Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:243

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-02-2017
Datum publicatie
12-04-2017
Zaaknummer
16/02765
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:647, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Moord (art. 289 Sr). Bewijsklachten over voorbedachte raad. HR: art. 81.1. RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/02765

Zitting: 28 februari 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 29 april 2016 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “moord”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor duur van twintig jaren, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft voorts de teruggave gelast van een aantal in beslaggenomen voorwerpen, een en ander als vermeld in het bestreden arrest. Het hof heeft ten slotte de vorderingen van de benadeelde partijen al dan niet gedeeltelijk toegewezen en de verdachte dienaangaande schadevergoedingen opgelegd, een en ander zoals bepaald in het bestreden arrest.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel

3.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaarde “voorbedachte raad” niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen dan wel ontoereikend is gemotiveerd.

3.2. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:

“hij op 10 september 2013 te 's-Hertogenbosch opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, [slachtoffer] meermalen met een mes gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”

3.3. De verdachte is ook in eerste aanleg veroordeeld voor moord. De verdediging heeft zich in hoger beroep gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van de doodslag maar verweer gevoerd ten aanzien van de ten laste gelegde voorbedachte raad. Het hof heeft het bewijs van het tenlastegelegde feit neergelegd in een promis-bewijsoverweging, naar de inhoud waarvan ik verwijs. Het bestreden arrest bevat voorts de volgende bewijsoverwegingen1:

“H. Bewijsoverwegingen

Aangepaste verklaring van de verdachte

De verdachte is in hoger beroep teruggekomen op de verklaring die hij ten overstaan van de rechtbank had afgelegd. De verdachte heeft op zijn verzoek eerst een nieuwe verklaring afgelegd in de beslotenheid van het kabinet van de raadsheer-commissaris; daarover is hij vervolgens ter terechtzitting in hoger beroep bevraagd. Zijn nieuwe verklaring komt erop neer dat hij bij de rechtbank heeft gelogen toen hij zei dat hij niets met de dood van [slachtoffer] had te maken. Vanwege zijn ontkennende proceshouding heeft hij, zoals hij het zelf omschreef, “maar gewoon een lulverhaal verteld”. Volgens zijn verklaring in hoger beroep is hij in de vroege ochtend van 10 september 2013 met de trein van Utrecht naar Den Bosch gegaan om te kijken of het goed zou kunnen komen en anders wilde hij op zijn minst zijn verontschuldigingen aanbieden voor de bedreigingen die hij had geuit. Hij wilde dat doen voordat hij op wereldreis zou gaan. Die wereldreis zou hij vier of vijf dagen later (op zaterdag 14 of zondag 15 september 2013) beginnen en het plan was om via Moskou naar China en Japan te gaan (volgens zijn verklaring bij de raadsheer-commissaris) om vervolgens door te reizen naar Zuid-Azië (volgens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep). Voor deze wereldreis had hij naar zijn zeggen ook het junglemes, de duct tape en de tierips gekocht (volgens zijn verklaring bij de raadsheer-commissaris ten behoeve van een survivaltocht; volgens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep was het niet zijn bedoeling te gaan survivallen en was het meer voor het geval zich een noodgeval zou voordoen). Hij had deze voorwerpen in zijn schoudertas gedaan en daarin zaten die, naar het hof begrijpt min of meer toevallig, nog steeds toen hij [slachtoffer] ging opzoeken.

Hij heeft die ochtend anderhalf uur gewacht op [slachtoffer] en kreeg een gevoel van blijdschap toen hij haar zag. Toen hij op haar afliep, zag hij aan de blik in haar ogen dat hij niets meer voor haar betekende (volgens zijn verklaring bij de raadsheer-commissaris). Het kan ook zijn dat ze dat met woorden heeft duidelijk gemaakt (volgens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep). Het volgende moment dat hij zich kon herinneren was dat [slachtoffer] op de grond lag en dat hij zelf onder het bloed zat. Wat er in de tussenliggende tijd is gebeurd, kan hij zich niet herinneren. Hij begreep niet wat er was gebeurd en is weggelopen. Bij een meertje heeft hij de weg naar het station gevraagd. Hij heeft de groene trui ergens uitgedaan en achtergelaten. Hij kan zich niet meer herinneren dat hij het mes heeft achtergelaten, maar in de trein terug naar Utrecht had hij het niet meer bij zich.

