Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:216

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-02-2017
Datum publicatie
04-04-2017
Zaaknummer
15/03250
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:591, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Overschrijding redelijke termijn in e.a. met twee jaren gecompenseerd door voortvarende behandeling in h.b. binnen (ruim) vijf maanden? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2008:BD2578 m.b.t. duur van redelijke termijn. Gelet hierop is ’s Hofs oordeel dat "de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden, maar deze schending is gecompenseerd door de snelle afdoening in hoger beroep", niet z.m. begrijpelijk, in aanmerking genomen dat de zaak in e.a. eerst is afgedaan meer dan vier jaren na aanvang van de termijn. HR doet zaak om doelmatigheidsredenen zelf af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/03250

Zitting: 14 februari 2017

Mr. W.H. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 7 juli 2015 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1, 5, 7, 9, 11, 13, 14 en 16 telkens: “verduistering door een bewindvoerder, meermalen gepleegd”, 2 primair, 4 primair, 6A primair, 6B primair, 8A primair, 8B primair, 10 primair en 12 telkens: “valsheid in geschrift”, 3 “ verduistering door een curator, meermalen gepleegd”, 15 “verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd” en 17 “ verduistering door een bewindvoerder”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk. Voorts heeft het Hof vorderingen van zes benadeelde partijen (ten dele) toegewezen en aan de verdachte betalingsverplichtingen opgelegd, een en ander op de wijze als weergegeven in het arrest.

  2. Namens de verdachte heeft mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] heeft mr. J.A.P.F. Hoens, advocaat te Utrecht, telkens één middel van cassatie voorgesteld.
    Het middel van de verdachte

  3. Het middel van de verdachte houdt in dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de voortvarende behandeling in hoger beroep de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg voldoende heeft gecompenseerd, althans dat dat oordeel onbegrijpelijk is.

  4. Het hof heeft te dier zake overwogen:

“Door de raadsman is verzocht bij het bepalen van de strafmaat de volgende omstandigheden in strafmatigende zin te laten meewegen. Allereerst is er sprake van schending van de redelijke termijn. Deze termijn is aangevangen bij de doorzoeking op 19 januari 2011 en het vonnis in eerste aanleg is van 21 januari 2015. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. (…). De raadsman heeft verzocht verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen in combinatie met een taakstraf.

Anders dan de rechtbank ziet het hof geen aanleiding tot strafmatiging vanwege schending van de redelijke termijn. Weliswaar is de redelijke termijn in eerste aanleg overschreden, maar deze schending is gecompenseerd door de snelle afdoening in hoger beroep.”

5. Nu het hof in het midden heeft gelaten wanneer de redelijke termijn is aangevangen, moet er in cassatie van worden uitgegaan dat deze is aangevangen op de dag van de doorzoeking, 21 januari 2011.

6. De rechtbank heeft op 21 januari 2015 vonnis gewezen. Dit betekent dat de procedure in eerste aanleg vier jaar en twee dagen in beslag heeft genomen. De verdachte heeft op 3 februari 2015 hoger beroep ingesteld. Het hof heeft arrest gewezen op 7 juli 2015. De procedure in hoger beroep heeft dus ruim vijf maanden in beslag genomen.

7. Volgens HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578 dient de procedure in eerste aanleg binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn te zijn afgerond1, wil niet van overschrijding van de redelijke termijn sprake zijn, de procedure in hoger beroep binnen twee jaar na het instellen daarvan.2

8. Het feit dat het hof de procedure in hoger beroep uitgesproken snel heeft afgerond neemt niet weg dat de procedures in eerste aanleg en hoger beroep tezamen meer dan twee keer twee jaar, namelijk vier jaar en ruim vijf maanden in beslag hebben genomen.

9. In dat licht is niet zonder meer begrijpelijk het oordeel van het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg met twee jaar is gecompenseerd door de snelle afdoening in hoger beroep. Feit blijft immers dat de procedures in eerste aanleg en hoger beroep samen aanzienlijk meer dan twee keer twee jaar in beslag hebben genomen, dus van compensatie in die zin dat de procedures in eerste aanleg en in hoger beroep dankzij de snelle afdoening in hoger beroep samen niet meer dan vier jaar hebben geduurd is geen sprake.

