Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:198

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
16/03548
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1609
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

A-G Niessen heeft op 28 maart 2017 conclusie genomen in de zaak met nummer 16/03548. In deze zaak had de Hoge Raad aan de procureur-generaal medegedeeld toepassing van artikel 80a Wet RO te overwegen.

In cassatie is in geschil of belanghebbendes herzieningsverzoek moet worden toegewezen. In de conclusie wordt niet alleen de gegrondheid van belanghebbendes verzoek om herziening onderzocht, maar wordt tevens gerapporteerd over achtergrond, totstandkoming en de fiscaalrechtelijke toepassing van artikel 80a Wet RO. Met deze conclusie beoogt A-G Niessen in de literatuur en praktijk gesignaleerde onduidelijkheden ten aanzien van de toepassing van artikel 80a Wet RO weg te nemen. In de conclusie zijn diverse schema’s, grafieken en tabellen opgenomen met daarin cijfermateriaal. Daaruit komt onder meer naar voren dat het aantal zaken waarin in de afgelopen jaren artikel 80a Wet RO of artikel 81 Wet RO is toegepast, acht procentpunten op het totaal aantal belastingzaken hoger ligt dan in de jaren waarin alleen artikel 81 Wet RO verkorte motivering mogelijk maakte.

De A-G merkt verder op dat de Hoge Raad in de hier bedoelde zaken de ongegrondverklaring van het beroep nagenoeg altijd motiveert met de tekst welke is vermeld in het eerste lid van artikel 80a Wet RO. Hij geeft de Hoge Raad in overweging een inhoudelijk meer toegespitste standaardoverweging op te nemen in gevallen waarin dit mogelijk is zonder de beoogde efficiencyvoordelen van art. 80a te verspelen.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag in de IB/PVV opgelegd. Na bezwaar, beroep en hoger beroep heeft de Hoge Raad bij arrest van 18 april 2014 zijn klachten afgewezen met toepassing van artikel 81 Wet RO. Belanghebbende heeft vervolgens om herziening van dat arrest gevraagd. Dit herzieningsverzoek is op 8 juli 2016 onder verwijzing naar artikel 80a Wet RO niet-ontvankelijk verklaard. Daarop heeft belanghebbende op 12 juli 2016 opnieuw een verzoek om herziening van het arrest van 2014 ingediend. De A-G concludeert tot ongegrondverklaring van het verzoek omdat geen nieuwe feiten en omstandigheden worden aangevoerd als vereist in artikel 8:119 Awb.

De conclusie strekt tot afwijzing van het herzieningsverzoek van belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/0838 met annotatie van Angelique Perdaems
V-N Vandaag 2017/733
V-N 2017/20.15 met annotatie van Redactie
Belastingblad 2017/176
FutD 2017-0775 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFRB 2018/7 met annotatie van mr. C.M. Bergman
NTFR 2017/981 met annotatie van mr. E.C.G. Okhuizen
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

mr. R.E.C.M. Niessen

Advocaat-Generaal

Conclusie van 28 maart 2017 inzake:

Nr. Hoge Raad

(tweede herzieningsverzoek): 16/03548

[X]

Nr. Hoge Raad

(eerste herzieningsverzoek): 16/01776

Nr. Hoge Raad: 13/04524

Nr. Gerechtshof: 12/00839

Nr. Rechtbank: AWB 12/351

tegen

Staatssecretaris van Financiën

Derde Kamer B

Inkomstenbelasting/premie volksverz. 2008

1 Inleiding

1.1

Aan [X] wonende te [Z] (hierna: belanghebbende) is voor het jaar 2008 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna IB/PVV) opgelegd naar een verzamelinkomen van € 38.134. Bij beschikking is een bedrag van € 290 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2

Het bezwaar dat belanghebbende tegen deze aanslag heeft ingediend, is door de Inspecteur afgewezen bij uitspraak op bezwaar van 9 januari 2012.

1.3

Tegen de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank Zeeland-West Brabant (hierna: de Rechtbank). Bij uitspraak van 16 november 2012 heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.1

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het Hof). Bij uitspraak van 18 oktober 2013 heeft het Hof het hoger beroep ongegrond verklaard.2

1.5

Tegen de uitspraak van het Hof heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 18 april 2014 heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie ongegrond verklaard en de zaak afgedaan met artikel 81 Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: Wet RO).3

1.6

Belanghebbende heeft bij brief van 31 maart 2016 om herziening van het arrest van 18 april 2014 verzocht.4 Dat verzoek om herziening is bij arrest van 8 juli 2016 onder verwijzing naar artikel 80a Wet RO niet-ontvankelijk verklaard.5 De Hoge Raad oordeelde dat het verzoek geen behandeling in cassatie rechtvaardigde, nu het klaarblijkelijk niet tot herziening van het arrest van 18 april 2014 kon leiden, aangezien het verzoekschrift geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, lid 1 Awb behelsde.

1.7

Daarop heeft belanghebbende bij brief van 12 juli 2016 een tweede herzieningsverzoek ingediend. Bij brief van 25 juli 2016 heeft belanghebbende (naar aanleiding van de ontvangstbevestiging6 van het tweede herzieningsverzoek door de griffier van de Hoge Raad) gereageerd op het arrest van 8 juli 2016 en zijn (inhoudelijke) stellingen herhaald. Op deze brief heeft de griffie van de Hoge Raad bij brief van 3 augustus 2016 gereageerd met de mededeling dat een einde aan de procedure was gekomen.

1.8

Op 17 augustus 2016 is door het LDCR7 aan belanghebbende per aangetekende post een herinneringsnota griffierecht verstuurd. Op 19 september 2016 heeft de griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende laten weten dat het verschuldigde griffierecht ter zake van het tweede verzoek tot herziening niet was ontvangen.8

1.9

Belanghebbende heeft in een brief van 22 september 2016 laten weten dat hij mede gelet op de brief van 3 augustus 2016 geen aanleiding zag om (ter zake van het tweede verzoek om herziening) opnieuw het verschuldigde griffierecht te voldoen.

1.10

Bij brief van 4 oktober 2016 heeft de griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende excuses aangeboden voor de verwarring en medegedeeld dat de procedure met betrekking tot het tweede herzieningsverzoek zou worden voortgezet. Er is niet opnieuw om betaling van griffierecht verzocht.

1.11

Nadat de griffier van de Hoge Raad mij had medegedeeld dat in deze zaak toepassing van artikel 80a Wet RO werd overwogen, heb ik (alsnog) beslist conclusie te nemen.

1.12

In cassatie is in geschil of belanghebbendes herzieningsverzoek moet worden toegewezen.

1.13

In deze conclusie wordt niet alleen de gegrondheid van belanghebbendes verzoek om herziening onderzocht, maar wordt tevens gerapporteerd over achtergrond, totstandkoming en de fiscaalrechtelijke toepassing van artikel 80a Wet RO. Met deze ‘overzichtsconclusie’ beoog ik in de literatuur en praktijk gesignaleerde onduidelijkheden ten aanzien van de toepassing van artikel 80a Wet RO weg te nemen. Ten slotte ga ik ook in op de wijze van motiveren in de arresten waarin dit artikel wordt toegepast.

1.14

De conclusie bevat de volgende onderdelen:

1 Inleiding

2 Herzieningsverzoek belanghebbende

3 Herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak

4 Niet-ontvankelijkverklaring in de oorspronkelijke zin

5 Niet-ontvankelijk in de zin van artikel 80a Wet RO

6 Niet-ontvankelijkverklaring in de oorspronkelijke zin en niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 80a Wet RO

7 Toepassing artikel 80a Wet RO door de fiscale sector van de Hoge Raad

8 Beschouwing over de toepassing van artikel 80a Wet RO in belastingzaken

9 Beoordeling herzieningsverzoek

10 Conclusie

2 Herzieningsverzoek belanghebbende

2.1

Het onderhavige herzieningsverzoek luidt:

Naar mijn mening heeft de Hoge Raad op 8 juli 2016 het beroepschrift van Ondergetekende d.d. 23 september 2013 niet integraal inhoudelijk beoordeeld op een "ingebrekestelling" van de Belastingdienst [Q] m.b.t. het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van Ondergetekende d.d. 2 oktober 2011, omdat de inspecteur van de Belastingdienst op 15 oktober 2011 het bezwaarschrift d.d. 2 oktober 2011 met de ontvangstdatum van 5 oktober 2011 heeft bevestigd met de mededeling om hierop "binnen de uiterste 6 weken termijn te beslissen of te berichten" EN omdat de inspecteur van de Belastingdienst met zijn beslissende uitspraak op 9 januari 2012 deze uiterste beslissingstermijn van 6 weken ruimschoots heeft overschreden.

De "ingebrekestelling" is tijdens de bezwaarprocedure I.B. 2008 nooit aan de orde geweest, omdat een inspecteur van de Belastingdienst [P] Ondergetekende op 3 april 2015 tijdens een hoorgesprek voor de eerste keer informeerde over een optie voor een "ingebrekestelling" bij niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift I.B. 2011.

Door de zeer trage, nadelige werkwijze van de inspecteur van de Belastingdienst te [Q] is Ondergetekende m.b.t. de aanslag I.B. 2008 ten onrechte nadelig financieel geconfronteerd met een bedrag van € 719,00 aan extra invorderingsrente voor betaling van aanslagnummer (…) d.d. 23 september 2011.

Daarnaast heb ik fundamentele bezwaren tegen de gehanteerde procedure van de Hoge Raad m.b.t. het herzieningsverzoek d.d. 31 maart 2016, omdat de griffier van de Hoge Raad Ondergetekende op 30 juni 2016 informeert dat er op ambtelijk niveau pro forma al een beslissing is vastgesteld zonder dat Ondergetekende door griffier van de Hoge Raad inhoudelijk is gehoord of is geïnformeerd over de procedure voortgang en over de noodzakelijke herzieningsgronden voor een inhoudelijke ontvankelijke behandeling door de Hoge Raad.

(…)

Conclusie

Op grond van de voornoemde argumenten en vormfouten kan naar mijn mening het litigieus arrest van de Hoge Raad niet in stand blijven, omdat de "ingebrekestelling" volledig voldoet aan een inhoudelijk behandeling door de Hoge Raad overeenkomstig met artikel 80a van de wet RO en daarom verzoek ik U beleefd doch dringend om herziening van het litigieus uitgesproken arrest van de Hoge Raad d.d. 8 juli 2016.

3 Herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak

Wettekst en parlementaire geschiedenis

3.1

De mogelijkheid tot herziening van onherroepelijke uitspraken van de bestuursrechter was sinds de inwerkingtreding van de Awb per 1 januari 1994 opgenomen in artikel 8:88 Awb.9 Bij wet van 29 oktober 1998 is de herzieningsprocedure met ingang van 1 september 1999 ook van toepassing verklaard op procedures bij de belastingrechter.10 Met ingang van 1 januari 2013 is de mogelijkheid tot herziening van artikel 8:88 Awb verplaatst naar artikel 8:119 Awb.11 Dit artikel luidt thans als volgt:

1. De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2. Hoofdstuk 6, titel 8.1, met uitzondering van afdeling 8.1.1 en artikel 8:13, titel 8.2, met uitzondering van artikel 8:41, tweede lid, titel 8.3 en titel 8.5, met uitzondering van artikel 8:109, zijn voor zover nodig van overeenkomstige toepassing.

3. Het griffierecht is gelijk aan het griffierecht dat ten tijde van de indiening van het verzoek verschuldigd zou zijn geweest voor het beroep of hoger beroep dat heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd.

4. Indien de uitspraak wordt herzien, betaalt de griffier het griffierecht terug.

3.2

Dat de herziening ook mogelijk is ten aanzien van een arrest van de Hoge Raad, volgt uit artikel 29 AWR:

Op de behandeling van het beroep in cassatie zijn (…). en de titels 8.4 en 8.6 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing, voor zover in deze afdeling niet anders is bepaald.

3.3

In titel 8.6 van de Awb is slechts één artikel opgenomen, te weten artikel 8:119.

3.4

In de memorie van toelichting bij de Awb, tweede tranche, wordt over de herziening op grond van artikel 8:88 Awb, opgemerkt:12

Partijen dienen in de gelegenheid te zijn, herziening van een onherroepelijke einduitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 en van de president van de rechtbank als bedoeld in artikel 8.3.8 te vragen, indien deze uitspraak in het licht van nieuw gebleken feiten van vóór deze uitspraak geen stand meer kan houden. Nieuwe feiten die na de uitspraak opkomen en een ander licht werpen op de zaak, kunnen niet tot herziening van de uitspraak leiden. Indien bijvoorbeeld door nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen blijkt, dat er wel degelijk een causaal verband is tussen bepaalde arbeidsomstandigheden en een bepaalde ziekte, is dat geen reden die tot herziening kan leiden. Het is immers de taak van de rechter te beoordelen of een besluit van een bestuursorgaan rechtmatig is. Dat kan uitsluitend worden beoordeeld aan de hand van hetgeen het bestuursorgaan bij het nemen van het besluit bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn. Daartoe behoren bovengenoemde nieuwe feiten evident niet. Het bovenstaande houdt uiteraard niet in, dat aan deze nieuwe feiten geen betekenis zou kunnen toekomen. Zij kunnen voor het bestuur aanleiding vormen om al dan niet op verzoek van de belanghebbende terug te komen op het eerder genomen besluit. Wij merken nog op dat het soms niet eenvoudig is te beoordelen of het gaat om feiten die aanleiding kunnen geven tot een verzoek om herziening dan wel om feiten die zouden kunnen leiden tot een verzoek om terug te komen op een eerder genomen besluit. In geval van twijfel daarover menen wij dat het in de rede ligt niet de rechter te verzoeken zijn uitspraak te herzien, maar het bestuursorgaan te vragen zijn eerdere besluit te heroverwegen. Voor alle duidelijkheid zij nog opgemerkt, dat het rechtsmiddel van herziening evenmin kan worden gebruikt voor het herstellen van processuele misslagen. De mogelijkheden voor een succesvol gebruik van dit middel zijn derhalve beperkt.

Jurisprudentie

3.5

Dat het niet mogelijk is om herziening te vragen van een uitspraak die is gedaan op verzoek tot herziening, volgt uit het arrest HR BNB 2010/140.13 In deze zaak had de Hoge Raad op 5 oktober 2007 arrest gewezen,14 waartegen de belanghebbende in 2008 een verzoek tot herziening richtte. Bij arrest van 12 december 2008 heeft de Hoge Raad het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk verklaard. Vervolgens heeft belanghebbende een verzoek tot herziening gedaan betreffende deze twee arresten. De Hoge Raad heeft op 26 februari 2010 het (tweede) herzieningsverzoek – voor zover gericht tegen het arrest gewezen op het eerste herzieningsverzoek, niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad overwoog:

2.1 (…)

Op grond van artikel 29 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) in verbinding met artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan van een (oorspronkelijke) uitspraak van de Hoge Raad als bedoeld in artikel 29e van de AWR herziening worden gevraagd indien sprake is van feiten of omstandigheden die tot een andere (oorspronkelijke) uitspraak hadden kunnen leiden als bedoeld in artikel 8:88, lid 1, van de Awb. Zelfs indien sprake zou zijn van dergelijke feiten of omstandigheden, heeft het daarom geen zin om met een beroep daarop te verzoeken om herziening van een uitspraak die is gedaan op een verzoek tot herziening (vgl. Centrale Raad van Beroep 27 februari 2002, nrs. 01/4744 WUV e.a., LJN AD9655). Een dergelijk verzoek, waarvan in dit geval sprake is, moet niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.2.

Voor zover het verzoek van belanghebbende aldus moet worden opgevat dat zij opnieuw verzoekt om herziening van het oorspronkelijke arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2007, heeft het volgende te gelden.

Als grond voor herziening van een (oorspronkelijke) uitspraak van de Hoge Raad als bedoeld in artikel 29e van de AWR kunnen ingevolge artikel 29 van die wet in verbinding met artikel 8:88, lid 1, van de Awb slechts dienen feiten of omstandigheden die hebben plaatsgevonden vóór die uitspraak, die tevens bij de indiener van het verzoekschrift tot herziening vóór die uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en die voorts, waren zij bij de Hoge Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

Het onderhavige verzoekschrift behelst geen feiten of omstandigheden als hiervóór bedoeld. Het gaat daarin slechts om feiten die belanghebbende vóór het oorspronkelijke arrest van de Hoge Raad reeds bekend waren. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht.

3.6

Zoals volgt uit r.o. 2.2 van HR BNB 2010/140 heeft de Hoge Raad met zijn oordeel – dat geen herziening mogelijk is ten aanzien van een uitspraak op een verzoek tot herziening – aangesloten bij een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB), waarin onder meer is geoordeeld:15

Gelet op de omstandigheid dat op grond van artikel 8:88 van de Awb immer van een (oorspronkelijke) uitspraak herziening kan worden gevraagd, indien de in dat artikel genoemde feiten en omstandigheden zich voordoen, moet het doen van een verzoek om herziening van een uitspraak ingevolge artikel 8:88 van de Wet op een verzoek om herziening eveneens ingevolge die bepaling, als zinloos en dus als in het systeem van de Awb niet passend te worden beschouwd. De Raad verklaart derhalve de hierboven genoemde verzoeken niet-ontvankelijk.

3.7

In HR BNB 2013/8 had de belanghebbende ten aanzien van een tweede verzoek om herziening dezelfde gronden aangevoerd als in zijn eerste verzoek tot herziening van een arrest. De Hoge Raad oordeelde dat onherroepelijkheid van de beslissing op het eerste herzieningsverzoek meebrengt dat die (herhaalde) gronden niet tot herziening konden leiden. Daarnaast is de Hoge Raad ingegaan op de beperkte toetsing van feiten in cassatie:16

3.3.3.

