Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:227

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-03-2017
Datum publicatie
16-06-2017
Zaaknummer
16/01840
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1106, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad, hinder. Onrechtmatige stankhinder bij exploitatie pluimveebedrijf tussen 2002-2008? Mocht het hof bij de beoordeling van die vraag inspiratie putten uit normen van de in 2007 van kracht geworden Wet geurhinder en veehouderij?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2017/103 met annotatie van mr. Y. Bosschaart
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 16/01840

mr. F.F. Langemeijer

Zitting: 10 maart 2017

Conclusie inzake:

1. [eiser 1]

2. [eiseres 2]

tegen

1. [verweerder 1]

2. [verweerder 2]

3. [verweerder 3]

4. [verweerder 4]

5. [verweerder 5]

6. [verweerder 6]

In deze zaak gaat het om de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder in de vorm van stankoverlast vanuit een pluimveebedrijf, in een periode tussen 2002 en 2008 waarin dit bedrijf niet beschikte over een onherroepelijke vergunning op grond van de Wet milieubeheer.

1 Feiten en procesverloop

1.1.

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten zoals vastgesteld door het hof in het tussenarrest van 17 februari 2015 onder 4.1 – 4.7:

1.1.1.

[eiser 1] dan wel [eiseres 2] heeft van 14 november 2002 tot 1 september 2008 een pluimveebedrijf geëxploiteerd op het adres [a-straat 1] te Groesbeek, welk bedrijf [eiser 1] in 1996 had gekocht. Onder meer bij besluit van 6 november 2001 had het college van burgemeester en wethouders (B en W) van de gemeente Groesbeek hem daartoe een (revisie)vergunning verleend op grond van de Wet milieubeheer. Eerdere vergunningen (van 27 oktober 1977 en 21 februari 1996) waren inmiddels vervallen.

1.1.2.

Bij uitspraak van 20 november 2002 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de vergunning van 6 november 2001 vernietigd, omdat bij de aanvraag voor de vergunning geen milieu-effectrapport was overgelegd.1 [eiser 1] dan wel [eiseres 2] heeft de inrichting vervolgens in werking gehouden, al dan niet gesteund door gemeentelijke gedoogbeschikkingen.

1.1.3.

Het college van B en W van de gemeente heeft [eiser 1] op 1 maart 2006 wederom een vergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend. Deze vergunning is door de Afdeling bestuursrechtspraak vernietigd bij uitspraak van 22 november 2006.2 De Afdeling overwoog onder meer:

‘2.5.1. Verweerder heeft bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder (hierna: de Richtlijn) gehanteerd voor zover het de omrekeningsfactoren naar mestvarkeneenheden en de minimaal aan te houden afstanden betreft. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën heeft hij de brochure Veehouderij en Hinderwet gehanteerd. Bij de beoordeling van de cumulatieve stankhinder heeft hij het rapport ‘Beoordeling cumulatie stankhinder door intensieve veehouderij’ (Publicatiereeks Lucht 46; hierna: het rapport) als uitgangspunt genomen.

2.5.2.

Niet in geschil is dat ten aanzien van het nabij de inrichting gelegen sportcomplex Achilles ’29 niet wordt voldaan aan de op grond van de Richtlijn aan te houden afstand en evenmin aan de criteria van het rapport. Uitgaande van de tribune van het sportcomplex, bedraagt de afstand tot het dichtstbijzijnde emissiepunt van de inrichting 159 meter, waar op grond van de Richtlijn een afstand van 319 meter zou moeten worden aangehouden. De cumulatieve stankhinder bedraagt ter plaatse 3,19. Vaststaat verder dat de vergunning van 27 oktober 1977 met het onherroepelijk worden en in werking treden van de vergunning van 21 februari 1996 op grond van artikel 8.4, vierde lid, van de Wet milieubeheer is komen te vervallen en dat de vergunning van 21 februari 1996 op grond van artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer is komen te vervallen, zodat vergunningverlening niet kan worden gebaseerd op bestaande rechten.

Verweerder heeft het desondanks redelijk geacht om bij de beoordeling van de stankhinder met de vergunning van 27 oktober 1977 rekening te houden, aangezien op basis daarvan lange tijd legaal legkippen zijn gehouden en de beslissing van vergunninghouder om de destijds vergunde situatie te wijzigen een direct gevolg is van een tussen hem, verweerder, het sportcomplex en horecabedrijf De Linde gesloten overeenkomst. Indien de bij het bestreden besluit vergunde situatie wordt vergeleken met de in 1977 vergunde situatie, is volgens verweerder wat de stankhinder ter plaatse van het sportcomplex Achilles ‘29 betreft sprake van een aanzienlijke verbetering, nu de afstand tussen de tribune van het sportcomplex en het dichtstbijzijnde emissiepunt van de inrichting destijds slechts 10 meter bedroeg.

2.5.3.

De Afdeling is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij, met een verwijzing naar in het verleden bestaand hebbende rechten, zo sterk is afgeweken van de door hem bij de beoordeling van de stankhinder gekozen uitgangspunten, neergelegd in de Richtlijn en het rapport. In dat verband acht de Afdeling van belang dat de in 1977 vergunde situatie, bestaande uit het houden van 75.000 legkippen, weliswaar lange tijd heeft bestaan, maar dat daaraan blijkens het verhandelde ter zitting in 1999 een einde is gekomen en er vervolgens op het perceel van de inrichting tot eind 2002 geen legkippen zijn gehouden.