10. In verband met het voorgaande wijs ik er nog op dat de Hoge Raad slechts aanneemt dat de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie door voortvarende afdoening wordt gecompenseerd wanneer de totale duur van de procedure in cassatie acht maanden3 minder bedraagt dan zonder overschrijding van de inzendtermijn met het oog op het vereiste van afdoening binnen redelijke termijn geoorloofd is, te weten twee jaar. In de uit deze rechtspraak sprekende opvatting zou in het onderhavige geval pas van compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg kunnen worden gesproken wanneer door snelle afdoening door het hof de procedures in eerste aanleg en hoger beroep samen aanzienlijk minder dan vier jaar zouden hebben geduurd.

11. Het middel slaagt.

Het middel van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

12. Het middel van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] houdt in dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] slechts diende te worden toegewezen tot een bedrag van € 3984, 85 euro en voor het overige niet-ontvankelijk diende te worden verklaard.

13. Het hof heeft met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] overwogen:

“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.384,85, bestaande uit € 3.984,85 ter zake van materiële schade en € 1,400,00 ter zake van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.984,85. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 16 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot € 3.984,85, bestaande uit materiële schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Naar het oordeel van het hof is de gevorderde immateriële schade onvoldoende onderbouwd. Met name is niet eenvoudig vast te stellen hoe in een geval als onderhavige de immateriële schade moet worden gewaardeerd. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”

14. Het oordeel dat behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert is feitelijk en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.4 Daarbij zijn van belang de bewezenverklaring, de inhoud van de vordering5 en het verhandelde ter terechtzitting.6

15. Het hof heeft de gevorderde vergoeding van materiële schade geheel toegewezen.

16. Ten laste van de verdachte is onder 16 bewezenverklaard dat:

“zij op (verschillende) tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 2009 tot en met 8 september 2010 te Bilthoven, gemeente De Bilt , telkens opzettelijk een hoeveelheid geld (in totaal 3.984,85 euro), toebehorende aan [benadeelde partij 2] , en welk goed verdachte onder zich had in haar hoedanigheid van bewindvoerder van voornoemde [benadeelde partij 2] , wederrechtelijk zich heeft toegeëigend door

- een geldbedrag, niet zijnde een betaling ten behoeve van [benadeelde partij 2] , van de bankrekening van [benadeelde partij 2] over te boeken naar (een) bankrekening van verdachte en/of haar echtgenoot en

- een geldbedrag bestaande uit een bedrag aan bijzondere bijstand verleend ten behoeve van de kosten van beheer van de bewindvoering van [benadeelde partij 2] te laten overmaken op een bankrekening van haar, verdachte, en dat geld niet door te storten aan [benadeelde partij 2] zulks terwijl zij, verdachte, deze kosten ook bij [benadeelde partij 2] in rekening had gebracht en vanaf de bankrekening van [benadeelde partij 2] had betaald;”

17. In het formulier waarbij de benadeelde partij zich in het strafproces heeft gevoegd wordt als immateriële schade een bedrag gevorderd van € 750,--.

18. Met betrekking tot de vordering tot vergoeding van immateriële schade heeft mr. Hoens, de raadsman van de benadeelde partij blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte aantekeningen, die aldaar zijn voorgedragen7, aangevoerd:

“De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot het betalen van beide bedragen tot een totaal van € 3.984, 85 aan [benadeelde partij 2] . Namens hem verzoek ik u dit eveneens te doen.

Daarnaast had ik namens hem ook nog een bedrag van € 1400,- toe te wijzen als vergoeding voor immaterieel geleden schade. [benadeelde partij 2] is in zijn persoon, zijn dagelijkse doen en laten beschadigd door alles wat de bewindvoerder heeft gedaan en nagelaten. Bij de toelichting op de vordering bevindt zich een verklaring van zijn begeleider waaruit dit blijkt.

