Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:18

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-01-2017
Datum publicatie
03-03-2017
Zaaknummer
16/01766
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:362, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Erfrecht. Boedelbeschrijving nalatenschap. Vaststelling omvang geldvorderingen, art. 4:13 lid 3 BW Curaçao. Grenzen rechtsstrijd in hoger beroep, ontbreken grievenstelsel, Curaçao.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 16/01766

mr. L.A.D. Keus

Zitting: 13 januari 2017

Conclusie inzake:

[verzoeker]

(hierna: [verzoeker] )

verzoeker tot cassatie

advocaat: mr. A.H. Vermeulen

tegen

1. [de vader]

(hierna: de vader)

2. [verweerder 2]

(hierna: [verweerder 2] )

verweerders in cassatie

Het gaat in deze Curaçaose zaak om de vaststelling van de boedelbeschrijving van de nalatenschap van de moeder van [verzoeker] en [verweerder 2] , tevens de echtgenote van de vader, dit ten behoeve van de vaststelling van de omvang van de geldvorderingen van de zonen op de vader als bedoeld in art. 4:13 lid 3 Burgerlijk Wetboek van Curaçao. In cassatie is aan de orde of het Gemeenschappelijk Hof van Justitie de verklaring van de vader dat de door het Hof als schenkingen aangemerkte betalingen van de vader aan de zonen van inbreng in de nalatenschap en van rente zijn vrijgesteld, bij zijn oordeel had moeten betrekken. Voorts wordt geklaagd dat het Hof niet op alle grieven heeft beslist en buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan van de navolgende feiten worden uitgegaan1:

(i) Op 28 oktober 2013 is [de moeder] (hierna: erflaatster) in Curaçao overleden. Zij was de echtgenote van de vader en de moeder van [verzoeker] en [verweerder 2] .

(ii) Erflaatster heeft geen testament gemaakt. [verzoeker] en [verweerder 2] zijn de enige kinderen van erflaatster en van de vader, zodat de wettelijke verdeling van toepassing is (art. 4:13 van het Burgerlijk Wetboek van Curaçao2; hierna: BWC).

1.2

Bij op 31 juli 2014 ter griffie ingekomen verzoekschrift heeft de vader het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: GEA) verzocht de boedelbeschrijving van de opengevallen nalatenschap van zijn echtgenote vast te stellen dan wel een notaris aan te wijzen die daarmee zal worden belast.

1.3

[verzoeker] heeft verweer gevoerd. Hij heeft geen bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van een boedelbeschrijving, maar de door de vader opgestelde boedelbeschrijving wel inhoudelijk op twee punten, te weten die betreffende de daarin opgenomen posten “Vordering op [verweerder 2] ” en “Vorderingen op [verzoeker] ”, betwist. Hij heeft verzocht voor recht te verklaren dat er geen overeenkomsten van geldlening tussen hem en de vader zijn gesloten en voorts om het rentepercentage op de geldvorderingen op [verweerder 2] vast te stellen.

1.4

Nadat op 16 oktober 2014 een mondelinge behandeling van de zaak had plaatsgevonden, heeft het GEA bij beschikking van 13 november 2014 het onderzoek heropend en bepaald dat dit zal worden voortgezet, en voorts iedere verdere beslissing aangehouden.

1.5

[verweerder 2] heeft zich in de loop van het geding aan de zijde van de vader gevoegd.

1.6

Nadat verdere mondelinge behandeling van de zaak had plaatsgevonden, heeft het GEA bij beschikking van 16 maart 2015 geoordeeld dat de tijdens het leven van erflaatster door de vader aan zijn beide zonen ter beschikking gestelde bedragen worden aangemerkt als giften (rov. 2.6) en dat deze giften ingevolge art. 4:15 lid 3 jo 229 BWC in combinatie met 4A:1112 e.v. van het oude Burgerlijk Wetboek en art. 92 van de Landsverordening overgangsrecht nieuw Burgerlijk Wetboek3 in de nalatenschap moeten worden ingebracht voor zover de erfgenamen van hun verplichting tot inbreng niet zijn ontheven (rov. 2.8-2.9). Voorts heeft het GEA bepaald dat over het geschonken en in te brengen geldbedrag eerst vanaf de dag dat de nalatenschap is opengevallen de wettelijke rente op de inbreng is verschuldigd (rov. 2.9-2.10). Het GEA heeft ten slotte overwogen dat art. 4:15 lid 1 BWC bepaalt dat de rechter, bij verschil van mening tussen de erfgenamen over de omvang van de geldvordering bedoeld in art. 4:13 lid 3 BWC, de hoogte daarvan vaststelt, maar dat het verzoek van de vader hierop niet is afgestemd (rov. 2.11). Het GEA heeft de zaak daarom verwezen naar de EJ-rol voor uitlating door de vader over de omvang van de geldvorderingen van [verweerder 2] en [verzoeker] en heeft iedere verdere beslissing aangehouden.