Nadien is op grotere afstand van het sportcomplex en andere bebouwing de thans vergunde inrichting gerealiseerd en zijn de stallen van de voorheen bestaande inrichting afgebroken. Hier komt bij dat de afstand tussen de tribune van het sportcomplex Achilles ‘29 en het dichtstbijzijnde emissiepunt van de inrichting ten opzichte van de in 1977 vergunde situatie weliswaar toeneemt van 10 meter naar 159 meter, maar dat, als gevolg van een uitbreiding van het aantal legkippen met 225.000 stuks, de op grond van de Richtlijn aan te houden afstand toeneemt van 227 meter naar 319 meter. Gezien het voorgaande heeft verweerder zijn standpunt dat zich ter plaatse van het sportcomplex Achilles ‘29 geen onaanvaardbare stankhinder voordoet onvoldoende gemotiveerd. (..)’

1.1.4.

Op 3 april 2007 heeft de gemeente [eiser 1] opnieuw een vergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend. Ook deze vergunning is door de Afdeling wegens een motiveringsgebrek vernietigd, bij uitspraak van 27 februari 2008.3 De Afdeling voorzag zelf in de zaak en weigerde de gevraagde vergunning.

1.1.5.

[eiser 1] dan wel [eiseres 2] heeft de inrichting op 1 september 2008 – onder dreiging van handhaving (last onder dwangsom) – buiten werking gesteld.

1.1.6.

Vanaf 2 februari 2011 beschikt [eiser 1] over een nieuwe vergunning voor een inrichting met een andere bedrijfsvoering (minder dieren en een gewijzigde luchtventilatiehuishouding).

1.1.7.

Verweerders in cassatie (hierna gezamenlijk aangeduid als: de woningeigenaren) waren in de periode van 14 november 2002 tot 1 september 2008, of een deel daarvan, ieder afzonderlijk eigenaar van een recreatiewoning in het villapark ‘De Zeven Heuvelen’, gelegen aan de Cranenburgsestraat te Groesbeek in de omgeving van het (voormalige) pluimveebedrijf van [eiser 1] dan wel [eiseres 2]

1.2.

De woningeigenaren hebben in de onderhavige, op 7 januari 2011 ingeleide procedure een verklaring voor recht gevorderd dat [eiser 1] en/of [eiseres 2] (hierna gezamenlijk in enkelvoud aan te duiden als: [eiseres 2]) onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld door deze inrichting in werking te hebben zonder vergunning. Daarnaast hebben zij gevorderd dat [eiseres 2] zal worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding ter zake van onrechtmatig toegebrachte stankhinder in de periode van 14 november 2002 tot 1 september 2008.

1.3.

[eiseres 2] heeft verweer gevoerd en primair een beroep gedaan op bevrijdende verjaring. Bij tussenvonnis van 5 oktober 2011 heeft de rechtbank Arnhem dit beroep op verjaring gedeeltelijk gehonoreerd. Bij tussenvonnis van 29 februari 2012 en in haar eindvonnis van 27 juni 2012 is de rechtbank teruggekomen op de verjaringsdatum, in die zin dat schade welke geleden is vóór 1 april 2003 niet voor vergoeding in aanmerking komt. De beslissing over het beroep op verjaring is in hoger beroep vergeefs ter discussie gesteld, maar vormt in cassatie geen punt van geschil meer.4

1.4.

In haar eindvonnis heeft de rechtbank voor recht verklaard dat [eiseres 2] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de woningeigenaren. De rechtbank heeft [eiseres 2] veroordeeld tot betaling van schadevergoedingen aan ieder van de woningeigenaren tot de in het vonnis genoemde bedragen, en daarnaast tot vergoeding van onderzoekskosten. De redengeving van de rechtbank hield samengevat het volgende in:

- In de relevante periode (14 november 2002 tot 1 september 2008) heeft [eiseres 2] de inrichting steeds in werking gehad zonder vergunning, hoewel deze was vereist. De aanwezigheid van eventuele gedoogbeschikkingen maakt dat niet anders. De exploitatie van de hinder veroorzakende inrichting zonder vergunning is onrechtmatig jegens de woningeigenaren. Dat [eiseres 2] sinds 2 februari 2011 op dezelfde locatie over een nieuwe onherroepelijke vergunning beschikt, leidt niet tot een andere gevolgtrekking: het gaat daar om een wezenlijk andere bedrijfsvoering met minder dieren en een drie keer zo lage geurbelasting als gevolg van een gewijzigde luchtventilatiehuishouding (rov. 2.4 – 2.5 tussenvonnis 29 februari 2012).

- Ter beantwoording van de vraag of in de gehele relevante periode sprake is geweest van stankhinder, kan inspiratie worden ontleend aan de maatstaven uit de op 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Aan de hand van een door de woningeigenaren overgelegd rapport van [A] Milieuadvisering5, waarin de criteria uit de Wgv zijn toegepast op de stankhinder voor de recreatiewoningen van de woningeigenaren en waarin de rapporteur tot de slotsom komt dat in de situatie waarin de stal met volledige bezetting (300.000 legkippen) in werking was, de geurbelasting 5 tot 7 ou (odour units) per kubieke meter bedraagt, waarmee de norm van 2,0 ou/m³ binnen de bebouwde kom aanzienlijk wordt overschreden. Wat betreft de aard van de geur, zou de genoemde geurbelasting ‘onaangenaam’ tot ‘zeer onaangenaam’ zijn conform de systematiek van NVN 2818 (rov. 2.8 – 2.9 tussenvonnis 29 februari 2012)6.

- De rechtbank heeft de materiële schade bepaald aan de hand van de verminderde huurwaarde van de recreatiewoningen in de relevante periode. De rechtbank heeft het door de woningeigenaren overgelegde rapport van een taxatiebureau gevolgd (uitkomend op een verminderde huurwaarde van € 150,- per maand)7. Immateriële schade komt niet voor vergoeding aan de woningeigenaren in aanmerking (rov. 2.10 – 2.13 tussenvonnis 29 februari 2012).

1.5.