Voor zover thans andere gronden worden aangevoerd, kunnen zij evenmin leiden tot herziening van het arrest van 13 mei 2011. Als deze feiten de Hoge Raad vóór het wijzen van dat arrest bekend waren geweest, hadden ze niet tot een andere beslissing kunnen leiden, gelet op het beperkte karakter van de aan de Hoge Raad opgedragen toetsing (vgl. HR 12 maart 2004, nr. 39587, LJN AO5547, BNB 2004/226). Het betreft namelijk de toetsing van een zuiver feitelijk oordeel van het Hof over de bezorging van een nota griffierecht. Het beperkte karakter van de aan de Hoge Raad als cassatierechter opgedragen toetsing brengt mee dat hij zich in het arrest van 13 mei 2011 diende te beperken tot beoordeling van de motivering die het Hof voor dit oordeel heeft gegeven in het licht van de gedingstukken van de procedure voor het Hof. Nieuwe feitelijke gronden die eerst in het geding voor de Hoge Raad worden aangevoerd kunnen bij die beoordeling niet in de beschouwingen worden betrokken, en hadden de Hoge Raad in het arrest van 13 mei 2011 dus ook niet tot een ander oordeel kunnen brengen als belanghebbende ze al voor de totstandkoming van dat arrest bij de Hoge Raad had aangevoerd (vgl. HR 17 december 2004, nr. 40607, LJN AR7765, BNB 2005/84).

3.8

Artikel 8:119 Awb (en die van diens rechtsvoorganger artikel 8:88 Awb) beperkt niet het aantal herzieningsverzoeken dat een belanghebbende na een afwijzing van een herzieningsverzoek tegen een arrest kan indienen.17 Ook uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 8:119 Awb (en artikel 8:88 Awb) kan niet worden afgeleid dat een herhaald verzoek om herziening wat dat betreft aan beperkingen is onderworpen. Pieterse en Schreinemachers merken over een herhaald herzieningsverzoek op:18

Het staat een bij de oorspronkelijke procedure betrokken partij vrij om, nadat een eerder verzoek om herziening is afgewezen, een nieuw verzoek om herziening te doen. Het “risico van querulantisme”19 is hierbij niet uit te sluiten. Maar voor zover feiten of omstandigheden worden aangevoerd die eerder ontoereikend zijn bevonden, zal de rechter het nieuwe verzoek onder verwijzing naar de eerdere afwijzing (eenvoudig) kunnen afdoen. De wet bevat geen restricties ten aanzien van het aantal verzoeken om herziening dat iemand met betrekking tot dezelfde uitspraak kan indienen. Het is denkbaar dat na afwijzing van een verzoek om herziening feiten boven water komen die aanleiding geven om opnieuw om herziening (van dezelfde uitspraak) te verzoeken.20 Indien het tweede (of volgende) verzoek een herhaling is van hetgeen eerder is aangevoerd, brengt de onherroepelijkheid van de beslissing op dat eerdere verzoek mee dat de (opnieuw) aangevoerde gronden niet tot herziening kunnen leiden.21

Verder loopt de verzoeker in een zodanig geval de kans om door de rechter – wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht – te worden veroordeeld in de proceskosten (art. 8:75 lid 1 Awb); (…). De CRvB oordeelde dat daarvan sprake was in een geval waarin ook in het ‘tweede bedrijf’ geen feiten of omstandigheden werden aangevoerd die tot herziening zouden kunnen leiden.22

4 Niet-ontvankelijkverklaring in de oorspronkelijke zin

4.1

Voordat de Hoge Raad toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van een cassatieberoep of een verzoek om herziening, moet (ambtshalve) worden nagegaan of het beroep, dan wel het verzoek, ontvankelijk is. Door Feteris zijn de volgende gronden onderscheiden die kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid:23

1. het beroep in cassatie is gericht tegen een uitspraak waartegen dit rechtsmiddel niet openstaat;[24]

2. het beroep in cassatie is ingesteld door of namens een (rechts)persoon of entiteit die daartoe niet bevoegd is;[25]

3. het beroep in cassatie is ingesteld door een partij die afstand heeft gedaan van dit rechtsmiddel;[26]

4. bepaalde formele voorwaarden zijn niet in acht genomen;[27]

5. de indiener heeft geen belang (meer) bij het beroep in cassatie;[28]en

6. er is sprake van – kort gezegd – een kansloos beroep waarop art. 80a Wet RO wordt toegepast.[29]

4.2

De door Feteris onder nr. vier genoemde grond (het niet in acht nemen van bepaalde formele voorwaarden) betreft verscheidene formele bepalingen, waarvan de niet-naleving tot niet-ontvankelijkheid kan30 leiden.31 Zo onderscheidt Feteris:32

a. het beroepschrift moet zijn ondertekend;[33]

b. indien het beroepschrift wordt ingediend namens een ander moet daarbij een schriftelijke machtiging worden gevoegd, tenzij de gemachtigde advocaat is;[34]

c. het beroepschrift moet de naam en het adres van de indiener bevatten;[35]

d. het beroepschrift moet een omschrijving bevatten van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie gericht is en de indiener moet bovendien een afschrift van die uitspraak overleggen;[36]

e. het beroepschrift moet worden gemotiveerd;[37]

f. is het beroepschrift in een vreemde taal gesteld, dan moet de indiener op verzoek van de HR zorgen voor een vertaling indien dat voor een goede behandeling van het beroep in cassatie noodzakelijk is;[38]

g. het beroepschrift moet binnen de daarvoor geldende termijn van zes weken zijn ingediend,[39] en

h. het verschuldigde griffierecht moet volledig en tijdig zijn betaald.40

4.3

In uitzonderingsgevallen gaat de Hoge Raad (zowel impliciet als expliciet)41 voorbij aan de vraag of een cassatieberoep (niet-)ontvankelijk is. Zo oordeelde de Hoge Raad in 1991 dat om proceseconomische redenen een onderzoek naar de ontvankelijkheid buiten beschouwing kon blijven en verklaarde hij het cassatieberoep van de staatssecretaris van Financiën ongegrond.42 In het arrest HR BNB 2010/309 heeft de Hoge Raad de ontvankelijkheidsvraag (ten aanzien van het bezwaar van belanghebbende) laten rusten, ditmaal in verband met het belang van inhoudelijke behandeling van andere gevallen en mede om redenen van proceseconomie.43 In HR BNB 2011/18 bediende de Hoge Raad zich van een soortgelijke overweging, naast het oordeel dat belanghebbende geen belang (meer) had bij een beslissing op zijn cassatieberoep:44

3.2.

Nu zowel de niet-ontvankelijkverklaring als de intrekking van het beroep ertoe leiden dat het beroep inhoudelijk niet verder wordt behandeld, en belanghebbende de grond waarop zijn beroep niet-ontvankelijk is verklaard (niet betalen van griffierecht aan de Rechtbank) niet betwist, kan het beroep in cassatie voor hem niet tot een gunstiger beslissing leiden. Belanghebbende heeft dan ook geen belang bij een beslissing op zijn beroep in cassatie. Dat beroep dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.

-3.3. De vraag of belanghebbende ook reeds niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard omdat hij niet tijdig heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling van het voor het instellen van beroep in cassatie verschuldigde griffierecht, laat de Hoge Raad uit overwegingen van proceseconomie buiten beschouwing, nu de beantwoording van die vraag niet kan leiden tot een andere beslissing dan onder 3.2 gegeven.

4.4

In een arrest van 30 september 2016 heeft de Hoge Raad eveneens om redenen van proceseconomie in het midden gelaten of een beroep van een belanghebbende op betalingsonmacht ten aanzien van het griffierecht kon slagen. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a Wet RO:45

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

Om redenen van proceseconomie zal de Hoge Raad in het midden laten of belanghebbende ten aanzien van het verschuldigde griffierecht een beroep kan doen op betalingsonmacht.

5 ‘Niet-ontvankelijk’ in de zin van artikel 80a Wet RO

Wettekst en parlementaire geschiedenis

5.1

Met ingang van 1 juli 2012 is artikel 80a Wet RO in werking getreden. Dit artikel biedt de Hoge Raad de mogelijkheid het cassatieberoep zonder motivering46 niet-ontvankelijk te verklaren, wanneer de klager klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het instellen van het cassatieberoep, dan wel de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Dit artikel luidt als volgt:

1. De Hoge Raad kan, gehoord de procureur-generaal, het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren wanneer de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij die het cassatieberoep instelt klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

2. De Hoge Raad neemt een beslissing als bedoeld in het eerste lid niet dan nadat de Hoge Raad kennis heeft genomen van:

a. de dagvaarding of het verzoekschrift, bedoeld in artikel 407 onderscheidenlijk artikel 426a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, en de conclusie van antwoord of het verweerschrift, bedoeld in artikel 411 onderscheidenlijk artikel 426b, derde lid, van dat Wetboek, voor zover ingediend;

b. de schriftuur, houdende de middelen van cassatie, bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafvordering; dan wel

c. het beroepschrift waarbij beroep in cassatie wordt ingesteld, bedoeld in artikel 28 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, en het verweerschrift, bedoeld in artikel 29b, van die wet, voor zover ingediend.

3. Het beroep in cassatie wordt behandeld en beslist door drie leden van een meervoudige kamer, van wie een als voorzitter optreedt.

4. Indien de Hoge Raad toepassing geeft aan het eerste lid, kan hij zich bij de vermelding van de gronden van zijn beslissing beperken tot dit oordeel.

5.2

Artikel 80a Wet RO is ingevoerd bij Wet versterking cassatierechtspraak,47 naar aanleiding van een rapport genaamd ‘Versterking van de Cassatierechtspraak’ van de Commissie Hammerstein.48 Uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel blijkt onder meer dat het doel van de wet het ‘versterken van de cassatierechtspraak is’, hetgeen onder andere zal kunnen worden bereikt door de introductie van artikel 80a Wet RO:49

Met dit wetsvoorstel wordt een versterking van de cassatierechtspraak beoogd door andere en nieuwe eisen te stellen aan advocaten die als procesvertegenwoordiger optreden bij de Hoge Raad en door de introductie van de mogelijkheid tot niet-ontvankelijkverklaring van een cassatieberoep door de Hoge Raad aan het begin van de procedure. Het wetsvoorstel is erop gericht de Hoge Raad in staat te stellen zich als cassatierechter te concentreren op zijn kerntaken. Een adequate uitvoering van deze kerntaken staat onder druk door het instellen van cassatie in zaken die zich niet lenen voor een beoordeling in cassatie, en doordat sommige kwesties waarin een uitspraak van de Hoge Raad wenselijk is, de Hoge Raad niet of niet tijdig bereiken.

(…).

Een adequate uitvoering van de taken van de Hoge Raad staat, zoals gezegd, onder druk. Dit houdt verband met de kwantiteit en de kwaliteit van de instroom van zaken. In enkele decennia is de werklast van de Hoge Raad, getalsmatig in zaken uitgedrukt, meer dan verdubbeld voor de civiele sector en de belastingsector, en zelfs verviervoudigd voor de strafsector. De instroom van zaken blijft continu hoog. (...) De toename van de werklast houdt ook verband met de complexiteit en de internationalisering van de samenleving, die tot uitdrukking komt in een groei van ingewikkelde en omvangrijke zaken die bij de Hoge Raad worden aangebracht. De Hoge Raad en het parket ervaren een toename van de bewerkelijkheid van de zaken in alle sectoren. Maar ook is, zoals gezegd, een trend waarneembaar van een toenemend aantal kansloze of voor cassatie ongeschikte zaken dat bij de Hoge Raad wordt aangebracht. Het gaat daarbij om cassatieberoepen die hetzij niet voldoen aan de daaraan gestelde wettelijke eisen, hetzij berusten op klachten die klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden en om zaken waarbij de insteller uit het oogpunt van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep om behandeling door de Hoge Raad te kunnen rechtvaardigen.

(…).

Tegen de achtergrond van de bovengenoemde voorbeelden introduceert dit wetsvoorstel voorts de mogelijkheid tot niet-ontvankelijkheidverklaring van een cassatieberoep door de Hoge Raad aan het begin van de procedure.

5.3

Eveneens volgt uit de memorie van toelichting dat ruimte is overgelaten aan de diverse sectoren om uitleg te geven aan artikel 80a Wet RO:50

De bevoegdheid is opgenomen in de Wet RO omdat het een algemene voorziening voor de cassatierechtspraak door de Hoge Raad betreft. Met het oog op het eigen karakter van de verschillende sectoren is de wettelijke regeling zo opgezet dat daaraan in de praktijk per sector een verschillende invulling kan worden gegeven.

5.4

Ten slotte wordt in de memorie van toelichting duidelijk onderscheid gemaakt tussen de uit het bestuursrecht voortvloeiende ‘kennelijke niet-ontvankelijkverklaring’ en de ‘niet-ontvankelijkverklaring’ als bedoeld in artikel 80a Wet RO:51

In het voorgestelde artikel 80a Wet RO zijn de gronden voor niet-ontvankelijkverklaring beperkt gehouden tot cassatieberoepen waarin de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep instelt klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Onder die tweede categorie valt een groot deel van de zaken die nu, na de gehele procedure doorlopen te hebben, met artikel 81 Wet RO worden afgedaan. Bij klaarblijkelijk onvoldoende belang bij het cassatieberoep kan, als gezegd, worden gedacht aan gevallen waarin na verwijzing toch geen andere beslissing zou kunnen volgen en het cassatieberoep zou moeten afstuiten op gebrek aan belang. Dit zijn gevallen waarin de motivering van de feitenrechter niet helemaal vlekkeloos is of waarin kleine vormfouten zijn gemaakt, die echter op de uiteindelijke beslissing niet van invloed kunnen zijn geweest, zodat verdwijnen van rechtsbescherming niet aan de orde is (…) Vanwege de bredere lading van de hier bedoelde niet-ontvankelijkverklaring, moet deze term niet worden verward met de kennelijke niet-ontvankelijkverklaring, zoals deze in het bestuursrecht wordt gehanteerd.[52]

5.5

In de nota naar aanleiding van het verslag is door de minister van Veiligheid en Justitie in de Tweede Kamer onder meer benadrukt dat met artikel 80a Wet RO geen discretionaire bevoegdheid wordt gegeven om zaken al dan niet inhoudelijk af te doen53, 54 en toepassing van artikel 80a Wet RO inhoudelijk betekent dat het cassatieberoep wordt verworpen:55

Dit wetsvoorstel is niet gericht op een vermindering van de werklast van de Hoge Raad, maar op een doelmatiger gebruik van de beschikbare capaciteit. Cassatieberoepen die kansloos zijn wegens het ontbreken van deugdelijke cassatiemiddelen of wegens een gebrek aan belang, moeten zo snel mogelijk worden afgedaan. De voorgestelde «selectie aan de poort» betekent niet, zoals in vele verlofstelsels in een aantal andere Europese landen wel het geval is, dat eerst wordt beoordeeld of een zaak kan worden toegelaten. Het gaat om een rechterlijke toets van de zaak zelf nadat cassatieberoep is ingesteld, dus bij wijze van spreken «na de poort». De toegang tot de cassatierechtspraak wordt met dit wetsvoorstel op geen enkele wijze beperkt. De Hoge Raad mag ook niet naar eigen (subjectieve) keuze een zaak al dan niet behandelen, maar wordt in staat gesteld daartoe geëigende zaken in een vroegtijdig stadium eruit te filteren en daarop definitief te beslissen. Hierbij is gekozen voor niet-ontvankelijk als aanduiding dat de zaak zich niet leent voor een volledige behandeling in cassatie, maar inhoudelijk betekent dit ook een verwerping van het cassatieberoep.

5.6

De minister van Veiligheid en Justitie betoogde – mede namens zijn staatssecretaris – in de Eerste Kamer dat de toepassing van artikel 80a Wet RO niet betekent dat sprake is van een minder vergaande inhoudelijke toetsing:

Wij verwachten dat met de voorgestelde wijziging van de Wet RO de Hoge Raad zich inderdaad volledig kan concentreren op zijn kerntaak. In geval van toepasselijkheid van artikel 80a RO zal er overigens geen sprake zijn van een minder vergaande inhoudelijke toetsing. De inhoudelijke toetsing blijft een toetsing in volle omvang. Er wordt een nieuwe afdoeningsmodaliteit geïntroduceerd die in voorkomende gevallen meebrengt dat een cassatieberoep in een eerder stadium tot een einde komt.56

(…)

Het is echter niet zo dat het in alle gevallen moet gaan om een processueel belang. Ook op inhoudelijke gronden kan tot niet-ontvankelijkverklaring krachtens artikel 80a worden besloten.57

5.7

De minister merkte in de memorie van antwoord echter op dat de zaken die op grond van 80a Wet RO worden afgedaan zich niet voor inhoudelijke beoordeling in cassatie lenen:58

Op grond van die bepaling [artikel 80a Wet RO; A-G] kan de Hoge Raad zaken die zich niet lenen voor een inhoudelijke beoordeling in cassatie, vereenvoudigd en versneld afdoen.

Jurisprudentie

5.8

De Strafkamer van de Hoge Raad heeft in vier overzichtsarresten van 11 september 2012 inzicht gegeven in de wijze waarop de Hoge Raad artikel 80a Wet RO zou gaan toepassen.59 Zo heeft de Strafkamer in de zaak HR BNB 2012/295 onder meer rechtsoverwegingen gewijd aan de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 80a Wet RO, de vereisten van dit artikel en de rechtsgevolgen na toepassing daarvan.60 De Hoge Raad overwoog in dit arrest onder meer het navolgende:

2.3.1.

Bij de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep om reden dat "de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, (...) omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden" kan volgens de memorie van toelichting, p. 2-3, worden gedacht aan "gevallen waarin de motivering van de feitenrechter niet helemaal vlekkeloos is of waarin kleine vormfouten zijn gemaakt, die echter op de uiteindelijke beslissing niet van invloed kunnen zijn geweest" alsmede aan "klachten (...) waarin de duidelijke strekking van de wet of vaste rechtspraak wordt miskend." De rechtspraak over dit type klachten is al veel meer uitgekristalliseerd, zodat van de hier bedoelde gevallen meer voorbeelden kunnen worden gegeven. Art. 80a RO brengt in dit opzicht vooral de vernieuwing van een vroegtijdige selectie en van niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.

