Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:244

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-02-2017
Datum publicatie
13-04-2017
Zaaknummer
16/00512
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:648, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen poging doodslag en wederrechtelijke vrijheidsberoving. HR: art. 81.1 RO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/00512

Zitting: 28 februari 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij (promis)arrest van 18 januari 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens 1 primair. “medeplegen van poging tot doodslag”, 2. “medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden”, 3A. “diefstal” en 3B. “diefstal door twee of meer verenigde personen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel

3.1. Het middel klaagt ten aanzien van feit 1 primair en 2 dat het bewezenverklaarde medeplegen ontoereikend is gemotiveerd.

3.2. Ten aanzien van de verdachte is, voor zover van belang, bewezenverklaard dat:


“1 primair:
hij op 28 september 2013 te Leeuwarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet, tezamen en in vereniging met anderen,
- [slachtoffer] met een hamer op het hoofd heeft geslagen en
- [slachtoffer] met een mes in de handen en het been heeft gestoken en mede tengevolge, waarvan die die [slachtoffer] buiten bewustzijn is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2:
hij op 28 september 2013 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] in een woning gelegen aan [a-straat 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met zijn medeverdachten, met dat opzet
- de handen van [slachtoffer] met een elektriciteitskabel op de rug vastgebonden en
- [slachtoffer] in die woning gedurende enige tijd zwaar mishandeld (onder meer door deze met een hamer op het hoofd en/of een of meerdere andere delen van het lichaam te slaan en
- [slachtoffer] met een mes bedreigd en gestoken en
- [slachtoffer] toen deze die woning wilde verlaten terug de woning ingeduwd en
- [slachtoffer] zodanig mishandelend dat hij enige tijd buiten bewustzijn is geweest en
zodoende [slachtoffer] enige tijd belet om die woning, gelegen aan [a-straat 1], te verlaten.”

3.3. Voor de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen verwijs ik naar de aanvulling op het verkorte arrest.

3.4. Het hof heeft in zijn arrest onder de kop “Overweging met betrekking tot het bewijs van het ten laste gelegde” (pag. 7) nog het volgende overwogen:


“Vaststelling van de feiten


Op grond van de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter zitting stelt het hof het volgende vast:

Op zaterdag 28 september 2013 omstreeks 08:35 uur wordt aangever [slachtoffer] (hierna ook te noemen: aangever) door de politie liggend aangetroffen op het trottoir voor het perceel [slachtoffer] te Leeuwarden. Hij zegt door een aantal mannen van zijn vrijheid beroofd te zijn en te zijn mishandeld. Hij zegt te zijn vastgebonden en te zijn geslagen en geschopt op zijn hele lichaam. Hij is voorts gestoken met een mes en met een hamer op zijn achterhoofd geslagen. Ook heeft hij gedurende een bepaalde tijd, met zijn handen op zijn rug gebonden, op zijn knieën en ellebogen moeten zitten.


Uit de opgemaakte letselrapportage (pag. 99 e.v. van het strafdossier) valt op te maken dat aangever ‘veel stomp inwerkend geweld op zijn lichaam heeft gehad. Hierdoor heeft hij veel pijn geleden. Verder is hij waarschijnlijk met een stomp voorwerp op zijn hoofd geslagen, waardoor zijn schedeldak gebroken is en hij licht traumatisch hersenletsel heeft opgelopen. Zijn neusbot is gebroken en zijn aangezicht is verwond geraakt door stomp inwerkend letsel. Op zijn borstkas zijn aanwijzingen dat hij is geschopt met een schoen/laars. De letsels op de armen zijn veroorzaakt door scherp inwerkend geweld, bijvoorbeeld een mes. De letsels op knieën en ellebogen bevestigen de verklaring van aangever dat hij op knieën en ellebogen heeft moet verblijven op de grond. De letsels op het bovenbeen zijn aanwijzend voor inwerkend trauma door een langwerpig voorwerp’.

