Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1608

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-11-2017
Datum publicatie
27-03-2018
Zaaknummer
16/05292
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:445
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen van kraken, art. 138a Sr. Kan een caravan op een terrein bij twee loodsen worden aangemerkt als een "gebouw" a.b.i. art. 138a.1 Sr? Onder ”gebouw” a.b.i. art. 138a.1 Sr moet worden verstaan een bouwwerk dat - in tegenstelling tot een ”woning” in de zin van dit artikel - niet is bestemd tot bewoning (vgl. m.b.t. art. 429sexies (oud) Sr NJ 2002/167, civiele kamer). Het Hof heeft vastgesteld dat "het Pand" bestaat uit twee loodsen en een buitenruimte en dat verdachte is aangehouden in een caravan die gelegen was op het terrein van "het Pand". Vervolgens heeft het Hof overwogen dat ieder onderdeel van "het Pand" en derhalve ook de genoemde caravan moeten worden beschouwd als (een deel van) een "gebouw" a.b.i. art. 138a.1 Sr. Hierin ligt als het oordeel van het Hof besloten dat de enkele omstandigheid dat de caravan was gelegen in de buitenruimte met zich brengt dat die caravan heeft te gelden als een deel van een "gebouw" a.b.i. art. 138a.1 Sr. Dit oordeel getuigt - mede gelet op de in de CAG geciteerde wetsgeschiedenis - van een onjuiste rechtsopvatting. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 16/05232; 16/05264 en 16/05312.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/05292

Zitting: 21 november 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 30 september 2016 door het gerechtshof Den Haag wegens “kraken”, veroordeeld tot een geldboete van € 250,00,- subsidiair 5 dagen hechtenis.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 16/05232, 16/05264 en 16/05312. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. C.J.M. van den Brûle, advocaat te ’s-Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

4 Bewezenverklaring, bewijsvoering en kwalificatie

4.1.

Ten laste van de verdachte is overeenkomstig de tenlastelegging bewezen verklaard dat:

“hij op 9 september 2015 te ’s-Gravenhage in een gebouw, gelegen aan de [a-straat 1], waarvan het gebruik door de rechthebbende is beëindigd, wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd.”

4.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:

“De beoordeling door het hof

Op grond van de inhoud van het arrest van het gerechtshof te Den Haag van 1 september 2015 gaat het hof uit van de navolgende feiten en omstandigheden. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet in discussie gestaan en kunnen derhalve zonder nadere motivering als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag dienen.

Sinds 25 april 2000 is de gemeente Den Haag (hierna: de gemeente) eigenaar van het Pand aan de [a-straat 1] te Den Haag (hierna: het Pand). Het Pand bestaat uit twee loodsen en een buitenruimte. Op 5 juni 2002 is het Pand gekraakt, waarna de 'broedplaats' "De Vloek" zich in het Pand heeft gevestigd. Bij brief van 16 mei 2003 heeft de gemeente aan "De Vloek" bericht, dat het Pand op termijn zal worden gesloopt, maar dat het Pand onder bepaalde voorwaarden tijdelijk in bruikleen zal worden gegeven aan "De Vloek".

Vervolgens heeft de gemeente bij brief van 2 juli 2014 aan de gebruikers van het Pand bericht dat het gebruik van het Pand vanwege beoogde herontwikkeling op uiterlijk 5 januari 2015 moet eindigen en dat het Pand op die datum leeg en ontruimd moet worden opgeleverd. De datum van 5 januari 2015 is vervolgens gewijzigd naar 1 april 2015, hetgeen de gemeente bij brief van 26 november 2014 aan de gebruikers heeft medegedeeld. In aansluiting daarop heeft de gemeente - bij brief van 23 januari 2015 - de bruikleenovereenkomst met "De Vloek" opgezegd tegen 1 april 2015.

Bij vonnis van 30 juli 2015 heeft de voorzieningsrechter van de rechtbank Den Haag geoordeeld dat de door de gemeente beoogde ontruiming van het Pand gerechtvaardigd is. Bij arrest van 1 september 2015 heeft het gerechtshof Den Haag voornoemd vonnis bekrachtigd.

Blijkens een proces-verbaal van bevindingen PL1500-2015267422-5 was de verdachte aanwezig bij de behandeling van de ontruimingszaak door de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag op 9 juli 2015.

Blijkens een proces-verbaal van bevindingen werd het pand op 9 september 2015 ontruimd. De aldaar aanwezige pelotonscommandant van de Mobiele Eenheid, belast met de ontruiming van het pand, heeft gerelateerd dat hij, middels de zogenaamde Sound Commander van het commandovoertuig, uit naam van de deurwaarder [betrokkene 1] van het kantoor [A] te Den Haag, de navolgende vordering heeft gedaan: "Ik vorder van u krachtens gerechtelijk schrijven dat u het pand "De Vloek" onmiddellijk verlaat. Indien u niet voldoet aan de vordering zal de politie overgaan tot uw aanhouding en zal indien noodzakelijk geweld worden gebruikt". De pelotonscommandant heeft deze vordering herhaald, eenmaal in de Nederlandse taal, vervolgens een keer in de Duitse taal en als laatste in de Engelse taal.

Blijkens een proces-verbaal van aanhouding werd - na betreding van het Pand door verbalisanten - in een caravan op het achterterrein in een slaapzak een slapende man aangetroffen. De man werd aangehouden. De man bleek later te zijn genaamd [verdachte], de verdachte.

Gelet op het voorgaande ziet het hof zich voor de vragen gesteld of de verdachte, al dan niet in vereniging, wederrechtelijk het Pand is binnengedrongen en/of daar wederrechtelijk heeft vertoefd alsmede of het gebruik van het Pand door de rechthebbende was beëindigd.