2.3.2.

Aan de in de memorie van toelichting gegeven voorbeelden kunnen verder worden toegevoegd klachten die evident kansloos zijn omdat zij

- zijn gericht tegen andere handelingen of beslissingen dan de in art. 78 RO genoemde, en/of

- enkel vertogen van feitelijke aard behelzen, en/of

- steunen op feiten die in cassatie niet vaststaan en/of waarop in feitelijke aanleg geen beroep is gedaan, en/of

- berusten op een verkeerde lezing van de bestreden beslissing, en/of

- een tardief verweer behelzen, en/of

- betrekking hebben op bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg begane vormverzuimen waarop bij de behandeling van het appel geen beroep is gedaan, en/of

- eisen stellen die het recht niet kent, en/of

- zich keren tegen een overweging ten overvloede, en/of

- zijn gericht tegen een geenszins onbegrijpelijk oordeel van feitelijke aard, en/of

- opkomen tegen een geenszins onbegrijpelijke motivering betreffende de verwerping van een verweer, en/of

- zich keren tegen de motivering van een juist rechtsoordeel dan wel (het ontbreken van) de motivering van de verwerping van een verweer dat hoe dan ook niet kan slagen, en/of

- betrekking hebben op een onmiskenbare misslag of schrijffout in de bestreden uitspraak of het proces-verbaal van de terechtzitting, en/of

- opkomen tegen een geenszins onbegrijpelijk oordeel omtrent de betekening der dagvaarding en/of de ontvankelijkheid van het hoger beroep, en/of

- zich keren tegen een geenszins onbegrijpelijke motivering betreffende de afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen en/of deskundigen, onderscheidenlijk een verzoek met betrekking tot een tegenonderzoek dan wel een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak, en/of

- blijk geven van miskenning van de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter met betrekking tot de bewijsvoering en de straftoemeting, en/of

- blijk geven van miskenning van de vrijheid van de feitenrechter met betrekking tot de uitleg van verklaringen en processtukken.

2.3.3.

De Hoge Raad zal in gevallen waarin uitsluitend klachten als hiervoor vermeld aan de orde zijn voortaan art. 80a RO toepassen in plaats van - zoals voorheen - het beroep, al dan niet met toepassing van art. 81 RO, te verwerpen.

2.3.4.

Indien een klacht niet kon gelden als middel van cassatie als in de wet bedoeld, te weten een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen, bleef zij onbesproken. Indien uitsluitend zodanige klachten aan de orde zijn zal art. 80a RO worden toegepast. Buitendien zal een dergelijke klacht kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 RO.

Rechtsgevolg

2.4.1.

Ingevolge het eerste lid van art. 80a RO kan het beroep in cassatie niet-ontvankelijk worden verklaard wanneer de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij die het cassatieberoep instelt klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Dit is een nieuwe niet-ontvankelijkheidsgrond, die zich onderscheidt van de andere, reeds bestaande gronden voor niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep, zoals het niet-openstaan van beroep in cassatie, het niet-tijdig instellen van het beroep en het niet (tijdig) indienen van een schriftuur houdende middelen van cassatie.

5.9

In de conclusie voor HR BNB 2012/295 heeft A-G Vellinga het volgende geschreven over het begrip ‘niet-ontvankelijk’:61

12.1.

In het licht van de parlementaire geschiedenis is bepaald opvallend dat de wetgever heeft gekozen voor niet-ontvankelijkheid als einduitspraak. Met een door de wetgever voorgestane integrale beoordeling van de zaak lijkt die uitspraak moeilijk verenigbaar en al helemaal met het door de wetgever voorgestane behoud van ambtshalve toetsing. Niet-ontvankelijkheid pleegt immers te betekenen dat de rechter aan de zaak niet toekomt. De wetgever heeft hier kennelijk ook wel nattigheid gevoeld. In de memorie van toelichting wordt namelijk gesteld: "Vanwege de bredere lading van de hier bedoelde niet-ontvankelijkverklaring, moet deze term niet worden verward met de kennelijke niet-ontvankelijkverklaring, zoals deze in het bestuursrecht wordt gehanteerd."62 Volgens de wetgever betekent niet-ontvankelijkheid tevens inhoudelijk verwerping van het beroep.63 Kennelijk64 heeft de wetgever zich bij de keuze voor niet-ontvankelijkheid als einduitspraak laten inspireren door het voorstel van de commissie Hammerstein, die op zijn beurt vermoedelijk weer zal zijn geïnspireerd door - thans - art. 35 EVRM.65 In de ogen van de commissie Hammerstein dient niet-ontvankelijkheid te volgen omdat het haars inziens gaat om zaken die niet geschikt zijn voor behandeling in cassatie, namelijk zaken waarvan "de aangevoerde klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling en de klachten evenmin uit een oogpunt van rechtsbescherming tot cassatie moeten leiden."66 Hoe dan ook, het blijft een wat tweeslachtige oplossing, wel inhoudelijke beoordeling, ook ambtshalve, en een uitspraak geven die suggereert dat een en ander niet gebeurt. "Klaarblijkelijk ongegrond" was een voor de hand liggender einduitspraak geweest. De gekozen einduitspraak roept ook de vraag op waarom de wetgever geen duidelijke eisen aan de middelen heeft gesteld en aan het niet voldoen aan die eisen geen niet-ontvankelijkheid heeft verbonden. Dat zou hebben gestrookt met de samen met art. 80a ingevoerde kwaliteitseisen voor de cassatieadvocatuur. Uiteindelijk draait de nieuwe bepaling immers om kwaliteit en zin van de middelen.

12.2.

Omdat de in art. 80a voorziene niet-ontvankelijkheid berust op inhoudelijke beoordeling van een zaak komt die niet-ontvankelijkheid pas aan de orde als een partij in haar cassatieberoep kan worden ontvangen, dus wanneer de zaak vatbaar is voor beroep in cassatie (art. 427 resp. 445 en 446 Sv), aan de voor het instellen van cassatie geldende termijn is voldaan (art. 432 resp. 446 Sv), en de voorschriften voor aanwenden van een rechtsmiddel (art. 450 Sv, zoals door de Hoge Raad uitgewerkt in HR 22 december 2009, LJN BJ7810, NJ 2010, 10267) zijn nageleefd. Dat toepassing van art. 80a RO pas aan de orde kan komen als een partij in haar cassatieberoep kan worden ontvangen ligt nogal voor de hand. Het zou immers nogal wonderlijk zijn wanneer een cassatieberoep niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens gebrek aan voldoende belang als helemaal geen beroep in cassatie openstaat dan wel de termijn voor het instellen van cassatie is overschreden.

5.10

Op 9 november 2012 heeft de Belastingkamer van de Hoge Raad voor het eerst een cassatieberoep afgedaan met artikel 80a Wet RO.68 In deze zaak (HR BNB 2013/50) kwam de belanghebbende onder meer op tegen de legitimiteit van de regeling van de heffingsrente. De Hoge Raad verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. De Hoge Raad gebruikte de volgende standaardformulering (die thans nog in fiscale zaken wordt toegepast indien een cassatieberoep niet-ontvankelijk wordt verklaard in de zin van artikel 80a Wet RO):

1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

2. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

5.11

Op 21 december 2012 heeft de Hoge Raad69 voor de eerste keer in belastingzaken een herzieningsverzoek70 met toepassing van artikel 80a Wet RO niet-ontvankelijk verklaard.71 In deze zaak (HR BNB 2013/51) was herziening gevraagd van een arrest van de Hoge Raad waar hij het cassatieberoep van belanghebbende (ter zake van aanslagen onroerende-zaakbelastingen) onder verwijzing naar artikel 81 Wet RO had verworpen.72

5.12

De Strafkamer van de Hoge Raad heeft in 2016 het in onderdeel 5.8 genoemde overzichtsarrest geactualiseerd. In het nieuwe arrest worden de volgende beslissingen genoemd over de toepassing van artikel 80a Wet RO die een zaaks overstijgende betekenis hebben (ik neem voetnoten niet op):73

a. In een arrest van 3 februari 2015 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat tekst noch strekking van art. 80a RO zich ertegen verzet dat het Parket bij de Hoge Raad afziet van het innemen van een standpunt over de toepassing van deze bepaling en dat het voorschrift van art. 439, eerste lid, Sv dat de Procureur-Generaal een op schrift gestelde conclusie neemt, daaraan niet in de weg staat. Dit heeft tot gevolg dat in die gevallen waarin het Parket afziet van het innemen van een standpunt over de toepassing van art. 80a RO (of mondeling het standpunt inneemt dat art. 80a RO kan worden toegepast) en dus niet een op schrift gestelde conclusie neemt waarvan ingevolge art. 439, derde lid, Sv een afschrift aan de raadsman wordt toegezonden, voor schriftelijk commentaar op de conclusie als bedoeld in art. 439, vijfde lid, Sv geen plaats is.

b. In een arrest van 17 december 2013 heeft de Hoge Raad zijn in 2012 verwoorde oordeel herhaald dat en vervolgens nader gemotiveerd waarom hij niet kan toekomen aan een beoordeling van rechtspunten betreffende de vordering van de benadeelde partij in het geval dat art. 80a RO in de weg staat aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de verdachte en/of het openbaar ministerie.

c. In enkele arresten heeft de Hoge Raad erop gewezen dat het instellen van cassatieberoep niet de enige manier behoeft te zijn om misslagen in de bestreden uitspraak te herstellen. Dat is in het bijzonder het geval als het gaat om "een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechter(s) die op de zaak heeft/hebben gezeten overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn arresten van 6 juli 2010". Deze wijze van herstel van "een onmiddellijk kenbare fout, verschrijving of verrekening" verdient in voorkomende gevallen de voorkeur boven het voeren van een cassatieprocedure omdat daardoor ondubbelzinnig — en op kortere termijn - duidelijkheid komt te bestaan omtrent de voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing. Zo'n herstelarrest is ook de aangewezen weg ingeval de rechter heeft verzuimd toepassing te geven aan de in art. 27 Sr bedoelde aftrek (…)

Ook bij bijvoorbeeld een evidente misslag in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel of het verzuim in het dictum te vermelden dat de in art. 14d lid 2 Sr bedoelde opdracht inzake reclasseringstoezicht en -begeleiding is gegeven, ligt een verzoek om een herstelbeslissing meer voor de hand dan het instellen van een rechtsmiddel. In dat verband moet worden gewezen op een arrest van 8 maart 2016 waar het hof de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel voor € 10,- teveel had toegewezen, doch het cassatieberoep niet-ontvankelijk werd verklaard op de grond dat de verdachte onvoldoende belang had bij dat beroep omdat hij 's hofs misslag door middel van een herstelarrest ongedaan kon laten maken.

d. Zaakoverstijgend is ook het (overzichts)arrest van 1 juli 2014 over verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen. In dat arrest is onder meer overwogen dat met inachtneming van de uit art. 80a RO voortvloeiende terughoudendheid bij de toetsing in cassatie in gevallen waarin het belang bij vernietiging niet evident is, die toetsing zich – meer dan vroeger het geval was – zal concentreren op de vraag of de beslissing van de feitenrechter ten aanzien van het al dan niet oproepen onderscheidenlijk horen van getuigen begrijpelijk is. Daarbij is aangetekend dat die begrijpelijkheid in verband met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst (…).

e. In dit kader moet voorts een arrest van 2 mei 2015 worden genoemd over verzoeken tot het stellen van prejudiciële vragen in het geval van toepassing van de art. 80a en 81 RO. Dat arrest gaat over de (stilzwijgende afwijzing van) verzoeken tot het stellen van prejudiciële vragen op de voet van art. 267 VWEU in zaken waarbij het cassatieberoep met toepassing van en onder verwijzing naar art. 80a dan wel art. 81 RO niet-ontvankelijk wordt verklaard onderscheidenlijk wordt verworpen. In zo een uitspraak ligt besloten dat van het stellen van prejudiciële vragen kan worden afgezien omdat de opgeworpen prejudiciële vragen niet relevant zijn voor de oplossing van het geschil dan wel kunnen worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie of redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop deze vragen over de betrokken Unierechtelijke rechtsregel moeten worden opgelost.

f. Zoals de Hoge Raad in zijn arresten van 2012 heeft opgemerkt, zal in gevallen waarin art. 80a RO kan worden toegepast, het gebruik van het bijzondere instrument van de ambtshalve cassatie niet snel aan de orde zijn. Aan de toepassing van art. 80a RO staat op zichzelf niet in de weg dat het Parket bij de Hoge Raad ambtshalve heeft geconcludeerd tot vernietiging, zoals wordt geïllustreerd door een arrest van 22 december 2015.

5.13

Eveneens overwoog de Hoge Raad in het ‘nieuwe’ overzichtsarrest dat aan de lijst van voor toepassing van artikel 80a Wet RO in aanmerking komende gevallen na 2012 slechts enkele zaken expliciet zijn toegevoegd (ik neem voetnoten niet op):

Dat betreft gevallen waarin sprake was van:

- het verzuim zich in appel te beroepen op het ontbreken van de voor het instellen van de strafvervolging vereiste klacht;

- het verzuim zich in appel erop te beroepen dat het procesverbaal van de terechtzitting in eerste aanleg rechtskracht mist omdat het niet overeenkomstig art. 327 Sv is vastgesteld en ondertekend, en dat het vonnis daarom niet (partieel) had mogen worden bevestigd;

- de verkeerde lezing van de bestreden uitspraak wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf.

5.14

Ten slotte heeft de Strafkamer van de Hoge Raad ook meer inzicht gegeven (aan de hand van na 2012 gewezen beslissingen) ter zake van toepassing van artikel 80a Wet RO vanwege ‘klaarblijkelijk onvoldoende belang’.74

Literatuur

5.15

In het jaarverslag van de Hoge Raad over 2014 zijn de president van en de procureur generaal bij de Hoge Raad nader ingegaan op artikel 80a Wet RO:75

Wanneer een zaak geen vragen oproept die in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling moeten worden beantwoord, kan de Hoge Raad de zaak in sommige gevallen zonder inhoudelijke motivering afdoen. Dat betreft gevallen waarin het beroep niet tot cassatie kan leiden of waarin de betrokkene klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij dat beroep (zie de artikelen 80a en 81 Wet RO). Deze artikelen worden door de Hoge Raad op ruime schaal toegepast. Doordat de Hoge Raad de zaak in deze gevallen wel inhoudelijk beoordeelt, wordt rechtsbescherming in het individuele geval nog steeds geboden, zij het zonder uitleg. De Hoge Raad is zich ervan bewust dat dit niet bevredigend is voor partijen en hun procesvertegenwoordigers. Hij moet echter selectief zijn met zijn aandacht, gegeven de begrensde tijd en menskracht die hem ter beschikking staan. Door toepassing van de artikelen 80a en 81 van de Wet RO is er meer tijd beschikbaar voor onderzoek en reflectie in zaken die ingewikkeld of controversieel zijn, of die voor veel mensen of organisaties grote consequenties kunnen hebben. Dat kan leiden tot betere en bruikbaardere uitspraken, ook op het gebied van rechtsbescherming.

5.16

De president van de Hoge Raad heeft in een toespraak het volgende over artikel 80a Wet RO opgemerkt:76

The new article 80a of the Wet RO introduced a certain degree of ‘selection at the gate’ at the Supreme Court. At the start of proceedings, on the basis of this new article, the Supreme Court can decide to declare an appeal in cassation inadmissible, if it is abundantly clear that it has no chance of leading to cassation or if it is evident that the submitting party has insufficient interest in the appeal in cassation. This simplified disposal of cases can also take place without stating substantive grounds, just like the already mentioned disposal on the basis of article 81 of the Wet RO. This approach therefore saves the Supreme Court time, while cases disposed of in this way are dealt with far sooner. All cases are screened soon after they are submitted, to determine whether or not they are eligible for this (abbreviated) form of disposal. If article 80a of the Wet RO is applied, this generally takes place within a few months of the case being received. To date, the Criminal Chamber of the Supreme Court has made most use of this provision. This is no real surprise, since this chamber with its 10 judges is required to settle between 4000 and 5000 cases each year. In 2014, the Criminal Chamber disposed of more than 42% of cases by applying article 80a of the Wet RO, and in 2015 even 57%. A large proportion of these cases were appeals without prospect of success, for example appeals that failed to recognise that the Supreme Court as a cassation court is not a third fact-finding instance. An obvious lack of interest also regularly leads to application of article 80a of the Wet RO. In an increasing number of cases, the Criminal Chamber has assumed that there is no interest as intended in this provision if a formality has not been complied with by the lower court, but where it remains unclear to what extent the suspect has been disadvantaged as a consequence. In such a case, the attorney of the suspect is expected to submit arguments in his letter of appeal in cassation that explain how the suspect was disadvantaged.

It is important to emphasise in this connection that the possibilities for the efficient settlement of cases on the basis of article 80a of the Wet RO (and on the basis of the previously introduced article 81 of the Wet RO) must not be viewed as a means of saving money. The eventual goal of these articles is that, given its already limited resources, the Supreme Court is able to further shift its focus onto the unity of law and the development of law, which will therefore have favourable consequences for the exercising of its law-making task. As a result, the Supreme Court is in a position to focus its attention above all on those subjects and themes which clearly occur regularly in practice, and in respect of which there is a need for a clear guideline from the highest court.

5.17

De president van de Hoge Raad was recent aanwezig bij de Strafkamer van de Hoge Raad. In de interne nieuwsbrief van de Hoge Raad heeft hij zijn aldaar opgedane ervaringen met artikel 80a Wet RO gedeeld. Zo schreef hij:77

Bij de strafkamer heb ik een raadkamer AZ (algemene zaken) bijgewoond. Tijdens zo’n raadkamer worden met name zaken besproken die worden afgedaan met artikel 80a van de Wet op de Rechterlijke Organisatie. Dat is de zogenaamde selectie aan de poort van zaken die evident kansloos zijn of waarbij de indiener van het cassatieberoep evident onvoldoende belang heeft. Na kritische geluiden vanuit met name de advocatuur over ruime toepassing van deze regeling, leek het mij nuttig om met eigen ogen eens te zien wat voor zaken het zijn die op deze manier niet-ontvankelijk worden verklaard.