De forensisch arts komt - zakelijk weergegeven - tot de navolgende conclusie:
De letsels zijn recent ontstaan en passen bij het opgegeven tijdsinterval. Of er blijvend letsel zal zijn, is nog onduidelijk. Het letsel past bij de opgegeven toedracht van het slachtoffer, voor zover hierboven geschetst.

Het is waarschijnlijk dat het slachtoffer met een zwaar plat voorwerp van ongeveer drie centimeter grootte op zijn achterhoofd is geslagen. Dit zou gebeurd kunnen zijn met een hamer of een vergelijkbaar voorwerp. Door stomp inwerkend geweld op het hoofd heeft aangever een grote kans gehad om zwaar of zelfs dodelijk hersenletsel op te lopen en hier of blijvend letsel aan over te houden of aan te overlijden. Ook het stomp inwerkend geweld op de borstkas (mogelijk met een voorwerp/schoen of laars) heeft als gevaarzetting dat er naast letsel aan de ribbenkast ook inwendig letsel aan vitale organen heeft kunnen optreden. De verwondingen aan de handen (door een scherp snijdend voorwerp; mogelijk een mes) zouden zeer wel zenuw-, pees- of bloedvatletsel tot gevolg kunnen hebben.

Op grond van de stukken in het strafdossier komt het hof - de loop der gebeurtenissen reconstruerend - op hoofdlijnen tot de volgende toedracht:
Aangever, die onder invloed van alcohol verkeert, komt op de late avond van vrijdag 27 september 2013 verdachte tegen in het centrum van Leeuwarden. Verdachte is een bekende van aangever. Eerder hebben zij een conflict gehad dat ging om een fiets. Aangever gaat in op een uitnodiging van verdachte om nog een biertje te komen drinken bij vrienden van verdachte. Aldaar aangekomen, bevinden zich in de kamer - naast verdachte en aangever- de beide medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Het betreft een woning, gelegen [a-straat 2] te Leeuwarden, die bestemd is voor kamerbewoning. [medeverdachte 2] bewoont één van de kamers. Al snel na binnenkomst is er sprake van een eerste handgemeen. Naar aanleiding van door verdachte in de richting van de aangever gemaakte toespelingen over de vermeende homoseksualiteit van [medeverdachte 1], krijgt laatstgenoemde een aantal trappen van de hierop agressief reagerende aangever.Door verdachte worden de gemoederen gesust. Nadat de rust is weergekeerd ziet [medeverdachte 1] dat er door verdachte iets - hij denkt een wit poeder - in het bier van aangever wordt gestopt. Iets waar ‘hij gewoon van zou gaan slapen, waar hij rustig van zou worden’, aldus [medeverdachte 1] (proces-verbaal ‘Bevindingen uitwerken verhoor verdachte van het verhoor d.d. 13 november 2013 van verdachte [medeverdachte 1], pag. 18). [medeverdachte 1] verlaat kort hierop de woning. Aangever valt daadwerkelijk in een diepe slaap want volgens [medeverdachte 2] is aangever niet meer wakker te krijgen. Verdachte heeft zich dan inmiddels al meester gemaakt van de huissleutels van de woning van aangever. Ook verdachte verlaat de woning en gaat naar huis, alwaar hij na enige tijd [medeverdachte 1] treft. [medeverdachte 1] had namelijk de huissleutels van de woning van verdachte in zijn bezit. Samen met [medeverdachte 1] gaat verdachte op zoek naar de woning van aangever om uit diens woning goederen te stelen. Maar men kan de woning van aangever niet vinden. Verdachte roept dan de hulp in van [medeverdachte 2]. Deze weet namelijk wel precies waar aangever woont. [medeverdachte 1] keert vervolgens terug naar de woning van [medeverdachte 2]. Naast [medeverdachte 2] en aangever, treft [medeverdachte 1] bij terugkeer in de kamer medeverdachte [medeverdachte 3]. Laatstgenoemde was op bezoek bij een medekamerbewoonster van [medeverdachte 2]. [medeverdachte 3] is door [medeverdachte 2] gevraagd om in zijn kamer een oogje in het zeil te houden. Of zoals [medeverdachte 1] het zegt: ‘Toen ik in de woning was vertelde [medeverdachte 2] (het hof begrijpt. [medeverdachte 2]) mij dat de andere buitenlandse man (het hof begrijpt: [medeverdachte 3]) er door hem bij was geroepen om [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer], aangever) vast te houden in de woning (proces-verbaal ‘Bevindingen uitwerken verhoor verdachte’ van het verhoor d.d. 20 november 2013 van verdachte [medeverdachte 1], pag. 5). [medeverdachte 3] zelf zegt dat hij is gevraagd om te helpen omdat de man niet rustig te houden was en dat hij slechts geholpen heeft hem rustig te houden (pag. 268 van het strafdossier). [medeverdachte 2] verlaat vervolgens zijn woning om naar verdachte te gaan. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] blijven in zijn kamer achter met de op dat moment slapende aangever.