Partijen hebben van weerszijden hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Bij incidenteel arrest van 28 januari 2014 heeft het hof de appelzaken gevoegd. Met zijn derde grief heeft [eiseres 2] de onrechtmatigheid van de stankhinder aan de orde gesteld. In het tussenarrest van 17 februari 2015 heeft het hof deze grief verworpen, na te hebben overwogen:

‘5.14. Het ten tijde van de onderhavige vergunningverlening vigerende vergunningsstelsel van de Wet milieubeheer strekt ertoe de omgeving van de inrichting te beschermen tegen vanuit de inrichting komend ‘onheil’. Afstandseisen tot aangrenzende percelen als door [[eiseres 2]] bedoeld worden in de Wet milieubeheer als zodanig niet gesteld. Van de ten tijde van de verlening van de onderhavige (mede op verzoek van de Vereniging ‘Villapark De Zeven Heuvelen’ vernietigde) vergunningen gebruikte beleidsregels (Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 en de brochure Veehouderij en Hinderwet) is door [de woningeigenaren] met het in eerste aanleg als productie 9 overgelegde rapport van [A] bovendien - verder onbestreden - geadstrueerd dat deze beleidsregels (‘het traditionele toetsingskader’) geen bruikbare milieutechnische inzichten bieden voor de vaststelling van het feitelijke geurhinderniveau (zie par. 3.1 en 3.2 van het rapport van [A]). Vanaf januari 2007 geldt de Wet geurhinder en veehouderij. Op basis van die regelgeving komt [A] in verband met de geurbelasting ter plaatse van de woningen van [de woningeigenaren] in zijn rapport tot de volgende conclusie:

‘De geurbelasting ter plaatse van de woningen van uw cliënten heeft in de situatie waarin de stal met volle bezetting (300.000 legkippen) in werking was, 5 à 7 ou/m³ bedragen. Dit is 2,5 à 3,5 maal meer dan de norm van 2 ou/m³. De norm van 2 ou/m³ wordt wettelijk als acceptabel hinderniveau gezien voor geurgevoelige objecten in een bebouwde kom. In de systematiek van het RIVM komt de feitelijk opgetreden geurhinder overeen met een tamelijk slecht tot slecht leefklimaat (hinderpercentages tussen de 21% en 26%). Op basis van de aard van de geur zouden de genoemde geurbelastingen onaangenaam tot zeer onaangenaam zijn (conform de systematiek NVN 2818).’

Evenals de rechtbank in het bestreden vonnis van 29 februari 2012 onder 2.8 acht het hof het onder deze, als zodanig niet bestreden, omstandigheden en min of meer ernstig hinderniveau juist om ter beantwoording van de vraag of voor [de woningeigenaren] sprake is geweest van vanuit de - zonder vergunning in werking zijnde - inrichting komend onheil, waartegen de Wet milieubeheer [de woningeigenaren] bescherming beoogde te bieden, inspiratie te putten uit de door [A] toegepaste maatstaven van de Wet geurhinder en veehouderij. Uit het op die Wet gebaseerde, in zoverre onbestreden, oordeel van [A] omtrent het feitelijke hinderniveau (tamelijk slecht tot slecht leefklimaat en onaangename tot zeer onaangename geurbelastingen) blijkt voldoende van - onrechtmatig - vanuit de inrichting komend onheil voor [verweerders], waartegen de Wet milieubeheer ook [de woningeigenaren] bescherming bood.

5.15

Bij gebrek aan genoegzaam verweer van [[eiseres 2]] zal het hof dus uitgaan van een situatie waarin van handelen dat [[eiseres 2]] bij vergunningverlening zou zijn toegestaan, in de onderhavige periode (van 14 november 2002 tot 1 september 2008) noch vóór noch na 1 januari 2007 sprake is geweest. Het desbetreffende handelen van [[eiseres 2]] is mede onrechtmatig jegens [de woningeigenaren], die in zoverre van onheil als gevolg van bedoeld onrechtmatig handelen voor hen sprake is geweest, geacht moeten worden mede onder het beschermingsbereik van het in de Wet milieubeheer opgenomen vergunningsregime te vallen en daaraan bescherming konden ontlenen. Aan het relativiteitsvereiste is in zoverre voldaan.

Dit geldt tevens voor het causaliteitsvereiste ten aanzien van de voor [de woningeigenaren] schadelijke gevolgen van bedoeld onrechtmatig handelen van [[eiseres 2]]. Grief 3 faalt derhalve.’

1.6.

Na bespreking van enige geschilpunten die in cassatie geen rol meer spelen, heeft het hof bij eindarrest van 8 december 2015 het hoger beroep van de woningeigenaren verworpen en, op het hoger beroep van [eiseres 2], de beroepen vonnissen bekrachtigd behalve wat betreft het aan de geïntimeerde onder 6 toegewezen schadebedrag. Met vernietiging in zoverre van de beroepen vonnissen, heeft het hof diens schadevergoeding bepaald op € 4.196,41.

1.7.

[eiseres 2] heeft – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. Partijen hebben hun stellingen schriftelijk laten toelichten, waarna [eiseres 2] heeft gerepliceerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.

De middelonderdelen 1 tot en met 3 betreffen het vraagstuk of [eiseres 2] onrechtmatig jegens de woningeigenaren heeft gehandeld door de inrichting van 2002 – 2008 in gebruik te houden. Onderdeel 1 concentreert zich op de vraag of het hof deze gedraging ten onrechte heeft getoetst aan normen (voor het verlenen van een vergunning) die eerst vanaf de inwerkingtreding van de Wet geurhinder en veehouderij op 1 januari 2007 golden. Onderdeel 2 houdt hiermee verband. Het keert zich tegen de overweging dat [eiseres 2] niet de stelling van de woningeigenaren heeft bestreden dat de feitelijke mate van stankoverlast getoetst zou moeten worden aan de hand van de criteria in het rapport [A]. Onderdeel 3 voegt hieraan toe dat deze klachten gelden voor zowel de (denkbeeldige) situatie waarin [eiseres 2] over de vereiste vergunning beschikte als voor de situatie waarin [eiseres 2] niet beschikte over een geldige vergunning (doordat de vergunning was vernietigd en de vergunningaanvraag door de Afdeling Bestuursrechtspraak is afgewezen).