In de trein realiseerde hij zich deels wat er was gebeurd. Hij probeerde zich tevergeefs te herinneren wat er was voorgevallen. Na een bezoek aan zijn moeder, bij wie hij heeft gedoucht, is hij naar [betrokkene 1] gegaan en daar heeft hij op het internet gezien dat [slachtoffer] was overleden.

Verweer van de verdediging

De raadsman heeft, indachtig deze door de verdachte afgelegde verklaring, aangevoerd dat het bewijs tekortschiet om te kunnen vaststellen dat de verdachte [slachtoffer] met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd. Daarbij heeft hij het perspectief geschetst van de problemen die zich kunnen aandienen bij een eerste serieuze relatie tussen twee jongeren. In dat verband heeft hij gewezen op het feit dat [slachtoffer] kort voor het verbreken van de relatie blijk heeft gegeven van affectieve gevoelens voor de verdachte. Uit de berichtenwisseling zou kunnen worden afgeleid dat [slachtoffer] op dat moment nog niet goed wist wat ze wilde.

Tegen die achtergrond is het niet onvoorstelbaar dat de verdachte, zoals uit zijn verklaring naar vorenkomt, de hoop koesterde dat het goed zou kunnen komen. De verdachte heeft in hoger beroep toegegeven verantwoordelijk te zijn voor de dood van [slachtoffer], maar heeft ontkend dat er sprake was van een vooropgezet plan. Die verklaring wordt door geen enkel bewijsmiddel weersproken en daarom zou moeten worden geconcludeerd, aldus de raadsman, dat de besluitvorming van de verdachte kennelijk heeft plaatsgevonden in een plotselinge hevige emotie en dat - vanwege de zeer korte tijdspanne tussen het besluit en de uitvoering - onvoldoende gelegenheid heeft bestaan voor beraad. De omstandigheden die de rechtbank ten grondslag heeft gelegd aan haar andersluidende oordeel, kunnen dat oordeel volgens de raadsman niet dragen.

Juridisch kader

Het hof stelt bij de beoordeling van dit verweer voorop dat voor bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

Weging en waardering van de verklaring van de verdachte

Het hof heeft, zoals kan worden afgeleid uit de vastgestelde feiten en omstandigheden, de door de verdachte in hoger beroep afgelegde verklaring gewogen en gewaardeerd. De uitkomst van die weging en waardering is dat aan die verklaring moet worden voorbijgegaan.

Het hof overweegt daartoe in de eerste plaats dat die verklaring in het geheel niet aansluit bij de door de getuige [getuige] nauwgezet gevolgde en beschreven gang van zaken. Uit haar verklaring kan immers worden opgemaakt dat de verdachte, die zich gedurende enige tijd verdekt had opgesteld, plots scheldend in de richting van de brandgang is gerend. Een schriller contrast met de verklaring van de verdachte is welhaast niet mogelijk. De verdachte heeft namelijk verklaard dat hij bij het zien van [slachtoffer] een gevoel van blijdschap kreeg en normaal op haar is afgelopen.

Het hof stelt vast dat de verklaringen niet met elkaar zijn te rijmen en dat gesteld noch gebleken is dat er redenen bestaan om de verklaring van de getuige [getuige] in twijfel te trekken. Daar staat tegenover dat bij de verklaring van de verdachte wel ernstige vraagtekens moeten worden gesteld.

In dat verband wordt allereerst opgemerkt dat de verdachte in deze strafzaak aantoonbaar bereid is geweest om leugenachtig te verklaren. Volgens de verdachte heeft hij dit gedaan op aanraden van zijn vorige raadsman. Het hof constateert echter dat de verdachte de kern van zijn ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring reeds uit eigen beweging tegenover de politie naar voren heeft gebracht, hoewel zijn voormalige raadsman hem had geadviseerd om een consequent beroep te doen op het zwijgrecht (de verdachte noemde dat “de standaard slogan” van zijn advocaat). Hij heeft immers al tijdens een van de eerste politieverhoren verklaard dat hij de bewuste ochtend in Den Bosch is geweest om de periode met [slachtoffer] goed af te sluiten, dat hij die dag geen groene hoody droeg (die had hij al lang niet meer) en dat hij - buiten andere plekken die hem aan haar deden denken - alleen een keer langs haar huis is gelopen. De verdachte heeft aldus laten blijken zelfstandig strategische keuzes te maken. Dat maakt dat ook zijn in hoger beroep afgelegde verklaring met de nodige behoedzaamheid tegemoet moet worden getreden.

