Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:241

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-02-2017
Datum publicatie
11-04-2017
Zaaknummer
16/01911
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:645, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling n.a.v. de door het Hof bewezenverklaarde bedreiging van P.R. de Vries met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling. Ingevolge art. 15g, eerste volzin, Sr kan de rechter de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel of gedeeltelijk herroepen indien de veroordeelde een daaraan verbonden voorwaarde niet heeft nageleefd. Blijkens de wetsgeschiedenis komt herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking indien sprake is van een ernstige schending van zo een voorwaarde. De rechter dient derhalve aan de hand van de omstandigheden van het geval te bepalen welke reactie op overtreding van een voorwaarde passend is. Hij is daarbij vrij in de keuze en de waardering van de factoren die voor zijn beslissing van belang zijn. Het Hof heeft dit een en ander niet miskend. Aan zijn overwegingen ligt immers als juiste maatstaf ten grondslag dat de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval moet bepalen welke reactie op overtreding van de aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling verbonden voorwaarde passend en geboden is. Zijn oordeel dat de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor toewijzing in aanmerking komt is, gelet op hetgeen het Hof blijkens zijn overwegingen heeft vastgesteld, niet onbegrijpelijk en behoefde in het licht van hetgeen namens verdachte t.tz. in h.b. is aangevoerd geen nadere motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01911

Zitting: 28 februari 2017 (bij vervroeging)

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 30 maart 2016 door het hof Amsterdam wegens feit 2 primair “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (maanden) met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Het hof heeft voorts de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toegewezen en heeft gelast dat het gedeelte van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 juli 2009 onder parketnummer 23-000306-08 opgelegde vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, groot 1.095 (duizend vijfennegentig) dagen, alsnog geheel wordt ondergaan.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt over het ontbreken van een reactie op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt betreffende de straftoemeting.

  4. Volgens de cassatieschriftuur bevatten de volgende passages uit de in het proces-verbaal van de zitting van het hof van 16 maart 2016 gevoegde pleitaantekeningen het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat zowel de in eerste aanleg opgelegde straf als de in hoger beroep gevorderde straf een onbegrijpelijke afwijking betekenen van de in de Richtlijn voor strafvordering bedreiging (Stcrt. 2015, 40616) in het vooruitzicht gestelde strafbedreiging:

"Volgens die richtlijn zal bij een mondelinge bedreiging, zonder gebruik van een vuurwapen, een geldboete van 250 euro worden gevorderd, indien de dader een first offender is. Bij eenmalige recidive binnen vijf jaren, kan de vordering omhoog naar een geldboete van 375 euro. Is sprake van eenmalige recidive binnen twee jaren, dan kan in plaats van een geldboete van 375 euro ook een taakstraf van 28 uren worden gevorderd. Bij herhaalde recidive zal, aldus de richtlijn, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 20 dagen worden gevorderd.

In deze zaak is volgens de tenlastelegging sprake van een mondelinge bedreiging. Er is geen wapen gebruikt om de bedreiging kracht bij te zetten. Omdat [verdachte] eenmaal eerder is veroordeeld voor een bedreiging - die langer dan vijf jaar geleden heeft plaatsgevonden - zou het dus conform de Richtlijn voor strafvordering bedreiging in de lijn der verwachting liggen dat een geldboete van 375 euro wordt geëist.

Als het openbaar ministerie van die richtlijn afwijkt en het een aanmerkelijk zwaardere straf vordert, moet het met goede argumenten komen. Die kunnen worden gevonden in de bijzonderheden die in de richtlijn worden genoemd als (mogelijke) omstandigheden die tot een hogere eis aanleiding kunnen geven. De in de richtlijn genoemde bijzonderheden doen zich in deze casus echter geen van allen voor.

Een reden voor een hogere eis dan die in de richtlijn wordt voorgeschreven, kan het openbaar ministerie vanzelfsprekend evenmin vinden in de naam of de reputatie van de verdachte ( [verdachte] ) of in de naam of de reputatie van het slachtoffer ( [slachtoffer] ). De naam of de reputatie van de verdachte noch de naam van het slachtoffer is in de richtlijn aangemerkt als een bijzonderheid die tot een verhoging van de eis aanleiding kan geven. Het zou ook raar zijn als in deze zaak een hogere straf wordt geëist, omdat het slachtoffer [slachtoffer] heet en de verdachte [verdachte] .