In een ochtend worden tientallen zaken besproken die op deze manier worden afgedaan. Het waren deze keer voor een groot deel politierechterzaken. Het ging met name om feitelijke klachten, over de bewijsconstructie en over de strafmotivering van het Hof. Dat zijn zaken die eigenlijk niet bij de Hoge Raad thuis horen. De Hoge Raad is er niet voor een tweede herkansing als het om de feiten gaat. Overigens werd tijdens deze raadkamer bij een aantal zaken, ondanks een voorstel om ze met artikel 80a af te doen, toch besloten om ze via het ‘normale circuit’ te behandelen. In die zaken bleken er toch vragen te zijn die nadere bestudering vergden, en waarop het antwoord dus niet zo evident was. Een teken dat ook zaken die in aanmerking lijken te komen voor toepassing van artikel 80a nauwkeurig en kritisch door de raadsheren worden beoordeeld.

5.18

In de literatuur is de vraag gesteld of artikel 80a Wet RO kan worden toegepast op een herzieningsprocedure. Van Eijsden schrijft in zijn noot bij BNB 2013/51:78

In de eerste plaats is het verrassend dat de Hoge Raad art. 80a RO toepast op een herzieningsprocedure. (…) Hieruit [uit de tekst van artikel 80a Wet RO; A-G] wordt duidelijk dat art. 80a RO bedoeld is voor het beroep in cassatie, waarbij in fiscale zaken primair gedacht moet worden aan de situatie dat een belanghebbende beroep in cassatie aantekent tegen een uitspraak van de Rechtbank of het Gerechtshof. Dat blijkt ook uit art. 80a lid 2 aanhef en onderdeel c RO, waar staat: “De Hoge Raad neemt een beslissing als bedoeld in het eerste lid niet dan nadat de Hoge Raad kennis heeft genomen van het beroepschrift waarbij beroep in cassatie wordt ingesteld, bedoeld in artikel 28 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, en het verweerschrift, bedoeld in artikel 29b, van die wet, voor zover ingediend.” Als puur naar de tekst van art. 80a RO gekeken wordt, lijkt er dus weinig aanleiding te zijn om art. 80a RO tevens toe te passen in een herzieningsprocedure. Ook in de wetsgeschiedenis van art. 80a RO lijkt weinig aanleiding te vinden om dit artikel te gebruiken in een herzieningsprocedure. Om een vergelijkbare reden achten L.J.A. Pieterse en M.A. Schreinemachers, Herziening in belastingzaken, Deventer 2010, blz. 54 en 55, het niet mogelijk om een herzieningsverzoek met toepassing van art. 81 RO ongegrond te verklaren: “Indien het verzoek om herziening is gericht tegen een uitspraak van de Hoge Raad (…), kan zo’n verzoek niet onder verwijzing naar artikel 81 Wet RO ongegrond worden verklaard, omdat de mogelijkheid zaken op deze verkorte wijze af te doen alleen mogelijk is met betrekking tot een beroep in cassatie.” De Hoge Raad denkt hier gezien het onderhavige arrest anders over en daar is naar mijn mening ook wel aanleiding toe. Dat art. 8:88 Awb mede van toepassing is op arresten van de Hoge Raad, volgt uit art. 29 AWR waarin voor zover van belang is bepaald: “Op het beroep in cassatie [is] (…) titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing (…).” Titel 8.4 bevat maar één artikel, te weten art. 8:88 Awb. Kennelijk is met de woorden ‘beroep in cassatie’ ook het verzoek tot herziening bij de Hoge Raad bedoeld, anders zou het van overeenkomstige toepassing verklaren van art. 8:88 Awb in art. 29 AWR een zinledige bepaling zijn. Art. 8:88 Awb kan namelijk alleen in een herzieningsprocedure toegepast worden en niet in een procedure waarbij cassatie wordt aangetekend tegen een uitspraak van een lagere rechter. Kennelijk om deze reden concluderen Pieterse en Schreinemachers, a.w., blz. 34: “De wet spreekt in artikel 29 AWR weliswaar van ‘beroep in cassatie’ maar ingeval een herzieningsprocedure aanhangig wordt gemaakt moet in de plaats daarvan ‘verzoek om herziening’ worden gelezen.” Dit is juist, maar dat art. 29 AWR verklaart ook art. 8:70 Awb van overeenkomstige toepassing. Art. 8:70 Awb bevat de verschillende dicta waartoe de uitspraak kan strekken, waaronder de niet-ontvankelijkverklaring. De Hoge Raad kan dus in een herzieningsprocedure tot niet-ontvankelijkheid concluderen. Het valt dan niet goed in te zien waarom in het kader van de niet-ontvankelijkverklaring geen gebruik kan worden gemaakt van art. 80a RO, dat een bijzondere mogelijkheid tot niet-ontvankelijkverklaring biedt. Gezien het doel en de strekking van art. 80a RO, te weten het toepassen van een selectie aan de poort, past het heel goed om ook de herzieningsprocedure onder de reikwijdte van art. 80a RO te begrijpen. Kortom, ik kan mij goed vinden in deze ruime toepassing van art. 80a RO, ook nu de letter van de wet daartoe op het eerste gezicht geen mogelijkheid voor geeft.

5.19

Evenals A-G Vellinga signaleert Feteris dat de niet-ontvankelijkverklaring op inhoudelijke gronden lijkt te zijn afgeleid uit artikel 35 EVRM:79, 80

Niet-ontvankelijkverklaring van een rechtsmiddel op inhoudelijke gronden is in het Nederlandse procesrecht een ongebruikelijk verschijnsel, maar het is inherent aan “selectie aan de poort”. Zo kan ook het EHRM klachten niet-ontvankelijk verklaren als ze “manifestly illfounded” zijn (art. 35, lid 3, letter a EVRM).

5.20

Feteris constateert voorts dat sinds de inwerkingtreding van artikel 80a Wet RO herzieningsverzoeken niet meer vereenvoudigd af worden gedaan met toepassing van artikel 8:54 Awb:

Wel kan de HR verzoeken om herziening van een arrest vereenvoudigd afdoen op de voet van art. 8:54 Awb, maar van die mogelijkheid wordt onder het met ingang van 1 juli 2012 geldende recht geen gebruik meer gemaakt. [81]

(…)

Voorheen deed de HR kennelijk ongegronde herzieningsverzoeken vereenvoudigd – zonder zitting – af op de voet van het in herzieningszaken van overeenkomstige toepassing verklaarde art. 8:54 Awb. Zie bijv. HR 9 mei 2001, BNB 2002/124, en HR 24 mei 2002, BNB 2002/235. De verzoeker kon dan nog wel op de voet van art. 8:55 Awb in verzet komen, en kon dan op grond van het derde lid van die bepaling op zijn verzoek op een zitting worden gehoord. In de praktijk leidde dit slechts tot een herhaling van zetten.[82]

5.21

Ook Van Eijsden denkt dat met de mogelijkheid tot niet-ontvankelijkverklaring in artikel 80a Wet RO voor de afdoening van ‘kansloze’ herzieningsverzoeken geen gebruik meer zal worden gemaakt van artikel 8:54 Awb:83

Gaat de Hoge Raad nu voortaan altijd herzieningsverzoeken waarbij niet is voldaan aan art. 8:88 lid 1 Awb afdoen met toepassing van art. 80a RO? (…) De Hoge Raad voegt [aan de standaardoverweging waarmee verzoeken tot herziening voor de inwerkingtreding van artikel 80a Wet RO werden afgedaan] dan vaak als dictum nog (…) toe: “Aangezien het verzoek tot herziening kennelijk ongegrond is, is voortzetting van het onderzoek niet nodig, zodat met toepassing van artikel 8:88, lid 2, in verbinding met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek kan worden gesloten.” Is met het onderhavige arrest nu een einde gekomen aan deze wijze van afdoening van kansloze herzieningsverzoeken? En wordt dan voortaan art. 80a RO toegepast? Ik denk van wel, althans in die situaties dat het herzieningsverzoek duidelijk geen kans van slagen heeft (en daarmee dus klaarblijkelijk ongegrond is). Er is daarentegen geen aanleiding om art. 80a RO toe te passen in situaties die minder duidelijk liggen. Een voorbeeld van een dergelijke situatie zou het arrest van 23 december 2005, BNB 2006/128 kunnen zijn. Daarin vond de Hoge Raad het op zijn plaats om uit te leggen waarom het in het herzieningsverzoek nietgaat om feiten of omstandigheden die, indien zij de Hoge Raad vóór het wijzen van zijn arrest bekend waren geweest, tot een andere beslissing zouden hebben kunnen leiden. Als er reden is om uit te leggen waarom een herzieningsverzoek ongegrond is, lijkt afdoening op grond van art. 80a RO en ook op grond van art. 81 RO niet aan de orde.

5.22

Den Ouden schrijft dat de term niet-ontvankelijkverklaring in artikel 80a Wet RO in zoverre verwarring kan veroorzaken doordat de indruk kan worden gewekt dat een zaak niet inhoudelijk is beoordeeld:84, 85

In de fiscale wereld was de gedachte dat art. 80a Wet RO een slapend bestaan zou leiden. De toestroom van fiscaal ongeschikte zaken in cassatie vormde geen prangend probleem. Met art. 81 Wet RO kon de cassatierechter immers prima uit de voeten. Het tij lijkt echter te zijn gekeerd. Steeds vaker worden belastingzaken door de cassatierechter via het ‘paardenmiddel’ van art. 80a Wet RO afgedaan. In 2014 ging het reeds om 16% van de belastingzaken. Naar mijn indruk is dat percentage in 2015 gestegen. Voor een belastingplichtige is het onbevredigend om – zonder motivering! – te vernemen dat zijn zaak er niet toe doet. Hoewel de Hoge Raad in zijn jaarverslag 2014 benadrukt dat ook de art. 80a Wet RO-zaken inhoudelijk worden beoordeeld, wekt een niet-ontvankelijkverklaring bij de buitenwacht toch echt een andere indruk.

De fiscale cassatierechter zou naar mijn mening minder vaak art. 80a Wet RO moeten toepassen. Ook zaken die vanuit cassatieperspectief bezien minder kansrijk zijn, verdienen een inhoudelijke beoordeling. Afdoening van die zaken via art. 81 Wet RO is een mogelijkheid. Een inhoudelijk gemotiveerd arrest gewezen door een enkelvoudige kamer zou echter nog fraaier zijn (maar daarvoor is een wetswijziging vereist). Uiteindelijk doet elke zaak voor iemand ertoe!

5.23

De redactie van V-N betoogt naar aanleiding van een actualisering van het overzichtsarrest van de Strafkamer van de Hoge Raad over artikel 80a Wet RO86 dat ook de Belastingkamer van de Hoge Raad zich in een overzichtsarrest zou moeten uitlaten over het toepassingsbereik van artikel 80a Wet RO in fiscale zaken:87

Naar onze mening ligt het thans op de weg van de belastingkamer van de Hoge Raad de vertaalslag naar de fiscaliteit te maken. De tijd is rijp dat de belastingkamer van de Hoge Raad ook een overzichtsarrest gaat wijzen over de toepassing van art. 80a Wet RO in belastingzaken, te meer nu het erop lijkt dat de belastingkamer steeds vaker het instrument van ‘selectie aan de poort’ toepast (in 2014 ging het om 16% van de fiscale zaken). Ook de fiscale rechtspraktijk is naar onze mening erbij gebaat wanneer de belastingkamer van de Hoge Raad inzicht verschaft over het toepassingsbereik van art. 80a Wet RO in fiscale zaken. De belastingadviseur en zijn cliënt kunnen een ongemotiveerde niet-ontvankelijkverklaring dan beter ‘plaatsen’. Dat geldt uiteraard ook voor de andere ‘spelers op het fiscale speelveld’.

6 Niet-ontvankelijkverklaring in oorspronkelijke zin en niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 80a Wet RO

6.1

De in artikel 80a Wet RO opgenomen term ‘niet-ontvankelijk’ is van een andere (juridische) orde88 dan de niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep in de normale betekenis van het woord89, 90 zoals opgenomen in (de eerste vijf gronden van) onderdeel 4.1.91 Indien een cassatieberoep op grond van artikel 80a Wet RO niet-ontvankelijk wordt verklaard, heeft een (inhoudelijke) beoordeling van de klachten van een belanghebbende plaatsgevonden. De aanduiding dat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden impliceert immers dat een inhoudelijke toets heeft plaatsgevonden, evenals de zinsnede dat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het ingediende cassatieberoep.92

6.2

Dit in tegenstelling tot een niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op grond van bijvoorbeeld het te laat instellen van (cassatie)beroep, het niet (tijdig) betalen van het griffierecht, het niet overleggen van een machtiging of het niet motiveren van het (cassatie)beroep, waar in beginsel geen inhoudelijke beoordeling plaatsvindt.93 Dit volgt ook uit de memorie van toelichting bij de invoering van de tweede tranche bij de Awb. Daarin wordt met betrekking tot de mogelijke uitspraken van de bestuursrechter (als bedoeld in artikel 8:70 Awb) expliciet het niet kunnen vellen van een inhoudelijk oordeel gekoppeld aan de niet-ontvankelijkverklaring:94

De rechtbank zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren als zij weliswaar bevoegd is, maar niettemin geen inhoudelijk oordeel in de zaak zal kunnen vellen. Dit doet zich bij voorbeeld voor indien het verschuldigde griffierecht niet –tijdig– is betaald, de beroepstermijn is overschreden of de indiener van het beroepschrift geen belanghebbende blijkt te zijn.

6.3

Feteris meent dat artikel 80a Wet RO ook kan worden toegepast op cassatieberoepen waar op formele gronden een niet-ontvankelijkverklaring kan worden uitgesproken als bedoeld in onderdeel 4.1. Dit ligt volgens hem echter niet voor hand:95

Toepassing van art. 80a Wet RO is eveneens mogelijk in gevallen waarin het beroep op formele gronden niet in behandeling kan worden genomen.96 De belastingkamer pleegt die beroepen echter toch al snel af te doen, veelal via een vereenvoudigde procedure, met standaardmotiveringen die zijn toegespitst op deze niet-ontvankelijkheidsgrond (bijvoorbeeld beroep te laat, beroep niet tijdig gemotiveerd, griffierecht niet betaald). Toepassing van art. 80a Wet RO zou de belastingkamer in die gevallen vrijwel geen werkbesparing opleveren, en voor degene die beroep heeft ingesteld beduidend minder begrijpelijk zijn. In verband daarmee pleegt de belastingkamer art. 80a Wet RO in deze gevallen niet toe te passen.

7 Toepassing artikel 80a Wet RO door de Belastingkamer van de Hoge Raad

7.1

Na binnenkomst van een cassatieberoep en een verweerschrift bij de Hoge Raad, wordt door een medewerker van het wetenschappelijk bureau van de Hoge Raad (hierna: WB’er) een eerste beoordeling gegeven of de zaak zich leent voor afdoening met toepassing van artikel 80a Wet RO.97 De desbetreffende WB’er vult in die gevallen een formulier in en kruist aan waarom het cassatieberoep zijns of haars inziens niet-ontvankelijk dient te worden verklaard op grond van artikel 80a Wet RO. Er kunnen negen hokjes worden aangekruist met dien verstande dat in één zaak meer hokjes kunnen worden aangekruist: In totaal zijn in 2016 na beoordeling door de B-Kamer 128 zaken met artikel 80a Wet RO afgedaan, waarbij in de voordracht daartoe door de WB’ers 174 redenen zijn aangevoerd. In onderstaand schema zijn de categorieën van het hier bedoelde formulier vermeld en het aantal malen dat zij in 2016 werden aangekruist.

Reden 80a

Aantal keer 2016 (tot. 174)

Rechtsklachten gaan uit van een evident onjuiste rechtsopvatting

21 (12,07%)

Evident falende motiveringsklachten (bijv. klachten die louter feitelijke beoordeling/waardering vragen)

60 (34,48%)

Klachten berusten op verkeerde lezing van de bestreden uitspraak of missen anderszins feitelijke grondslag

10 (5,74%)

Klachten richten zich tegen een evident juiste en behoorlijk gemotiveerde beslissing

48 (27,58%)

Klachten missen belang omdat zij zich richten tegen een beslissing ten overvloede

0 (0%)

Klachten missen belang omdat zij zich richten tegen een gebrekkige overweging die eenvoudig verbeterd moet worden gelezen

0 (0%)

Klachten missen anderszins belang (na verwijzing kan niet tot een andere beslissing worden gekomen)

0 (0%)

Herzieningsverzoek: Geen nieuwe feiten die hebben plaatsgevonden vóór het arrest en die eerder onbekend waren (artikel 8:88 Awb)98

26 (14,94%)

Andere reden(en)

9 (5,17%)

7.2

Na het voorstel door de WB’er beslissen drie raadsheren99 of de zaak inderdaad niet-ontvankelijk wordt verklaard op grond van artikel 80a Wet RO, of dat de zaak het reguliere beoordelingstraject in moet gaan.100 Opmerking verdient dat de A-G nog niet wordt gehoord bij het opstellen van een ‘80a-advies’, maar wél altijd in de gelegenheid wordt gesteld om te concluderen101 alvorens een zaak daadwerkelijk met artikel 80a Wet RO wordt afgedaan of toch inhoudelijk wordt behandeld.

In welke zaken wordt artikel 80a Wet RO toegepast?

7.3

Hieronder zal ik een aantal zaken kort beschrijven die in het jaar 2016 door de Belastingkamer van de Hoge Raad met artikel 80a Wet RO zijn afgedaan. Het voornaamste doel hiervan is een indruk te geven in welk type zaken artikel 80a Wet RO wordt toegepast.102

7.4

Voor dit onderzoek kon ik beschikken over de betreffende zaakdossiers.103 In verband met het raadkamergeheim waren raadkameropinies,
-voorstellen en -discussies verwijderd. In elke zaak is wel de grond voor het advies van het beoordelend WB-lid bekend, maar kan de zienswijze van de Raad niet worden gekend.