De raadsvrouw heeft zich dienaangaande ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de zojuist vermelde vragen ontkennend dienen te worden beantwoord en dat derhalve vrijspraak zou moeten volgen. De raadsman heeft daartoe - kort samengevat - het navolgende aangevoerd:

1) De verdachte bevond zich ten tijde van zijn aanhouding op 9 september 2015 niet in het pand, doch slapend in een caravan op een terrein achter de zogenaamde tweede loods. Deze loods lag meer dan 10 meter verwijderd van het pand. In zijn zaak geldt bovendien dat hij op die grote afstand geen enkele vordering van de politie om het pand te verlaten heeft gehoord c.q. heeft kunnen horen. De verdachte dient reeds om die redenen vrij te worden gesproken.

2) Artikel 138a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is niet van toepassing in de onderhavige zaak, nu de wetgever bij de invoering van dit artikel niet een zodanige uitbreiding van het oude artikel 429sexies Sr voor ogen heeft gehad, dat ook het gebruik na het vervallen van de rechtmatigheid daarvan onder het artikel valt.

3) Er is geen sprake van het beëindigen van het gebruik door de rechthebbende zoals bedoeld in artikel 138a Sr. "De Vloek" was krachtens de

bruikleenovereenkomst de rechthebbende, terwijl niet alle tot "De Vloek" behorende personen uit het Pand waren vertrokken.

4) Er is geen sprake van wederrechtelijk vertoeven in de zin van artikel 138a Sr. Er was aanvankelijk een bruikleenovereenkomst gesloten, zodat er niet op enig moment sprake is geweest van binnendringen in een leegstaand pand.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

1) Aangehouden in een caravan

Verdachte is aangehouden in een caravan, die gelegen was op het terrein van het Pand en deze caravan maakte daar dus onderdeel van uit. Naar de opvatting van het hof moet, gelet op het beschermd belang van art 138a Sr, ieder onderdeel van het Pand beschouwd, worden als deel van "een gebouw" in de zin van dat artikel. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

2) Het toepassingsbereik van artikel 138a Sr

Artikel 138a Sr luidt:

"Hij die in een woning of gebouw, waarvan het gebruik door de rechthebbende is beëindigd, wederrechtelijk binnendringt of wederrechtelijk aldaar vertoeft, wordt, als schuldig aan kraken, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie".

Het hof overweegt allereerst dat in de tekst van artikel 138a Sr het wederrechtelijk binnendringen en het wederrechtelijk vertoeven onafhankelijk van elkaar strafbaar zijn gesteld.

Bij de beantwoording van de vraag naar het toepassingsbereik van artikel 138a Sr richt het hof zich vervolgens naar de thans geldende jurisprudentie. Bij arrest van 2 oktober 2015 heeft de Hoge Raad op een cassatiemiddel - inhoudende dat iemand slechts dan wederrechtelijk in een woning of gebouw kan vertoeven als bedoeld in artikel 138a Sr, als vaststaat dat hij of een ander daarin eerst wederrechtelijk is binnengedrongen - beslist dat noch de tekst van de wet noch de daarop gegeven parlementaire toelichting steun biedt voor de door het middel bepleite beperking.

In aansluiting op dit arrest van de Hoge Raad is het hof van oordeel dat er sprake is van een zodanig toepassingsbereik van artikel 138a Sr, dat ook in de onderhavige zaak, waarin er aanvankelijk sprake was van een rechtmatig verblijf, nadat dat rechtmatig gebruik door opzegging was geëindigd, een situatie is ontstaan die onder 'kraken' in de zin van artikel 138a Sr valt. Het hof kan uit de parlementaire geschiedenis met betrekking tot de invoering van het nieuwe artikel 138a Sr niet afleiden dat het de bedoeling is geweest om de hier bedoelde situatie uit te sluiten. Het verweer van de [raadsvrouw] wordt verworpen.

3) Rechthebbende

Het hof is van oordeel dat "De Vloek" niet als rechthebbende in de zin van artikel 138a Sr kan worden aangemerkt, doch dat de gemeente op 9 september 2015 de rechthebbende was. Het hof overweegt daartoe dat de gemeente eigenaar van het Pand was en dat zij het Pand slechts in bruikleen had gegeven aan "De Vloek". Door de opzegging van de bruikleenovereenkomst per 1 april 2015, was het rechtmatig gebruik van het Pand door "De Vloek" beëindigd. De gemeente dient derhalve vanaf 1 april 2015 als rechthebbende in de zin van artikel 138a Sr te worden aangemerkt.

Het hof overweegt voorts dat de gemeente de bruikleenovereenkomst heeft opgezegd omdat zij voornemens was om het Pand te slopen. Om die reden wilde de gemeente het Pand leeg hebben.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat is voldaan aan het bestanddeel 'waarvan het gebruik door de rechthebbende is beëindigd'. Het verweer van de [raadsvrouw] wordt verworpen.

4) Wederrechtelijk vertoeven

Zoals reeds hiervoor overwogen, verzet zowel de tekst van artikel 138a Sr als de thans geldende jurisprudentie zich tegen het standpunt van de raadsman dat er op enig moment sprake moet zijn geweest van binnendringen in een leegstaand pand.

Het hof overweegt voorts dat de verdachte als één van de gedaagden in het eerder genoemde kort geding vonnis van de Rechtbank Den Haag d.d. 30 juli 2015, moest hebben geweten dat hij op 9 september 2015 wederrechtelijk vertoefde in het Pand, nu hij het Pand binnen vijf dagen na betekening van het vonnis moest ontruimen. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan het kraken van een pand als bedoeld in artikel 138a Sr.”

4.3.

Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als kraken, strafbaar gesteld in art. 138a Sr.

5 Algemene beschouwingen

5.1.