Belangrijk is ook dat de bewindvoerder niets heeft gedaan om ook maar een begin te maken met het aflossen van de schulden van meneer. Er was daarvoor geldt, maar dat heeft zij naar zichzelf doorgeschoven. De schulden van [benadeelde partij 2] zijn tot op heden nog niet afgelost. Dat heeft voor een groot deel te maken met kansen die gedurende het bewind van verdachte zijn gemist.

Geconcludeerd kan worden dat [benadeelde partij 2] tenminste aanspraak mag maken op enige vorm van immateriële schadevergoeding. Hij zelf is van mening dat een bedrag van € 1000,- per volledig boekjaar niet misstaat. Hij refereert aan het oordeel van uw Hof voor het geval uw Hof een ander bedrag meer passend acht. Onbegrijpelijk is voor hem in ieder geval waarom de rechtbank zonder nadere motivering zijn verzoek inzake vergoeding voor immateriële schade heeft afgewezen.”

19. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen voorts in:

“De verdachte verklaart -zakelijk weergegeven- als volgt:

(…)

Voor wat de benadeelde partij De Wijk betreft, klopt het bedrag wat de rechtbank bewezen heeft verklaard dus € 1.750,00. Op de vraag van de advocaat-generaal of ik bereid ben om ook het resterende deel van de vordering te betalen antwoord ik nee. Ik merk daarbij op dat meerdere benadeelde partijen proberen hun vordering op te hogen en er een slaatje uit te slaan. Ik heb ook ruim honderd cliënten gehad, die wel tevreden waren met mij als bewindvoerder.

(…)

De advocaat-generaal voert het woord als volgt -zakelijk weergegeven-:

Het betreft een bekennende verdachte. Met de rechtbank ben ik van mening dat alle 17 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Voor de bewezenverklaring verwijs ik naar de rechtbank. Voorts ben ik met de rechtbank van mening dat er sprake is van schending van de redelijke termijn in eerste aanleg, maar dat door de snelle afdoening in hoger beroep deze schending wordt gecompenseerd. Derhalve speelt de redelijke termijn mijns inziens geen rol meer bij de straftoemeting in hoger beroep.

Mijns inziens kan het vonnis van de eerste rechter worden bevestigd behoudens de op te leggen straf. De straf die door de rechtbank is opgelet doet onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. Verdachte heeft gedurende een lange periode aanzienlijke geldbedragen verduisterd van een groep mensen van wie zij bewindvoerder of curator was. Daarnaast heeft zij ook geld verduisterd van haar werkgever. Verdachte heeft daarbij welbewust misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in haar werd gesteld. Tijdens de behandeling ter zitting hoor ik de verdachte veel zeggen over de gevolgen die dit alles voor haarzelf heeft gehad, maar ik hoor haar nauwelijks iets zeggen over de gevolgen voor de slachtoffers. Al met al vorder ik de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk' met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

De advocaat-generaal leest de vordering voor en legt die aan het hof over.

De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn pleitnota, welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht (bijlage II).De raadsman verwijst voor een nadere toelichting bij het strafmaatverweer naar zijn pleitnota in eerste aanleg en verzoekt deze voor wat betreft dit punt als herhaald en ingelast te beschouwen.”

De pleitnota van verdachtes raadsman houdt met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen in (p. 4):

“Wat betreft de vorderingen van de benadeelde partijen refereer ik me aan het oordeel van uw Hof, met dien verstande dat ik u met een beroep op HR 16 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH8i2 ) verzoek af te zien van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangezien dat slechts kan leiden tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis. Dit is volgens de Hoge Raad slechts mogelijk in uitzonderlijke gevallen, waarvan in het bijzonder kan zijn als al op voorhand vast staat dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel slechts zal leiden tot het in de toekomst tenuitvoerleggen van verengende hechtenis. In de onderhavige zaak doet een dergelijk uitzonderlijk geval voor. In de lagere rechtspraak is hier onder meer invulling aan gegeven door het Hof Leeuwarden op 13 september 2010 (LJN:BN7112), dat overwoog dat het opleggen van een vervangende hechtenis middels de schadevergoedingsmaatregel niet zal leiden tot een meer voortvarende betaling, "... maar mogelijk wel tot een door het hof niet gewenste vrijheidsbeneming van verdachte”.