Het hof heeft de inhoud van die verklaring daarom nauwkeurig geanalyseerd en is vervolgens tot de conclusie gekomen dat de verklaring op belangrijke onderdelen niet kan kloppen.

Zo heeft de verdachte als reden voor zijn bezoek aan [slachtoffer] opgegeven dat hij zijn verontschuldigingen wilde aanbieden voor de door hem geuite bedreigingen en voorts wilde bezien of hun relatie wellicht zou kunnen worden hersteld, maar een aardigheid (zoals een bosje bloemen of een doosje bonbons) om die bedoeling te onderstrepen had hij niet bij zich en - belangrijker nog - die bedoeling blijkt evenmin uit de wijze waarop hij [slachtoffer] heeft benaderd. Bij het zien van [slachtoffer] heeft hij haar niet vriendelijk aangeroepen en zijn excuses aangeboden, maar is hij scheldend op haar afgerend. Dat een weinig hartelijke blik van [slachtoffer] de aanleiding zou zijn voor de uitbarsting, acht het hof niet aannemelijk. Nog daargelaten dat de verdachte gelet op de door hem geuite bedreigingen op een dergelijke reactie bedacht moet zijn geweest, valt niet te verwachten dat [slachtoffer] bij het zien van de verdachte zou doorlopen naar een doodlopende brandgang waarvan zij eerst de poort (met de rug naar de verdachte toe) zou moeten openen. [slachtoffer] vreesde immers dat de verdachte de bedreigingen waar zou maken en was naar eigen zeggen op haar hoede.

De vastgestelde feiten en omstandigheden wijzen op een geheel ander scenario, namelijk dat [slachtoffer] de brandgang heeft betreden om haar fiets uit de schuur te halen (zij had haar sleutel kennelijk al in het slot van de schuurdeur gestoken) waarna de verdachte haar volledig heeft verrast (getuige [getuige] hoorde gegil vanuit de brandgang toen de verdachte die richting op rende).

Een ander belangrijk onderdeel van de verklaring van de verdachte - de wereldreis -, overtuigt naar het oordeel van het hof evenmin. In verband met die wereldreis zou de verdachte [slachtoffer] juist die dag hebben opgezocht. De verdachte zou vier of vijf dagen later met de trein vertrekken naar Moskou en vervolgens naar China en Japan om uiteindelijk in Zuid-Azië te belanden. De verdachte had echter nog geen treinticket aangeschaft, wist niet of voor een van die landen een visum was vereist en had een paspoort dat nog maar korte tijd geldig was. Dat wekt bevreemding, te meer nu de verdachte bij de politie zelf naar voren heeft gebracht dat voor een dergelijke reis “bepaalde voorzorgsmaatregelen” moeten worden getroffen, “zoals visa en dat soort shit aanvragen” (de verdachte verklaarde dat te hebben gedaan en geld te hebben uitgegeven, maar kennelijk was ook dat een leugen). Het hof kan dan ook geen geloof hechten aan de verklaring van de verdachte dat hij een wereldreis zou gaan maken. Dat betekent dat het hof evenmin geloof hecht aan zijn verklaring dat hij in dat kader het junglemes, de duct tape en de tierips heeft aangeschaft en niet door heeft gehad dat die voorwerpen nog in zijn (volgens de getuige [getuige] bol staande) schoudertas zaten toen hij [slachtoffer] opzocht.