2.2.

Onderdeel 1 klaagt dat het hof bij de beoordeling of [eiseres 2] onrechtmatige hinder heeft toegebracht aan de woningeigenaren, had moeten toetsen aan het ten tijde van de gestelde hinder geldende toetsingskader. Dit kader wordt volgens het middelonderdeel gevormd door de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna kortweg: de Richtlijn 1996) en de Brochure Veehouderij en Hinderwet 1985 (hierna kortweg: de Brochure). Dit toetsingskader gold in ieder geval tot 1 januari 2007, het tijdstip waarop de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking is getreden, en volgens [eiseres 2] zelfs tot 27 februari 2008 (de datum van de vernietiging door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de verleende vergunning). De praktische betekenis hiervan is, dat volgens dat kader een bepaalde minimumafstand moest worden aangehouden tussen de inrichting die de geurhinder veroorzaakt en de te beschermen objecten (in dit geval: de in de nabijheid gelegen recreatiewoningen van de woningeigenaren): volgens [eiseres 2] voldeed de afstand tussen beide ruimschoots aan deze norm: de minimumafstand is 400 meter en de werkelijke afstand tot de dichtstbijzijnde woning op het villapark is 427 meter8. Het cassatiemiddel komt, naar de kern genomen, neer op het verwijt van ‘hindsight bias’: het verwijt dat het hof onvoldoende heeft onderkend dat sprake is geweest van een ontwikkeling, waarbij de normen voor stankoverlast vanuit (pluim)veehouderijen in de loop der jaren steeds verder zijn aangescherpt. Ten onrechte heeft het hof bij zijn oordeel over de (on)rechtmatigheid van de hinder zich niet georiënteerd op de objectieve normen die in de periode vóór 1 januari 2007 golden (de minimaal aan te houden afstand tot de recreatiewoningen van de woningeigenaren), maar in feite het toetsingskader van de eerst op 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) gehanteerd. Tot zover de klacht.

2.3.

Voor zover onderdeel 1 ervan uitgaat dat het hof de vóór 1 januari 2007 nog niet toepasselijke maatstaven van de Wgv rechtstreeks heeft gehanteerd, mist de klacht feitelijke grondslag. In rov. 5.14 van het tussenarrest van 17 februari 2015, reeds geciteerd, heeft het hof overwogen dat de Wet milieubeheer zelf geen eisen stelt aan de afstand tussen de inrichting die de geurhinder teweegbrengt en de locatie waar geurhinder wordt ondervonden. Volgens het hof hebben de woningeigenaren gesteld, en met het rapport [A] nader onderbouwd, dat ook de ten tijde van de vergunningverlening gebruikte beleidsregels (te weten de Richtlijn 1996 en de Brochure) geen bruikbare milieutechnische inzichten bieden voor de vaststelling van het feitelijke niveau van de geurhinder. Het hof heeft, ter beantwoording van de vraag of feitelijk sprake is geweest van stankoverlast waartegen de Wet milieubeheer bescherming beoogde te bieden, zich laten inspireren door de maatstaven voor geurhinder die in het rapport [A] zijn toegepast. Die maatstaven zijn geënt op de (eerst op 1 januari 2007 in werking getreden) Wet geurhinder en veehouderij. Uit het op die maatstaven gebaseerde resultaat van het onderzoek van [A] naar het niveau van de feitelijke geurhinder blijkt volgens het hof voldoende dat sprake was van een uit de inrichting komend onheil voor de woningeigenaren waartegen de Wet milieubeheer bescherming bood.

2.4.

Als wettelijk kader voor de beoordeling van de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder kan art. 5:1 (lid 2) en, voor naburige erven, art. 5:37 in verbinding met art. 6:162 BW worden genomen. In art. 5:37 BW is bepaald dat de eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens art. 6:162 BW onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder mag toebrengen, zoals door (onder meer) het verspreiden van stank. Of het verspreiden van stank of andere vormen van hinder onrechtmatig is, is afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade, in verband met de verdere omstandigheden van het geval waaronder de plaatselijke omstandigheden9.

2.5.

De ernst van de hinder neemt binnen dit beoordelingskader een centrale plaats in. Minimumvoorwaarde voor het oordeel ‘onrechtmatig’ lijkt te zijn dat de toegebrachte hinder voldoende ernstig is10. Blijft de hinder onder deze grens, dan zal de hinder moeten worden geduld. Voor het bepalen van de aanvaardbaarheid van een bepaalde vorm of mate van hinder kan de rechter getuigen horen of zich door middel van een gerechtelijke plaatsopneming vergewissen van de situatie ter plaatse. Het nadeel van deze methode, hoe leerzaam dikwijls ook, is dat het risico bestaat van een subjectieve beoordeling of van een momentopname die weinig zegt over de mate van hinder op een ander tijdstip of bij een andere windrichting. Daarom verdient het de voorkeur dat de rechter aansluiting zoekt bij objectieve criteria. Dat kunnen maatstaven zijn die in wetenschappelijk onderzoek naar geurhinder zijn ontwikkeld, maar de rechter mag voor dit doel ook gebruik maken van objectieve normen die zijn opgesteld in het kader van bestuursrechtelijke regelgeving of uit de praktijk van de vergunningverlening.

2.6.