Zaaknummer: 15/02242

Zaaktype: Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW)

Kamer: 3B

Omschrijving geschil:

Belanghebbende kwam in deze zaak in cassatie op tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de CRvB). In geschil bij de CRvB was of De Sociale Verzekeringsbank terecht een nabestaanden- en een halfwezenuitkering had geweigerd aan belanghebbende. Hiervan was volgens de CRvB sprake, nu belanghebbendes echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet meer in Nederland werkte en woonde en ook anderzijds niet verzekerd was voor de ANW.

Cassatieberoep:

In haar cassatieberoepschrift merkt belanghebbende alleen op dat zij ziek is en niet kan werken.

Wel/niet gemachtigde:

Belanghebbende heeft zich in cassatie niet door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Beoordeling Raad:

Artikel 80a Wet RO.

Opmerking A-G:

Op grond van artikel 66 van de ANW staat tegen uitspraken van de CRvB cassatieberoep open ter zake van een schending of verkeerde toepassing van de artikelen 3, lid 2 t/m lid 6, 6,7 en 13, ANW. Belanghebbendes klacht ziet niet op een schending of verkeerde toepassing van voornoemde artikelen.

Zaaknummer: 15/04756

Zaaktype: Wet Werk en Bijstand (hierna: WWB)

Kamer: 3B

Omschrijving geschil:

Belanghebbende ontving sinds 1998 bijstand ingevolge WWB. Bij de CRvB was onder meer in geschil of ten onrechte i) de bijstand was ingetrokken, ii) voor het verleden was herzien en iii) een bedrag ter grootte van € 55.062 van belanghebbende kon worden teruggevorderd. Het CRvB oordeelde dat voldoende feitelijke grondslag bestond voor de conclusie van het college dat belanghebbende niet langer duurzaam gescheiden leefde van haar partner en daarom ten onrechte was aangemerkt als zelfstandig subject van bijstand, en verklaarde belanghebbendes hoger beroep ongegrond.

Cassatieberoep:

In cassatie komt belanghebbende op tegen dit oordeel van de CRvB onder meer door weerspreking van de vastgestelde feiten.

Wel/niet gemachtigde:

Belanghebbende heeft zich in cassatie door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Beoordeling Raad:

Artikel 80a Wet RO.

Opmerking A-G:

De klachten van belanghebbende zien alleen op de vastgestelde feiten ten aanzien van de begrippen ‘gezamenlijke huishouding’ en het ‘hervatten van wederzijdse zorg’. Op grond van artikel 80, lid 1, WWB staat cassatie open tegen uitspraken van de CRvB ter zake van een schending of verkeerde toepassing van artikel 3, lid 2 t/m 5, WWB. Belanghebbende heeft in cassatie niet geklaagd over een schending of verkeerde toepassing van het begrip ‘duurzaam gescheiden leven’.

Zaaknummer: 16/01486

Zaaktype: Parkeerbelasting

Kamer: 3B

Omschrijving geschil:

In geschil bij het gerechtshof Amsterdam was of de bezwaren tegen naheffingsaanslagen parkeerbelasting terecht niet-ontvankelijk waren verklaard door de heffingsambtenaar. Het hof oordeelde dat belanghebbende geen feiten en omstandigheden aannemelijk had gemaakt die het oordeel zouden kunnen rechtvaardigen dat sprake was van verschoonbare termijnoverschrijdingen in de zin van artikel 6:11 Awb. Dat zijn beroepen gericht tegen (opgelegde boeten ter zake van) verkeersovertredingen (ondanks termijnoverschrijding) ontvankelijk zijn geacht door de Officier van Justitie, maakt dat niet anders.

Cassatieberoep:

Belanghebbende komt in cassatie onder meer op tegen de overweging van het hof dat de belastingrechter niet gebonden is aan een oordeel van de Officier van Justitie, dan wel aan het oordeel van de strafrechter in strafzaken ter zake van de ontvankelijkheid. Hij meent daarnaast dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op zijn beroep op ‘rechtseenheid’.

Wel/niet gemachtigde:

Belanghebbende heeft zich in cassatie door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Beoordeling Raad:

Artikel 80a Wet RO.

Opmerking A-G:

Belanghebbende herhaalt in cassatie zijn voor het hof ingenomen standpunten en richt zijn klachten niet tegen ’s hofs oordeel dat de termijnoverschrijding van de bezwaren niet verschoonbaar is in de zin van artikel 6:11 Awb.

Zaaknummer: 15/04034

Zaaktype: Wet Waardering Onroerende zaken (hierna: Wet WOZ)

Kamer: 3B

Omschrijving geschil:

In geschil bij het gerechtshof Amsterdam was of de WOZ-waarde van een woning in Amsterdam te hoog was vastgesteld. Het hof oordeelde dat de ambtenaar, op wie de bewijslast rust, voldoende aannemelijk had gemaakt dat de in aanmerking genomen waarde niet te hoog was.

Cassatieberoep:

In cassatie komt belanghebbende met diverse feitelijke klachten. Zo zou volgens hem de meetapparatuur niet goed gehanteerd zijn, zou zijn uitgegaan van oude meetinstructies en zou hij als bewoner van het appartementencomplex geen gebruik mogen maken van een gezamenlijke binnentuin.

Wel/niet gemachtigde:

Belanghebbende heeft zich in cassatie niet door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Beoordeling Raad:

Artikel 80a Wet RO.

Zaaknummer: 16/01101

Zaaktype: Erfbelasting

Kamer: 3B

Omschrijving geschil:

Belanghebbendes hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet voldoen van het verschuldigde griffierecht. Hiertegen is belanghebbende in verzet gekomen bij het gerechtshof Den Haag. Het hof heeft het verzet ongegrond verklaard en geoordeeld dat in casu sprake is van vijf indieners (erfgenamen) die in één geschrift gezamenlijk in hoger beroep zijn gekomen tegen vijf verschillende besluiten en die elk afzonderlijk griffierecht zijn verschuldigd.

Cassatieberoep:

Belanghebbende klaagt dat de zaken zijn gevoegd en dat bij één beroepschrift slechts één keer griffierecht is verschuldigd.

Wel/niet gemachtigde:

Belanghebbende heeft zich in cassatie door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Beoordeling Raad:

Artikel 80a Wet RO.

Opmerking A-G:

Het hof heeft geoordeeld dat voeging op grond van artikel 8:14 Awb (alsmede de parlementaire geschiedenis daarbij) een discretionaire bevoegdheid van de rechter is. Het verzoek om voeging van zaken kan belanghebbende niet baten. Artikel 8:41 Awb koppelt de verschuldigdheid van griffierecht niet aan voeging als bedoeld in artikel 8:14 Awb.

Zaaknummer: 16/01131

Zaaktype: Inkomstenbelasting

Kamer: 3B

Omschrijving geschil:

Belanghebbende heeft buiten de wettelijk gestelde termijn bezwaar gemaakt tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting. De rechtbank Den Haag oordeelde dat de inspecteur terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard en daarom het beroep kennelijk ongegrond was. Het verzet van belanghebbende daartegen is door de rechtbank Den Haag ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank zijn de opgevoerde redenen voor termijnoverschrijding (te weten depressiviteit van belanghebbendes partner en een miscommunicatie met haar accountant) onvoldoende voor het aannemen van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 Awb.

Cassatieberoep:

Belanghebbende heeft in cassatie haar voor de rechtbank ingenomen (feitelijke) stellingen herhaald.

Wel/niet gemachtigde:

Belanghebbende heeft zich in cassatie door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Beoordeling Raad:

Artikel 80a Wet RO.

Opmerking A-G: Er zijn geen redenen aangevoerd voor een verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.

Zaaknummer: 16/03323

Zaaktype: Inkomstenbelasting

Kamer: 3B

Omschrijving geschil:

Volgens belanghebbende is gezien de motivering van de uitspraak op bezwaar de heffingsrente (ondanks de vermindering van de aanslag) ongewijzigd gebleven. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft geoordeeld dat ‘zonneklaar is dat de Inspecteur heeft bedoeld dat geen aanleiding bestaat voor een verdere vermindering van de heffingsrente dan voortvloeit uit de vermindering van de aanslag’.

Cassatieberoep:

In cassatie klaagt belanghebbende over het niet publiceren van een mandaatbesluit, de tijdigheid van de uitspraak op bezwaar en dat de heffingsrente de verminderde belastingschuld niet heeft gevolgd.

Wel/niet gemachtigde:

Belanghebbende heeft zich in cassatie door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Beoordeling Raad:

Artikel 80a Wet RO.

Zaaknummer: 16/00093

Zaaktype: Motorrijtuigenbelasting

Kamer: 3A

Omschrijving geschil:

In geschil bij de rechtbank Den Haag was of belanghebbende tijdig beroep heeft ingesteld tegen een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting. De rechtbank verklaarde het beroep kennelijk niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn. Belanghebbendes verzet tegen die uitspraak is door de rechtbank ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat het te laat indienen (en het niet indienen van een pro forma beroepschrift) voor rekening van belanghebbendes diende te komen.

Cassatieberoep:

In cassatie licht de gemachtigde van belanghebbende toe dat hij in afwachting van stukken van belanghebbende was en hij niet ervan op de hoogte was dat hij pro-forma cassatieberoep in kon stellen, en dat er een hogere werkdruk op kantoor was evenals een vakantieperiode.

Wel/niet gemachtigde:

Belanghebbende heeft zich in cassatie door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Beoordeling Raad:

Artikel 80a Wet RO.

Opmerking A-G:

Belanghebbendes klachten zijn van feitelijke aard.

Zaaknummer: 16/02913

Zaaktype: Omzetbelasting

Kamer: 3A

Omschrijving geschil:

Belanghebbende heeft ter zake van een naheffingsaanslag omzetbelasting beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet (tijdig) betalen van het griffierecht. Voorts heeft de rechtbank belanghebbendes verzet daartegen ongegrond verklaard.

Cassatieberoep:

In zijn cassatieberoepschrift heeft belanghebbende toegelicht dat hij vanwege persoonlijke omstandigheden het griffierecht niet (tijdig) heeft voldaan.

Wel/niet gemachtigde:

Belanghebbende heeft zich in cassatie niet door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Beoordeling Raad:

Artikel 80a Wet RO.

Opmerking A-G:

De rechtbank heeft de persoonlijke omstandigheden meegenomen bij het oordeel dat het niet (tijdig) betalen van het griffierecht niet verschoonbaar is.

Zaaknummer: 15/04942

Zaaktype: Vennootschapsbelasting

Kamer: 3A

Omschrijving geschil:

Belanghebbende heeft ter zake van een boetebeschikking die is opgelegd bij een aanslag vennootschapsbelasting, beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Volgens de rechtbank Den Haag was belanghebbende te laat met indienen van dit beroepschrift en was het beroep kennelijk niet-ontvankelijk. Het verzet van belanghebbende hiertegen is ongegrond verklaard.

Cassatieberoep:

Belanghebbende betoogt dat de datum van ontvangst door belanghebbende van de uitspraak op bezwaar bepalend is voor het gaan lopen van de beroepstermijn. Voorts heeft volgens hem de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Ten slotte klaagt belanghebbende dat de verzuimboete niet in verhouding staat tot de te betalen vennootschapsbelasting.

Wel/niet gemachtigde:

Belanghebbende heeft zich in cassatie door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Beoordeling Raad:

Artikel 80a Wet RO.

Opmerking A-G:

Deze zaak bevat meer redenen om artikel 80a Wet RO toe te passen. Zo gaat belanghebbende ten aanzien van de beroepstermijn uit van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts heeft belanghebbende pas in cassatie stelling ingenomen ten aanzien van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding in beroep.

80a-advies WB niet gevolgd

7.5

Het komt uiteraard ook voor dat een WB’er een ’80a-advies’ opstelt, maar de Raad besluit om dit niet te volgen.104 Zoals hiervoor is opgemerkt zal een zaak dan het reguliere beoordelingstraject ingaan. Hieronder zal ik een tweetal willekeurig gekozen zaken bespreken, waarin het ‘80a-advies’ niet is gevolgd door afdeling B van de Belastingkamer in het jaar 2016.105 In 2016 zijn bij afdeling B 23 zaken in afwijking van het ‘80a-advies’ van een WB’er niet met artikel 80a Wet RO afgedaan.106
Overigens besluit de Hoge Raad in incidentele gevallen ook om in een zaak artikel 80a Wet RO toe te passen, terwijl niet een advies daartoe was gegeven door een WB’er.

Zaaknummer: 16/00598

Zaaktype: Ziektewet (hierna: ZW)

Kamer: 3B

Omschrijving geschil:

In geschil bij de CRvB was of belanghebbendes ZW-uitkering kon worden stopgezet en teruggevorderd, vanwege een gefingeerd dienstverband (en daarmee het niet verzekerd zijn voor de ZW). De CRvB oordeelde dat geen sprake was geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, zodat belanghebbende niet verzekerd was.

Cassatieberoep:

In cassatie betoogt belanghebbende dat zij aan alle vereisten heeft voldaan die worden gesteld aan het begrip ‘werknemer’. Zo verrichtte zij persoonlijk arbeid, bestond er een gezagsverhouding met het uitzendbureau en werd er loon betaald. De CRvB heeft haars inziens “het begrip werknemer geschonden”.

Wel/niet gemachtigde:

Belanghebbende heeft zich in cassatie niet door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Beoordeling Raad:

Geen artikel 80a Wet RO. Cassatieberoep ongegrond (met toepassing van artikel 81, lid 1, Wet RO).

Opmerking A-G:

In deze zaak ging het om de uitleg van het begrip ‘werknemer’ in de zin van artikel 3, lid 1, ZW. Op grond van artikel 20 ZW zijn werknemers in de zin van die wet verzekerd. Tegen de uitleg van dit begrip is belanghebbende opgekomen.

Zaaknummer: 16/00645

Zaaktype: WOZ

Kamer: 3B

Omschrijving geschil:

Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 op grond van de Wet WOZ een aanslag in de onroerendezaakbelastingen opgelegd van de gemeente Geertruidenberg. Bij het indienen van het beroepschrift bij de rechtbank Zeeland West-Brabant heeft de gemachtigde van belanghebbende verzocht om alle correspondentie naar een ander adres te verzenden. De nota griffierecht is door de griffier van de rechtbank echter per aangetekende post verzonden naar het adres van gemachtigde en aldaar in persoon uitgereikt. Het griffierecht is niet betaald. Op grond daarvan heeft de rechtbank het beroep op de voet van
artikel 8:54 Awb niet-ontvankelijk verklaard. Het gebrek (het versturen van de nota naar het verkeerde adres) is volgens de rechtbank geheeld doordat de gemachtigde de herinneringsnotie persoonlijk heeft ontvangen.

Cassatieberoep:

Belanghebbende stelt drie cassatiemiddelen voor. Het eerste en het derde middel komen op tegen het oordeel van de rechtbank dat de omissie (het versturen naar het verkeerde adres) is geheeld. De rechtbank gaat volgens belanghebbende voorbij aan de verschoonbaarheid van het verzuim. Belanghebbende heeft als reden opgegeven dat zijn gedrag door hersenletsel is ontregeld en hij daarom het verzoek heeft gedaan de stukken naar een administratiekantoor te zenden.

Wel/niet gemachtigde:

Belanghebbende heeft zich in cassatie door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Beoordeling Raad:

De rechtbank had de niet-ontvankelijkheid van het verzet niet mogen uitspreken zonder zich uit te laten over de verschoonbaarheid van het verzuim. Het cassatieberoep is gegrond en de zaak moet worden verwezen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant ter verdere behandeling van en beslissing op het verzet.107

Toepassing artikel 80a Wet RO in cijfers

7.6

Sinds de inwerkingtreding van artikel 80a in de Wet RO in juli 2012 heeft de Belastingkamer van de Hoge Raad volgens de interne gegevens tot en met
31 december 2016 in 612 zaken artikel 80a Wet RO toegepast.108 In 2012 was dit het geval in vijf van de 1081 uitgesproken zaken (dus in 0,46% van de gevallen). In 2013 is 132 keer artikel 80a Wet RO toegepast, op 888 uitspraken dat jaar is dat in circa 15% van de zaken. In 2014 werd 16% van de behandelde zaken niet-ontvankelijk verklaard op basis van artikel 80a Wet RO (162 van de 1000 zaken). In 2015 is in 20,7% van de behandelde zaken niet-ontvankelijkheid op grond van artikel 80a Wet RO uitgesproken, te weten in 165 van de 796 zaken. In 2016 is 17% van de behandelde zaken met artikel 80a Wet RO afgedaan (te weten in 148 van de 865 zaken waarin arrest is gewezen).

7.7

De zaken worden wel onderverdeeld in ‘zaaksoort’109 en ‘zaaktype’:110

7.8

Op basis van de gegevens uit de bovenstaande tabel heb ik een schema gemaakt, waarin ik alleen de vier verschillende zaakgroepen heb opgenomen. Dit zijn de zaken gerangschikt onder de kopjes Centrale Raad van Beroep, College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna CRvB), Lagere overheid en Rijksbelastingen. Gezien de beperkte toepassing van artikel 80a Wet RO in het ‘introductiejaar’ 2012 heb ik dat jaar buiten beschouwing gelaten. In dit schema heb ik per jaar het aantal artikel 80a Wet RO-zaken per zaakgroep opgenomen, alsmede het totaal aantal zaken per zaakgroep. Ten slotte heb ik ook opgenomen in welk percentage zaken (van het totaal) artikel 80a Wet RO is toegepast.111

7.9

In onderdeel 8 van deze conclusie zal ik nader ingaan op deze cijfers en mijn bevindingen opnemen.