De in de zaak ingediende middelen roepen de vraag op naar de reikwijdte van de belangrijkste delictsbestanddelen van art. 138a Sr, dat kraken strafbaar stelt - ook in relatie tot de voorgeschiedenis van dat delict. Dat brengt mij ertoe die vragen vooraleerst in een meer algemene beschouwing aan de orde te stellen. Het enerzijds voorkomen van leegstand en het anderzijds bestrijden van kraken – of misschien moet men liever zeggen: bestrijden van leegstand en voorkomen van kraken – betreft maatschappelijke, vaak conflicterende, belangen die al vele decennia lang onderwerp zijn van wetsvoorstellen en wetswijzigingen.

De eerste indringende wetswijziging inhoudende maatregelen van die strekking betrof de op 1 juli 1993 in werking getreden – maar inmiddels vervallen – wet Regelen met betrekking tot woonruimte, de zgn. Huisvestingswet.1 Deze wet, die als doel had het bevorderen van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte2, bevatte als een van de vele instrumenten om tot een betere verdeling van woonruimte te komen de aan burgemeester en wethouders toegekende bevoegdheid om leegstaande woonruimten en (gedeelten van) gebouwen te vorderen voor het gebruik daarvan als woonruimte (zie art. 40 Huisvestingswet).3 Deze vorderingsbevoegdheid zag de wetgever als het belangrijkste instrument ter bestrijding van ongerechtvaardigde leegstand.4

Anderzijds erkende de wetgever ook dat er behoefte was aan een ‘verlengde gebruiksbescherming’ van woningen en gebouwen en dat het wederrechtelijk in gebruik nemen of hebben van een woning of een gebouw nadat het rechtmatig gebruik daarvan was geëindigd strafbaar moest worden gesteld, zij het wel dat de strafbaarheid van het wederrechtelijk in gebruik nemen van dergelijke woningen en gebouwen gekoppeld werd aan een ‘maximale leegstandstermijn’ en het niet aanstonds voldoen aan een verzoek van de eigenaar tot ontruiming.5 Kraken werd met de toevoeging van art. 429sexies aan het Wetboek van Strafrecht via de Huisvestingswet voor het eerst strafbaar gesteld. Niet dat eerder geen initiatieven daartoe zijn genomen, maar die wetsvoorstellen waren of gesneuveld6 of zijn nooit in werking getreden7.

5.2.

Art. 429sexies Sr luidde, zoals het op 1 juli 1993 in werking trad:

“1. Hij die een door hem wederrechtelijk in gebruik genomen woning of gebouw, waarvan het gebruik door de rechthebbende niet meer dan twaalf maanden voorafgaande aan die wederrechtelijke ingebruikname is beëindigd, op vordering van of vanwege de rechthebbende niet aanstonds ontruimt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van de derde categorie.

2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, vertoevende in een wederrechtelijk in gebruik genomen woning of gebouw, waarvan het gebruik door de rechthebbende niet meer dan twaalf maanden voorafgaande aan die wederrechtelijke ingebruikname is beëindigd, zich op de vordering van of vanwege de rechthebbende niet aanstonds verwijdert.”

5.3.

Het duurde niet lang, namelijk tot 2004 voordat de discussie over leegstand en kraken weer in parlementaire kringen oplaaide en vervolgens in 2008, naar aanleiding van een aantal ontruimingsincidenten die gepaard gingen met geweld en aanhoudingen van krakers, resulteerde in een voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, de Leegstandwet, en enige andere wetten in verband met het verder terugdringen van kraken en leegstand.8 Dit tot wet verheven voorstel, ook bekend als de Wet kraken en leegstand, is op 1 oktober 2010 in werking getreden9 en heeft – zoals de titel al doet vermoeden – blijkens de (gewijzigde) memorie van toelichting tot doel maatregelen te nemen teneinde zowel kraken als leegstand terug te dringen.10

5.4.

Kraken en leegstand zijn volgens de opstellers van de Wet kraken en leegstand onlosmakelijk met elkaar verbonden en vergen daarom een geïntegreerde aanpak, bestaande uit een strengere aanpak van kraken in combinatie met een (aanvullend) instrumentarium om leegstand tegen te gaan. Tot dat instrumentarium behoren onder meer de in de memorie van toelichting bij die wet genoemde mogelijkheid om woonruimte op grond van de Leegstandwet tijdelijk te verhuren, waarbij de huurbescherming deels niet geldt, en de mogelijkheid om voor een woning of gebouw een leegstandsbeheer- c.q. gebruiksovereenkomst aan te gaan met bijvoorbeeld een anti-kraakwacht. Een dergelijke overeenkomst is een privaatrechtelijke overeenkomst die de vorm kan hebben van een overeenkomst tot bewaarneming of tot bruikleen en zelfs tot huur.11

5.5.

Het bestrijden van leegstand ziet deze wetgever als een publieke taak en kraken als een oneigenlijk middel om leegstand tegen te gaan; een vorm van eigenrichting waarbij het eigendomsrecht ontoelaatbaar wordt aangetast. De norm dat kraken niet kan en mag moet daarom op ondubbelzinnige wijze worden gesteld. Dat rechtvaardigt volgens de wetgever een algehele strafbaarstelling van kraken als misdrijf, ter vervanging van het bestaande art. 429sexies Sr dat kraken gedurende het eerste jaar van leegstand als overtreding strafbaar stelt.12 Art. 138a Sr, dat ter vervanging van art. 429sexies (oud) Sr aan het Wetboek van Strafrecht is toegevoegd, luidt sinds zijn inwerkingtreding in 2010 als volgt:

“1. Hij die in een woning of gebouw, waarvan het gebruik door de rechthebbende is beëindigd, wederrechtelijk binnendringt of wederrechtelijk aldaar vertoeft, wordt, als schuldig aan kraken, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

2. Indien hij bedreigingen uit of zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

3. De in het eerste en tweede lid bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen.”

5.6.