Met gebruikmaking van de door verdachte bemachtigde huissleutels betreden verdachte en [medeverdachte 2] aangevers woning. Het nodige huisraad wordt weggenomen en verborgen in de schuur van een kennis van verdachte. Ondertussen is aangever in de woning van [medeverdachte 2] wakker geworden en opgestaan vanuit zijn zitplaats. Hij wordt, aldus [medeverdachte 1], door [medeverdachte 3] beetgepakt en terug gezet in zijn zitplaats en te verstaan gegeven dat hij moet blijven zitten. Ook als aangever aangeeft dat hij weg wil, mag hij de kamer niet verlaten. Hem wordt - aldus [medeverdachte 1] - gezegd dat hij moet wachten op verdachte (proces-verbaal Bevindingen uitwerken verhoor verdachte’ van het verhoor d.d. 20 november 2013 van verdachte [medeverdachte 1], pag. 45 e.v.). Wat er dan volgt is een duwen en trekken tussen aangever en [medeverdachte 3] dat uitmondt in een vechtpartij tussen beiden, waar ook [medeverdachte 1] bij betrokken raakt. Aangever krijgt klappen, hij wordt zelfs even met het snoer van een strijkijzer vastgebonden. Door [medeverdachte 3] wordt hij geslagen met een hamer; door toedoen van [medeverdachte 1] die zich van een mes bedient loopt hij snijverwondingen op. Het is [medeverdachte 1] geweest die beide attributen, het mes en de hamer, vanuit de woning van verdachte heeft meegenomen naar de kamer van [medeverdachte 2]. Verdachte wordt door [medeverdachte 1] gebeld met de vraag ‘waar blijf je want het gaat zo niet goed hier’ en ‘Jouw verantwoording voor wat er hier aan de hand is’ (proces-verbaal Bevindingen uitwerken verhoor verdachte’ van het verhoor d.d. 13 november 2013 van verdachte [medeverdachte 1], pag. 38). Op een gegeven moment - de woning van aangever is dan inmiddels van allerlei huisraad en andere goederen ontdaan - keren verdachte en [medeverdachte 2] weer terug in de woning van laatstgenoemde. Aangever mag dan de woning verlaten. Na een door [medeverdachte 1] opgestelde verklaring te hebben ondertekend met als inhoud dat aangevers verwondingen zijn veroorzaakt door een val van zijn fiets, wordt aangever vervolgens door verdachte de woning uitgewerkt en op zijn fiets gezet. Nagenoeg op dezelfde plaats wordt aangever na een melding liggend door de politie op de grond aangetroffen.

Juridische beoordeling van de feiten


In het licht van hetgeen is ten laste gelegd onder 1 en 2 dient te worden beoordeeld hoe het door medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] tegen aangever uitgeoefende geweld en het daardoor veroorzaakte letsel dient te worden gekwalificeerd. Betreft het een poging doodslag of dienen de gewelddadigheden te worden aangemerkt als (slechts) het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel of zelfs alleen maar een strafbare poging daartoe. Ook dient te worden beoordeeld of verdachte opzettelijk wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd. Vervolgens dient de vraag zich aan of er ten van aanzien van verdachte kan worden gesprokeneen bijdrage aan de feiten die kan worden aangeduid als medeplegen.