Toepassing artikel 81 Wet RO in cijfers

7.10

Eenzelfde schema heb ik opgemaakt ten aanzien van de toepassing van artikel 81 Wet RO door de Belastingkamer van de Hoge Raad.112

7.11

Het volgende schema geeft het aantal alsmede het percentage zaken weer dat in eerdere jaren (vanaf 2005 tot en met 2012) met artikel 81 Wet RO is afgedaan:

Jaar

Artikel 81

Totaal

%

2005

490

1084

45%

2006

412

944

44%

2007

372

863

43%

2008

477

941

51%

2009

453

999

45%

2010

432

968

45%

2011

413

905

46%

2012

515

1100

47%

gemiddeld

446

976

46%

Gewone niet-ontvankelijkheid in cijfers

7.12

Ik heb ook een schema opgemaakt waarin de zaken zijn opgenomen die niet-ontvankelijk zijn verklaard (in oorspronkelijke zin):

7.13

De volgende diagram geeft een samenvattend overzicht van de hiervoor opgenomen schema’s:

7.14

Het volgende overzichtsschema hoort bij het hiervoor opgenomen diagram:

8 Gemachtigden in cijfers

8.1

Tevens zijn gegevens beschikbaar (wederom onderverdeeld in de vier zaakgroepen) ten aanzien van het percentage gemachtigden. Met de kolom ‘Gma.’ wordt gedoeld op het aantal zaken waarin een belanghebbende is vertegenwoordigd door een gemachtigde.

8.2

Van den Berge heeft ten aanzien van het ontbreken van de verplichte procesvertegenwoordiging in belastingzaken in cassatie een onderzoek verricht. Hij heeft gekeken naar uitspraken van de Hoge Raad in 2009 en gaf daarbij het volgende overzicht, voorzien van een toelichting:113

Beroep in cassatie ingesteld door een belanghebbende

A. Met gemachtigde114

Aantal zaken

507

Perc.

Beroep gegrond

121

24%

Beroep ongegrond

344

68%

Niet-ontvankelijk

42

8%

Overig

-

-

Art. 81 Wet RO

234

46%

Art. 81 Wet RO gedeeltelijk

10

2%

B. Zonder gemachtigde

Aantal zaken

370

Perc.

Beroep gegrond

18

5%

Beroep ongegrond

256

69%

Niet-ontvankelijk

87

24%

Overig

-

-

Art. 81 Wet RO

221

59%

Art. 81 Wet RO gedeeltelijk

-

-

De cijfers betreffen alleen het jaar 2009, maar mijn indruk is dat het beeld voor andere jaren niet veel anders zal zijn.

Wat opvalt, is het verschil in slagingskans tussen belanghebbenden die beroep instellen met een gemachtigde en belanghebbenden die zelf procederen. Marseille constateerde bij een onderzoek van uitspraken die de Centrale Raad van Beroep in 2007 had gedaan ‘dat professionele rechtsbijstand voor de uitkomst van het ingesteld hoger beroep er niet toe doet’. Werd professionele rechtshulp verleend (in de regel door een advocaat) dan was de kans op succes bij beroep op de CRvB 21%. Deed men het zonder professionele rechtshulp, dan was de kans op succes 19%.115 In cassatie lagen de cijfers voor belastingzaken anders: een kans van slagen van 5% als men zelf beroep in cassatie instelt, en een kans van slagen van 24% als men een gemachtigde inschakelde. Dat verschil ligt voor een deel aan de groepering van de cijfers en aan het hoge percentage van de gevallen waarin de door belastingplichtigen zelf ingestelde beroepen in cassatie niet-ontvankelijk waren: het percentage ongegronde beroepen ontloopt elkaar niet veel (68 resp. 69%). Het percentage van de gevallen waarin het beroep werd verworpen met toepassing van artikel 81 Wet RO verschilt wel (respectievelijk 46 en 59%), maar is nu ook weer niet zo heel groot.

8.3

Opvallend is dat in de twee soorten zaken waarin absoluut gezien het meest vaak artikel 80a Wet RO wordt toegepast (de IB-zaken en de WOZ-zaken), in 41% respectievelijk 39% van de gevallen een gemachtigde de belanghebbende heeft bijgestaan.116

8.4

Het volgende cirkeldiagram laat zien in hoeveel procent van alle zaken die in het betreffende jaar met artikel 80a Wet RO zijn afgedaan een gemachtigde namens belanghebbende heeft geprocedeerd.117 Gemiddeld genomen trad in 41,91% van de zaken waarin artikel 80a Wet RO is toegepast, een gemachtigde op namens belanghebbende.

8.5

Uit deze cijfers volgt dat, anders dan wel werd verwacht,118 het optreden van een gemachtigde geen garantie biedt dat artikel 80a Wet RO niet wordt toegepast. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat de beschikbare data niets leren over het expertise niveau van de gemachtigden.

8.6

In geen van de 148 zaken die in 2016 met toepassing van 80a Wet RO zijn afgedaan is het cassatieberoep ingesteld door de Staatssecretaris of het bestuursorgaan van een lagere overheid.

9 Beschouwing over de toepassing van artikel 80a Wet RO in belastingzaken

Cijfers algemeen

9.1

Bij de totstandkoming van artikel 80a Wet RO werd aangenomen dat deze bepaling vooral van belang zou zijn in de strafsector van de Hoge Raad. Die veronderstelling is bewaarheid, maar in de belastingsector wordt de bepaling beduidend meer toegepast dan op voorhand werd verwacht. Het vermoeden bestond dat het zou gaan om enkele tientallen zaken per jaar, maar in 2016 waren het er 148 (zie onderdeel 7.6). Van het totale aantal afgedane zaken is dat 17%.

9.2

Intussen is het aantal zaken waarin artikel 81 Wet RO door de belastingkamer werd toegepast,119 gedaald van gemiddeld 46% in de jaren 2005-2012 tot gemiddeld 37% in de jaren 2013-2016.120 Voor artikel 80a en 81 Wet RO samen is het gemiddelde in die vier jaren 54%, dus acht procentpunt meer dan in de jaren toen artikel 80a Wet RO nog niet bestond.121 De toepassing van deze beide artikelen tezamen genomen schept voor de Hoge Raad, zoals beoogd, ruimte om meer aandacht te besteden aan arresten die belangrijk zijn voor de rechtseenheid en de rechtsvorming (aldus ook het Jaarverslag in onderdeel 5.15).

Toepassing artikel 80a Wet RO per zaaktype 122

9.3

Uit het in onderdeel 7.7 opgenomen schema is af te leiden dat artikel 80a Wet RO in 2016 in absolute zin het meest vaak is toegepast in IB-zaken. In totaal is in 56 IB-zaken het cassatieberoep met artikel 80a Wet RO afgedaan.123, 124

9.4

In achttien WOZ-zaken is artikel 80a Wet RO toegepast.125, 126

9.5

In zeven WWB-zaken heeft de Hoge Raad in 2016 artikel 80a Wet RO toegepast.127, 128

9.6

De Hoge Raad heeft in zes MRB-zaken het cassatieberoep met artikel 80a Wet RO afgedaan.129, 130

9.7

In zes ‘rest-CRVB-zaken’ is artikel 80a Wet RO toegepast.131 In totaal waren er in 2016 negentien zaken opgenomen in de categorie ‘rest-CRvB’.132

Ontwikkeling percentage artikel 80a Wet RO zaken per zaakgroep

9.8

Uit het in onderdeel 7.8 opgenomen schema is af te leiden dat ten aanzien van de zaakgroepen ‘Lagere overheid’ en ‘Rijksbelastingen’ het percentage zaken waarin artikel 80a Wet RO is toegepast, in de jaren 2013 t/m 2016 tamelijk constant is gebleven. Zo fluctueert het percentage ‘artikel 80a Wet RO’-zaken van de zaakgroep ‘Lagere overheid’ tussen de 22% en 28%. Dit is bij de zaakgroep ‘Rijksbelastingen’ tussen de 14% en 18%. De sterk wisselende percentages bij de CRvB-zaken zijn vermoedelijk het gevolg van de omstandigheid dat de populatie beduidend kleiner is. Indien alle vier de zaakgroepen in ogenschouw worden genomen, schommelt het percentage zaken waarin artikel 80a Wet RO is toegepast, tussen de 15% en 21%. De (lichte) stijgende trend (van 15% 80a Wet RO-zaken in 2013 naar 21% artikel 80a Wet RO-zaken in 2015) heeft niet doorgezet in 2016.

Ontwikkeling percentage artikel 81 Wet RO zaken per zaakgroep

9.9

Het in onderdeel 7.10 opgenomen schema laat zien dat ook de toepassing van artikel 81 Wet RO in CRvB-zaken per jaar sterk verschilt. In de categorie ‘Lagere Overheid’ daarentegen wordt dit artikel bijzonder constant toegepast (jaarlijks wordt daar circa 36% van de zaken met toepassing van artikel 81 Wet RO ongegrond verklaard). Ook in de categorie ‘Rijksbelastingen’ is de afdoening op de voet van artikel 81 Wet RO constant te noemen.

Nadruk op formeelrechtelijke problemen

9.10

De cijfers laten zien dat de toepassing van artikel 80a Wet RO een brede spreiding kent over de terreinen waarop de belastingkamer bevoegd is, zij het met soms grote procentuele verschillen. In de tien onderzochte zaken komt echter een zware nadruk op formele problemen naar voren.133In acht van de tien zaken (80%) betreft het geschil in cassatie formeelrechtelijke kwesties.

9.11

Ik heb daarnaast nog twaalf zaken willekeurig uitgekozen en op dit aspect onderzocht. Van deze twaalf zaken komt in zeven zaken een zware nadruk op formele problemen naar voren (58%). Deze signalering laat geen duidelijke conclusie toe. Wanneer deze kwestie van voldoende belang wordt bevonden, zal veel meer gedetailleerder onderzoek moeten worden verricht, al dan niet in een conclusie van de P-G.

Wie stelt beroep in cassatie in?

9.12

In alle twaalf geselecteerde zaken is het beroep in cassatie ingesteld door de belanghebbende.

Motivering van de arresten

9.13

In bijna alle 80a-arresten motiveert de Hoge Raad zijn beslissing louter met de gronden die zijn vermeld in artikel 80a, lid 1, Wet RO zoals het vierde lid mogelijk maakt.

9.14

Soms vult hij de redengeving aan. Ingeval de belanghebbende voor wat betreft het griffierecht een beroep doet op betalingsonmacht en de Hoge Raad het beroep vatbaar acht voor toepassing van artikel 80a Wet RO, passeert hij de vraag of van betalingsonmacht sprake is, en vermeldt hij in zijn arrest dat zulks om proceseconomische redenen gebeurt.134

9.15

De wet staat, als gezegd, het achterwege laten van een ‘echte’ motivering in deze zaken toe. Dat neemt niet weg dat er bezwaren aan zijn verbonden. Voor de belanghebbenden en eventuele gemachtigden die een dergelijk antwoord krijgen op hun klachten, is dit onbevredigend. Bovendien is het leereffect van dergelijke arresten, zo dat er zou kunnen zijn, dan vrijwel nihil.

9.16

Artikel 80a, lid 4, Wet RO verplicht de Hoge Raad echter niet om te volstaan met de in het eerste lid vermelde motivering. Daarom kan de Hoge Raad in overweging nemen om aanvullend een of meer overwegingen op te nemen die verklaren waarom hij het beroep ongegrond acht. Dit mag echter niet ertoe leiden dat de efficiencywinst die de regeling verschaft, weer verloren gaat.

9.17

Ook als het om klachten gaat die duidelijk ongegrond zijn, is het vaak tijdrovend om precies aan te wijzen waarom zij niet opgaan. Van belang daarbij is dat juist de cassatierechter bij het behandelen van specifieke klachten heel zorgvuldig te werk moet gaan, omdat anders de ‘lagere’ rechtspraak alsmede praktijk en wetenschap verkeerde conclusies zouden kunnen trekken.

9.18

Nu bij toepassing van artikel 80a Wet RO zelfs met de bewoordingen van het eerste lid kan worden volstaan, staan tekst en ratio van de wet naar ik meen niet eraan in de weg om daaraan standaardoverwegingen toe te voegen die de grond voor de afwijzing van de klachten aanwijzen zonder deze in concreto te behandelen. Ik geef hierna een aantal voorbeelden van teksten waaruit de Hoge Raad, afhankelijk van de zaak, zou kunnen kiezen.

9.19

De klachten zijn ongegrond, omdat zij …

… zijn gericht tegen de vaststelling van de feiten, die door het Hof voldoende is gemotiveerd en niet onbegrijpelijk is, zodat deze in cassatie onaantastbaar is;

… zijn gericht tegen de aan het Hof voorbehouden keuze en waardering van de bewijsmiddelen;

… zij berusten op een rechtsopvatting die in eerdere rechtspraak van de Hoge Raad is verworpen;

… berusten op feitelijke stellingen die niet voor het Hof werden aangevoerd;

… miskennen dat de wet in formele zin niet aan ongeschreven rechtsbeginselen kan worden getoetst;

… zijn gericht tegen een uitspraak van de CRvB en niet berusten op de limitatief in de wet aangewezen gronden waarop daartegen beroep in cassatie kan worden ingesteld;

… zijn gericht tegen een uitspraak van … terwijl daartegen geen beroep in cassatie open staat.

Het beroep is ongegrond omdat …

… het Hof gegeven de vastgestelde feiten en de rechtspraak van de Hoge Raad een juiste uitspraak heeft gedaan;

… het niet berust op klachten waarover bij de belastingrechter kan worden geklaagd;

... het opkomt tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn beroep bij de rechtbank/ het hof wegens overschrijding van de termijn voor indiening van het beroep/betaling van het griffierecht, terwijl niet is gebleken van toereikende verschoningsgronden voor die overschrijding.

9.20

De voorgestelde route verdient alleen te worden gevolgd wanneer zij i) begaanbaar is en ii) tot een aantrekkelijk eindpunt voert. Ik licht toe waarom ik meen dat dat het geval is.

Uitvoerbaarheid

9.21

Wat de eerste eis betreft: de Hoge Raad onderzoekt de klacht(en) in elk cassatieberoep ten gronde, ook in de gevallen waarin een voorstel is gedaan tot toepassing van artikel 80a Wet RO. Dat impliceert dat de raadsheren die tot toepassing van die bepaling overgaan, op dat moment weten waarom zij de klacht(en) (evident) ongegrond achten.

9.22

Dan moet het normaal gesproken ook mogelijk zijn onmiddellijk, zonder nader onderzoek en redactionele problemen, een of meer standaardoverweging(en) aan te wijzen uit een lijst, die overigens uitgebreider kan zijn dan die welke ik hierboven voorbeeldsgewijs heb gegeven.

9.23

Door het gebruik van dit middel wordt aan de praktijk een dienst verleend die voor de Hoge Raad niet bezwarend is en dus blijft binnen de ratio van de regeling van artikel 80a Wet RO.

9.24

Het staat ook niet eraan in de weg om in de gevallen waarin het maken van een keuze uit de lijst toch op moeilijkheden stuit, terug te vallen op de gronden vermeld in het eerste lid van het artikel. Ook dit is in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever, aangezien hij door het gebruik van het woord ‘kan’ in het vierde lid de Hoge Raad de mogelijkheid biedt om afhankelijk van de omstandigheden te kiezen uit verschillende vormen van motivering.

Nut voor de praktijk

9.25

De tweede eis is of de voorgestelde beperkte motivering nut heeft voor partijen en eventueel voor derden.

9.26

De voorgestelde wijze van motivering draagt een duidelijke beperking in zich: zij is algemeen gesteld en wijst niet en detail aan in welke opzicht de rechts- en/of motiveringsklachten tekort schieten. Het voorstel impliceert dus een middenweg tussen in feite helemaal niet motiveren en volledig motiveren. Dat betekent ook dat het glas half leeg moge zijn maar dat het ook half vol is, en dat het dus voor de cassatierechter een middel kan vormen om zijn dienstverlening te optimaliseren.

9.27

Het voorstel brengt met zich dat een klager verneemt of zijn beroep strandt omdat de Hoge Raad niet wil terugkomen op eerdere, vaststaande rechtspraak dan wel dat hij zijn motiveringsklachten niet ‘hard’ heeft kunnen maken. In een ander geval kan een klager vernemen dat nieuwe feitelijk stellingen in cassatie nu eenmaal onmogelijk zijn. En een derde hoort dat zijn klacht over een beslissing van de CRvB kansloos is omdat de wet voor dat geval geen beroep in cassatie mogelijk maakt.

9.28

Al dergelijke antwoorden bieden toch een ander beeld dan de enkele mededeling dat de klachten ongegrond zijn. De klager kan hieruit lering trekken; bovendien laten zij duidelijker zien dat het beroep serieus is bestudeerd en dat het griffierecht dus niet voor niets is betaald.

Toepassing van artikel 81 Wet RO

9.29

Wat hierboven is opgemerkt over de motivering van artikel 80a Wet RO-arresten, lijkt mutatis mutandis ook van toepassing in gevallen waarin de Hoge Raad voor de motivering een beroep doet op artikel 81 Wet RO. De verschillen tussen de gevallen waarin het hier gaat, zijn echter zo groot dat een andere benadering valt te billijken.

9.30

Het eerste betreft de aard van het geschil in cassatie. In artikel 80a Wet RO-zaken zijn de klachten evident ongegrond, in artikel 81 Wet RO-zaken niet. Als gevolg daarvan is het vaak veel minder eenvoudig om een globale motivering met standaard-gronden aan te geven.

9.31

Het tweede verschil is dat in artikel 81 Wet RO-zaken de volledige procedure is doorlopen. Er zijn meer stukken gewisseld; wellicht is zelfs een pleidooi gehouden en/of een conclusie genomen. Voor partijen is het zodoende veel duidelijker dat hun zaak serieus is genomen door de Hoge Raad.

9.32

Omwille van het vorenstaande is voor artikel 81 Wet RO-zaken nader onderzoek nodig en onthoud ik mij hier van een advies dienaangaande.