20. Gelet op het uiteenlopen van de bedragen die als immateriële schade zijn opgevoerd, alsmede de omstandigheid dat de hoogte van deze bedragen voorts de vraag oproept hoe deze bedragen zich laten verklaren gezien de door de benadeelde partij blijkens de bewezenverklaring geleden omvang van de materiële schade, is het oordeel van het hof dat behandeling van de vordering van de benadeelde partij, voor zover niet toegewezen, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, niet onbegrijpelijk.

21. Het middel faalt.

Het middel van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

22. Het middel van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] houdt in dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] slechts diende te worden toegewezen tot een bedrag van € 1573,00 euro en voor het overige niet-ontvankelijk diende te worden verklaard.

23. Het hof heeft met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] overwogen:

“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 19.304,92 ( zijnde

€ 18.554,92 materiële schade en € 750,00 immateriële schade). De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.537,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 17 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot € 1.537,00, bestaande uit materiële schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Naar het oordeel van het hof is de gevorderde immateriële schade onvoldoende onderbouwd. Met name is niet eenvoudig vast te stellen hoe in een geval als onderhavige de immateriële schade moet worden gewaardeerd. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”

24. Aan de verdachte is onder 17 tenlastegelegd dat:

“zij op een of meer (verschillende) tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 12 november 2007 tot en met 8 juni 2010 te Bilthoven, gemeente De Bilt , althans in het arrondissement Utrecht, (telkens) opzettelijk een hoeveelheid geld (in totaal {ten minste} 1537 euro), in elk geval enig goed, dat / die geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] , in elk gevat aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte onder zich had in haar hoedanigheid van bewindvoerder-van voornoemde [benadeelde partij 1] , in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend (door [telkens] - een geldbedrag, ontvangen op een bankrekening van verdachte ten behoeve van [benadeelde partij 1] , niet over te boeken naar de bankrekening en/of girorekening van [benadeelde partij 1] ;”

25. Hiervan is bewezenverklaard dat:

“zij op (verschillende) tijdstippen gelegen in de periode van 12 november 2007 tot en met 8 juni 2010 te Bilthoven, gemeente De Bilt , opzettelijk een hoeveelheid geld (in totaal 1537 euro), toebehorende aan [benadeelde partij 1] , en welk goed verdachte onder zich had in haar hoedanigheid van bewindvoerder van voornoemde [benadeelde partij 1] , wederrechtelijk zich heeft toegeëigend door telkens - een geldbedrag, ontvangen op een bankrekening van verdachte ten behoeve van [benadeelde partij 1] , niet over te boeken naar de bankrekening en/of girorekening van [benadeelde partij 1] ;”

Van het meer of anders tenlastegelegde heeft het hof vrijgesproken.

26. Met betrekking tot de vordering van [benadeelde partij 1] heeft mr. Hoens, de raadsman van de benadeelde partij, blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte aantekeningen, die aldaar zijn voorgedragen8, aangevoerd:

“De schriftelijke toelichting van 19 augustus 2014 is in het bezit van uw Hof. Deze is door de officier van justitie toegevoegd aan het dossier van de zaak in eerste aanleg.

De rechtbank Midden — Nederland heeft de vordering van [benadeelde partij 1] toegewezen voor een bedrag van € 1.570, 70. Dit is het bedrag dat is terug te vinden in de tenlastelegging. Het is het bedrag dat is te herleiden tot de bevindingen van de politie van 30 januari 2014. Daaruit blijkt dat verdachte een bedrag van € 115, 07 aan koste van bewindvoering in eigen zak heeft gestoken. Eveneens heeft zij een bedrag van in totaal € 1537, 70 niet doorgestort van haar eigen rekening naar de beheersrekening van cliënte (zie p. 3 ambtsedig proces verbaal 30 januari 2014, toegevoegd aan het dossier).