1.7

[verzoeker] heeft bij op 27 maart 2015 ter griffie ingekomen beroepschrift appel ingesteld tegen de tussenbeschikking van 16 maart 2015. Bij beschikking van 9 juni 2015 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (hierna: het Hof) geoordeeld dat het appel was ingesteld zonder vergunning, terwijl een vergunning wel is vereist. Na toestemming van verzoeker te hebben verkregen, heeft het Hof het beroepschrift aangemerkt als een verzoekschrift om vergunning voor tussentijds appel (rov. 2). Deze vergunning heeft het Hof vervolgens geweigerd (rov. 3.1 en dictum).

1.8

Nadat partijen zich nader hadden uitgelaten naar aanleiding van de hiervoor (onder 1.6) genoemde beschikking van het GEA, heeft het GEA bij beschikking van 13 augustus 2015 geconstateerd dat de vader in zijn akte van uitlating van 21 mei 2015 niet op zijn suggestie omtrent de vaststelling van de geldvorderingen is ingegaan, en voorts ten aanzien van de schenkingen aan de zonen een standpunt heeft ingenomen dat afwijkt van hetgeen in de tussenbeschikking van 16 maart 2015 over die schenkingen is overwogen (rov. 2.4). Het GEA is derhalve teruggevallen op het verzoek van de vader zoals in zijn inleidende verzoekschrift geformuleerd (rov. 2.5). Het heeft vervolgens de boedelbeschrijving als bedoeld in art. 4:16 lid 1 BWC vastgesteld conform de opstelling van de vader als weergegeven in productie 64 bij het inleidende verzoekschrift, met dien verstande dat de vordering op [verweerder 2] en die op [verzoeker] worden aangemerkt als in te brengen schenkingen en dat over de betreffende bedragen de wettelijke rente is verschuldigd vanaf de dag dat de nalatenschap is opengevallen (28 oktober 2013) (rov. 3.1).

1.9

Bij op 14 september 2015 ter griffie ingekomen beroepschrift is [verzoeker] bij het Hof in hoger beroep gekomen tegen de eindbeschikking van 13 augustus 2015. Hij heeft het Hof - kort gezegd - verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en de zaak in volle omvang opnieuw te beoordelen aan de hand van de aangevoerde gronden.

1.10

De vader en [verweerder 2] hebben verweer gevoerd en het Hof verzocht het ingestelde beroep te verwerpen en de bestreden beschikking te bevestigen.

1.11

Bij beschikking van 5 januari 2016 heeft het Hof overwogen het (oorspronkelijke) verzoek van de vader aldus te begrijpen dat hij een rechterlijke vaststelling wenst van de omvang van de geldvorderingen van [verzoeker] en [verweerder 2] in de zin van art. 4:15 lid 1 BWC, en dat de vader ter zitting heeft bevestigd dat dit juist is (rov. 2.2). Het Hof heeft voorts overwogen dat partijen het erover eens zijn dat met de post “Waarde [a-straat 1] te Suriname” in de beschrijving door vader van de samenstelling en omvang van de ontbonden huwelijksgemeenschap bij deze vaststelling geen rekening moet worden gehouden, aangezien het desbetreffende huis door vader is verkregen onder uitsluitingsclausule en derhalve niet tot de huwelijksgemeenschap en ook niet tot de nalatenschap van erflaatster is gaan behoren (rov. 2.3). Voor zover er bij de schenking door de vader aan [verweerder 2] sprake zou zijn geweest van een wilsgebrek en [verzoeker] een rechtsvordering tot vernietiging zou kunnen instellen, is deze naar het oordeel van het Hof ingevolge art. 3:52 BWC verjaard, en heeft [verweerder 2] hierop naar het oordeel van het Hof een beroep gedaan (rov. 2.5). Naar het oordeel van het Hof is er geen sprake (geweest) van een natuurlijke verbintenis van de vader jegens [verzoeker] , die door de vader door betaling van gelden zou zijn nagekomen, maar is (derhalve) sprake van een schenking (rov. 2.7-2.8). Vorenbedoelde schenkingen moeten beide worden ingebracht in de nalatenschap op grond van art. 92 van de Landsverordening overgangsrecht nieuw Burgerlijk Wetboek (rov. 2.9). De waarde van de helft van de ontbonden huwelijksgemeenschap, uitmakende de nalatenschap van erflaatster, komt hiermee op Naf 1.022.410,28, waarvan een derde deel de waarde van het erfdeel van elk van beide zonen vormt (Naf 340.803,43). De waarde van hun erfdelen is derhalve lager dan hetgeen [verzoeker] respectievelijk [verweerder 2] moeten inbrengen, zodat de omvang van hun geldvordering als bedoeld in art. 4:13 lid 3 BWC nihil is (rov. 2.10). Het Hof heeft de bestreden beschikking vernietigd en heeft, opnieuw rechtdoende, ingevolge 4:15 lid 1 BWC de omvang van de in art. 4:13 lid 3 BWC bedoelde geldvordering van zowel [verzoeker] als [verweerder 2] op nihil vastgesteld.