Hoewel de Wet kraken en leegstand een strengere aanpak van kraken beoogt door het delict voortaan als een misdrijf aan te merken en de strafbaarheid van het wederrechtelijk binnendringen of vertoeven in een woning of gebouw waarvan het gebruik door de rechthebbende is beëindigd niet langer te koppelen aan een ‘maximale leegstandstermijn’ en het niet aanstonds hebben voldaan aan een verzoek van de eigenaar tot ontruiming, blijkt niet uit de geschiedenis van deze wet dat met de invoering van het nieuwe art. 138a Sr een andere uitleg wordt beoogd van het uit art. 429sexies (oud) Sr overgenomen delictsbestanddeel dat ‘het gebruik door de rechthebbende is beëindigd’. De vraag is wat onder ‘beëindigd gebruik’ en ‘rechthebbende’ moet worden verstaan. Ik grijp voor de uitleg van deze begrippen eerst terug naar de wetgeschiedenis bij art. 429sexies (oud) Sr.

5.7.

Ondanks dat art. 429sexies (oud) Sr en art. 138a Sr onmiskenbaar ertoe strekken het eigendomsrecht van de rechthebbende op diens leegstaande woning of gebouw te beschermen tegen de aantasting ervan door een ander die deze woning of gebouw wederrechtelijk binnendringt of aldaar vertoeft, komt het begrip ‘leegstaan’ niet voor in de strafbepalingen. Het nooit in werking getreden art. 12 van de Leegstandwet dat met de invoering van art. 429sexies (oud) Sr vervolgens is komen te vervallen13, hanteerde wel dit begrip; het luidde:

“1. Hij die een door hem wederrechtelijk in gebruik genomen leegstaande woning of leegstaand gebouw op vordering van of vanwege de eigenaar niet aanstonds ontruimt, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.

2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, vertoevende in een wederrechtelijk in gebruik genomen leegstaande woning of leegstaand gebouw, als omschreven in het vorige lid, zich op de vordering van of vanwege de eigenaar niet aanstonds verwijdert.

(…)”14

De art. 429sexies (oud) en 138a Sr spreken over een woning of gebouw waarvan “het gebruik door de rechthebbende is beëindigd” en niet over “een leegstaande woning of leegstaand gebouw”. Men kan zich dan ook afvragen of deze ‘vertaalslag’ betekent dat het delictsbestanddeel een andere invulling heeft dan het begrip leegstaan.

5.8.

Wat onder leegstaan wordt verstaan blijkt uit de memorie van toelichting bij de reeds genoemde Huisvestingswet waarbij art. 429sexies aan het Wetboek van Strafecht is toegevoegd. Dit stuk vermeldt het volgende:

“De definitie van het begrip «leegstaan» is ontleend aan artikel 1 van de Leegstandwet. Behalve feitelijke leegstand valt daar ook onder elk gebruik dat niet is gebaseerd op een zakelijk of persoonlijk recht en elk gebruik dat de kennelijke strekking heeft afbreuk te doen aan de werking van deze wet. Ingevolge de eerste toevoeging staan ook wederrechtelijk in gebruik genomen woonruimten en (gedeelten van) gebouwen leeg in de zin van de wet. De tweede toevoeging strekt ertoe wetsontduiking tegen te gaan.”15

5.9.

Het begrip leegstaan, dat zowel in de zin van de Huisvestingswet als de Leegstandwet hetzelfde betekent, omvat dus meer dan de ‘feitelijke leegstand’ van een woning of gebouw. Ook het gebruik van een woning of gebouw zonder een zakelijk of persoonlijk recht daartoe betekent dus dat het voor de toepassing van deze wetten leegstaat. De geschiedenis van de Leegstandwet maakt voorts duidelijk dat het feitelijk niet in gebruik zijn en het niet rechtens in gebruik zijn, beide vormen zijn van leegstaan.16 Met andere woorden: ook “een wederrechtelijk - dus buiten toestemming van een eigenaar - in gebruik zijn [valt] onder ‘leegstaan’. (…) Dit betekent dat gekraakte woningen en gebouwen onder dat begrip vallen”.17 Daarnaast is elk gebruik dat de kennelijke strekking heeft afbreuk te doen aan de werking van de Leegstandwet ‘leegstaan’ in de zin van deze wet.

5.10.

De geschiedenis van de Huisvestingswet en de Leegstandwet geven geen van beide aanleiding om te denken dat de wetgever met woning of gebouw waarvan “het gebruik door de rechthebbende is beëindigd” in de zin van art. 429sexies (oud) Sr, een andere, beperktere uitleg voor ogen had dan de door hem gegeven definitie van een woning die of gebouw dat leegstaat in de zin van de voorgenoemde wetten. Wel vraag ik me af of het voor de toepassing van deze wetten als leegstaan aanmerken van elk gebruik van een woning of gebouw met de kennelijke strekking afbreuk te doen aan de werking van de Leegstandwet, ook betekenis heeft voor het strafbaar gestelde kraken, nu die strafbaarstelling in het bijzonder ertoe strekte de rechthebbende te beschermen tegen een wederrechtelijke inbreuk op zijn eigendomsrecht.18 Mij lijkt het dat een dergelijk wederrechtelijk gebruik van een woning of gebouw en vorm van leegstand in de zin van de Huisvestingswet en de Leegstandwet niet onder het toepassingsbereik van art. 429sexies (oud) Sr en art. 138a Sr valt en dus losstaat van het “beëindigd gebruik” is in de zin van deze strafbepalingen.19

5.11.