Wel verdient aantekening dat het hebben van een publiekrechtelijke vergunning niet vrijwaart tegen aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (jegens derden)11. Omgekeerd geldt, dat het ontbreken van de publiekrechtelijk vereiste vergunning of het overtreden van de voorwaarden van een publiekrechtelijke vergunning in beginsel onrechtmatig is, maar niet zonder meer tot het oordeel leidt dat de betrokkene onrechtmatig jegens een derde handelt. Van belang is tot bescherming van wie de desbetreffende voorwaarde strekte12. Of, en zo ja, in hoeverre een overheidsvergunning invloed heeft op de beoordeling van de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van degene die overeenkomstig de vergunning handelt, hangt af van de aard van de vergunning en van het belang dat wordt nagestreefd met de regeling waarop de vergunning berust, één en ander in verband met de omstandigheden van het geval13. In het arrest van 10 maart 1972 is de Hoge Raad ingegaan op het doel van de toen geldende Hinderwet (later vervangen door de Wet milieubeheer). Hij heeft toen overwogen dat niet behoefde te worden onderzocht of de schade toebrengende partij zich aan de haar bij een Hinderwetvergunning opgelegde voorwaarden had gehouden: ook indien die voorwaarden niet zijn overtreden, kan sprake zijn van een op onrechtmatige wijze aan derden toegebrachte hinder14. Volgens een schrijver komt de vrijwarende werking van een vergunning in dit systeem eerst in beeld indien in het kader van de vergunningverlening dezelfde belangen zijn afgewogen als die, welke de burgerlijke rechter in aanmerking moet nemen bij de beoordeling van de vraag of de uitvoering van de vergunde activiteit rechtmatig of onrechtmatig is15.

2.7.

Art. 8.1 (oud) Wet milieubeheer (Stb. 1992, 551) bepaalde dat het verboden is, zonder een daartoe verleende vergunning een inrichting op te richten, te veranderen of de werking daarvan te veranderen, dan wel deze in werking te hebben. De Wet milieubeheer beschermde milieubelangen. Op grond van art. 8.10 lid 1 (oud) Wet milieubeheer kon de vergunning slechts worden geweigerd ‘in het belang van de bescherming van het milieu’. Ingevolge art. 8.11 lid 2 (oud) Wet milieubeheer kon een vergunning ‘in het belang van de bescherming van het milieu’ onder beperkingen worden verleend. Op grond van het derde lid van dit artikel werden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ‘ter bescherming van het milieu’. Bij de toepassing van de artikelen 8.10 lid 1 en 8.11 van de Wet milieubeheer (vervallen) kwam aan de gemeente een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vond in hetgeen voortvloeide uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten16. Bij toepassing van deze wet speelden de specifieke belangen van de eigenaren of bewoners van naburige erven geen rol. De afweging daarvan diende derhalve − bij geschil − te geschieden door de burgerlijke rechter 17.

2.8.

De opkomst van intensieve vormen van veehouderij heeft geleid tot een toename van geurhinder. Ter ondersteuning van het bevoegd gezag bij de vergunningverlening zijn richtlijnen voor het beoordeling van stankoverlast vanuit veehouderijen gepubliceerd, voor het eerst in 1971. Deze richtlijn is in 1976, in 1985 (Brochure veehouderij en hinderwet 1985) en in 1996 (Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996)18 herzien. In 1985 is ook een rapport gepubliceerd ten behoeve van de beoordeling van cumulatie van gelijktijdige geuremissies vanuit verschillende veehouderijen19. Deze richtlijnen hebben ertoe bijgedragen dat in de vergunning op grond van de Wet milieubeheer meestal slechts is voorzien in een ruimtelijke scheiding tussen enerzijds de veehouderij en anderzijds het geurgevoelige object (bijvoorbeeld een woning). Deze ruimtelijke scheiding behelst geen fysieke maatregelen, zoals een scheidingswand of afzuiginstallatie, maar een minimumafstand, die grafisch wordt vormgegeven als een zogenaamde ‘stankcirkel’. Voor sommige diercategorieën zoals varkens en kippen, is deze minimumafstand het resultaat van een berekening met variabelen, zoals het gehouden aantal dieren en het toegepaste stalsysteem. Voor andere diercategorieën geldt een ‘vaste’ minimumafstand rondom het bedrijf. De straal van de stankcirkel bepaalt in dit systeem de uitbreidingsmogelijkheden van het desbetreffende veehouderijbedrijf: voor het milieuaspect ‘geurhinder’ is uitbreiding toegestaan mits binnen de ‘stankcirkel’ geen geurgevoelige objecten zijn gelegen20.

2.9.

Voor het beoordelingskader onder de Wet milieubeheer werd in de hier relevante periode de basis gevonden in de Richtlijn 1996. Voor zover in de jurisprudentie onderdelen van de Richtlijn 1996 onvoldoende onderbouwd zijn bevonden21, greep de uitvoeringspraktijk terug op de Brochure veehouderij en hinderwet uit 1985. De zogenoemde ‘cumulatiebeoordeling’ werd uitgevoerd op basis van het voormelde rapport ‘Beoordeling cumulatie stankhinder door intensieve veehouderij’ uit 1985. Omdat zowel de Richtlijn 1996 als de Brochure op een aantal punten slechts summier zijn uitgewerkt, is het beoordelingskader in de jurisprudentie nader ingevuld en uitgewerkt. In de Richtlijn 1996 is een herziening van het beleid inzake stankoverlast vanuit de veehouderijen aangekondigd22. Met dat doel is onderzoek uitgevoerd naar de feitelijke geuremissie vanuit stalsystemen en naar de mate van geurhinder die door intensieve veehouderijen wordt veroorzaakt23. Uit dit rapport volgt dat de beleving van geurhinder niet overeenkomt met de categorie-indeling (criteria aan de hand van minimumafstanden) zoals opgenomen in de Richtlijn 1996 en de Brochure24. Op 1 augustus 2001 is de Tweede Kamer een voorstel gepresenteerd tot vernieuwing van het beoordelingskader25. Uit dit voorstel volgt dat het toen geldende beoordelingskader (d.w.z. met minimumafstanden) werd ervaren als onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd26.