Ook de claim van de verdachte dat zijn geheugen hem in de steek heeft gelaten op de momenten dat het geweld moet zijn toegepast, acht het hof apert ongeloofwaardig. Van juist die momenten - momenten die normaal gesproken een diepe indruk achterlaten - zegt hij zich in het geheel niets te herinneren. Hij zegt zich daarentegen weer wel te herinneren dat hij is weggerend toen hij [slachtoffer] zag liggen en zelf onder het bloed zat. Vervolgens zou zijn herinnering weer ontbreken: hij weet dat hij zich van zijn groene hoody heeft ontdaan, maar herinnert zich niet waar en aan het wegmaken van het mes en zijn tas heeft hij in het geheel geen herinneringen meer. Dat hij daadwerkelijk aan een dergelijk (fragmentarisch en blijvend) geheugenverlies lijdt, is echter niet onderbouwd en is naar het oordeel van het hof ook niet aannemelijk. Bij de gedragskundige onderzoeken van de verdachte zijn geen aanwijzingen voor een geheugenstoornis- of problematiek gevonden. Verder kan ook in de telefoongesprekken die de moeder van de verdachte heeft gevoerd, een aanwijzing worden gevonden dat het geheugenverlies zich niet heeft voorgedaan: gesprekken waarin zij vertelt over het geheugenverlies waarmee de verdachte kampt werden namelijk niet onderschept, maar wel blijkt uit gesprekken van 11 september 2013 dat zij haar vriendin [betrokkene 2] heeft verteld dat de verdachte haar “gisterenmiddag” heeft gezegd “dat hij dat meisje heeft vermoord”.

Het hof is gelet op al het voorgaande van oordeel dat ook de door de verdachte in hoger beroep afgelegde verklaring, voor zover deze althans niet tot het bewijs is gebruikt, als ongeloofwaardig en onaannemelijk terzijde moet worden geschoven.

Aanwijzingen voor en tegen aanwezigheid van voorbedachte raad

Wat het hof niet in twijfel trekt, is dat de verdachte affectieve gevoelens heeft gehad voor [slachtoffer] en dat die gevoelens tot voor de verbreking van de relatie wederzijds waren.

Het hof kan de raadsman in zoverre volgen dat die gevoelens kunnen pleiten tegen de aanwezigheid van voorbedachte raad om de ander van het leven beroven.

Daar staat echter tegenover dat diezelfde affectieve gevoelens na verlating door de ander ook kunnen omslaan in wanhoop of zelfs wrok. Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat dit laatste bij de verdachte is gebeurd. Vastgesteld is immers dat de verdachte enige tijd na de breuk is overgegaan tot het bedreigen van [slachtoffer].

De inhoud van die bedreigingen waren zeer specifiek en hebben zich ook in die specifieke vorm gerealiseerd. Het hof is gelet daarop met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat de bedreigingen in dit geval vóór de aanwezigheid van voorbedachte raad pleiten.

Dat geldt des te meer nu niet is gebleken dat de verdachte op die bedreigingen is teruggekomen. Integendeel, de vastgestelde feiten en omstandigheden geven juist blijk van een verdere gedachtenvorming bij de verdachte daaromtrent. De verdachte heeft namelijk vijf dagen voor zijn aanhouding, dus op 5 september 2013, aan een goede vriend ([betrokkene 1]) gevraagd of hij hem in staat achtte om iemand te vermoorden. Bij het hof bestaat geen twijfel over het tijdstip waarop deze vraag is gesteld. De verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij die vraag heeft gesteld op de dag dat hij [slachtoffer] om het leven heeft gebracht, maar ook die verklaring verdient geen geloof. Het hof overweegt in dat verband dat [betrokkene 1] in zijn verklaring tot tweemaal toe uitdrukkelijk heeft gesteld dat de verdachte de vraag vijf dagen voor zijn aanhouding heeft gesteld. De tweede keer heeft hij dat met een specifiek detail in verband gebracht: de verdachte droeg die bewuste dag zijn groene sweater met capuchon. Die context past niet bij het tijdstip dat de verdachte heeft genoemd. De verdachte heeft zich na het doden van [slachtoffer] immers ontdaan van de groene sweater; hij heeft deze dus in geen geval gedragen bij het bezoek dat hij later die dag aan [betrokkene 1] heeft gebracht.

Een aanwijzing die ook voor de aanwezigheid van voorbedachte raad pleit, is het feit dat de verdachte op 4 september 2013 een junglemes, duct tape en tierips heeft aangeschaft. In het licht van de ongeloofwaardige verklaring die de verdachte daaromtrent heeft gegeven en de vraag die de verdachte de volgende dag aan [betrokkene 1] heeft gesteld, interpreteert het hof die aanschaf als een vorm van bewapening met het oog op een te plegen moord.