Een woning of gebouw waarvan het gebruik door de rechthebbende is beëindigd in de zin van de art. 429sexies (oud) en 138a Sr is in ieder geval een woning of gebouw dat feitelijk niet in gebruik is, maar kan, blijkens de wetsgeschiedenis, ook zijn een woning of gebouw dat door een ander dan de rechthebbende wordt gebruikt, zonder dat dit gebruik gebaseerd is op een zakelijk of persoonlijk recht daartoe. De vraag die zich vervolgens aandient is wie ‘de rechthebbende’ is in de zin van art. 429sexies (oud) en art. 138a Sr.

5.12.

Opmerking verdient in dit verband dat art. 429sexies (oud) Sr, zoals het in het eerste wetsvoorstel20 en de daarop gevolgde gewijzigde voorstellen van wet21 was geredigeerd, eerst niet sprak van rechthebbende maar van eigenaar. De wijziging, die plaatsvond bij een derde nota van wijziging, werd als volgt toegelicht:

“II

Deze wijziging heeft betrekking op het voorgestelde artikel 429 sexies van het Wetboek van Strafrecht. De redactie van dat artikel is meer in overeenstemming gebracht met hetgeen in het Wetboek van Strafrecht gebruikelijk is. Het begrip «eigenaar» was abusievelijk overgenomen uit artikel 12 van de Leegstandwet, waar het (net als in de Huisvestingswet) een ruimere betekenis heeft dan in het Wetboek van Strafrecht, waar in dit soort gevallen (bijvoorbeeld ook in artikel 138) van «rechthebbende» wordt gesproken. Het spreekt vanzelf dat de rechthebbende die de vordering tot ontruiming doet, niet dezelfde persoon behoeft te zijn als degene die de woning of het gebouw laatstelijk als rechthebbende in gebruik had.”22

5.13.

Onder ‘eigenaar’ van een woning of gebouw in de zin van Huisvestingswet en Leegstandwet werd en wordt verstaan “degene die bevoegd is tot het in gebruik geven van die woonruimte of dat gebouw”.23 Dat aan rechthebbende in de zin van art. 138a Sr (nog steeds) diezelfde betekenis toekomt blijkt uit HR 9 februari 2016 ECLI:NL:HR:2016:212, NJ 2016/120.

In de wetgeschiedenis wordt de begripsomschrijving als volgt nader toegelicht: de omschrijving stelt centraal de bevoegdheid tot het in gebruik geven, gezien de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheid voor leegstand. In de praktijk zal die bevoegde veelal de werkelijke eigenaar zijn, maar het is in beginsel mogelijk dat die bevoegdheid niet bij deze maar vanwege hem bij een ander berust. Daarom is de bevoegdheid maatgevend gesteld voor het zijn van eigenaar. Dit betekent dat niet alleen de eigenaar, maar ook de beperkt zakelijk gerechtigde of een beheerder of een huurder die bevoegd is de woning te verhuren aan een derde onder de omschrijving van ‘eigenaar’ valt. Ook een onderverhuurder kan derhalve onder de gegeven omschrijving vallen. 24

5.14.

Alleen hij die bevoegd is een woning of gebouw in gebruik te geven kan dus als rechthebbende worden aangemerkt. Dit betekent dat degene die op grond van een persoonlijk of zakelijk recht enkel tot gebruik van een woning of gebouw is gerechtigd, geen rechthebbende is. Men is enkel gerechtigd gebruiker, hetgeen voor de toepassing van de art. 429sexies (oud) en 138a Sr betekent dat men die woning of gebouw dus niet wederrechtelijk binnendringt en of aldaar vertoeft. Het behoeft mijns inziens geen nader betoog dat wanneer het persoonlijke of zakelijke recht is geëindigd en voor de desbetreffende gebruiker dus geen recht tot gebruik meer bestaat, hij vanaf dat moment wederrechtelijk binnendringt en of vertoeft in de woning of het gebouw.

5.15.

Is sprake van gebruik zonder dat dit gebaseerd is op een zakelijk of persoonlijk recht daartoe, dan is dus ook sprake van leegstand (zie onder 5.8-5.11). Maar hoe verhoudt deze leegstandsvorm zich tot de jurisprudentie over ‘gebruik’ in de zin van art. 138 Sr (huisvredebreuk) en ‘beëindigd gebruik’ in de zin van art. 138a Sr?

5.16.

Voor de vraag of een woning of een besloten lokaal als bedoeld in art. 138 Sr ‘in gebruik is’ is volgens vaste rechtspraak het feitelijk gebruik beslissend.25 In HR 7 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:176, NJ 2017/317 heeft de Hoge Raad voorts geoordeeld dat gebruik in zin van art. 138a Sr niet een beperktere uitleg heeft dan gebruik in de zin van art. 138 Sr. Of sprake is van ‘beëindigd gebruik’ als bedoeld in art. 138a Sr is afhankelijk van de omstandigheden van het geval; de feitelijke situatie is beslissend.

5.17.

In HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3021, NJ 2015/459, waar het ging om een kantoorgebouw dat gedeeltelijk was gekraakt, overwoog de Hoge Raad dan ook dat het hof de feitelijke situatie kennelijk beslissend heeft geacht en op grond daarvan heeft geoordeeld dat het gebruik van het gebouw door de rechthebbende was beëindigd, omdat het gekraakte gedeelte van dit gebouw nog niet was verhuurd en van feitelijk gebruik als kantoorgebouw geen sprake meer was. Dit oordeel van het hof gaf volgens de Hoge Raad niet blijk van een onjuiste uitleg van het begrip beëindigd gebruik in de zin van art. 138a Sr, ook niet indien daarbij werd betrokken dat de rechthebbende het gebouw voor gebruik beschikbaar hield door het in bruikleen te geven aan een antikraak BV en een gedeelte van het in twee adressen verdeelde pand inmiddels was verhuurd aan startende ondernemers.

5.18.

