hem. Vervolgens heeft hij mijn broek- en jaszakken leeg gemaakt. Hij pakte mijn GSM, sleutels en een aansteker. De aansteker stak hij in zijn zak. Ik heb hem een paar keer gevraagd mijn spullen terug te geven.

Hij deed dit niet.

6.2 Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 30 september 2014 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500— 2014230782—7. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 46-50):

als de op 30 september 2014 afgelegde verklaring van [betrokkene 4] :

Op 29 september 2014 was er een voorval in het Europapark in Alphen aan den Rijn. [verdachte] kwam ene [betrokkene 1] tegen. [verdachte] zoekt gewoon ruzie. Die [betrokkene 1] moest met zijn handen tegen de muur staan en dan ging [verdachte] hem fouilleren. Kijken of hij nog geld of sigaretten had. [betrokkene 1] had niks bij zich, alleen een aansteker.”

5. De ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen pleitnota1 houdt (onder het hoofd Feit 5) onder meer in:

“Er was een grap, geen diefstal - laat staan met geweld.

Aanraken en doorzoeken, voelen is geen geweld. Van een dreiging met geweld weet cliënt niets, althans hierop had hij geen opzet. Hij wist ook niet wat [betrokkene 1] beweerdelijk zou denken (zeker als we uitgaan van cliënts onschuld ter zake het feit met [betrokkene 2] !).

[betrokkene 1] kon zich ook in redelijkheid niet bedreigd voelen door cliënt. Hij is ongeveer even groot (c.q. klein) van stuk/ sterk als cliënt en er stonden mensen bij. Daarbij lachte cliënt en maakte hij duidelijk dat het om een grapje ging.”

6. Volgens de toelichting op het middel is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed omdat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte geweld heeft gebezigd.

7. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan inderdaad niet worden afgeleid dat de verdachte geweld heeft aangewend om [betrokkene 1] met zijn handen tegen de muur te doen staan. Evenmin kan daaruit worden afgeleid dat de verdachte [betrokkene 1] heeft bedreigd met geweld. Hoe de verdachte [betrokkene 1] heeft weten te bewegen met zijn armen wijd tegen de muur van de shelter te gaan staan en zijn benen wijd te spreiden, wordt uit de gebezigde bewijsmiddelen niet duidelijk. Evenmin kan daaruit worden afgeleid dat het leegmaken van de zakken van de jas en de broek van [betrokkene 1] gepaard is gegaan met (bedreiging met) geweld. De klacht is dus gegrond.

8. Met betrekking tot het onder 7 bewezenverklaarde feit klaagt het middel dat het hof heeft verzuimd (genoegzaam) te motiveren waarom het is voorbijgegaan aan een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal.

9. De aanvulling op het verkorte arrest houdt met betrekking tot dit standpunt het volgende in (p. 12):

“Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van feit 2, 3, 4, 5 en 7 vrijspraak bepleit, nu volgens de verdediging onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor een bewezenverklaring voorhanden is. De raadsvrouw heeft daarbij in het bijzonder naar voren gebracht dat naar de mening van de verdediging de verklaringen die tegen de verdachte zijn afgelegd - en in het bij zonder de verklaring van [betrokkene 4] - , onbetrouwbaar en ongeloofwaardig zijn. Er wordt een beeld van de verdachte geschetst en daar wordt door de getuigen gebruik van gemaakt, aldus de raadsvrouw. Kort gezegd krijgt de verdachte continu de schuld en maken de anderen die tegen hem verklaren, hun rol kleiner.

Het hof acht de verklaringen van de getuigen in de onderscheiden zaken geloofwaardig en betrouwbaar, nu deze verklaringen steun vinden in de overige bewijsmiddelen, waaronder de aangiften in de diverse zaken en ook, voor zover het feit 7 betreft, de opgemaakte processen-verbaal van bevindingen. Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd, maakt dit oordeel niet anders. Het hof ziet geen aanleiding om aan de verklaringen te twijfelen en gebruikt de getuigenverklaringen dan ook voor het bewijs.”

10. Gezien deze overweging mist dit onderdeel van het middel feitelijke grondslag. Voor zover dit onderdeel van het middel aldus zou dienen te worden verstaan dat de door het hof gegeven motivering ontoereikend is, mist dit onderdeel van het middel de voor een middel vereiste precisie omdat in het geheel niet wordt aangegeven in welk opzicht deze motivering tekort schiet. Dit onderdeel van het middel kan daarom worden afgedaan op de voet van art. 81 RO.

11. Het middel is gegrond voor wat betreft het onder 6 bewezenverklaarde feit. Het bestreden arrest dient te worden vernietigd voor zover ten laste van de verdachte onder 6 is bewezenverklaard dat de bewezenverklaarde diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [betrokkene 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, alsmede voor wat betreft de kwalificatie van het onder 6 bewezenverklaarde feit.

12. Tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de opgelegde vrijheidsstraf en de opgelegde maatregel behoeft dit niet te leiden. De omstandigheid dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de onder 6 bewezenverklaarde diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [betrokkene 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, laat - gelet op de overige bewezenverklaarde feiten - de gronden voor oplegging van de maatregel onverlet. Die omstandigheid doet verder niet af aan aard en ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd. Voorts in aanmerking genomen dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt van enige bedreiging met geweld kan de Hoge Raad er derhalve doelmatigheidshalve mee volstaan de verdachte vrij te spreken van het onder 6 tenlastegelegde voor zover luidende:

“ welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [betrokkene 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het tegen een muur zetten van [betrokkene 1] en/of het fouilleren van [betrokkene 1] en/of doorzoeken van de zakken [betrokkene 1] en/of het geven van een klap in het gezicht van [betrokkene 1] ;”

en het onder 6 bewezenverklaarde te kwalificeren als diefstal.

13. Deze conclusie strekt er - in afwijking van mijn oorspronkelijke conclusie – toe, dat de Hoge Raad het arrest van het hof vernietigt voor zover onder 6 is bewezenverklaard dat de diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [betrokkene 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, alsmede voor wat betreft de kwalificatie van dit feit, de verdachte vrij te spreken van de onder 6 tenlastegelegde strafverzwarende omstandigheid als hiervoor vermeld, het onder 6 bewezenverklaarde te kwalificeren als diefstal, en het beroep voor het overige te verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 april 2016.