1.12

[verzoeker] heeft tegen deze beschikking - tijdig5 - cassatieberoep ingesteld. De vader en [verweerder 2] hebben van verweer afgezien.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

[verzoeker] heeft één middel van cassatie voorgesteld. Dat middel omvat een drietal, hierna als onderdelen aan te duiden klachten (1-3). De onderdelen 2 en 3 zijn beide in twee subonderdelen onderverdeeld.

2.2

Met het middel keert [verzoeker] zich tegen rov. 2.6-2.12 en het dictum van de bestreden beschikking.

2.3

Onderdeel 1 klaagt dat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet te beslissen op de tegen de tussenbeschikking van 16 maart 2015 van het GEA gerichte grieven. Het onderdeel verwijst in een voetnoot naar de grieven 1 tot en met 1c en 1e tot en met 1i. Een verdere toelichting wordt niet gegeven.

2.4

Hieronder volgt - kort samengevat - een opsomming van genoemde grieven, voorzien van een kort commentaar:

- Grief 1 bevat geen als grief te kwalificeren zelfstandige klacht, maar verwijst slechts in geheel algemene zin naar “kennelijke misslagen” in het geding. Het Hof heeft deze klacht dan ook kennelijk en begrijpelijk niet als afzonderlijke grief behandeld;

- Grief 1a klaagt dat de door het GEA gegeven indieningsdata van de verschillende akten van [verzoeker] niet overeenkomen met de werkelijke afgestempelde ontvangstdatum van de “front office”. Met deze klacht wordt niet betoogd dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven; het Hof heeft deze dan ook kennelijk en begrijpelijk niet als grief opgevat;

- Grief 1b klaagt dat het GEA om onbegrijpelijke redenen in rov. 2.2 van de beschikking van 16 maart 2015 geheel voorbij gaat aan het “wettig & overtuigend bewijs, namelijk vader [de vader] eigenlijk een “financiële uitgavensituatie” wilde realiseren, omdat hij dat bedacht had en gewoon leuk vond”. De klacht wordt niet verder toegelicht. Het Hof heeft deze klacht kennelijk en begrijpelijk niet als een voldoende duidelijke, gepreciseerde of gemotiveerde grief opgevat;

- Grief 1c, en ook grief 1h, is gericht tegen het feit dat het GEA in rov. 2.3 ervan is uitgegaan dat het de bedoeling van de vader bij het opstellen van de boedelbeschrijving was om een gelijke financiële behandeling van de zonen te bewerkstelligen. Uit het hierop volgende betoog wordt niet duidelijk waarom volgens [verzoeker] niet van dit uitgangspunt kon of mocht worden uitgegaan.