Hoewel gebruik in de zin van art. 138a Sr niet een verschillende uitleg lijkt te hebben dan gebruik in de zin van art. 138 Sr, en voor de vraag of sprake is van ‘gebruik’ dan wel ‘beëindigd gebruik’ de feitelijke situatie beslissend is, bestaat er mijns inziens een significant verschil tussen deze strafbepalingen. Waar art. 138 Sr als voorwaarde stelt dat – ik beperk mij hiertoe – een woning of besloten lokaal ‘bij een ander in gebruik’ is, vereist art. 138a Sr dat ‘het gebruik door de rechthebbende beëindigd’. Een ander als bedoeld in art. 138 Sr behoeft niet de rechthebbende te zijn in de zin van art. 138a Sr.

5.19.

Dit verschil komt door het verschil in strekking tussen deze strafbepalingen. Waar art. 138a Sr het eigendomsrecht van de rechthebbende op een woning of gebouw beschermt, ook nadat hij het gebruik hiervan heeft beëindigd, strekt art. 138 Sr ertoe de gebruiker van een woning of besloten lokaal te beschermen in het ongestoorde gebruik hiervan. Of die gebruiker rechtmatig of onrechtmatig ‘gebruikt’, of hij al dan niet een persoonlijk of zakelijk recht daartoe heeft, maakt voor de bescherming die art. 138 Sr beoogt te bieden en de toepassing daarvan dus niet uit. Elke verstoring van dit gebruik door degene die wederrechtelijk binnendringt of vertoeft in de woning of het besloten lokaal wordt bestraft. Het is de strekking van art. 138 Sr die maakt dat ook een rechthebbende als bedoeld in art. 138a Sr die het gebruik van zijn woning of besloten lokaal heeft beëindigd, zich schuldig kan maken aan het wederrechtelijk binnendringen of vertoeven in die woning of dat lokaal waarin een onrechtmatige gebruiker zich heeft gevestigd.26

5.20.

Maar wil dit zeggen dat die onrechtmatige gebruiker daarom niet kan worden vervolgd voor het misdrijf van art. 138a Sr? Mij lijkt het dat die opvatting geen recht doet aan het verschil in strekking tussen de strafbepalingen, terwijl het niet onmiskenbaar de bedoeling van de wetgever is geweest om een dergelijk vorm van ‘wederrechtelijk gebruik’ onder het toepassingsbereik van art. 429sexies (oud) Sr en art. 138a Sr te doen vallen. Dat de onrechtmatige gebruiker een woning of lokaal gebruikt en daarmee de bescherming van art. 138 Sr kan genieten, ook jegens de rechthebbende als bedoeld in art. 138a Sr van die woning of dat lokaal, brengt mijns inziens niet mee dat hij zich (jegens die rechthebbende) niet schuldig heeft gemaakt aan het wederrechtelijk binnendringen of vertoeven in het aan hem toebehorende pand waarvan hij het gebruik heeft beëindigd.

Iets anders is of deze onrechtmatige gebruiker uit de woning of het pand kan worden gezet. Daarin voorziet o.a. de ontruimingsprocedure van art. 551a Sv en daarbij gelden de (beleidsmatige) waarborgen waarmee deze is omkleed. Kortom: een mogelijke schending van art. 138a Sr door een gebruiker staat wellicht niet in de weg aan de toepasbaarheid van art. 138 Sr, maar de bescherming die art. 138 Sr biedt aan die gebruiker staat ook niet eraan in de weg dat hij wordt vervolgd wegens schending van art. 138a Sr.

5.21.

Het vorenstaande brengt mij bij de vraag welke consequenties het aangaan van een gebruiksovereenkomst - een van de bestaande instrumenten om leegstand tegen te gaan (zie onder 5.4) - heeft voor een strafrechtelijke vervolging op grond van art. 138a Sr nadat die overeenkomst is beëindigd.

5.22.

Een en ander lijkt afhankelijk te zijn van aard van de gesloten gebruiksovereenkomst die, zoals onder 5.4 is opgemerkt, verschillende vormen kan aannemen. Gaat om een bruikleenovereenkomst dan wordt blijkens de definitie die art. 7A:1777BW van deze overeenkomst geeft, enkel een recht tot gebruik van de onroerende zaak gegeven; meer niet. Rechthebbende van de woning die of het gebouw dat hem in bruikleen is gegeven wordt de bruiklener echter niet (zie onder 5.14).

5.23.

Wat ik uit de geschiedenis van de Huisvestingswet en de Wet kraken en leegstand voorts meen te kunnen afleiden is dat een bruikleenovereenkomst tussen de rechthebbende en een bruiklener niet met zich brengt dat niet langer sprake is van een woning of gebouw waarvan “het gebruik door de rechthebbende is beëindigd”. Omdat het binnendringen of vertoeven in die woning of dat gebouw alleen strafbaar is als dit wederrechtelijk geschiedt, zijn personen die zich met toestemming van de rechthebbende in het pand bevinden – i.c. de bruiklener dus – niet strafbaar.27 De geschiedenis van de Huisvestingswet en de Wet kraken en leegstand geeft er ook niet blijk van dat degene die een woning of gebouw heeft gebruikt op grond van een persoonlijk of zakelijk recht, niet strafrechtelijk kan worden vervolgd nadat dat persoonlijke of zakelijke recht tot gebruik is geëindigd. Elk wederrechtelijk vertoeven in een pand waarvan het gebruik door de rechthebbende is beëindigd is immers strafbaar.28 Een andere uitleg van art. 138a Sr lijkt mij ook geen recht te doen aan de strekking van deze strafbepaling die bescherming van het eigendomsrecht centraal stelt.

5.24.

Ik kom nu toe aan de bespreking van de middelen.

6 Het eerste middel

6.1.

Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de verdachte wederrechtelijk heeft vertoefd ‘in een gebouw’ als bedoeld in art. 138a Sr.

6.2.

De verdachte bevond zich – zo het hof heeft vastgesteld – in een caravan op het (achter)terrein van het complex dat door het hof is aangeduid als ‘het Pand’. Daarmee bedoelt het hof zoals het zelf aangeeft de twee loodsen en de bijbehorende buitenruimte gelegen aan de [a-straat 1] te Den Haag. Aan het oordeel van het hof dat de verdachte wederrechtelijk heeft vertoefd ‘in een gebouw’ als bedoeld in art. 138a Sr ligt in het bijzonder ten grondslag dat de caravan waarin hij werd aangetroffen gelegen was op het terrein van het Pand en daarvan onderdeel uitmaakt.

6.3.

Ik stel voorop dat onder ‘een gebouw’ als bedoeld in art. 138a Sr moet worden verstaan een bouwwerk dat, in tegenstelling tot een woning in de zin van deze bepaling, niet tot bewoning is bestemd.29 Een caravan is – nog daargelaten de vraag wie in het onderhavige geval de rechthebbende daarvan was (de verdachte of de gemeente) – hier moeilijk onder te brengen. Opmerking verdient in dit verband dan ook de volgende passage uit de wetsgeschiedenis bij art. 138a Sr:

“Strafbaarstelling van kraken als misdrijf

De leden van de CDA-fractie merken op dat in het initiatiefwetsvoorstel gesproken wordt over het kraken van panden. De aan het woord zijnde leden vragen zich af of er ook sprake kan zijn van het kraken van grond. Kan het bezetten van een stuk grond en aldaar bijvoorbeeld een caravan of een hutje op plaatsen om in te wonen ook als kraken worden aangemerkt?

Het nieuwe artikel 138a Sr bepaalt dat er sprake moet zijn van een woning of gebouw, waarvan het gebruik door de rechthebbende is beëindigd. Personen die op een stuk grond hun intrek nemen in een zelf meegenomen caravan of zelfgebouwd hutje – zoals de vragenstellers voor zich zien – vallen hierdoor niet onder de reikwijdte van dit initiatiefwetsvoorstel. Het zou ook minder juist zijn om het op deze wijze gebruiken van andermans grond als «kraken» te typeren. De bestaande strafbaarstellingen bieden bovendien handvatten voor de aanpak van dit gedrag, dat zich volgens onze gegevens overigens zeer sporadisch in de praktijk voordoet. Als het stuk grond een erf is dat bij een ander in gebruik is, valt dit gedrag onder artikel 138 Sr (huisvredebreuk). En als door dit gedrag het bordje «verboden toegang» is genegeerd, kan op basis van het bekende artikel 461 Sr worden opgetreden. In dat geval maakt het bovendien niet uit of het desbetreffende stuk grond bij de rechthebbende in gebruik is.

De leden van de fractie van de PvdA vragen een reactie op de stelling dat wonen in een pand met de bestemming kantoor al verboden is. Zij vragen zich af of dat al een basis biedt om het kraken aan te pakken. Binnen een bestemming kantoordoeleinden zal het in de regel verboden zijn om te wonen. Personen die derhalve een woongebruik realiseren (al dan niet door middel van kraken) handelen in zo’n geval in strijd met artikel 7.10 van de Wro. Daartegen kan met de generieke bestuursrechtelijke handhavinginstrumenten worden opgetreden (toepassing van bestuursdwang of een lastgeving onder dwangsom). Wij merken wel op dat deze aanpak voor zover bij ons bekend nooit wordt toegepast.

Heeft het wetsvoorstel ook betrekking op boten, volkstuinen en tuinhuisjes, zo vragen de leden van de SP-fractie?

Zoals eerder in antwoord op een vraag van de leden van de CDA-fractie over het «kraken» van grond is aangegeven, moet het gaan om een gebouw of woning. Een boot of tuinhuisje zou onder omstandigheden (denk bijvoorbeeld aan een woonboot) als een woning kunnen worden gezien.”30

6.4.

Indien het hof, met zijn overweging dat de caravan die gelegen was op het terrein van het Pand daarvan onderdeel uitmaakt, heeft bedoeld dat het erf behorend bij een gebouw (i.c. de twee loodsen) onderdeel uitmaakt van dit gebouw en het bezetten van dit erf daarom (wederrechtelijk) vertoeven in dat gebouw oplevert, lijkt die opvatting mij onjuist. Het bezetten van een stuk grond door daarop een caravan te plaatsen valt zonder twijfel niet onder de reikwijdte van art. 138a Sr. Als het stuk grond een “erf” is, bij een ander in gebruik, valt dit gedrag in beginsel wel onder art. 138 Sr, omdat daarin behalve de woning – anders dan in art. 138a Sr - ook het erf als beschermd rechtsgoed voorkomt.

6.5.

Een geval, dat vergelijkbaar is met het onderhavige, deed zich voor in HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:345, NJ 2016/151 (civiele kamer). In feitelijke aanleg was de vraag aan de orde of de eisers tot cassatie (en verweerders in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van de Staat) zich schuldig maakten aan overtreding van art. 138a Sr of van art. 138 Sr. De eiseres die campers en vergelijkbare woongelegenheden bewoonden op een terrein dat eigendom was van gemeente Amsterdam, hadden in een kort geding gevorderd dat aan de Staat zal worden verboden het terrein strafrechtelijk te ontruimen. Op het terrein lag een voormalig dierenasiel (ook eigendom van de gemeente) dat niet meer als zodanig in gebruik was. De eisers hadden hun campers e.d. vlakbij het pand geplaatst. De voorzieningenrechter was van oordeel dat jegens de eisers een verdenking van ‘kraken’ in de zin van art. 138a Sr bestond en daarom tevens een ontruimingsbevoegdheid op grond van art. 551a Sv. Volgens de voorzieningenrechter moesten het pand en het omliggende terrein in dit opzicht als één geheel worden beschouwd.