10 Beoordeling herzieningsverzoek

Inleiding

10.1

In de onderhavige zaak is in geschil of belanghebbendes (tweede) herzieningsverzoek van 12 juli 2016 moet worden toegewezen. Allereerst rijst de vraag of belanghebbendes herzieningsverzoek ziet op het oorspronkelijke arrest van 14 april 2014,135 dan wel is gericht tegen het arrest van 18 juli 2016 waarin belanghebbendes (eerste) herzieningsverzoek is afgewezen.136 Dit is van belang nu gelet op HR BNB 2010/140 niet met succes herziening kan worden gevraagd van een arrest waarin is geoordeeld over een verzoek tot herziening.137

10.2

Ondanks dat belanghebbende in zijn tweede herzieningsverzoek verscheidene malen het arrest van 18 juli 2016 noemt, moet zijn verzoek gelet op de inhoud daarvan worden opgevat als een verzoek om herziening van het arrest van 18 april 2014. In het tweede herzieningsverzoek verwijst belanghebbende immers eveneens naar het door hem ingediende cassatieberoepschrift in de zaak voor het arrest van 18 april 2014.138

Griffierecht

10.3

Uit het onderzoek ter griffie van de Hoge Raad is mij gebleken dat belanghebbende geen griffierecht heeft voldaan als bedoeld in artikel 8:41 Awb. Op grond van artikel 8:119, lid 2, Awb is dit artikel (op het tweede lid na) van overeenkomstige toepassing op een verzoek tot herziening. Volgens artikel 8:41, lid 6, Awb is het beroep niet-ontvankelijk indien het te betalen bedrag aan griffierecht niet tijdig is bijgeschreven of gestort, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

10.4

Nu aan belanghebbende – kennelijk per abuis – door de griffier van de Hoge Raad is medegedeeld dat een einde was gekomen aan de procedure (en het daardoor niet meer mogelijk was om in deze procedure nadere stukken in te dienen),139 kan de belanghebbende van de niet-betaling van het griffierecht geen verwijt worden gemaakt en moet deze voor rekening van de Hoge Raad blijven.

10.5

Na de vaststelling ex artikel 8.41, lid 6, Awb dat de indiener niet in verzuim is geweest, kan deze niet wegens de niet-betaling in zijn beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, en is de heffing van griffierecht afgerond.

Herzieningsverzoeken en niet-ontvankelijkheid

10.6

Niet-ontvankelijkheid van een beroep houdt in de klassieke betekenis van dat woord in dat de klager geen toegang tot de rechter heeft. De rechter beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk.140

10.7

Wanneer artikel 80a Wet RO wordt toegepast, onderzoekt de rechter wel of de klachten gegrond zijn. Ook in de standaardbewoordingen van het eerste lid van dat artikel doet de rechter immers een uitspraak over de gegrondheid van de klachten.

10.8

Hieruit volgt dat artikel 80a Wet RO niet kan worden toegepast wanneer het beroep niet-ontvankelijk is in de klassieke zin van het woord (hierna: ‘gewoon niet-ontvankelijk’).

10.9

Wanneer een bij de Hoge Raad ingediend geschrift een kansloos verzoek tot herziening inhoudt, zijn daarom verschillende dicta mogelijk.

10.10

Een verzoek tot herziening van een arrest dat geen ‘nieuwe feiten’ aanwijst maar voor het overige aan de formele voorwaarden voldoet, is ontvankelijk maar evident ongegrond. Artikel 80a Wet RO kan worden toegepast.141

10.11

Een verzoek strekkende tot herziening van een eerdere uitspraak betreffende een herzieningsverzoek is ‘gewoon niet-ontvankelijk’.142

10.12

Een tweede verzoek tot herziening van een arrest is indien het aan de formele voorwaarden voldoet ontvankelijk.143

10.13

Om redenen van proceseconomie kan een herzieningsverzoek dat ‘gewoon niet-ontvankelijk’ is, toch worden beoordeeld en eventueel met toepassing van
artikel 80a Wet RO worden afgedaan.144

10.14

Het vorenstaande kan onder omstandigheden met zich brengen dat de Hoge Raad de vraag of een belanghebbende in cassatie ‘gewoon’ ontvankelijk is, onderzoekt en gemotiveerd beslist dat dat inderdaad het geval is, en vervolgens beslist tot niet-ontvankelijkheid in de zin van artikel 80a Wet RO.145

De beslissing in de onderhavige zaak

10.15

Het herzieningsverzoek van belanghebbende is niet ‘gewoon niet-ontvankelijk’. Het niet betalen van het verschuldigde griffierecht is immers, naar ik hierboven betoogde (zie onderdeel 10.4), verschoonbaar en het verzoek is niet gericht tegen de uitspraak van de Hoge Raad op het eerste herzieningsverzoek van belanghebbende in dezelfde zaak.146

10.16

Belanghebbende voert echter geen ‘nieuwe feiten’ aan die ingevolge van artikel 8:119, lid 1, Awb grond voor herziening vormen.

10.17

Dus is het verzoek ongegrond.

10.18

De Hoge Raad kan op het verzoek beslissen met toepassing van artikel 80a Wet RO. Het komt mij echter voor dat zulks minder voor de hand ligt nu in deze zaak conclusie is genomen terwijl in belastingzaken beslissingen op de voet van dat artikel in principe nooit worden voorafgegaan door een conclusie.

10.19

Een andere mogelijkheid is toepassing van artikel 81 Wet RO. Het nadeel van de aanwending van die bepaling in een zaak waarin conclusie is genomen, is dat partijen, alsmede ‘de praktijk’ en ‘de wetenschap’ kunnen vermoeden dat de Hoge Raad het (in hoofdzaak) eens is met het betoog van de advocaat-generaal maar dat niet zeker weten.

10.20

Dat nadeel wordt vermeden wanneer de Hoge Raad in dergelijke gevallen arrest wijst waarbij voor de motivering geheel of ten dele wordt verwezen naar de conclusie.

10.21

In de gevallen waarin de Hoge Raad een beroep ongegrond acht op andere gronden dan de advocaat-generaal in de in die zaak genomen conclusie, pleit het belang van de rechtsontwikkeling ervoor dat de Hoge Raad zijn beslissing motiveert anders dan door verwijzing naar artikel 81 Wet RO.

10 Conclusie

De conclusie strekt tot ongegrondverklaring van het herzieningsverzoek van belanghebbende.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Rechtbank Zeeland-West Brabant 16 november 2012, nr. AWB 12/351 (niet gepubliceerd).

2 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 18 oktober 2013, nr. 12/00839, ECLI:NL:GHSHE:2013:4826 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).

3 HR 18 april 2014, nr. 13/04524, ECLI:NL:HR:2014:933.

4 Belanghebbende heeft ter zake van zijn eerste herzieningsverzoek een bedrag van € 124 aan griffierecht voldaan.

5 HR 8 juli 2016, nr. 16/01776, ECLI:NL:HR:2016:1419.

6 Brief van de griffier van de Hoge Raad d.d. 18 juli 2016.

7 Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak.

8 Bij brief van 17 augustus 2016 gestelde termijn van 4 weken.

9 Wet van 16 december 1993 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Algemene wet bestuursrecht, de Wet op de Raad van State, de Beroepswet, de Ambtenarenwet 1929 en andere Wetten, alsmede intrekking van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen, Stb. 1993, 650.

10 Per 1 september 1999 is hoofdstuk 8 Awb met de Wet herziening fiscaal procesrecht (Stb. 1998, 621) in werking getreden.

11 Deze wijziging is een uitvloeisel van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, Stb. 2012, 682. In de memorie van toelichting bij de Wet aanpassing bestuursprocesrecht is ten aanzien van de herziening het volgende opgenomen: “Artikel 8:119, inzake herziening, is in de eerste plaats technisch aangepast aan de nieuwe terminologie en systematiek. Tevens is geregeld dat voor een verzoek tot herziening een griffierecht wordt geheven, gelijk aan griffierecht dat ten tijde van het indiening van het verzoek verschuldigd zou zijn geweest in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd, alsmede dat dit griffierecht door de griffier wordt terugbetaald als de uitspraak daadwerkelijk wordt herzien”. Zie: Kamerstukken II 2009/10, 32 350, nr. 3, (MvT) p. 67-68.

12 Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, (MvT) p. 160.

13 HR 26 februari 2010, nr. 09/02802, ECLI:NL:HR:2010:BL5576, BNB 2010/140, NTFR 2010/667 met commentaar Zandhuis, NJB 2010,562, AB 2010,76, FED 2010/48 met noot Pieterse en Schreinemachers, V-N 2010/12.8, FutD 2010-0529.

14 HR 5 oktober 2007, nr. 462, ECLI:NL:HR:2007:BB4987.

15 CRvB 27 februari 2002, nrs. 01/4744 WUV e.a., ECLI:NL:CRVB:2002:AD9655, JB 2002/79.

16 HR 26 oktober 2012, nr. 12/02266, ECLI:NL:HR:2012:BY1099, BNB 2013/8, NTFR 2012,2530 met commentaar Feenstra, FED 2013/12 met noot Thomas, V-N 2012/54.6 met noot redactie.

17 Dat het mogelijk is om op grond van artikel 8:119 Awb herhaalde herzieningsverzoeken in te dienen is aangetoond door een belanghebbende die in de periode tussen 11 december 2009 en 25 mei 2012 (zonder succes) achtereenvolgens liefst vier herzieningsverzoeken indiende tegen een arrest van de Belastingkamer van de Hoge Raad.

18 L.J.A. Pieterse en M.A. Schreinemachers, Herziening in belastingzaken (fed fiscale brochures.), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 61.

19 Voetnoot in origineel: “Deze kwalificatie geeft A.Q.C. Tak, Het Nederlands bestuursprocesrecht in theorie en praktijk. Deel II: Formeel procesrecht, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2014, p. 2336.”

20 Voetnoot in origineel: “CRvB 3 oktober 1996, JB 1996/248.”

21 Voetnoot in origineel: “HR 26 oktober 2012, BNB 2013/8, r.o. 3.3.2.”

22 Voetnoot in origineel: “CRvB 30 oktober 1996, JB 1996/248; in dezelfde zin: CRvB 20 februari 2008, AB 2008, 339 en CRvB 8 januari 2009, AB 2009, 175.”

23 M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, p. 340.

24 Voetnoot A-G: zo staat op grond van artikel 28 AWR beroep in cassatie open tegen einduitspraken van een gerechtshof, van de voorzieningenrechter van een hof, tegen uitspraken op verzet van een rechtbank en tegen andere uitspraken van een rechtbank (mits beide partijen schriftelijk instemmen; de zogenoemde sprongcassatie).

25 Voetnoot A-G: beroep in cassatie kan volgens artikel 28 AWR worden ingesteld door een belanghebbende die bevoegd was hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof.

26 Voetnoot A-G: afstand doen van een rechtsmiddel kan bij vaststellingsovereenkomst, of wanneer een partij heeft berust in een besluit of een rechterlijke uitspraak (hetgeen ondubbelzinnig moet geschieden).

27 Voetnoot A-G: zie onderdeel 4.2.

28 Voetnoot A-G: zie onder meer het arrest HR 15 oktober 2010, nr. 09/00878, ECLI:NL:HR:2010:BO0408, BNB 2011/18, NTFR 2010/2435 met commentaar Lammers, V-N 2010/53.12 met noot redactie, FutD 2010-2390.

29 Voetnoot A-G: de niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 80a Wet RO bespreek ik in onderdeel 6 van deze conclusie.

30 Het betreft hier de niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 6:6, onderdeel a Awb. Op grond van de laatste zin van artikel 6:6 Awb moet de indiener wél de gelegenheid hebben gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Dit geldt in ieder geval voor de in onderdeel 4.2 onder a t/m f genoemde gronden.

31 De afdeling 6.2 (overige algemene bepalingen), waarin zowel artikel 6:5 Awb als artikel 6:6 Awb is opgenomen, is vanwege de schakelbepaling in artikel 6:24 Awb ook van toepassing in cassatie.

32 M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, p. 342.

33 Voetnoot A-G: zie artikel 6:5, lid 1, aanhef, Awb.

34 Voetnoot A-G: dit volgt niet expliciet uit de tekst artikel 6:5, Awb, maar onder indiener moet volgens de Hoge Raad ook worden verstaan degene namens wie beroep wordt ingesteld. Zie onder meer: HR 10 januari 2014, nr. 13/02112, ECLI:NL:HR:2014:2, BNB 2014/44 met noot Albert, NJB 2014/377, V-N 2014/5.9 met noot redactie, NTFR 2014/541 met commentaar Tiemessen, FutD 2014-0080.

35 Voetnoot A-G: zie artikel 6:5, lid 1, onderdeel a, Awb.

36 Voetnoot A-G: zie artikel 6:5, onderdeel c, Awb en artikel 6:5, lid 2, Awb.

37 Voetnoot A-G: hiermee wordt gedoeld op artikel 6:5, onderdeel d, Awb, waarin is opgenomen dat het bezwaar of beroepschrift de gronden van het bezwaar of beroep ten minste moet bevatten.

38 Voetnoot A-G: zie artikel 6:5, lid 3, Awb.

39 Voetnoot A-G: zie artikel 6:7 Awb. Niet-ontvankelijkverklaring dient op grond van artikel 6:11 Awb achterwege te blijven indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

40 Voetnoot A-G: zie artikel 8:41, lid 6, Awb. Niet tijdige betaling vormt echter niet een herstelbaar verzuim in de zin van de artikelen 6:5 en 6:6 Awb. Zie HR 16 december 1998, nr. 33 411, ECLI:NL:HR:1998:AA2582, na conclusie Van Soest, BNB 1999/56 met noot Van Leijenhorst, WFR 1999/31, FED 1999/51, V-N 1999/8.6 met noot redactie.

41 Als de Hoge Raad oordeelt dat een beroep in cassatie ontvankelijk is, neemt hij normaliter (indien de wederpartij hierover niets opmerkt) geen rechtsoverwegingen op waaruit blijkt dat aan (alle) ontvankelijkheidsvoorwaarden is voldaan. Zie M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, p. 345.

42 HR 19 juni 1991, nr. 27 426, ECLI:NL:HR:1991:ZC4634, BNB 1991/245, FED 1991/545, V-N 1991/2086,10 met noot redactie.

43 HR 10 september 2010, nr. 09/00923, ECLI:NL:HR:2010:309, BNB 2010/309, FED 2010/115 met noot Pechler, NTFR 2010,2121 met commentaar Van Schendel, USZ 2010,312, RSV 2010,274, NJB 2010,1949, V-N 2010/46.8 met noot redactie, FutD 2010-2120. Pieterse en Bergman duiden dit aan als de zogenoemde ‘paardensprong’. Zie L.J.A. Pieterse en C.M. Bergman, ‘De ontvankelijkheid van het beroep in cassatie’, NTFR-B 2011/18.

44 HR 15 oktober 2010, nr. 09/00878, ECLI:NL:HR:2010:BO0408, BNB 2011/18, NTFR 2010/2435 met commentaar Lammers, V-N 2010/53.12 met noot redactie, FutD 2010-2390.

45 HR 30 september 2016, nr. 16/02115, ECLI:NL:HR:2016:2210.

46 Of zoals M.J. Borgers het noemt: de ‘kale’ niet-ontvankelijkheid. Zie: M.J. Borgers, ‘Artikel 80a RO: rechtshandhaving of belangenhandhaving?’, in: G. Knigge e.a. (red.), Gehoord de Procureur-Generaal. Opstellen aangeboden aan prof. mr. J.W. Fokkens ter gelegenheid van zijn afscheid als Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 43.

47 Wet van 15 maart 2012 tot wijziging van de Advocatenwet, de Wet op de rechterlijke organisatie en enige andere wetten ter versterking van de cassatierechtspraak (versterking cassatierechtspraak), Stb. 2012, 116.

48 Versterking van de cassatierechtspraak 2008. Rapport van de commissie normstellende rol Hoge Raad, bijlage bij Kamerstukken II 2007/08, 29 279, nr. 69.

49 Kamerstukken II 2010/11, 32 576, nr. 3, (MvT) p. 1-3.

50 Kamerstukken II 2010/11, 32 576, nr. 3, (MvT) p. 6.

51 Kamerstukken II 2010/11, 32 576, nr. 3, (MvT) p. 18-19.

52 Voetnoot A-G: het betreft de kennelijke niet-ontvankelijkverklaring als bedoeld in artikel 8:54 Awb. Dit artikel is overigens op grond van artikel 29 AWR niet van overeenkomstige toepassing verklaard op de procedure in cassatie. Daarentegen kan een verzoek tot herziening door de Hoge Raad wél worden afgedaan met artikel 8:54 Awb nu in artikel 8:119, lid 2, Awb titel 8.2 (waarin dat artikel is opgenomen) van overeenkomstige toepassing is verklaard.

53 Dit is nogmaals bevestigd door de minister van Veiligheid en Justitie in de Eerste Kamer. Zo merkte hij op: “Dit houdt echter niet in, en dit zien de leden van de fractie van het CDA juist, dat aan de Hoge Raad een discretionaire bevoegdheid wordt gegeven om zaken al dan niet inhoudelijk af te doen. De Hoge Raad blijft immers, net als nu, beslissen over de gegrondheid van alle bij hem ingestelde beroepen tegen een beslissing van een lagere rechter. Op de Hoge Raad blijft de taak rusten om iedere zaak zorgvuldig te beoordelen en inhoudelijk te wegen.” Zie Kamerstukken I 2011/12, 32 576, nr. C, p. 4.

54 Of zoals Feteris schrijft: “Art. 80a Wet RO is dus niet bedoeld als een selectiemechanisme waarmee de HR op basis van zijn kerntaken kan beslissen welke zaken een behandeling in cassatie rechtvaardigen”. Zie M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, p. 289.