Het hof duidt het met zodanige kracht met een hamer op een hoofd slaan, dat dit een gebroken schedeldak ten gevolge heeft, als een dodingshandeling. Naar algemene ervaringsregels is een dergelijk handelen voorbestemd en geëigend om de dood van degene die wordt getroffen, te bewerkstelligen. Bij geweld van deze aard, omvang en gevaarzetting hoeft bij een bewezenverklaring van (een poging tot) een opzettelijke levensberoving niet te worden teruggevallen op een voorwaardelijk opzet-redenering. In juridisch opzicht is aangever derhalve het slachtoffer van een poging doodslag. Ook is hij bewijsbaar van zijn vrijheid beroofd.


Dan de vraag naar het daderschap van verdachte. Het strafdossier bevat onvoldoende – met name: overtuigend – bewijs dat verdachte op het moment dat er jegens aangever het bewezen te verklaren geweld is uitgeoefend en hij van zijn vrijheid is beroofd, aanwezig is geweest in de kamer waar dit plaatsvond. Ook ontbreekt overtuigend bewijs dat hij op enig ander moment zelf geweld jegens aangever heeft uitgeoefend. Kan verdachte onder deze door het hof vastgestelde omstandigheden dan nog worden aangemerkt als medepleger als hij zelf geen bijdrage heeft geleverd aan het uitgeoefende fysieke geweld? Als hij zelfs lijfelijk niet aanwezig was op het moment van de geweldstoepassing? En als hij zelf alleen maar aan het begin en aan het einde van de vrijheidsberoving aanwezig is geweest?

Het beoordelingskader luidt als volgt:
Medeplegen vereist bewijs van een nauwe en bewuste samenwerking. Bij de beoordeling van deze deelnemingsvorm kan de rechter – meer in het algemeen gesproken – rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient overigens opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties bestaat de verplichting voor de rechter om in de bewijsvoering aandacht te besteden aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Dat geldt in nog sterkere mate indien het hoofdzakelijk gaat om gedragingen die na het strafbare feit zijn verricht. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

Naar het hof vaststelt is het verdachte die zich meester heeft gemaakt van de huissleutels van de woning van aangever, dit met de kennelijke bedoeling toegang te krijgen tot die woning om huisraad te stelen. Kennelijk met het oogmerk om dit ongestoord te kunnen doen is het verdachte geweest die aangever heeft gedrogeerd.

Het hof kan de opmerking van de raadsman dat het geven van een kalmerend middel eerder lijkt te zijn ingegeven de alstoen explosieve aangever wat in te tomen dan dat het als bijdrage kan worden gezien voor de vrijheidsbeneming en in ieder geval haaks staat op later toegepast geweld, niet plaatsen. Explosieve gasten zijn doorgaans niet meer welkom en worden gebruikelijk de deur gewezen in plaats van dat hun aanwezigheid als gast enkel wordt gedoogd in een gedrogeerde hoedanigheid. En daarbij: om wiens woning ging het? In ieder geval niet die van verdachte.