2.10.

In de onderhavige zaak is het besluit van B en W tot verlening van de vergunning vernietigd door de Afdeling bestuursrechtspraak, waarna zij de aanvraag heeft afgewezen. In de periode van 14 november 2002 tot 1 september 2008 had [eiseres 2] dan ook geen vergunning om het bedrijf uit te oefenen.

2.11.

Bij het ontbreken van wettelijke normen voor het bepalen van (geur)hinder, mag voor de vaststelling van de feitelijk toegebrachte overlast worden aangeknoopt bij objectieve criteria, ook indien deze criteria pas later zijn opgenomen in (publiekrechtelijke) regelgeving. Dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2001 inzake geluidshinder luchthaven Soesterberg27. Twee omwonenden klaagden toen over vliegtuiglawaai tussen 1979 en 1988. Het hof zocht naar een bruikbare maatstaf om te beoordelen of sprake was van een nog toelaatbare geluidshinder en vond deze door – evenals partijen in die zaak hadden gedaan – aansluiting te zoeken bij de in het Besluit geluidsbelasting grote luchtvaartterreinen 1981 neergelegde hoogst toelaatbare geluidbelasting, ook al was dat besluit gedurende een gedeelte van de desbetreffende periode van overlast nog niet in werking getreden.

2.12.

Het onderhavige geval wijkt af van de casus Luchthaven Soesterberg, in zoverre dat hier wel een (objectieve) norm bestond, te weten een aan te houden minimumafstand tot objecten die overlast zouden kunnen ondervinden, zoals woningen. Maar daarmee is nog gezegd dat een minimumafstand een bruikbare maatstaf is om de mate van de feitelijk ervaren overlast te meten. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat deze (uit de Richtlijn 1996 en de Brochure voortvloeiende) minimumafstand strekt tot bescherming van omwonenden tegen stankoverlast, kan [eiseres 2] daaraan bezwaarlijk het vertrouwen hebben ontleend dat zij rechtmatig handelde jegens de eigenaren/gebruikers die (kort) buiten deze ‘stankcirkel’ een woning hebben. Zoals gezegd, moet de hinder worden getoetst aan de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor teweeggebrachte schade, in verband met de verdere omstandigheden van het geval. Die factoren komen niet alle tot uitdrukking in een minimumafstand. Ik noem een arrest van het gerechtshof Leeuwarden, betreffende een mestsilo die voor stankoverlast zorgde28. De bouw van de mestsilo was op grond van de verleende bouwvergunning toegestaan en aan de toepasselijke voorschriften was in bestuursrechtelijke zin voldaan. Bij beantwoording van de vraag of er sprake was van onrechtmatige hinder overwoog de burgerlijke rechter dat het Besluit mestbassins milieubeheer geen specifieke voorschriften tegen stankoverlast bevat. Er was slechts sprake van een afstandscriterium: een mestsilo mag niet minder dan 100 meter verwijderd zijn van een woning. De omstandigheid dat aan dit afstandscriterium was voldaan, betekende volgens het hof Leeuwarden niet dat in een concreet geval geen sprake zou kunnen zijn van onrechtmatige stankoverlast. Tegen deze achtergrond geeft het bestreden oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

2.13.

Aan het slot van onderdeel 1 (cassatiedagvaarding onder 11) wordt nog geklaagd over het miskennen van de relativiteit van de geschonden norm. Op grond van art. 6:163 BW bestaat geen verplichting tot schadevergoeding wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden. Het hof heeft deze regel niet uit het oog verloren: met betrekking tot de relativiteit heeft het hof overwogen dat het handelen van [eiseres 2] onrechtmatig is jegens de woningeigenaren29. Uit de rechtspraak volgt dat de Wet milieubeheer voornamelijk strekt tot bescherming van de omgeving van een ‘inrichting’ als bedoeld in die wet tegen vanuit die inrichting komend onheil.30 Ook voor zover het hof zich zou hebben laten inspireren door normen in de Wet milieubeheer, heeft het hof hiermee de relativiteitsregel niet miskend. Overigens is het bestreden oordeel toereikend gemotiveerd.

2.14.

Onderdeel 1 leidt niet tot cassatie.

2.15.

Onderdeel 2 klaagt over het oordeel van het hof in rov. 5.14, regel 8 e.v. van het tussenarrest van 17 februari 2015. Het hof heeft overwogen dat de woningeigenaren met het rapport [A] – onbestreden door [eiseres 2] – hebben geadstrueerd dat het traditionele toetsingskader geen bruikbare milieutechnische inzichten biedt voor de vaststelling van het feitelijke geurhinderniveau. Volgens onderdeel 2 is dit oordeel onjuist althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Volgens de toelichting op de klacht had [eiseres 2] het gebruik van het rapport [A] op dit punt wel degelijk bestreden.

2.16.

[eiseres 2] verwijst naar nr. 10 van de conclusie van dupliek waar is betoogd:

“wat nog belangrijker is, dat is dat de Afdeling bestuursrechtspraak daarbij nog eens uitdrukkelijk refereert aan haar uitspraak van 24 maart 2004 (…) op grond waarvan de omrekeningsfactoren van de richtlijn als de meest recente milieutechnische inzichten dienen te worden beschouwd”.

en naar nr. 11 in de conclusie van dupliek:

“Nu de Afdeling bestuursrechtspraak in haar uitspraak van 27 februari 2008 uitdrukkelijk heeft gerefereerd aan het juist zijn van de “oude” beoordelingssystematiek, staat vast dat in de periode dat [de woningeigenaren] zeggen schade te hebben geleden, het beoordelingskader voor geur niet is overschreden. Maar ook volgt uit de uitspraak dat, anders dan waar [de woningeigenaren] blijkbaar van uit gaan, het traditionele toetsingskader wel recht doet aan de geurbelasting en geurbeleving in de omgeving van een (grote) veehouderij. Anders zou de Afdeling bestuursrechtspraak zonder meer afstand hebben genomen van het “oude” systeem en het, naar [de woningeigenaren] stellen, al sinds 2011 voorhanden zijnde nieuwe toetsingskader als maatstaf hebben genomen. Maar dat heeft de Afdeling bestuursrechtspraak uitdrukkelijk niet gedaan”.