De grief stelt voorts ter discussie dat het GEA ervan is uitgegaan dat de vader per ongeluk “vorderingen” in plaats van “giften” in de boedelbeschrijving heeft opgevoerd. [verzoeker] heeft aangevoerd dat de post die betrekking heeft op [verweerder 2] een lening betreft en/of een schenking die onder invloed van een wilsgebrek is gedaan (grief 1e, 1f en 1g) en dat de post die betrekking heeft op hemzelf de voldoening aan een natuurlijke verbintenis betreft (grief 1d en 1e). Het Hof heeft deze grieven in het licht geplaatst van de stellingen van de vader en uitgelegd en behandeld (zoals beschreven) in rov. 2.4-2.9. Het onderdeel stelt niet dat de aan het Hof voorbehouden uitleg van deze grieven onbegrijpelijk was of dat het Hof daarover inhoudelijk onjuist of onbegrijpelijk heeft geoordeeld;

- Grief 1i bevat geen als grief te kwalificeren zelfstandige klacht, maar betoogt slechts in geheel algemene zin dat “(d)e verdere beoordeling van het Gerecht (…) ‘more of the same’ en totaal onbegrijpelijk (is), aangezien deze beoordeling voortbouwt op allemaal misslagen als basis”. Het Hof heeft deze klacht dan ook kennelijk en begrijpelijk niet als afzonderlijke grief behandeld.

Aan het bovenstaande kan nog in algemene zin worden toegevoegd dat het Hof niet was gehouden deze klachten één voor één expliciet te behandelen. Uit het voorgaande volgt dat niet kan worden gezegd dat het Hof bij de behandeling daarvan van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. Het onderdeel faalt.

2.5

Subonderdeel 2.1 klaagt dat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet te beslissen op het verzoek genoemd in de memorie van grieven onder 2, luidende:

“WESHALVE HET UW HOF moge behagen (…) opnieuw rechtdoende over te gaan tot een beoordeling van dit geschil:

(…)

Door de wettelijke nalatenschap (lijst) opnieuw vast te stellen, door o.a.;…”

2.6

Ik behandel deze klacht in samenhang met subonderdeel 3.1.

2.7

Subonderdeel 3.1 klaagt dat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in het dictum van de bestreden beschikking de geldvorderingen van [verzoeker] en [verweerder 2] ambtshalve op nihil te stellen. Het Hof is volgens het subonderdeel aldus buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door het verzoek in eerste aanleg door vader, strekkende tot de boedelbeschrijving van de ontbonden huwelijksvermogensgemeenschap, in rov. 2.2 uit te leggen als een verzoek tot het vaststellen van niet-opeisbare vorderingen in de zin van art. 4:15 BWC, terwijl noch de grieven noch het in appel verzochte zijdens [verzoeker] noch het gestelde in het verweerschrift van de vader daartoe aanleiding geven.

2.8

Zoals hierboven onder 1.6 reeds aan de orde kwam, heeft het GEA in rov. 2.11 van zijn beschikking van 16 maart 2016 gesuggereerd dat het de vader in feite niet zozeer, althans niet slechts, te doen was om een boedelbeschrijving van de opengevallen nalatenschap van zijn echtgenote, maar om de vaststelling in de zin van art. 4:15 lid 1 BWC van de omvang van de geldvorderingen van [verzoeker] en [verweerder 2] als bedoeld in art. 4:13 lid 3 BWC, doch zijn verzoek hierop niet was afgestemd. Het GEA verwees daarom de zaak naar de EJ-rol voor uitlating door de vader over de omvang van de geldvorderingen en hield iedere verdere beslissing aan. Nu de vader op deze suggestie in zijn hierop volgende akte uitlating van 21 mei 2015 niet is ingegaan, is het GEA in zijn beschikking van 13 augustus 2015 teruggevallen op het verzoek van de vader zoals in zijn inleidende verzoekschrift geformuleerd (rov. 2.5) en heeft het de boedelbeschrijving als bedoeld in art. 4:16 lid 1 BWC vastgesteld.

2.9

In hoger beroep heeft [verzoeker] verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en de zaak in volle omvang opnieuw te beoordelen aan de hand van de aangevoerde gronden.