55 Kamerstukken II 2010/11, 32 576, nr. 6, p. 2.

56 Kamerstukken I 2011/12, 32 576, nr. C, p. 1.

57 Kamerstukken I 2011/12, 32 576, nr. C, p. 4.

58 Kamerstukken I 2011/12, 32 576, nr. C, p. 1.

59 Dit waren de volgende vier zaken: HR 11 september 2012, nr. 11/03781, ECLI:NL:HR:2012:BX0132, na conclusie Vellinga, NJB 2012/2044, BNB 2012/295 met noot Van Eijsden, RvdW 2012/1145, V-N 2013/2.9 met noot redactie, NJ 2013/244, FutD 2012-2907 met noot redactie, HR 11 september 2012, nr. 11/01243, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, na conclusie Knigge, RvdW 2012/1143, NJ 2013/241 met noot Bleichrodt, HR 11 september 2012, nr. 11/00550, ECLI:NL:HR:2012:BX7004, na conclusie Machielse, NJ 2013/243 met noot Bleichrodt, NS 2012/325, NBSTRAF 2012/325 met noot Van Russen en HR 11 september 2012, nr. 11/00549, ECLI:NL:HR:2012:B0129, na conclusie Machielse, NJ 2013/242 met noot Bleichrodt, RvdW 2012/1144, NBSTRAF 2012/324, NS 2012,324. In geen van de hier genoemde zaken heeft de Hoge Raad overigens het cassatieberoep met artikel 80a Wet RO afgedaan. De Hoge Raad oordeelde in deze zaken dat de ingestelde cassatiemiddelen niet tot cassatie konden leiden en dit gezien artikel 81 Wet RO geen nadere motivering behoefde.

60 Tevens is de Hoge Raad in de overzichtsarresten met betrekking tot artikel 80a Wet RO ingegaan op de gevolgen voor de inhoud van de cassatieschriftuur, de Borgersbrief, de benadeelde partij, ambtshalve cassatie en het overgangsrecht.

61 Conclusie voor HR 11 september 2012, nr. 11/03781, ECLI:NL:PHR:2012:BX0132.

62 Voetnoot in origineel: “Kamerstukken II 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 19.”

63 Voetnoot in origineel: “Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 6, p. 2. Zo ook H.D.W. Asser in De Hoge Raad in 2025, Contouren van de toekomstige cassatierechtspraak, onder redactie van A.M. Hol e.a., Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, 2011, p. 89. Zie ook G. Pesselse, Selectie in cassatie. De werkbelasting van de strafkamer van de Hoge Raad na invoering van art. 80a RO. Tilburg: Celsus juridische uitgeverij 2012, p. 38, die wijst op het verschil met het verlofstelsel van art. 410a Sv.”

64 Voetnoot in origineel: “Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 6, p. 2.”

65 Voetnoot in origineel: “Vgl. Rapport Versterking van de cassatierechtspraak, p. 33, noot 64.”

66 Voetnoot in origineel: “Rapport Versterking van de cassatierechtspraak, p. 44, voorstel voor een nieuw art. 81 lid 1 RO. Zie voor een relativering van deze eisen HR 29 mei 2012, LJN BW6670.”

67 Voetnoot in origineel: “Zie voor een relativering van deze eisen HR 29 mei 2012, LJN BW6670.”

68 HR 9 november 2012, nr. 12/03443, ECLI:NL:HR:2012:BY2669, BNB 2013/50 met noot Van Eijsden, NTFR 2012, 2595 met commentaar Van Amersfoort, V-N 2012/57.3 met noot redactie, FutD 2012-2804. De strafkamer van de Hoge Raad heeft voor het eerst op 20 november 2012 een cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a Wet RO. Het betreft: HR 20 november 2012, nr. 12/03188, ECLI:NL:HR:2012:BY3914. De civiele kamer van de Hoge Raad heeft voor het eerst op 28 september 2012 een cassatieberoep met artikel 80a Wet RO afgedaan. Zie HR 28 september 2012, nr. 12/03273, ECLI:NL:HR:2012:BX5792, na conclusie Wuisman, RvdW 2012/1165, NJ 2012/548.

69 In 2012 is volgens interne gegevens door de Belastingkamer van de Hoge Raad één herzieningsverzoek met artikel 80a Wet RO afgedaan, te weten: HR BNB 2013/51. In 2013 zijn 20 herzieningsverzoeken afgedaan met artikel 80a Wet RO. In het jaar 2014 zijn 6 herzieningsverzoeken met toepassing van artikel 80a Wet RO afgedaan. In het jaar 2015 waren dat er 7 en in 2016 17.

70 Dit herzieningsverzoek is op grond van artikel 8:88 Awb (oud) gedaan.

71 HR 21 december 2012, nr. 12/03462, ECLI:NL:HR:2012:BY6849, BNB 2013/51 met noot Van Eijsden, NTFR 2013/33, V-N 2013/2.10 met noot redactie, FutD 2013-0102.

72 HR 22 juni 2012, nr. 11/05453, ECLI:NL:HR:2012:BW9032.

73 HR 7 juni 2016, nr. 14/04187, ECLI:NL:HR:2016:1005, SR-Updates.nl 2016-0248, FutD 2016-1431, NBSTRAF 2016/134 met noot Boksem, NJB 2016/1246, V-N 2016/34.12 met noot redactie, RvdW 2016/722, NJ 2016/340 met noot Van Kempen, NTFR 2016/2466 met commentaar Okhuizen.

74 Zie daarvoor r.o. 2.4.3. De Hoge Raad heeft verschillende thema’s onderscheiden, te weten: ‘betekeningsvoorschriften’, ‘zittingsvoorschriften’, ‘beslissing op verzoeken’, ‘kwalificatie’, ‘strafoplegging’, ‘benadeelde partij’, ‘beslissingen met betrekking tot voorlopige hechtenis’, ‘beslissingen met betrekking tot beslag (art. 353 SV)’ en ‘beschikkingszaken en art. 80a RO’. In r.o. 2.5.2 gaat de Hoge Raad in op jurisprudentie waarin artikel 80a Wet RO is toegepast op bewijsklachten.

75 Jaarverslag Hoge Raad der Nederlanden 2014, p. 5.

76 Deze toespraak heeft de president gehouden in oktober 2016 in Madrid op een bijeenkomst van ‘The network of the presidents of the supreme judicial courts of the European Union’. De uitgeschreven versie (getiteld: ‘The development of the law by the supreme courts’) kan worden gevonden op de volgende website: http://www.stj.pt/ficheiros/Noticias/ActividadeInstitucional/introductory_report_-_the_development_of_law_by_the_supreme_courts_pres._maarten_feteris.pdf (laatst geraadpleegd op
8 februari 2017).

77 Deze tekst is opgenomen met toestemming van de president.

78 BNB 2013/51.

79 M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, p. 287, voetnoot 25.

80 Artikel 35, lid 3, EVRM luidt voor zover thans van belang: Het Hof verklaart elk individueel verzoekschrift, ingediend op grond van artikel 34, niet ontvankelijk, wanneer het van oordeel is dat: a. het verzoekschrift niet verenigbaar is met de bepalingen van het Verdrag of de Protocollen daarbij, kennelijk ongegrond is of een misbruik betekent van het recht tot het indienen van een verzoekschrift; of b. de verzoeker geen wezenlijk nadeel heeft geleden, tenzij de eerbiediging van de in het Verdrag en de Protocollen daarbij omschreven rechten van de mens noopt tot onderzoek van het verzoekschrift naar de gegrondheid ervan en mits op deze grond geen zaken worden afgewezen die niet naar behoren zijn behandeld door een nationaal gerecht.

81 Voetnoot A-G: M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, p. 284, voetnoot 10.

82 M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, p. 450, voetnoot 26.

83 J.A.R. van Eijsden, ‘Herzieningsverzoek afgewezen met toepassing van art. 80a Wet RO’, BNB 2013/51.

84 R. den Ouden, ‘Uitvergroot: Column door Ronald den Ouden. Uw zaak doet er niet toe!’, V-N 2016/32.0.

85 Zie voor andere meningen over artikel 80a Wet RO: J.A.R. van Eijsden en F.R. Herreveld, ‘De toekomst van de cassatierechtspraak in belastingzaken – Verslag Rondetafelbijeenkomst NOB op 4 oktober 2011 te Zeist, WFR 2012/513.

86 HR 7 juni 2016, nr. 14/04187, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/340 met noot Van Kempen, SR-Updates.nl 2016-0248, FutD 2016-1431, NBSTRAF 2016/134 met noot Boksem, NJB 2016/1246, V-N 2016/34.12 met noot redactie, RvdW 2016/722, NTFR 2016/2466 met commentaar Okhuizen.

87 V-N 2016/34.12.

88 Zie onderdeel 5.4 van deze conclusie.

89 Van Dale verstaat onder het woord ‘ontvankelijk’: “openstaand voor indrukken; (juridisch) vatbaar voor berechting”. Digitaal geraadpleegd op 23 november 2016. Fockema Andreae’s Juridisch woordenboek verstaat onder ‘niet-ontvankelijk’ in civiele zin: “(civiele eis), een eis of rekwest in een civiele zaak wordt door een rechter slechts in ontvangst genomen indien het door een daartoe bevoegd persoon bij een ter zake bevoegde instantie te juister tijd en met inachtneming van de gestelde vormvereisten werd aangeboden (art. 66, 70 Rv); pas na het onderzoek naar de ontvankelijkheid volgt het onderzoek betreffende de gegrondheid van de eis of van een verzoek; een vordering is ~als de reden voor het afwijzen buiten de zaak zelf is gelegen; excepties hebben dan ook veelal op de ontvankelijkheid betrekking, zoals onbevoegdheid van de rechter, of wanneer de door de eiser gestelde feiten de daarop stoelende vordering niet rechtvaardigen (HR 24 mei 1957, NJ 1959, 10)”. Fockema Andreae’s Juridische woordenboek geeft de volgende omschrijving van het begrip ‘ontvankelijkheid’ in strafrechtelijke zin: “(OvJ), de het Openbaar Ministerie wordt slechts in zijn dagvaarding ontvangen, wanneer zowel voldaan is aan alle vereisten van materieelrechtelijke aard (zoals geen tweede vervolging voor hetzelfde feit) als aan die van formeelrechtelijke aard (zoals het niet overschreden zijn van de termijnen), terwijl bovendien aan het ongeschreven vereiste van de goede procesorde voldaan dient te zijn (art. 349 lid 1 Sv); niet ~houdt in dat een rechter een vordering niet meer of nog niet kan ontvangen, terwijl bij onbevoegdverklaring de rechter aangeeft dat hij nimmer de vordering zal kunnen behandelen”. Zie R.D.J. van Caspel en M.P. Damen, Fockema Andreae’s Juridisch woordenboek, Groningen/Houten: Noordhoff Uitgevers 2016.

90 Oftewel de niet-ontvankelijkheid in eigenlijke zin. Zo schreef ik in mijn artikel in NTFR-B: Uit de hier gereleveerde Kamerstukken blijkt dat de term ‘niet-ontvankelijk’ in de onderhavige regeling niet de betekenis heeft die daaraan gewoonlijk toekomt. De regeling van art. 80a kan eerder worden gekenschetst als een vereenvoudigde procedure met standaardafdoening. Zie: R.E.C.M. Niessen, ‘Art. 80a Wet RO: Versterking cassatierechtspraak of beperking van de rechtsbescherming?’, NTFR-B 2012/122, p. 10-13.

91 Artikel 8:70 Awb is via de schakelbepaling van artikel 29 AWR van overeenkomstige toepassing op de cassatieprocedure verklaard.

92 Zie voor het tegenstrijdige standpunt van de minister van Veiligheid en Justitie (ter zake van de inhoudelijke beoordeling op grond van artikel 80a Wet RO) de onderdelen 5.5 t/m 5.7.

93 Zie onderdeel 4.2.

94 Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, (MvT) p. 143.

95 M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, p. 289.

96 Voetnoot in origineel: “In het arrest HR 11 september 2012, BNB 2012/295, noemt de strafkamer als een voorbeeld van gevallen waarin art. 80a Wet RO als regel zal worden toegepast: beroepen in cassatie die zijn gericht tegen andere handelingen of beslissingen dan de in art. 78 Wet RO genoemde (dus handelingen of beslissingen die niet vatbaar zijn voor beroep in cassatie).”

97 Zie artikel 80a, lid 2, Wet RO.

98 Thans artikel 8:119 Awb.

99 Zie artikel 80a, lid 3, Wet RO.

100 In dat geval wordt de zaak wel meteen aan de A-G voorgelegd ter beoordeling of de zaak zich leent voor een conclusie. Na dit oordeel (en eventueel een conclusie) wordt de zaak vervolgens in raadkamer behandeld.

101 Zie hiervoor de tekst van artikel 80a Wet RO waarin is opgenomen dat de Hoge Raad – gehoord de procureur-generaal – het cassatieberoep niet-ontvankelijk kan verklaren.

102 Deze zaken heb ik willekeurig gekozen uit de grootste groepen artikel 80a Wet RO zaken (zie de tabel in onderdeel 7.7). Ik zal achtereenvolgens het zaaknummer, het zaaktype, de omschrijving van het geschil, het cassatieberoep, de al dan niet aanwezigheid van een gemachtigde, de beoordeling door de Hoge Raad en – eventueel – mijn opmerkingen opnemen.

103 Het onderzoek in deze zaak heb ik mede dankzij de medewerking van de belastinggriffie, de bibliotheek van de Hoge Raad en de afdeling applicatiebeheer de Hoge Raad kunnen verrichten.

104 Vgl. het verslag van de president over de gang van zaken in de Strafkamer in onderdeel 5.17.

105 Ik heb zoveel mogelijk verschillende zaaktypen uitgekozen. Binnen de zaaktypen zijn de zaken willekeurig geselecteerd.

106 Daarvan behoorden twaalf zaken tot de zaakgroep CRvB, vijf zaken tot de groep Lagere Overheden en zes zaken tot de groep ‘Rijksbelastingen’.

107 Hoge Raad 12 december 2016, nr. 16/00645, ECLI:NL:HR:2016:2899, FED 2017/37 met noot Thomas, V-N 2017/2.6 met noot redactie, FutD 2016-3148.

108 Op 9 november 2012 is door de Belastingkamer van de Hoge Raad voor het eerst een zaak met toepassing van artikel 80a Wet RO afgedaan. Zie onderdeel 5.10.

109 In deze conclusie geef ik zelf de voorkeur aan de term ‘zaakgroep’.

110 De twee schema’s zijn ontleend aan een (interne) database van de Hoge Raad.

111 Ik heb de percentages afgerond op hele getallen.

112 Ik ben hierbij uitgegaan van zaken die geheel met artikel 81 Wet RO zijn afgedaan.

113 J.W. van den Berge, Veranderingen in de belastingrechtspraak (Jan Giele-lezing 2011), Den Haag: Sdu Uitgevers 2011, p. 49-51.

114 Voetnoot in origineel: “A.T. Marseille, ‘De stormloop op het hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep’, NJB 2009, 1326, p. 1716 e.v”.

115 Voetnoot in origineel: “Daarbij is geen onderscheid gemaakt naar soort of bekwaamheid”.

116 Zie onderdeel 9.3 en 9.4.

117 Hierbij merk ik op dat in het jaar 2015 van één zaak die met artikel 80a Wet RO is afgedaan niet is komen vast te staan of belanghebbende gebruikmaakte van een gemachtigde.

118 Zie een interview met Vicepresident van de Hoge Raad R.J. Koopman door S. Schenk en L. van Almelo in Het Register 2015, nr. 6, p. 22 en R.E.C.M. Niessen, ‘Vernieuwing in het cassatieprocesrecht van de Belastingkamer’, ftV 2017/01.

119 Exclusief de arresten waarin artikel 81 Wet RO slechts op een deel van de klachten werd toegepast.

120 Af te leiden uit de cijfers opgenomen in onderdeel 7.10 en 7.11.

121 Zie tevens het schema in onderdeel 7.13.

122 Hieronder zal ik de vijf zaaktypen bespreken waarin absoluut gezien het vaakst artikel 80a Wet RO is toegepast door de Hoge Raad. Het betreft (achtereenvolgens): inkomstenbelasting (hierna: IB-zaken), onroerende zaakbelasting (hierna: WOZ-zaken), bijstand (hierna: WWB-zaken), motorrijtuigenbelasting (hierna: MRB-zaken) en ‘rest CRvB-zaken’.

123 38% van de artikel 80a Wet RO-zaken was in 2016 dus een IB-zaak.

124 In 2016 heeft de Hoge Raad in 250 IB-zaken arrest gewezen, waarvan in 22% van de gevallen met toepassing van artikel 80a Wet RO.

125 12% van de artikel 80a Wet RO-zaken was in 2016 een WOZ-zaak.

126 In 2016 heeft de Hoge Raad in 85 WOZ-zaken arrest gewezen, waarvan in 21% artikel 80a Wet RO is toegepast.

127 4,7% van de artikel 80a Wet RO-zaken was in 2016 dus een WWB-zaak.

128 In totaal waren er in 2016 22 WWB-zaken. In 32% van deze zaken werd artikel 80a Wet RO toegepast.

129 4% van de artikel 80a Wet RO-zaken was dus een MRB-zaak.

130 In 2016 waren er 22 MRB-zaken.

131 4% van de artikel 80a Wet RO-zaken was dus een ‘rest-CRvB-zaak’.

132 In 32% van de ‘rest-CRvB-zaken’ is artikel 80a Wet RO toegepast.

133 Zie onderdeel 7.4.

134 Zie onderdeel 4.3 en 4.4

135 Zie onderdeel 1.5.

136 Zie onderdeel 1.6.

137 Zie onderdeel 3.5.

138 Zie het verzoek om herziening in onderdeel 2.1.

139 Zie onderdeel 1.7.

140 Zie onderdeel 6.1 en 6.2.

141 Vgl. de annotatie van J.C.K.W. Bartel in FED 2017/36.

142 Zie onderdeel 3.6.

143 Zie onderdeel 10.10.

144 Zie onderdeel 4.4.

145 Hoge Raad 23 december 2016, nr. 16/04281, ECLI:NL:HR:2016:2902, BNB 2017/60, NTFR 2017/35 met commentaar Okhuizen, NJB 2017/222, V-N 2017/2.5 met noot redactie, FutD 2016-3149.

146 Zie onderdeel 10.11.