In een toelichting op de vordering van 19 augustus 2014 heb ik namens [benadeelde partij 1] nog diverse andere bedragen gevorderd. Onduidelijk is waarom de rechtbank deze posten allemaal heeft afgewezen. Uit de uitspraak blijkt niets hieromtrent. Aan de wijze van formulering van het tenlaste gelegde kan het in ieder geval niet hebben gelegen. Daarin wordt verdachte verweten “een hoeveelheid geld (in totaal (tenminste) 1537 euro” zich te hebben toegeëigend.

In de toelichting van 19 augustus 2014 is de vordering op alle posten nader onderbouwd en voorzien van een toelichting met bijbehorende stukken. Zij zijn volgens cliënte eenvoudig vast te stellen en derhalve integraal toewijsbaar.

Dat geldt in ieder geval voor de bedragen van € 4.900,- (huur en zorgtoeslag) alsmede een teruggave van € 1200,- van de gemeentelijke kredietbank. Deze bedragen zijn aan de bewindvoerder betaald en vervolgens niet op de beheersrekening van cliënte teruggevonden. De officier van justitie was van mening dat de vordering voor deze bedragen eveneens integraal kon worden toegewezen.

Cliënte verwijst ten slotte graag nog even op de wijze waarop verdachte een bedrag van € 3415, 00 achter over heeft gedrukt. Volgens haar verantwoording aan de rechtbank over 2008 zou zij dit bedrag hebben betaald aan diverse schuldeisers. Na afloop van het bewind heeft mevrouw van deze schuldeisers vernomen dat haar schulden nog volledig en onverminderd bestaan.

Opvallend is ook dat uit de beheersrekening over 2008 nergens blijkt dat verdachte de schuldeisers heeft afgelost, laat staan voor de door haar opgevoerde bedragen.”

27. De door de raadsman bedoelde toelichting bij het voegingsformulier houdt geen nadere onderbouwing van de gevorderde bedragen, voor zover niet toegewezen, in.

28. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen voorts in hetgeen hiervoor onder 19 is vermeld.

29. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van verduistering voor zover deze een bedrag van € 1537 euro te boven zou gaan. De hoogte van het bedrag, gevorderd ter vergoeding van immateriële schade, roept de vraag op hoe dit bedrag zich laat verklaren gezien de door de benadeelde partij blijkens de bewezenverklaring geleden omvang van de materiële schade. Tegen deze achtergrond is het oordeel van het hof dat behandeling van de vordering van de benadeelde partij, voor zover niet toegewezen, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, niet onbegrijpelijk.

30. Het middel faalt.

31. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

32. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 R.o.v. 3.14. Is de verdachte voorlopig gehecht of is het strafrecht voor jeugdigen toegepast dan geldt een termijn van zestien maanden.

2 R.o.v. 3.16. Is de verdachte voorlopig gehecht of is het strafrecht voor jeugdigen toegepast dan geldt een termijn van zestien maanden.

3 Vgl. HR 15 april 2003, LJN AF6589, HR 18 november 2003, LJN AM0234, HR 23 maart 2004, nr. 01844/03 (niet gepubliceerd) en HR 16 december 2003, nr. 01399/03 P (niet gepubliceerd).Bij voorlopig gehechte verdachten of in geval het strafrecht voor jeugdigen is toegepast twee maanden (HR 28 februari 2012, LJN BV7082), ervan uitgaande dat de redelijke termijn in cassatie in geval de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt of het strafrecht voor jeugdigen is toegepast zestien maanden bedraagt (HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:BD2578, NJ 2008/358, rov. 3.14-3.16).

4 HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:476, rov. 4.3.

5 HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:476, rov. 4.3.

6 HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3751, rov. 4.5.2.

7 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, p. 3.

8 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, p. 3.