Op 10 september 2013 - een dag van bijzondere betekenis voor de verdachte: twee jaar eerder had de relatie met [slachtoffer] een aanvang genomen - heeft de verdachte zich verder bewapend. Het hof leidt uit de vastgestelde feiten en omstandigheden af dat de verdachte - behalve het junglemes, de duct tape en de tierips - ook een wit keramisch mes en een knipmes bij zich had. De advocaat-generaal heeft derhalve terecht naar voren gebracht dat de verdachte met maar liefst drie messen van huis moet zijn gegaan. Eenmaal in Den Bosch gearriveerd, is de verdachte richting de woning van [slachtoffer] gegaan. Daar heeft hij zich verdekt opgesteld, probeerde kennelijk herkenning door een buurtbewoner te voorkomen (volgens getuige [getuige] trok de verdachte continu aan zijn capuchon om zijn gezicht te bedekken) en wekte hij de indruk op iets of iemand te wachten. Na ongeveer anderhalf uur te hebben gewacht, heeft hij [slachtoffer] in de brandgang met een of meerdere messen aangevallen. Een van die messen - het junglemes - heeft hij daarvoor, zo volgt uit zijn eigen verklaring, eerst met drie handelingen voor gebruik klaar moeten maken. Het hof is van oordeel dat dit samenstel van omstandigheden onmiskenbaar wijst op de aanwezigheid van voorbedachte raad bij de verdachte.

Het hof stelt ten slotte vast dat een contra-indicatie voor de aanwezigheid van voorbedachte raad evenmin kan worden gevonden in het gedrag van de verdachte nadat hij [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. Noch de politie, noch de ambulance werd ingeschakeld. Wel heeft de verdachte zich bekommerd om zijn eigen belang: hij heeft zich ontdaan van zijn bebloede hoody, de messen en zijn schoudertas, en is vervolgens naar zijn moeder gegaan om daar te douchen. Er zijn geen aanwijzingen dat de verdachte met extreme emoties te kampen heeft gehad.

Conclusie

Resumerend komt het hof tot de conclusie dat er sprake is van een opeenstapeling van factoren die voor de aanwezigheid van voorbedachte raad pleiten. Uit het bewijs komt het beeld naar voren van een verdachte die planmatig en weloverwogen te werk is gegaan. Het hof stelt vast dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op zijn te nemen of genomen besluit om [slachtoffer] van het leven te beroven en dat van serieuze contra- indicaties geen sprake is. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Het hof is met andere woorden met de advocaat-generaal van oordeel dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.”

3.4.

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte enige tijd na de relatiebreuk met het slachtoffer, [slachtoffer], is overgegaan tot het bedreigen van [slachtoffer]2 en dat niet is gebleken dat de verdachte op die bedreigingen is teruggekomen, maar dat hij zijn gedachten daaromtrent juist verder heeft gevormd, nu hij vijf dagen voor het gepleegde feit aan een goede vriend ([betrokkene 1]) heeft gevraagd of hij hem in staat achtte om iemand te vermoorden. De verdachte heeft voorts zes dagen voor het gepleegde feit een junglemes, duct tape en tierips aangeschaft, welke aanschaf in het licht van zijn ongeloofwaardige verklaring daaromtrent moet worden geïnterpreteerd als een vorm van bewapening. Op de dag waarop het feit is gepleegd – op welke datum twee jaar daarvoor de relatie met het slachtoffer begonnen was - had de verdachte deze voorwerpen bij zich, alsmede een wit keramisch mes en een knipmes. De verdachte heeft zich verdekt opgesteld nabij de woning van [slachtoffer] en heeft geprobeerd herkenning door een buurtbewoner te voorkomen. Na ongeveer anderhalf uur wachten heeft hij [slachtoffer] in de brandgang met een of meerdere messen aangevallen, terwijl hij het junglemes daarvoor eerst met drie handelingen gebruiksklaar heeft moeten maken. Het hof heeft geoordeeld dat dit samenstel van omstandigheden onmiskenbaar wijst op de aanwezigheid van voorbedachte raad bij de verdachte, dat een beeld naar voren komt van een verdachte die planmatig en weloverwogen te werk is gegaan, dat hij voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op zijn te nemen of genomen besluit om [slachtoffer] van het leven te beroven, dat van een serieuze contra-indicatie geen sprake is en dat het hof er vanuit gaat dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

3.5.