In eerste aanleg kon het openbaar ministerie een afwijking van de Richtlijn voor strafvordering bedreiging nog maskeren, omdat het zijn vordering toen baseerde op het standpunt dat twee delicten bewezen konden worden verklaard: zowel de bedreiging van [slachtoffer] als de veronderstelde poging tot afpersing van [betrokkene 1]. Voor die beide feiten zou, aldus de officieren van justitie, een gevangenisstraf van één jaar en zes maanden zijn aangewezen.

In hoger beroep zal het openbaar ministerie zich daar niet meer achter kunnen verschuilen. [verdachte] is door de rechtbank immers vrijgesproken van de veronderstelde poging tot afpersing van [betrokkene 1]. Hij is alleen veroordeeld voor de bedreiging van [slachtoffer] . Daarvoor heeft hij een gevangenisstraf gekregen voor de duur van 46 dagen.

Tegen die veroordeling heeft [verdachte] geen hoger beroep ingesteld. Dat had vooral een praktische achtergrond: de hem in eerste aanleg opgelegde straf had [verdachte] ten tijde van het vonnis reeds uitgezeten.

Het openbaar ministerie heeft wel beroep ingesteld, maar niet tegen de vrijspraak voor de veronderstelde poging tot afpersing. Het gaat het openbaar ministerie om de hoogte van de in eerste aanleg opgelegde straf en om de beslissing op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Het standpunt dat het openbaar ministerie daarover inneemt, kan alleen maar verbazing oproepen. In eerste aanleg is voor een mondelinge bedreiging namelijk al een heel veel zwaardere straf opgelegd dan volgens zijn eigen richtlijn is aangewezen. Dat het openbaar ministerie toch nog niet tevreden is en dat het in hoger beroep een nog zwaardere straf vordert dan reeds in eerste aanleg is opgelegd, is onbegrijpelijk. De vertegenwoordigers van het openbaar ministerie hebben ook in hoger beroep geen goede argumenten benoemd die tot een afwijking van de richtlijn aanleiding zouden kunnen geven - laat staan tot een nog zwaardere straf dan die door de rechtbank is opgelegd.

Zo'n goede reden kan overigens ook niet worden gevonden in het strafrechtelijk verleden van [verdachte] . In de Richtlijn voor strafvordering bedreiging is dat strafrechtelijk verleden immers al meegenomen: het kan leiden tot een iets hogere geldboete. Bovendien heeft de rechtbank de - in vergelijking met de richtlijn - zware straf al geheel en al in het teken gezet van de vaststelling dat [verdachte] een recidivist is.

(…)

Over die ernst (van het delict, toevoeging SF) heeft het openbaar ministerie zich in de Richtlijn voor strafvordering bedreiging uitgelaten: in een zaak als deze kan met een geldboete worden volstaan. Dat zou ook voor uw gerechtshof moeten gelden."

5. Het hof heeft een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden opgelegd. Het heeft daartoe overwogen:

"Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de bedreiging van het slachtoffer [slachtoffer] . Om 22.00 uur 's avonds heeft de verdachte bij de woning van het slachtoffer aangebeld en hem vervolgens in het bijzijn van diens echtgenote buitengewoon bedreigende woorden toegevoegd. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij de situatie zeer intimiderend vond. Hij kreeg de indruk dat de verdachte hem ieder moment te lijf kon gaan en had het gevoel dat een fatale escalatie ophanden was. [slachtoffer] dacht dat er geweld tegen hem gebruikt zou worden en het was voor hem duidelijk dat het slecht met hem zou aflopen als de verdachte dat daadwerkelijk zou doen. Volgens het slachtoffer moeten de bedreigingen van de verdachte worden gezien in de context van de persoon die hij is en de reputatie die hij heeft, waarvan de verdachte zich terdege bewust is, aldus [slachtoffer] . De echtgenote van [slachtoffer] heeft verklaard dat de verdachte bloeddoorlopen ogen had en dierlijk gedrag vertoonde; het was haar duidelijk dat hij een geweldsdelict wilde plegen. De politie heeft geconstateerd dat [slachtoffer] overstuur was en dat met name zijn echtgenote [betrokkene 2] aangedaan was.

