Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:163

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-01-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
15/04791
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:475, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewaring t.b.v. rechthebbende van motorblok en een frame van een motorfiets, art. 353.2 onder c Sv. (De beslagene is vrijgesproken van opzetheling van de motorfiets en het motorblok, vervolg op HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1201.) Middel tegen toepassing door het hof van de maatstaf ex art. 353, tweede lid onder c, Sv. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/04791

Zitting: 17 januari 2017

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Na terugwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 14 april 2015, heeft het gerechtshof Den Haag bij arrest van 8 september 2015 de bewaring gelast ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een motorfiets (frame) en een motorblok.

  2. De onderhavige strafzaak wordt voor de tweede keer aan de Hoge Raad voorgelegd. Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 5 april 2013 vrijgesproken van de tenlastegelegde heling van een motorfiets en een motorblok en de onttrekking aan het verkeer bevolen van voornoemde in beslag genomen voorwerpen. Tegen laatstgenoemde beslissing is namens de verdachte cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft het arrest in zoverre vernietigd en de zaak teruggewezen. Het bestreden arrest betreft het arrest van het gerechtshof Den Haag na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad.

  3. Namens de verdachte heeft mr. A.R. Kellermann, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel komt op tegen de beslissing van het hof waarbij de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de inbeslaggenomen motorfiets (frame) en het motorblok is gelast, met de klacht dat het hof een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd, dan wel dat deze beslissing onbegrijpelijk is en/of ontoereikend gemotiveerd.

  5. Blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 25 augustus 2015 heeft de raadsman aldaar het volgende aangevoerd:

“De verdachte is vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. Ik verzoek u derhalve om de teruggave van de in beslag genomen goederen te gelasten. Ik denk niet dat het relevant is dat een ander persoon zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan heling van de in beslag genomen goederen.”

6. Het hof heeft – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende overwogen:

“Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de in beslag genomen motorfiets (frame) en het in beslag genomen motorblok zullen worden onttrokken aan het verkeer.

Het hof zal ten aanzien van de in beslag genomen motorfiets (frame) en het in beslag genomen motorblok de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) gelasten, aangezien op basis van de inhoud van het huidige strafdossier, thans niemand als redelijkerwijs rechthebbende kan worden aangemerkt. Daartoe overweegt het hof dat uit het dossier volgt dat er sterke aanwijzingen zijn dat beide goederen uit misdrijf (waarschijnlijk diefstal) afkomstig zijn (zie het proces-verbaal van politie op p. 21 tot en met 24), zodat niet kan worden uitgesloten dat een ander of anderen dan verdachte als rechthebbende(n) op de motorfiets en het motorblok in aanmerking komt dan wel komen.”

7. Art. 353 Sv, welke bepaling ingevolge art. 415, eerste lid, Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is verklaard, luidt:

“1. In het geval van toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, van oplegging van straf of maatregel, van vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging neemt de rechtbank een beslissing over de met toepassing van artikel 94 inbeslaggenomen voorwerpen ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven. Deze beslissing laat ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet.

2. De rechtbank gelast, onverminderd artikel 351,

a. de teruggave van het voorwerp aan degene bij wie het in beslag is genomen;

b. de teruggave van het voorwerp aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt; of

c. indien geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt, de bewaring van het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende.

3. Op een last als bedoeld in het tweede lid is artikel 119 van overeenkomstige toepassing.

4. De rechtbank kan de teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen onder zekerheidstelling (red.: lees: zekerheidsstelling) gelasten. Artikel 118a is van overeenkomstige toepassing.”

8. Door de Hoge Raad1 is met betrekking tot art. 353 Sv het volgende overwogen:

“4.5. De wetsgeschiedenis houdt ten aanzien van deze bepaling onder meer het volgende in:

"Dat betekent dat weliswaar nog steeds gezegd kan worden dat teruggave aan de beslagene de hoofdregel is, maar dat een uitzondering wordt gemaakt voor de gevallen waarin die teruggave onredelijke gevolgen zou hebben."

(Kamerstukken II 1993-1994, 23 692, nr. 3, p. 3)

"Daarnaast is ook voor de rechter de mogelijkheid geopend te bepalen dat inbeslaggenomen voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende zullen worden bewaard, indien deze op het moment van zijn beslissing nog niet bekend is."

(Kamerstukken II 1993-1994, 23 692, nr. 3, p. 6)

"De onder a-c genoemde beslissingsalternatieven sluiten aan bij artikel 116. Met deze nieuwe voorziening kan zich niet meer het geval voordoen dat de rechter, om niet behoeven terug te geven aan degene die naar zijn oordeel geen recht heeft op het voorwerp, afziet van het nemen van enige beslissing op dit punt. In dat geval kan hij immers de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten."