Door aldus te oordelen heeft het hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend gemotiveerd3 geoordeeld dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.4

3.6.

Voor zover het middel op de opvatting berust dat de feitenrechter in zijn bewijsvoering moet aangeven “wanneer het moordplan zou zijn opgevat en wanneer dat plan dusdanig concreet was dat er sprake was van voorbedachte raad” faalt het, omdat die opvatting geen steun vindt in het recht. Het besluit om iemand te doden kan immers ook genomen worden gedurende een bepaald verloop van tijd.5 Zo heeft het hof in de onderhavige zaak geoordeeld dat de door de verdachte geuite bedreigingen richting [slachtoffer] voor voorbedachte raad pleiten en dat de verdere door het hof vastgestelde omstandigheden blijk geven van een verdere gedachtenvorming daaromtrent. Voor zover de steller van het middel het “in dat verband van belang acht” dat de door het hof vastgestelde omstandigheid dat de verdachte, die zich gedurende enige tijd verdekt had opgesteld, “eerst kennelijk rustig en daarna plotseling scheldend rennend” in de richting van de brandgang is gerend lijkt te passen bij een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, welke eerst toen is ontstaan, merk ik op dat het hof niet heeft vastgesteld dat de verdachte eerst “kennelijk rustig” heeft gerend, maar aannemelijk heeft geacht dat hij bij het zien van [slachtoffer] gelijk scheldend op haar is afgerend en haar volledig heeft verrast terwijl zij de brandgang betrad om haar fiets uit de schuur te halen. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

3.7.

Het middel klaagt ten slotte dat het hof heeft verzuimd vast te stellen a) hoeveel tijd gepaard is gegaan met het openklappen en voor gebruik gereed maken van het junglemes en b) of de verdachte gedurende die tijd daadwerkelijk gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, heeft het hof zijn oordeel dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad gebaseerd op “een opeenstapeling van factoren”. Een van deze factoren is de omstandigheid dat de verdachte ongeveer anderhalf uur heeft gewacht nabij de woning, een andere factor is dat hij het junglemes “eerst met drie handelingen voor gebruik klaar heeft moeten maken”. Daaruit blijkt reeds dat het hof – niet onbegrijpelijk – heeft gemeend dat de gelegenheid om na te denken zich in ieder geval reeds voordeed gedurende de anderhalf uur waarin hij heeft gewacht en derhalve niet pas kort voorafgaande aan het gebruiksklaar maken van het mes. Het middel faalt ook in zoverre.

3.8.

Het middel faalt.

4. Het middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Voor de leesbaarheid van de conclusie met weglating van de door het hof gebruikte voetnoten.

2 Welke bedreigingen blijkens de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden onder meer inhouden (p. 3 arrest): “Now you have done it, you and I share the same fate, no you have really pissed me off lady. […] you will pay with blood for this, ever last drop of your blood I will see flowing, ferry ferry soon.”

3 Ik verwijs daarbij naar de nadere motiveringseisen die de Hoge Raad stelt bij het bewezen verklaren van voorbedachte raad. Sinds zijn arrest van 28 februari 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518 m.nt. Keulen) is de Hoge Raad nadere eisen gaan stellen aan (het bewijs van) voorbedachte raad, hetgeen inmiddels tot behoorlijk wat vernietigingen in cassatie heeft geleid. De meeste vernietigingen houden verband met een onterechte aanname dat er voldoende bezinningstijd was.

4 Vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1520. De casus lijkt enigszins op de onderhavige zaak, al is het bewijs in de onderhavige zaak overvloediger. De verdachte was uit een café in de Leliestraat gezet wegens ruzie met het latere slachtoffer. Hij heeft zich een kwartier daarna bewapend met een mes opgesteld in een straat vlakbij het café en gedurende zes minuten diverse keren naar de ingang van de Leliestraat gelopen en nadrukkelijk de straat ingekeken. Toen het slachtoffer het café verliet is de verdachte de straat ingelopen en heeft hij het mes met enige moeite uitgeklapt en het slachtoffer met kracht in zijn buik gestoken. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat was gericht tegen de bewezenverklaarde voorbedachte raad.

5 Vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1411.