Bedreiging is een ernstig feit dat een grote impact kan hebben op het slachtoffer en diens naasten, zoals ook in dit geval blijkt uit de verklaringen van [slachtoffer] en [betrokkene 2] . Bedreiging maakt voorts inbreuk op het gevoel van veiligheid van de getuigen daarvan. De uitingen van de verdachte zijn in het onderhavige geval temeer laakbaar, omdat de verdachte zijn bedreiging 's avonds laat heeft geuit aan de voordeur van de woning van het slachtoffer, een plek in de privésfeer waar men zich veilig moet kunnen voelen.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 2 maart 2016 is hij eerder ter zake van onder meer soortgelijke feiten onherroepelijk veroordeeld tot langdurige gevangenisstraffen. Het onderhavige feit is gepleegd in de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de verdachte in het kader van een aan hem ter zake van diverse geweldsmisdrijven als ook meerdere bedreigingen tegen het leven gericht, opgelegde gevangenisstraf. Dit alles heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een soortgelijk strafbaar feit te plegen, hetgeen het hof hem zwaar aanrekent."

6. Op het – in de woorden van de steller van het middel – onderbouwde standpunt, heeft het hof niet gereageerd. Een verplichting daartoe ontbreekt ook, omdat van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, Sv mijns inziens geen sprake is. De stelling in cassatie dat de rechter in de strafmotivering moet reageren op het standpunt van de verdediging dat een niet op een interne OM-richtlijn1 gebaseerde strafeis niet moet worden gevolgd, vindt - in ieder geval in het algemeen - geen steun in het recht. Ik zou dus menen dat hier wel sprake is van een begin van een onderbouwd standpunt, maar dat op zijn minst zou dienen te worden onderbouwd op basis waarvan – mogelijk juist in dit bijzondere geval – wordt gemeend dat de rechter is gehouden te motiveren dat hij straft conform de eis die niet overeenstemt met een interne richtlijn van het openbaar ministerie. Dan pas is sprake van uitdrukkelijke onderbouwing, al betekent dat uiteraard nog niet dat het ook hout snijdt. Aan de algemene motiveringseisen voor de straf is in het onderhavige geval voldaan. Het hof heeft in de straftoemeting niet ontoereikend of onbegrijpelijk uitgelegd dat vier maanden gevangenisstraf hier op zijn plaats was en daarbij in verschillende opzichten laten blijken dat hier sprake is geweest van een – in mijn woorden – bijzonder geval van een ernstig kaliber.

7. Het eerste middel faalt.

8. Het tweede middel klaagt erover dat het hof bij de beoordeling van de vordering tot herroeping ten onrechte volledige herroeping van het nog niet tenuitvoergelegde strafrestant als uitgangspunt heeft genomen, althans dat de beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is, mede gelet op hetgeen daaromtrent als onderbouwd standpunt naar voren is gebracht.

9. Het hof heeft de beslissing op de vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling (zaaknummer v.i.: 99-000083-391) als volgt gemotiveerd:

“De veroordeelde is bij arrest van dit gerechtshof van 3 juli 2009 onder parketnummer 23-000306-08 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek van voorarrest.

De veroordeelde is in die zaak op 27 januari 2012 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De officier van justitie heeft op 17 maart 2014 een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling ingediend bij de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem. Deze vordering strekt tot geheel of gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in verband met de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak onder 2 primair bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. De vordering van het openbaar ministerie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling is derhalve gegrond, waarna het hof op grond van het bepaalde in artikel 15j, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan gelasten dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel of gedeeltelijk moet worden ondergaan.