2.10

Bij de behandeling in hoger beroep is genoemde kwestie bij de mondelinge behandeling van de zaak - blijkens rov. 2.2 van de bestreden beschikking - wederom aan de orde gekomen. Aldaar heeft het Hof overwogen dat de vader ter zitting heeft bevestigd dat hij met zijn (oorspronkelijke) verzoek een rechterlijke vaststelling wenst(e) van de omvang van de geldvorderingen van [verzoeker] en [verweerder 2] in de zin van art. 4:15 lid 1 BWC. Niet blijkt dat hiertegen door [verzoeker] enig bezwaar is gemaakt. Dat voeren de subonderdelen 2.1 en 3.1 ook niet aan. Deze interpretatie van het (oorspronkelijke) verzoek door het Hof is volledig in lijn met de kwesties die partijen verdeeld houden en het debat zoals partijen dat in eerste aanleg en in hoger beroep hebben gevoerd, waarbij het uitgangspunt steeds is geweest dat [verzoeker] uitbetaling van zijn erfdeel wenst en de vader bereid is daartoe over te gaan (zie inleidend verzoekschrift onder 8, 11 en 12; toelichting tijdens de mondelinge behandeling van de vader in eerste aanleg onder 7-9; akte van antwoord (II) van [verzoeker] in eerste aanleg onder 23; akte van antwoord (III) van [verzoeker] in eerste aanleg onder 60 en 61; verweerschrift hoger beroep onder 3-4 en 11; proces-verbaal in hoger beroep van 8 december 2015, verklaring [verzoeker] op p. 1-2; pleidooi in hoger beroep van [verzoeker] onder 4b). Het Hof mocht derhalve, toen het na vernietiging van de bestreden beschikking opnieuw rechtdeed, van het (oorspronkelijke) verzoek van de vader zoals door het Hof uitgelegd, uitgaan.

2.11

Van het “ambtshalve” op nihil stellen van de geldvorderingen of het buiten de rechtsstrijd van partijen treden is dan ook geen sprake geweest, ondanks het feit dat de grieven, het in appel door [verzoeker] verzochte en het in het verweerschrift van de vader gestelde niet expliciet vermelden dat het verzoek van de vader in feite op de vaststelling van genoemde geldvorderingen ziet. Bij die stand van zaken kan evenmin worden gezegd dat het Hof niet heeft beslist op het verzoek in de memorie van grieven onder 2, strekkende tot het opnieuw vaststellen van de “wettelijke nalatenschap (lijst)” (dit nog los van het feit dat het Hof - teneinde de hoogte van genoemde geldvorderingen vast te stellen - in rov. 2.10 ook en eerst (de waarde van) de nalatenschap heeft vastgesteld).

2.12

De subonderdelen 2.1 en 3.1 falen.

2.13

Subonderdeel 2.2 klaagt dat (althans) de rov. 2.2-2.12 en het dictum onbegrijpelijk zijn omdat het Hof de door [verzoeker] en [verweerder 2] niet betwiste gerechtelijke verklaring van de vader (bij akte uitlating van 21 mei 2015) dat de aan zijn zonen gedane schenkingen beide zijn vrijgesteld van inbreng in de nalatenschap en van enige rente, niet kenbaar bij zijn oordeelsvorming heeft betrokken en daarop niet heeft beslist.

2.14

Het punt van de eventuele inbrengverplichting met betrekking tot de door de vader aan zijn zonen gedane schenkingen is opgekomen in de tussenbeschikking van 16 maart 2015 van het GEA. Naar aanleiding van het verzoek van de vader tot vaststelling van de boedelbeschrijving van de opengevallen nalatenschap van zijn echtgenote, overwoog het GEA aldaar in rov. 2.7-2.10 dat de gedane schenkingen een inbrengverplichting met zich meebrengen, zodat de vader de betreffende bedragen terecht in zijn boedelbeschrijving heeft opgenomen, zij het onder een verkeerde benaming (te weten als “vorderingen”). Daarbij heeft het GEA voorts overwogen dat de (wettelijke) rente over de geschonken en in te brengen geldbedragen (eerst) op de inbreng is verschuldigd vanaf de dag dat de nalatenschap is opengevallen.

2.15

Zoals hierboven reeds aan de orde kwam, hield het GEA in deze tussenbeschikking uiteindelijk iedere verdere beslissing aan teneinde de vader de gelegenheid te bieden zich nader uit te laten over de omvang van de in art. 4:13 lid 3 BWC bedoelde geldvorderingen van zijn zonen.