Wanneer het kalmerend middel effect heeft gesorteerd, is voor verdachte de weg vrij om zijn voornemen tot uitvoering te brengen. Samen met [medeverdachte 1] gaat hij op dievenpad maar men kan de woning niet vinden. Verdachte is initiatiefnemer, organisator en regisseur van dit alles. Het frequente telefooncontact dat hij onderhoudt met medeverdachten past in dit beeld (pag. 309 e.v. van het strafdossier). Eerst met [medeverdachte 1], later met [medeverdachte 2] die nog thuis is met aangever en tot slot - wanneer [medeverdachte 2] op verzoek van verdachte naar hem toekomt om de woning van aangever aan te wijzen - wederom met [medeverdachte 1] als deze zich weer bij aangever gevoegd heeft. Verdachte, aldus [medeverdachte 1], had daar de touwtjes in handen. Hij heeft de boel uitgezet en bepaalde in principe wat er gebeurde. Vooral door de telefoon heeft hij gezegd dat aangever koste wat het kost daar gehouden moest worden (proces-verbaal ‘Bevindingen uitwerken verhoor verdachte’ van het verhoor d.d. 20 november 2013 van verdachte [medeverdachte 1], pag. 10; proces-verbaal verhoor getuige door de raadsheer-commissaris op 12 februari, pag. 3). [medeverdachte 3] spreekt ook over een prominente rol die verdachte speelt: verdachte was de oorzaak van het probleem. Hij was de mannen aan het opjutten, aan het stoken en gaf de opdrachten (pag. 270 van het strafdossier). Of zoals [medeverdachte 2] het onder woorden brengt: De hele mikmak is door [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) gebeurd. Het is allemaal door [verdachte] gebeurd, dat wij allemaal erin verzeild zijn geraakt (pag. 236 van et strafdossier). Het is derhalve verdachte die, zo kan worden vastgesteld op basis van verklaringen van medeverdachten die op dit punt steun vinden in elkaar, degene is geweest die de lakens uitdeelde. En dat [medeverdachte 1] vanuit het huis van verdachte een hamer en een mes had meegenomen, is een omstandigheid waarvan verdachte ook op de hoogte was, aldus [medeverdachte 1]. ‘Ik heb ze zelf gepakt (...) [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) wist ervan. [verdachte] was erbij’ (proces-verbaal verhoor getuige door de raadsheer-commissaris op 12 februari 2015, pag. 3). Ook uit de omstandigheid dat verdachte na de inbraak terug is gegaan naar de woning van [medeverdachte 2] leidt het hof af dat verdachte de regie over het geheel heeft gehad en wilde houden. Het na afloop uit een container halen van het mes, waarvan [medeverdachte 1] zich heeft ontdaan, alsmede het schoonmaken van dit mes door verdachte past in deze regievoering.


Samenvattend is verdachte de persoon die het plan bedenkt voor de diefstal in de woning van aangever, zich van de huissleutels van die woning voorziet, de aangever drogeert en achterlaat in de woning van [medeverdachte 2], de achterblijvers in de woning aangeeft dat het niet de bedoeling is dat aangever weg zou gaan, de mannen regelt die behulpzaam zullen zijn bij het leeghalen van de woning, ervan op de hoogte is dat [medeverdachte 1] uit zijn huis een hamer en een mes meeneemt wanneer [medeverdachte 1] zich weer vervoegt aan het adres waar de gedrogeerde aangever zich bevond en later - na de nodige huisraad buit te hebben gemaakt - bij terugkomst in de woning van [medeverdachte 2] de lakens uitdeelt bij de afhandeling van het delict. In het licht van de in de jurisprudentie gestelde eisen acht het hof de rol van verdachte in alle te onderkennen fasen van het voorval van verdachte dermate geprononceerd dat hij rechtens kan worden aangemerkt als medepleger aan het geweld en de vrijheidsberoving. Want verdachte kan in strafrechtelijke zin (mede) verantwoordelijk worden gehouden voor de tijdens de vrijheidsberoving uitgeoefende gewelddadigheden. Immers, gelet op voornoemde handelingen van verdachte, zijn bekendheid met de persoon van de aangever en zijn wetenschap omtrent de bewapening van [medeverdachte 1] en de staat waarin [medeverdachte 1] de aangever zou kunnen aantreffen, heeft verdachte welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de hamer en het mes door de medeverdachten ter hand zouden worden genomen teneinde aangever in bedwang te houden tijdens diens vrijheidsbeneming, ten gevolge waarvan [slachtoffer] dodelijk letsel zou bekomen.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de door verdachte gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde worden weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.”

3.5. Uit Hoge Raad 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m. nt. P.A.M. Mevis volgt onder meer dat voor de kwalificatie medeplegen een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen vereist is. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.