(Kamerstukken II 1993-1994, 23 692, nr. 3, p. 19)

4.6. Uit deze passages uit de Memorie van Toelichting moet worden afgeleid dat in de in het eerste lid van art. 353 Sv bedoelde gevallen een met toepassing van art. 94 Sv inbeslaggenomen voorwerp a) wordt teruggegeven aan de beslagene tenzij b) er een ander is die redelijkerwijs als rechthebbende op dat voorwerp kan worden aangemerkt, in welk geval dat voorwerp aan die ander wordt teruggegeven, doch dat het c) de rechter vrij staat de bewaring van dat voorwerp ten behoeve van de rechthebbende te gelasten, indien naar zijn oordeel aannemelijk is dat de beslagene geen recht heeft op het voorwerp en er geen ander is die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt (vgl. HR 29 oktober 2002, NJ 2003, 19 en HR 10 januari 2006, LJN AU5785).”

9. Het hof heeft overwogen dat de inbeslaggenomen voorwerpen bewaard dienen te worden ten behoeve van de rechthebbende(n), aangezien “thans niemand als redelijkerwijs rechthebbende kan worden aangemerkt”. Daarmee is de maatstaf van art. 353, tweede lid, onder c, Sv toegepast. Het hof heeft aan dit oordeel ten grondslag gelegd “dat er sterke aanwijzingen zijn dat beide goederen uit misdrijf (waarschijnlijk diefstal) afkomstig zijn, zodat niet kan worden uitgesloten dat een ander of anderen dan verdachte als rechthebbende(n) op de motorfiets en het motorblok in aanmerking komt dan wel komen”.

10. In de toelichting op het middel wordt een beroep gedaan op de verklaring van verdachte ter terechtzitting van het hof van 22 maart 2013. Verdachte heeft aldaar de volgende verklaring afgelegd:

“Ik heb een de motorfiets van het merk Piaggio gekocht bij een jongen, woonachtig in de Molenwijk in Den Haag. Het betrof een motorfiets die opgeknapt moest worden. Ik kreeg de papieren erbij. Ik wilde deze motorfiets opknappen, om hem vervolgens met winst te verkopen. Zowel het motorblok, als de kappen waren kapot. De oorspronkelijke zwarte kappen zijn vervangen door rode. Verder heb ik via Marktplaats een leeg motorblok gekocht bij een jongen in Hoorn. Ik zag dat het motorbloknummer vaag te zien was. Hoewel ik het nog wel kon lezen, vond ik dat in eerste instantie vreemd. De jongen zei mij dat het motorblok afkomstig was van de Dienst Domeinen. Hij toonde mij een formulier waarop dit stond vermeld. Ik vertrouwde er daarom op dat het motorblok niet van diefstal afkomstig was. Ik heb € 50,- voor het lege motorblok betaald. Dit bedrag gaf mij geen aanleiding om achterdochtig te worden. Ik vond het een normaal bedrag voor het enkele omhulsel.”

11. Met een beroep op deze passage wordt in de toelichting op het middel betoogd dat verdachte aanspraak heeft op de bescherming van art. 3:86 BW nu hij ten tijde van de koop te goeder trouw was en de eigenaar of eigenaren van de (beide) roerende zaken, die het bezit daarvan door diefstal heeft/hebben verloren, deze gedurende drie jaren, te rekenen van de dag van de diefstal af, niet als zijn eigendom heeft/hebben opgeëist. Het beroep op de ten tijde van de zitting van 22 maart 2013 door verdachte afgelegde verklaring mist feitelijke grondslag nu het bestreden arrest van het hof niet op die zitting is gebaseerd. Anders dan de steller van het middel meent staat daarmee niet vast dat het verweer is gevoerd dat verdachte eigenaar van de voorwerpen was.2 Ik laat het dus verder buiten beschouwing.

12. De motivering van het hof moet bezien worden in het licht van hetgeen de raadsman ter terechtzitting van het hof van 25 augustus 2015 heeft aangevoerd (zie onder punt 6 hierboven). Hetgeen daar is opgemerkt heeft niet of hooguit slechts zijdelings van doen met de vraag of er ‘geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt’ als bedoeld in art. 353, tweede lid onder c, Sv.

13. In het licht van het door de raadsman ter terechtzitting naar voren gebrachte is hetgeen aan de toepassing van de door het hof gebezigde (juiste) maatstaf ten grondslag is gelegd niet ontoereikend of onbegrijpelijk. Door te overwegen dat ‘niet kan worden uitgesloten dat een ander of anderen dan verdachte als rechthebbende(n) op de motorfiets en het motorblok in aanmerking komt dan wel komen’ heeft het hof kennelijk tot uitdrukking gebracht dat (onbekende) anderen dan verdachte rechthebbend zijn zodat geen bepaald persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.

14. Het middel faalt.

15. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9114, NJ 2006/164.

2 Zie voor dergelijke gevallen HR 29 oktober 2002, ECLI:NL:HR:AE5650, NJ 2003/19 en HR 10 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5785.