2.16

De hierop volgende akte uitlating van de vader van 21 mei 2015 (p. 1) vermeldt:

“Verzoeker bepaalt dat de schenkingen die zijn gedaan aan [verzoeker en verweerder 2] , beide zijn vrijgesteld van inbreng in de nalatenschap van wijlen [de moeder] . Het is nimmer de bedoeling geweest om de schenkingen te doen als een voorschot op de nalatenschap van [de moeder] . De bedoeling van [de vader en de moeder] samen en thans [de vader] die van rechtswege de nalatenschap van [de moeder] heeft verkregen is immer geweest dat de kinderen ( [verzoeker en verweerder 2] ) de schenkingen konden houden, zonder dat er werd verrekend met hun erfdeel. Evenmin is derhalve enige rente van toepassing.”

2.17

In zijn eindbeschikking van 13 augustus 2015 heeft het GEA over deze akte als volgt overwogen:

“2.4 In zijn akte uitlating van 21 mei 2015 is de vader niet op deze suggestie (bedoeld wordt de hierboven onder 2.8 genoemde suggestie; LK) ingegaan en heeft hij ten aanzien van de schenkingen aan de zoons een standpunt ingenomen dat afwijkt van hetgeen in de tussenbeschikking van 16 maart 2015 over die schenkingen is overwogen. Hieruit moet worden opgemaakt dat de vader niet wil dat de geldvordering van [verzoeker] wordt vastgesteld op basis van hetgeen in die beschikking is overwogen.

2.5

Derhalve zal het gerecht moeten terugvallen op het verzoek van de vader zoals in het inleidende verzoekschrift geformuleerd. Omdat de voor een boedelbeschrijving benodigde gegevens thans in rechte vaststaan zal het gerecht de boedelbeschrijving aan zich houden en vaststellen als in het dictum te melden.

(…)

3

De beslissing

3.1

Stelt de boedelbeschrijving als bedoeld in artikel 4:16 lid 1 BW vast conform de opstelling van de vader als weergegeven in productie 6 (bedoeld zal zijn productie 5; LK) bij het inleidende verzoekschrift met dien verstande dat de vordering op [verweerder 2] en die op [verzoeker] worden aangemerkt als in te brengen schenkingen en dat op de betreffende bedragen de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de dag dat de nalatenschap is opengevallen, 28 oktober 2013.”

2.18

Het GEA heeft derhalve het afwijkende standpunt van de vader in de akte uitlating van 21 mei 2015 kennelijk buiten beschouwing gelaten en in zijn eindoordeel opgenomen dat de schenkingen in de nalatenschap dienen te worden ingebracht en daarover op de inbreng de wettelijke rente is verschuldigd zoals door het GEA vermeld.

2.19

Tegen het oordeel van het GEA op dit punt heeft geen van beide partijen in hoger beroep gegriefd. Zulks wordt althans niet aangevoerd in het verzoekschrift tot cassatie6.

[verzoeker] heeft slechts in algemene zin gegriefd tegen het oordeel van het GEA dat de aan de zonen overgemaakte geldbedragen schenkingen betreffen en zich daarbij op het standpunt gesteld dat de aan hem overgemaakte bedragen moeten worden gezien als voldoening aan een natuurlijke verbintenis en de aan [verweerder 2] overgemaakte bedragen als lening en/of schenking die onder invloed van een wilsgebrek is gedaan en moet worden vernietigd. Die grieven zijn door het Hof afgewezen. Omtrent de vraag of, indien niettemin van schenkingen sprake zou zijn, er wel of geen inbrengverplichting en/of verplichting tot bijtelling van enige rente op de inbreng met betrekking tot die schenkingen zou bestaan, heeft [verzoeker] zich niet expliciet uitgelaten.

Het proces-verbaal (p. 2 bovenaan) van de terechtzitting van het Hof van 8 december 2015 vermeldt wel dat [verzoeker] daar - aangaande de in de boedelbeschrijving genoemde “Vorderingen op [verzoeker]” - het volgende heeft verklaard:

“(…) Ik heb aan mijn vader gevraagd om mijn wettelijk erfdeel. Hij zei dat het goed is en heeft mij als voorschot NAf 80.000,- betaald. (…)” (cursivering toegevoegd, LK).