De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. De overwegingen in voornoemd arrest zijn in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en meer in het bijzonder met het oog op gevallen waarin het medeplegen niet bestaat in gezamenlijke uitvoering.1
Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.2
De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.3

3.6. De steller van het middel betoogt in de toelichting op het middel dat, nu de verdachte zelf geen uitvoeringshandelingen heeft verricht, zijn bijdrage aan de geweldshandelingen van onvoldoende gewicht is geweest om van medeplegen te kunnen spreken. Met de steller van het middel kan er van worden uitgegaan dat in deze zaak geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering van de jegens slachtoffer gepleegde geweldshandelingen. Er doet zich hier dus, met verwijzing naar het boven aangehaalde citaat uit het overzichtsarrest van de Hoge Raad uit 2014 over medeplegen, een ‘bijzondere, of afwijkende’ situatie voor waarbij in de bewijsvoering door het hof aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Uit de bewijsvoering volgt dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] de bewezenverklaarde geweldshandelingen jegens het slachtoffer hebben gepleegd. Het hof heeft echter niet alleen in de bewijsmiddelen, maar ook in een uitvoerige bewijsoverweging invulling gegeven aan de motivering dat de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt. Daaruit blijkt dat de verdachte het initiatief heeft genomen tot de vrijheidsberoving door het slachtoffer bij vrienden thuis uit te nodigen, hem te drogeren4 en zijn huissleutels weg te nemen met het oog op de door verdachte te plegen diefstal in de woning van slachtoffer. Weliswaar heeft de verdachte kort daarop zelf de woning verlaten om de beoogde diefstal te plegen, maar tijdens zijn afwezigheid heeft hij wel aan de achterblijvers de opdracht gegeven dat het slachtoffer coûte que coûte in de woning moest blijven. Dat laatste volgt uit de inhoud van bewijsmiddel 20 zoals is opgenomen in de aanvulling op het verkort arrest, inhoudende, als verklaring van [medeverdachte 1]:

“(…)Hoe je het ook wendt of keert, [verdachte] had daar de touwtjes in handen. Die heeft de boel uitgezet en die bepaalde ook in principe wat er gebeurde. Ik bedoel hij heeft dat gezegd. Dat heeft ie vooral door de telefoon gezegd... dat hij.... dat [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer]) koste wat het kost daar gehouden moest worden.

Ik heb die nacht telefonisch contact met [verdachte] gehad omdat hij met die inbraak zeg maar bezig was en dat ik daar in dat huis van [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2]) zat. Daarna nog een keer dat hij het niet kon vinden en toen moest [medeverdachte 2] er naar toe.”

Pas toen de verdachte na de diefstal terugkeerde naar de woning van medeverdachte, waar ook slachtoffer zich bevond, werd laatstgenoemde vrijgelaten.
In zijn oordeel dat verdachte kan worden aangemerkt als medepleger van het tijdens de vrijheidsberoving gepleegde geweld heeft het hof voornoemde feiten en omstandigheden tot uitgangspunt genomen. Voorts heeft het hof van belang geacht dat verdachte er van op de hoogte was dat [medeverdachte 1] uit het huis van verdachte een hamer en een mes heeft meegenomen naar de woning waar het gedrogeerde slachtoffer zich bevond. Daaromtrent heeft het hof in zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat verdachte aldus de “welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de hamer en het mes door de medeverdachten ter hand zouden worden genomen teneinde aangever in bedwang te houden tijdens diens vrijheidsbeneming, tengevolge waarvan [slachtoffer] dodelijk letsel zou bekomen.” Dit oordeel is in het licht van het geheel van de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden niet onbegrijpelijk.5 Uit de bewijsmotivering volgt dat het hof zijn oordeel omtrent het medeplegen heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waaruit voortvloeit dat de verdachte een substantiële bijdrage aan de bewezenverklaarde misdrijven heeft geleverd.6