Het hof overweegt in dit verband dat het voor de effectiviteit van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling van het grootste belang is dat aan het door een veroordeelde overtreden van de aan hem gestelde voorwaarden strenge gevolgen worden verbonden. Aan de hand van de omstandigheden van het geval zal door de rechter, die over de vordering tot herroeping heeft te oordelen, moeten worden bepaald welke reactie op de overtreding van de voorwaarden passend en geboden is. Uitgangspunt is naar het oordeel van het hof dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel dient te worden ondergaan, tenzij de ernst van het delict van het feit dat tot de vordering tot herroeping heeft geleid zulks disproportioneel zou doen zijn of bijzondere omstandigheden gebleken of aannemelijk geworden zijn op grond waarvan van dit uitgangspunt dient te worden afgeweken. Van dergelijke omstandigheden is in het onderhavige geval geen sprake. De veroordeelde is voorwaardelijk in vrijheid gesteld na veroordeling ter zake van onder meer afpersing, mishandeling en een aantal bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht. Het thans bewezenverklaarde feit betreft wederom een (ernstige) bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Bovendien is de veroordeelde in het verleden reeds eerder wegens ernstige feiten (afpersing in vereniging en medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving) tot een langjarige gevangenisstraf veroordeeld. Het hof ziet alles afwegende derhalve geen reden af te wijken van genoemd uitgangspunt dat als reactie op overtreding van de bij voorwaardelijke invrijheidstelling gestelde voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit de volledige herroeping van die voorwaardelijke invrijheidstelling dient te volgen.

Namens de veroordeelde is - zonder daaraan uitdrukkelijk consequenties te verbinden - nog naar voren gebracht dat de vordering niet onverwijld na het plegen van het thans bewezenverklaarde feit is ingediend, namelijk pas na bijna 11 maanden. Die vaststelling is weliswaar juist, doch doet, na ambtshalve toetsing aan artikel 6 EVRM, niet af aan de noodzaak tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, noch de duur daarvan.

Gelet op het voorgaande zal het hof de vordering toewijzen en gelasten dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel moet worden ondergaan.”

10. Voor zover geklaagd wordt over het onjuiste uitgangspunt van het hof het volgende. In de hierboven opgenomen overwegingen formuleert het hof in een lange zin (met een hobbeltje: ‘ernst van het delict van het feit’) inderdaad een uitgangspunt. Het door het hof gebruikte woord ‘uitgangspunt’ laat op zich zelf genomen uitzonderingen toe. Het is dus niet zo dat het hof als maatstaf kiest dat bij overtreding van voorwaarden volledige tenuitvoerlegging van het nog niet ondergane ‘voorwaardelijke’ strafrestant moet plaatsvinden. De door het hof aan het begin van de bestreden zin gekozen bewoordingen (‘Uitgangspunt is (…) geheel dient te worden ondergaan’) zijn weliswaar nogal fors, maar na het woordje ‘tenzij’ worden in ruime bewoordingen uitzonderingen op het uitgangspunt geformuleerd. In de bestreden zin wordt door de steller van het middel meer gelezen dan er staat. Zo lees ik er bijvoorbeeld niet in dat overtreding van bijzondere voorwaarden van welke ernst of aard dan ook steeds zou moeten leiden tot volledige tenuitvoerlegging van het strafrestant. Die absurditeit heeft het hof zonder enige twijfel niet voor ogen.

11. In 1976 werd (onder de oude regeling van de VI) de mogelijkheid geïntroduceerd beroep tegen de beslissing van de minister van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in te stellen bij de penitentiaire kamer van het hof Arnhem. Deze kamer kende groot gewicht toe aan de omstandigheid dat invrijheidstelling hoe dan ook op enig moment zou plaatsvinden. De gedachte daarachter was dat de tijdelijke gevangenisstraf immers hoe dan ook zou expireren. Het hof koos vervolgens het uitgangspunt van gedeeltelijke herroeping om zo de mogelijkheid open te laten dat er nog enige tijd voorafgaande aan de definitieve afloop van de straf voorwaarden konden gelden.2 Het uitgangspunt van gedeeltelijke herroeping vormt het spiegelbeeld van het uitgangspunt dat het Amsterdamse hof in het bestreden arrest hanteert.