In gelijke zin werd volgens het proces-verbaal (p. 2) door de gemachtigde van de vader en [verweerder 2] verklaard. De door [verzoeker] tijdens deze zitting overgelegde pleitaantekeningen (p. 2) vermelden:

“4b. Er bestaat een wettelijke verbintenis tot het uitbetalen van het wettelijk erfdeel aan [verzoeker] , waar vader [de vader] al gedeeltelijk uitvoering aan heeft gegeven. (…)”

Deze citaten duiden mijns inziens eerder erop dat ook [verzoeker] (en de vader en [verweerder 2] ) hier uitgaat (uitgaan) van een schenking met inbrengverplichting. Zou immers geen inbrengverplichting bestaan, dan is er geen sprake van dat de schenking als voorschot op het wettelijk erfdeel geldt, of dat met de schenking al gedeeltelijk uitvoering is gegeven aan de verbintenis tot het uitbetalen van het wettelijk erfdeel. De schenking zou, indien geen inbrengverplichting zou bestaan, geheel los staan van (het erfdeel in) de nalatenschap en daarvan geen deel uitmaken.

De vader (wiens verklaring volgens het subonderdeel zou zijn miskend) heeft bij verweerschrift in hoger beroep juist verzocht om het door [verzoeker] ingestelde beroep te verwerpen en de bestreden beschikking te bevestigen. Hij heeft daarbij (onder 8) expliciet verwezen naar het dictum van de eindbeschikking van het GEA met vermelding daarbij van de schenkingen als “in te brengen schenkingen” waarover “wettelijke rente verschuldigd is vanaf de dag dat de nalatenschap is opengevallen”.

2.20

Bij het voorgaande moet intussen worden bedacht dat het Curaçaose appelprocesrecht geen grievenstelsel kent zoals dat in Nederland bestaat. Dient de appellant, zoals in de onderhavige zaak het geval was, van grieven, dan is de taak van het Hof, anders dan in Nederland, niet noodzakelijkerwijze tot een beoordeling van de grieven beperkt. Het Hof heeft de vrijheid in voorkomend geval ambtshalve ten gunste van de appellant te vernietigen, waarbij overigens onduidelijk is of het Hof ook verplicht is beslissingen van het GEA ambtshalve te beoordelen. In het geval dat specifieke grieven zijn aangevoerd, kan dit onder omstandigheden bij geïntimeerde het gerechtvaardigde vertrouwen wekken dat appellant de beoordeling van het geschil op de in de grieven aangevoerde punten wil zien toegespitst. In dat geval dient ook het Hof zich daartoe te beperken7.

Waar een expliciete grief van [verzoeker] tegen een eventuele miskenning van de verklaring van de vader voor de hand had gelegen, de uitlatingen van [verzoeker] ter zitting veeleer op een schenking met inbrengverplichting wijzen en de vader zelf, ondanks de door het subonderdeel bedoelde verklaring, blijkens het door hem in hoger beroep betrokken standpunt onverkort van verplichte inbreng van de litigieuze schenkingen en de verschuldigdheid van wettelijke rente daarover vanaf de dag dat de nalatenschap is opengevallen is blijven uitgaan, kan het Hof niet worden verweten dat het niet ambtshalve de (overigens niet op voorhand evidente8) implicaties van de verklaring van de vader voor de door het GEA aangenomen inbrengplicht van [verzoeker] en de daaraan verbonden verschuldigdheid van wettelijke rente nader heeft vastgesteld, nog daargelaten dat het middel niet een daarop gerichte klacht omvat.

2.21

Het Hof heeft in zijn beschikking van 5 januari 2016, evenals het GEA, geoordeeld dat sprake was van schenkingen die moeten worden ingebracht (rov. 2.9). Aangezien het Hof vervolgens (in rov. 2.10) heeft vastgesteld dat de waarde van het erfdeel van ieder van de zonen lager is dan de waarde van deze inbreng door die zonen, en de omvang van hun geldvordering als bedoeld in art. 4:13 lid 3 BWC derhalve nihil is, kwam het Hof aan de vraag of bij de inbreng nog rekening moest worden gehouden met rente, niet meer toe.

2.22

Subonderdeel 2.2 is daarom tevergeefs voorgesteld.

2.23

Subonderdeel 3.2 klaagt dat het oordeel van het hof - waarbij de geldvorderingen van [verzoeker] en [verweerder 2] op nihil werden gesteld - althans onbegrijpelijk is in het licht van de hiervoor bedoelde gerechtelijke verklaring van vader, omdat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom [verzoeker] en [verweerder 2] niet gerechtigd zouden zijn tot hun wettelijke erfdeel in de nalatenschap, respectievelijk dat zij verplicht zouden zijn tot inbreng van de schenkingen.

2.24

Deze klacht ligt in het verlengde van subonderdeel 2.2, en dient dan ook om dezelfde redenen te falen.