Omtrent het opzet van de verdachte merk ik nog het volgende op. Het plan van de verdachte om een diefstal in de woning van aangever te plegen kan naar ik meen worden gezien als het ‘overkoepelende’ plan, waarbinnen de bewezenverklaarde feiten tot stand zijn gekomen. De beoogde diefstal vormde immers de reden dat het slachtoffer in de woning van [medeverdachte 2] werd gedrogeerd en daarna diende te worden vastgehouden door de medeverdachten. Dat het slachtoffer vervolgens de woning wil verlaten wanneer hij uit zijn diepe slaap ontwaakt, hij daarbij door de medeverdachten wordt tegengehouden waarbij – met hantering van de uit de woning van de verdachte door zijn mededader meegenomen ‘wapens’ een handgemeen ontstaat omdat de medeverdachten de opdracht van verdachte dat het slachtoffer koste wat kost in de woning moet blijven, opvolgen, ligt binnen de grenzen van hetgeen de verdachte, als voortvloeiende uit het algemene plan ‘op de koop toe’ moet hebben genomen. Dat daarbij – wellicht niet tevoren zo specifiek voorzien – ook een ‘medebewoner’ die te hulp was geroepen door [medeverdachte 1] een bijdrage leverde aan de geweldpleging mag ook onder het “generale” opzet van de medepleger worden begrepen. Ik trek hierbij een parallel met de vergelijkbare situatie waarin een uitgelokte persoon, zonder dat dit expliciet was afgesproken, ter realisering van het plan van de uitlokker een derde ‘inschakelt’ om het plan te volvoeren. Zie daarover De Hullu, Materieel strafrecht, 6e druk, p. 481 en de daar in voetnoot 298 genoemde jurisprudentie.7 De in het onderhavige geval zich voordoende vorm van medeplegen heeft bepaalde overeenkomsten met de deelnemingsvorm uitlokking, aangezien de dader zich op afstand bevindt. Daaraan is inherent dat de daadwerkelijke uitvoerders naar gelang de zaak zich ontwikkelt bepaalde, voor de verdere uitvoering noodzakelijke acties zullen ondernemen. Voor zover acties die vallen binnen hetgeen naar algemene ervaringsregels zich te verwachten valt in het kader van de “criminele onderneming” zullen die naar ik meen aan het opzet van de medepleger worden toegerekend. Dat verschijnsel doet zich hier eveneens voor.

3.7. In het licht van de uit de bewijsvoering volgende intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding en de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, getuigt het oordeel van het hof dat de verdachte als medepleger van de gepleegde geweldshandelingen kan worden aangemerkt, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk, terwijl het toereikend is gemotiveerd.

3.8. Het middel faalt en kan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie ook Hoge Raad 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716, Hoge Raad 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:883 (rov. 3.3), Hoge Raad 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1808 (rov. 2.4).

2 Hoge Raad 2 december 2014, ECLI:NL:HR: 2014:3474, m.nt. Mevis (rov. 3.2.2).

3 Hoge Raad 2 december 2014, ECLI:NL:HR: 2014:3474, m.nt. Mevis (rov. 3.2.3).

4 Het toedienen van een slaapmiddel (of daarmee gelijk te stellen stof) levert op zichzelf geen vrijheidsberoving op, maar dat neemt niet weg dat het drogeren van een persoon wel degelijk gebruikt kan worden als middel om vrijheidsberoving te bewerkstelligen, zie HR 20 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5468 en de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge vóór HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:882, onder punt 4.9.

5 Vgl. voor wat betreft de redenering ten aanzien van het voorwaardelijk opzet ook HR 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1472 (Bacchus), waarin de Hoge Raad het oordeel van het hof in stand heeft gelaten dat inhield dat de verdachte er vanuit moet zijn gegaan dat zijn broer een pistool bij zich had en door toch terug te gaan naar (muziek)café Bacchus de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn broer het gemeenschappelijk verlangen om het café weer binnen te komen kracht zou bijzetten door te schieten op de toegangsdeur.

6 Vgl. voor een vergelijkbare benadering in een situatie waarin geen sprake was van een gezamenlijke uitvoering van de moord, maar de verdachte wel een substantiële bijdrage aan het misdrijf heeft geleverd, de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt vóór HR 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:169.

7 In het eerste genoemde geval – NJ 1982, 492 – verwijst de conclusie van mijn illustere ambtgenoot Leijten ook nog naar het befaamde arrest van de HR inzake de gezonken “Hope”, in welke casus de uitgelokte machinist het stoomvissersvaartuig met behulp van een ander naar de kelder van de Noordzee deed gaan (HR 21 december 1914, NJ 1915, p. 376).