Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:161

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-02-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
15/02065
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:472, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Gemotiveerde toepassing art. 80a RO. Veroordeling portier wegens mishandeling van X en Y, waardoor X en Y letsel hebben bekomen en pijn hebben ondervonden. Slagende bewijsklacht m.b.t. de mishandeling van X, voor zover inhoudende dat X letsel heeft bekomen. Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de (juiste) kwalificatie daarvan, en in aanmerking genomen dat met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel is opgelegd, is het belang van de verdachte bij zijn cassatieberoep niet evident. Hetgeen in de schriftuur is aangevoerd omtrent een mogelijk civielrechtelijk belang indien de vte door X zou worden betrokken in een civiele procedure tot vergoeding van de schade wegens (beweerdelijk) toegebracht letsel, vormt niet een voldoende belang bij het cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/02065

Zitting: 14 februari 2017

mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 14 april 2015 door het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem veroordeeld wegens “mishandeling, meermalen gepleegd” en aan hem is met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel opgelegd. Voorts heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] en aan verdachte een betalingsverplichting opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste en tweede middel klagen over de motivering van de bewezenverklaring.

  4. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 29 mei 2012 te Utrecht opzettelijk mishandelend meerdere personen te weten

- [slachtoffer 2] , meerdere keren met zijn tot vuist gebalde vuist tegen het hoofd heeft geslagen en

- [slachtoffer 1] met kracht aan de haren heeft vastgepakt en heeft meegetrokken en die [slachtoffer 1] met zijn hand tegen het hoofd heeft geslagen,

waardoor deze letsel hebben bekomen en pijn hebben ondervonden.”

5. Het hof heeft de bewezenverklaring als volgt gemotiveerd:

“Door de raadsman is ter zitting van het hof naar voren gebracht dat de verklaringen van de getuigen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [betrokkene 1] in twijfel dienen te worden getrokken omdat deze verklaringen lijnrecht tegenover de verklaringen van verdachte en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] staan. Ook is het, aldus de raadsman, niet onredelijk aan te nemen dat [betrokkene 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd.

Het hof is met de politierechter van oordeel dat aan de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] geen waarde moet worden gehecht nu deze beide getuigen zich niet alles kunnen herinneren en ook niet zeker weten of hetgeen ze verklaren betrekking heeft op de nacht van het tenlastegelegde feit. Deze getuigen - en ook de verdachte - verklaren immers dat er bij café [A] wel vaker incidenten gebeuren waarbij de politie ter plaatse komt.

Daartegenover staan de verklaringen van aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en de getuige [betrokkene 1] , afgelegd kort na het incident en onafhankelijk van elkaar. [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [betrokkene 1] zijn door verschillende verbalisanten gehoord. Voorts zijn deze aangevers en getuige consistent in hun verklaringen. De door hen afgelegde verklaringen bij de politie en de rechter-commissaris komen in hoofdlijnen overeen. Bovendien is op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting niet aannemelijk geworden dat [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [betrokkene 1] een motief hadden om de verdachte onterecht als dader van de mishandelingen aan te wijzen. Ook naar het oordeel van het hof zijn er geen redenen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [betrokkene 1] .

[slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [betrokkene 1] hebben allen verklaard dat ten tijde van de mishandeling twee portiers van café [A] aanwezig waren. Zij hebben ook een omschrijving van deze portiers gegeven. De porties verschilden volgens [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [betrokkene 1] in leeftijd, haardracht en huidskleur van elkaar. De portier die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zou hebben mishandeld wordt door hen omschreven als de oudere portier met een getinte huidskleur. Gelet op het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat het gegeven signalement bij verdachte past en niet bij zijn collega [betrokkene 2] , wiens signalement luidt: man, rond 30 jaar, blanke huidskleur.”

6. Het eerste middel komt blijkens de toelichting op tegen het oordeel van het hof dat aan de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] geen waarde moet worden gehecht nu deze beide getuigen zich niet alles kunnen herinneren en ook niet zeker weten of hetgeen ze verklaren betrekking heeft op de nacht van het tenlastegelegde feit.

7. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat het is voorbehouden aan de feitenrechter om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene ten behoeve van een bewezenverklaring tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. De beslissing inzake die selectie en waardering, die - indien ter zake niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen - als regel geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden.1 De feitenrechter mag ongeloofwaardig of onbruikbaar materiaal (of onderdelen daarvan) zonder nadere motivering buiten gebruik laten.

8. Het hof heeft uitdrukkelijk beslist dat aan de verklaringen van beide getuigen geen waarde toekomt. Het middel faalt evident nu die beslissing niet onbegrijpelijk is. Het hof heeft daarbij geselecteerd uit de door beide getuigen afgelegde verklaringen en die selectie sterk samengevat opgenomen in de bewijsoverweging. Voor wat betreft de getuige [getuige 1] geldt dat hij onder meer heeft verklaard2 dat hij zich tijdens een eerder verhoor bij de politie niet kon herinneren wat er op 29 mei 2012 was gebeurd alsmede dat hij bedoelde te zeggen dat hij niet wist wat er die dag precies was gebeurd. Voor wat betreft de getuige [getuige 2] geldt dat hij ter zitting van de politierechter van 9 oktober 2014 onder meer heeft verklaard: “Ik heb wel een keer iets gezien, maar weet niet wanneer dat was. Ik weet niet of dat dit incident is. (…) Ik weet niet of dit allemaal gebeurde op 29 mei 2012 of dat het een andere keer was. Ik vertel alleen maar wat ik me[t] nog herinner.” De samenvatting van het hof in de bewijsoverweging sluit daarbij aan.

9. Het tweede middel klaagt er terecht over dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt van letsel bij [slachtoffer 1] . De bewezenverklaring valt immers bezwaarlijk anders te lezen dan dat ook [slachtoffer 1] letsel is toegebracht. Ik bepleit (opnieuw3, maar met toevoeging van op deze zaak toegesneden argumenten) dat dit niet tot cassatie behoeft te leiden. Dat [slachtoffer 1] geen letsel heeft bekomen maakt voor de ernst en aard van het bewezenverklaarde en voor de kwalificatie geen verschil. Er is sprake van meermalen gepleegde mishandeling en bij een van beide gevallen is zowel sprake van pijn als van letsel en bij het andere alleen van pijn. Betekenis komt toe aan de omstandigheid dat een mildere afdoening dan toepassing van art. 9a Sr na verwijzing niet mogelijk is. Naar aan te nemen valt, is er voor verdachte geen belang bij (alsnog) strafoplegging (na verwijzing door de Hoge Raad).

10. Gelet hierop is het begrijpelijk dat de steller van het middel een belang bij cassatie tracht op te werpen. Het op tegenspraak gewezen strafvonnis levert indien het in kracht van gewijsde is gegaan dwingend bewijs op van letsel aan de zijde van [slachtoffer 1] (art. 161 Rv). De steller van het middel onderstreept het belang van het strafvonnis in een civiele procedure om alsnog letselschade te verhalen. Het strafvonnis is echter niet (alles) bepalend nu tegenbewijs open staat (art. 151 Rv). Het (mogelijke) civiele belang is van onvoldoende gewicht om bepalend te zijn voor de vraag of er een belang bij cassatie in strafprocedure is. Het tweede middel faalt daarmee bij gebrek aan belang.

11. Het derde middel klaagt op goede grond dat de inzendtermijn is geschonden. Op 21 april 2015 is naar aanleiding van het arrest van het hof van 14 april 2015 cassatieberoep ingesteld. De stukken van het geding zijn op 4 mei 2016 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen, als gevolg waarvan de inzendtermijn van 8 maanden is overschreden. Gelet op de omstandigheid dat de verdachte strafbaar is verklaard doch met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel is opgelegd, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden.

12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

13. De aangevoerde klachten rechtvaardigen geen behandeling in cassatie omdat verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Het beroep kan met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk worden verklaard.

14. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaart.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma.

2 Het betreft een verklaring van [getuige 1] die is afgelegd in verband met een verdenking van meineed en die verklaring als verdachte is blijkens het proces-verbaal van de zitting van de politierechter van
28 november 2014 aan het dossier toegevoegd.

3 ECLI:NL:PHR:2016:976. De Hoge Raad volgde dit niet. Zie HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2336.