12. Het is bij een vaststaande overtreding van voorwaarden zowel onjuist om gedeeltelijke herroeping tot maatstaf te verheffen als om te kiezen voor volledige herroeping als maatstaf. Bij de herroeping gaat het er immers om bij een afweging van alle in aanmerking komende factoren waaronder dus eventueel ook de straf die voor een nieuw feit wordt opgelegd te beoordelen of kan worden volstaan met een gedeeltelijke herroeping of niet. De toelichting op het middel wijst terecht op onder meer de wetsgeschiedenis3 waaruit een nevenschikking van gehele en gedeeltelijke herroeping blijkt. Evenals bij de oplegging van de straf4 is de rechter bij de beslissing tot herroeping vrij te bepalen of deze geheel of voor een deel zal plaatsvinden en is hij tevens vrij bij het bepalen en waarderen van de factoren die in aanmerking moeten worden genomen. Ik zie niet in dat het hof deze vrijheid bij het formuleren van het uitgangspunt volledig uit het oog heeft verloren. Dat de rechter een eigen beoordelingsruimte5 heeft om te beslissen een op zich zelf gegronde vordering tot herroeping geheel of gedeeltelijk toe te wijzen6, miskent het hof niet.

13. Voor zover nog geklaagd wordt dat de overweging van het hof onbegrijpelijk is, wijs ik er op dat de waarderingsvrijheid van de in aanmerking te nemen factoren zo groot is dat voor toetsing in cassatie niet veel ruimte is. Het betreft een in hoofdzaak feitelijke beoordeling. Het hof heeft mede gelet op de motivering van de beslissing in aanmerking genomen dat – in mijn woorden – sprake is van een bijzonder geval van een ernstig kaliber. Ook als in aanmerking wordt genomen dat de duur van de opgelegde gevangenisstraf voor de bedreiging (vier maanden) en de duur van het ten uitvoer te leggen strafrestant (drie jaar) aanzienlijk verschillen, is het gelet op de motivering van het hof niet zonder meer onbegrijpelijk dat het strafrestant volledig wordt tenuitvoergelegd. Art. 359, tweede lid, Sv noopte het hof niet tot een nadere motivering. De slotzin van die bepaling is hier niet van toepassing.

14. De steller van het middel moet worden toegegeven dat de formulering van het uitgangspunt door het hof mogelijk aanleiding tot misverstand geeft. Ik kan mij voorstellen dat de door het hof gebruikte minder gelukkige bewoordingen de Hoge Raad aanleiding geven de puntjes op de i te zetten en tot uitdrukking te brengen dat de rechter bij overtreding van voorwaarden niet zonder meer gehouden is tot volledige toewijzing, maar dat het om een afweging gaat van verschillende factoren. Bij de vraag welke factoren in aanmerking worden genomen en hoe die moeten gewaardeerd heeft de feitenrechter als bij de straftoemeting een grote vrijheid.

15. De middelen falen en het eerste middel kan in ieder geval worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vlg. Richtlijn voor strafvordering bedreiging, Stcrt. 2015, 40616.

2 Zie Th. W. Van Veen, De voorwaardelijke invrijheidstelling, de rechtspraak van het hof te Arnhem, RM Themis 1979, p. 4-29.

3 TK 2005-2006, 30513, nr. 3. p. 9, 14, 15, 24, TK 2006-2007, 30513, nr. 6, p. 27, EK 2007-2008, 30513, E, p. 2. Zie verder ook ECLI:NL:PHR:2017:63.

4 Daarover Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 2015, p. 310.

5 De steller van het middel wijst er terecht op dat dit ook blijkt uit de verwerping van een amendement tot invoering van de rechterlijke verplichting tot integrale toewijzing van de vordering tot herroeping bij overtreding van de voorwaarden. Zie TK 2006-2007, 30 513, nr. (10 en)13 en TK 20 maart 2007, 50-2971. Dat er ook bij de indiening van de vordering beoordelingsvrijheid is, blijkt uit de Aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling, Stcrt. 2012, 5379.

6 Onder bijzondere omstandigheden is afwijzing denkbaar, maar die vraag ligt hier niet voor.