2.17.

In nr. 13 van de conclusie van dupliek heeft [eiseres 2] betoogd:

“De wetgever heeft daarmee een kader geschapen voor de situatie vóór en de situatie ná de inwerkingtreding van de wet geurhinder en veehouderij. Het toepassen van het “oude” beoordelingskader is daarmee wettelijk verankerd. [De woningeigenaren] hebben dit miskend. Zij trachten via de civielrechtelijke weg schadevergoeding te verkrijgen voor een situatie die door de wet wordt gedekt.”

In de memorie van grieven is dit betoog herhaald31.

2.18.

Het woord ‘bovendien’ in rov. 5.14 duidt erop dat de redengeving van het hof tweeledig is. In de eerste plaats acht het hof van belang dat in de Wet milieubeheer geen minimumafstandseisen worden gesteld, zoals door [eiseres 2] bedoeld. Kortom, ook al zou de feitelijke afstand tussen de inrichting en de dichtstbijzijnde recreatiewoning van de woningeigenaren meer dan 400 meter bedragen, dan doet dit volgens het hof niet af aan de onrechtmatigheid van de toegebrachte geurhinder. Minimumafstandseisen worden weliswaar in de Richtlijn 1996 en de Brochure genoemd, maar ten behoeve van de beslissing over een vergunningaanvraag; niet als een kader om te bepalen of feitelijk sprake is van onrechtmatige hinder.

2.19.

Hetgeen door [eiseres 2] in de zo-even geciteerde gedingstukken is aangevoerd, is door het hof niet opgevat – en behoefde door het hof niet te worden opgevat – als een deugdelijke bestrijding van (a) de met behulp van het rapport van [A] onderbouwde stelling van de woningeigenaren dat de meergenoemde beleidsregels (d.w.z. die over de minimumafstand) geen bruikbare milieutechnische inzichten bieden voor de vaststelling van het feitelijke geurhinderniveau en (b) het oordeel van [A] omtrent dat feitelijk ervaren geurhinderniveau. Onderdeel 2 faalt.

2.20.

Onderdeel 3 klaagt dat het in onderdeel 1 en 2 gestelde onverkort geldt: zowel in de situatie dat [eiseres 2] in de relevante periode niet over een vergunning beschikte als in de situatie dat moet worden aangenomen dat het wel over de vereiste vergunning beschikte. Daarom is de beslissing, in rov. 5.14, om voor die situatie(s) inspiratie te putten uit de door het rapport [A] aan de hand van de Wet geurhinder en veehouderij vastgestelde feitelijke hinderniveaus, volgens de klacht onjuist althans onvoldoende begrijpelijk.

2.21.

Met de steller van het middel neem ik aan dat het hof ervan uitgaat dat [eiseres 2] niet over een geldige vergunning beschikte: zie rov. 5.12 en de eerste volzin van rov. 5.15. Aan de voorwaardelijk voorgedragen klacht in de cassatiedagvaarding onder 24 kom ik daarom niet toe.

2.22.

De toelichting op onderdeel 3 in de cassatiedagvaarding onder 20 – 23 ziet op de situatie waarin [eiseres 2] niet over een (onherroepelijke) vergunning beschikte. Indien het hof zou zijn uitgegaan van een juiste rechtsopvatting door het tot 1 januari 2007 (dan wel tot 27 februari 2008) geldende toetsingskader tot uitgangspunt te nemen, en zijn beslissing begrijpelijk had gemotiveerd, had het hof volgens de klacht zijn beslissing niet kunnen baseren op het rapport [A]. Dan had het hof, volgens het middelonderdeel, tot het oordeel moeten komen dat [eiseres 2] geen onrechtmatige hinder aan de woningeigenaren had toegebracht: de minimumafstand was immers in acht genomen.

2.23.

Anders dan de klacht (toelichting onder 21) veronderstelt, berust het rapport [A] – en berust het daarnaar verwijzende oordeel van het hof – niet op het uitgangspunt dat de Richtlijn 1996 en de Brochure niet meer bij de tijd zijn. In de redenering van het hof (en van het rapport) konden de Richtlijn 1996 en de Brochure tot de inwerkingtreding van de Wgv worden gebruikt in het kader van de beslissing over een vergunningaanvraag. Het rapport [A] berust op de constatering dat de aan te houden minimumafstanden, welke voortvloeien uit de beleidsregels in de Richtlijn 1996 en de Brochure, geen inzicht bieden in de feitelijke stankoverlast voor de woningeigenaren. De toelichting onder 21 mist daarom feitelijke grondslag. Anders dan de klacht (toelichting onder 22) veronderstelt, is hier geen sprake van een cirkelredenering.

2.24.

In de toelichting onder 23 op deze klacht heeft [eiseres 2] nog aangevoerd dat het oordeel van [A] omtrent het feitelijke hinderniveau in de feitelijke instanties is bestreden, namelijk in de conclusie van dupliek onder 14 en 15, waarin verwezen is naar de bevoegdheid van de lagere overheid om (van de in de Richtlijn 1996 en de Brochure bedoelde minimumafstand) af te wijken. Volgens [eiseres 2] is in het rapport van [A] met die mogelijkheid geen rekening gehouden. Ook dit argument leidt niet tot cassatie: al zou het college van B en W bevoegd zijn geweest om bij de beslissing over een vergunningaanvraag daarvan af te wijken, dan nog blijft staan dat het hof als onbestreden kon aanmerken hetgeen het als onbestreden heeft aangemerkt; zie alinea 2.19 hiervoor. Onderdeel 3 faalt.