Daarbij verdient nog aantekening dat het Hof niet heeft bepaald dat [verzoeker] en [verweerder 2] niet tot hun wettelijke erfdeel in de nalatenschap zouden zijn gerechtigd. Het heeft slechts geconstateerd dat dit erfdeel, waartoe de zonen gerechtigd waren, minder bedraagt dan de inbreng waartoe [verzoeker] en [verweerder 2] zijn verplicht, en dat daarom hun geldvorderingen als bedoeld in art. 4:13 lid 3 BWC op nihil moeten worden gesteld.

Overigens rijst wel de vraag of het juist is dat, zoals het Hof heeft geoordeeld, het op NAf 340.803,43 berekende erfdeel van de beide zonen minder bedraagt dan hetgeen zij moeten inbrengen, zodat hun geldvordering als bedoeld in art. 4:13 lid 3 BW op nihil dient te worden gesteld. In dit verband is van belang dat de omvang van de nalatenschap van erflaatster is berekend als de helft van de waarde van de huwelijksgoederengemeenschap en dat bij de bepaling van de waarde van de huwelijksgoederengemeenschap de (aanvankelijk als leningen gekwalificeerde) schenkingen aan beide zonen ten volle in aanmerking zijn genomen. Die berekeningswijze impliceert een inbreng van de beide zonen in de nalatenschap van erflaatster die slechts de helft van de aan hen gedane schenkingen omvat. Bij die stand van zaken is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk waarom, zoals het Hof kennelijk heeft geoordeeld, bij de berekening van de in art. 4:13 lid 3 BW bedoelde geldvordering van de beide zonen vervolgens het volle bedrag van de aan hen gedane schenkingen in plaats van de helft daarvan als nog te verrichten inbreng in de nalatenschap van erflaatster op het bedrag van hun erfdeel in mindering moet worden gebracht. Als de Hoge Raad een hierop gerichte klacht in het middel zou lezen, meen ik dat die klacht slaagt.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Rov. 2.1 van de bestreden beschikking en rov. 2.1 van de beschikking van 13 november 2014 van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao.

2 Zie hiervoor de Landsverordening van de 15de december 2011 tot vaststelling van Boek 4 en titel 7.3 van het Burgerlijk Wetboek (Landsverordening erfrecht en schenking), PB 2011, 68 (inwerkingtreding 1 januari 2012, PB 2011, 70).

3 Zoals opgenomen in art. XVIII onder 2 van de Landsverordening erfrecht en schenking.

4 Bedoeld zal zijn: productie 5.

5 Het cassatieverzoekschrift is op 1 april 2016 per telefax ter griffie van de Hoge Raad ingekomen; de bestreden beschikking dateert van 5 januari 2016. De cassatietermijn bedraagt op grond van art. 4 Rijkswet cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba drie maanden (de termijn voor hoger beroep bedroeg op grond van art. 429n lid 2 van de Landsverordening van de 29ste april 2005 houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zes weken).

6 De memorie van grieven bevat wel het verzoek om “opnieuw rechtdoende over te gaan tot een beoordeling van dit geschil” “5. Door een verklaring van recht te geven, aangaande de “wettelijke tijdsperiode” over het algemeen betreffende de opname van giften in een wettelijke nalatenschap.” De vader vermeldt hierover in zijn verweerschrift onder 22 “Wat hiermee wordt bedoeld is geïntimeerde onduidelijk.”

7 Zie over dit alles Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 (2012), nr. 97.

8 Van de verplichting tot inbreng (die onder oud erfrecht voor kinderen als regel gold) kon men immers slechts bij de schenking van de erflater door de erflater uitdrukkelijk worden vrijgesteld, of later bij authentieke akte of uiterste wil van de erflater worden ontheven. In casu gaat het om de nalatenschap van de vooroverleden moeder (erflaatster). Art. 4A:1112 van het oude wetboek bepaalde: “(…) moeten alle schenkingen onder de levenden, welke zij van de erflater hebben genoten, worden ingebracht (…) (d)oor de erfgenamen in de nederdalende linie, wettige of natuurlijke, (…) tenware de giften met uitdrukkelijke vrijstelling van inbreng zijn gedaan, of de begiftigden bij een authentieke akte, of bij uiterste wil, van de verplichting tot inbreng zijn ontheven (…).”