2.25.

Onderdeel 4 bouwt voort op de voorgaande klachten. Het is gericht tegen het oordeel van het hof, in rov. 5.15, dat aan het relativiteits- en causaliteitsvereiste is voldaan en tegen de daarop voortbouwende beslissing over de schadevergoeding. Dit onderdeel mist zelfstandige betekenis naast de voorgaande klachten en behoeft hier geen verdere bespreking.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

plv.

1 ABRvS 20 november 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AF0791 (prod. 1 bij inleidende dagvaarding).

2 ABRvS 22 november 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ2748 (prod. 5 bij inl. dagv.).

3 ABRvS 27 februari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC5225 (prod. 6 bij inl. dagv.).

4 Zie de cassatiedagvaarding blz. 3, punt 4.

5 Prod. 9 bij inl. dagv.

6 NVN2818 was een (inmiddels herziene) NEN-norm voor geurkwaliteit (sensorische bepaling van de hedonische waarde van een geur met een olfactometer).

7 Prod. 10 bij inl. dagv.

8 Cassatiedagvaarding punt 7; vgl. rov. 5.13 van het bestreden arrest.

9 Zie onder meer: HR 3 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:AC0235, NJ 1991/476 (overwaaiende onkruidzaden) en HR 21 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8823, NJ 2006/418 m.nt. C.J.H. Brunner; S.D. Lindenbergh, Groene Serie, Zakelijke rechten, art. 5:37 BW aant. 2.1.

10 E. Bauw en E.H.P. Brans, Milieuprivaatrecht, Deventer: Kluwer 2003, p. 124-125.

11 Zie onder meer: HR 21 oktober 2005, NJ 2006/418 m.nt. C.J.H. Brunner, reeds aangehaald. Zie ook: A.G.A. Nijmeijer, ‘De vrijwarende werking van vergunningen. De bestuurlijke belangenafweging als scharnierpunt tussen burgerlijke rechter en bestuursrechter’, in: R.J.N. Schlössels e.a. (red.), De burgerlijke rechter in het publiekrecht, 2015, p. 531 – 544.

12 Vgl. HR 9 januari 1981, NJ 1981/227 m.nt. C.J.H. Brunner; HR 2 september 2011 ECLI:NL:HR:2011:BQ5099, NJ 2011/392.

13 HR 10 maart 1972, NJ 1972/278 m.nt. G.J. Scholten (ook in: AA 1972 p. 430 m.nt. W.C.L. van der Grinten; BR 1972 p. 257 m.nt. P. Zonderland). Zie ook: A.C. Wibbens-de Jong, Burenrecht, Monografieën BW, Deventer: Kluwer 2009, p. 36.

14 HR 10 maart 1972, NJ 1972/278 (reeds aangehaald), zie onder 8.

15 J.H.A. van der Grinten, ‘Vermeulen/Lekkerkerker: een springlevend uitgangspunt’, Jurisprudentie Milieurecht, oktober 2007, afl. 9, p. 846. Over dit juridische kader verschillen partijen niet wezenlijk van mening; zie ook de cassatierepliek, punt 2 onder A – D.

16 ARvS 24 maart 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO6076, rov. 2.7.

17 S.D. Lindenberg, Groene Serie, Zakelijke rechten, art. 5:37 BW, aant. 3.3.

18 Richtlijn "Veehouderij en stankhinder" 30 oktober 1996, DWL\96057153. Kamerstukken II 1995/96, 24 445, nr. 19.

19 Rapport ‘Beoordeling cumulatie stankhinder door intensieve veehouderij’ (Publicatiereeks Lucht nr. 46, uitgave 1985).

20 Kamerstukken II 2005/06, 30453, nr. 3, p. 2

21 ABRvS 21 april 1998, ECLI:NL:RVS:1998:AN5622, AB 1998/199 m.nt. G.T.J.M. Jurgens.

22 Richtlijn "Veehouderij en stankhinder" 30 oktober 1996, DWL\96057153, par. 1.

23 ‘Geurhinderonderzoek stallen intensieve veehouderij’ van maart 2001, uitgevoerd in opdracht van VROM.

24 Zie conclusies in par. 7 van het onderzoek ‘Geurhinderonderzoek stallen intensieve veehouderij’, van maart 2001 (reeds aangehaald). Ook uit het onderzoek Geuremissie uit de veehouderij, Overzichtsrapportage 1996-1999, IMAG, N.W.M. Ogink en P.N. Lens, rapport 2001-14, september 2001 volgt dat de in de richtlijn gehanteerde omrekeningsfactoren (aantal dieren per soort naar mestvee-eenheid) geen verband vertonen met de gemeten emissie in de geur-eenheden. Zoals ook volgt uit ABRvS 24 maart 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO6076, kan een omrekeningsfactor op grond van de gemeten waarde niet in de systematiek van de Richtlijn worden toegepast..

25 Brief van 1 augustus 2001 (Kamerstukken II 2000/01, 24 445, nr. 64).

26 Brief van 1 augustus 2001 (Kamerstukken II 2000/01, 24 445, nr. 64), p. 4.

27 HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1058, NJ 2001/420 m.nt. T. Koopmans. Het arrest is uitvoerig besproken in de cassatierepliek, p. 5 – 8.

28 Hof Leeuwarden 11 juli 2001, JM 2001/123, m.nt. Lambers, rov. 6.3

29 Zie rov. 5.15 in het arrest van 17 februari 2015.

30 Hof ’s-Gravenhage 22 maart 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BP8578, AB 2011/245 m.nt. F.C.M.A. Michiels, JOR 2011/316 m.nt. B.P.M. van Ravels, rov. 7.2. Zie ook ABRvS 28 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN2670, AB 2011/240 m.nt. B.P.M. van Ravels.

31 MvG nr. 25.