De eisers die tegen dit vonnis hoger beroep hadden ingesteld voerden onder meer aan dat het begrip “gebouw” in art. 138a Sr niet omvat een daaromheen gelegen terrein dat niet functioneel met het gebouw is verbonden. Volgens het gerechtshof moest onder het begrip “gebouw” in art. 138a Sr worden verstaan een bouwwerk dat niet is bestemd tot bewoning en leek de stelling van de krakers op het eerste gezicht dus juist te zijn. Volgens het hof bestond jegens de eisers niet een verdenking van overtreding van art. 138a Sr maar van art. 138 Sr, zodat ten aanzien van hen het bepaalde in art. 551a Sv (nog steeds) toepassing kon vinden.

6.6.

In cassatie ging het om de vraag of de eisers aan de delictsomschrijving van art. 138 Sr voldeden en vertoefden op een (besloten) erf dat “bij een ander in gebruik is”. Het ging in het bijzonder om de vraag of “bij een ander in gebruik” in art. 138 Sr ten aanzien van een besloten erf dezelfde betekenis toekomt als ten aanzien van een woning, nl. ‘feitelijk in gebruik’. De klacht die gericht was tegen het oordeel van het hof stuitte in cassatie af op art. 81 RO. In zijn conclusie voorafgaand aan dit arrest besteedt AG Langemeijer korte aandacht aan de vraag of degenen die wederrechtelijk binnendringen of vertoeven op een onbebouwd gedeelte van een terrein onder de delictsomschrijving van art. 138a Sr vallen.31 Hij merkt hieromtrent het volgende op (met inbegrip van de in de tekst voorkomende voetnoot):

“3.6. (…) Ten aanzien van art. 138 Sr is beslist dat een balkon, waartoe van buitenaf toegang kon worden verkregen met behulp van een ladder, kan worden gerekend tot het ‘besloten lokaal’43. Uit de tekst van art. 138a Sr volgt dat deze strafbepaling zich uitsluitend richt op een woning of gebouw. Het is aan de feitenrechter om te bepalen wat in een gegeven geval nog tot de ‘woning’ of tot het ‘lokaal’ kan worden gerekend. Daar waar het ‘gekraakte’ object in een direct fysiek verband staat met de woning of het besloten lokaal (naast het balkon valt bijvoorbeeld te denken aan: de carport, het terras of het platte dak) dan wel een functioneel verband bestaat met het normale gebruik van de woning of het gebouw zal een bebouwde plek gemakkelijker als een onderdeel van die woning of dat gebouw kunnen worden beschouwd dan wanneer het bijvoorbeeld gaat om een schapenweide achter het woonhuis.

43HR 9 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN7304, NJ 2004/143.”

6.7.

De zaak waarnaar de AG verwijst, HR 9 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:ANV304, NJ 2004/143, betreft een zaak waarin de verdachte die het balkon van een consulaat had betreden vervolgd werd voor overtreding van art. 138 Sr. De vraag die zich in cassatie voordeed was of dit balkon als ‘besloten lokaal’ in de zin van art. 138 Sr kon worden aangemerkt. Het oordeel van het hof, dat als volgt luidde, gaf volgens de Hoge Raad niet blijkt van een onjuiste rechtsopvatting:

“(…) Het Spaanse consulaat is een besloten lokaal in de zin van artikel 138 Wetboek van Strafrecht. De strekking van artikel 138 Wetboek van Strafrecht brengt mee dat daarin het woord "binnendringen" beschouwd moet worden als het betreden van een woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, indien degene die zich daarin of daarop begeeft, zulks doet tegen de voor hem onmiskenbare wil van de rechthebbende.

Het balkon waar verdachte zich met de medeverdachte op heeft begeven - door de raadsman als "sierbalkonnetje" aangeduid- is, naar uit de stukken blijkt, gelegen op de 1e verdieping van het consulaat, het maakt daar deel van uit en het is via balkondeuren toegankelijk vanuit het consulaat. Dit balkon maakt aldus naar het oordeel van het hof integraal deel uit van het besloten lokaal. Dat het balkon van buiten af via een ladder bereikt kan worden doet daar niet aan af. Het hof verwerpt derhalve het verweer.”

6.8.

Mogelijk heeft het hof zich op dit arrest en de bovengenoemde conclusie van AG Langemeijer verlaten voor zijn overweging dat de caravan die gelegen was op het terrein van het Pand daarvan onderdeel uitmaakt. Uit het arrest en de conclusie zou immers kunnen worden afgeleid dat ‘een gebouw’ in de zin van art. 138a Sr ook omvat een bouwsel dat daarmee in een direct fysiek verband staat (en daarom een integraal onderdeel daarvan uitmaakt), dan wel een functioneel verband heeft met het normale gebruik van het gebouw. Het kan zijn dat het hof met zijn overweging tot uitdrukking heeft willen brengen dat de caravan die op het terrein stond onderdeel uitmaakt van (een van) de twee loodsen die op dit terrein lagen. Zonder een nadere motivering, die ontbreekt, is echter niet begrijpelijk waarom tussen de caravan en loodsen een zodanige fysiek of functioneel verband bestond dat de caravan als onderdeel van de loodsen moet worden aangemerkt.

6.9.

Het middel slaagt.

7 Het tweede middel

7.1.

Het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het bewezenverklaarde gebouw een gebouw is “waarvan het gebruik door de rechthebbende is beëindigd”.

7.2.

Het middel voert in het bijzonder aan dat het hof bij dit oordeel eraan voorbij ziet dat de laatste rechtmatige gebruiker van het pand, te weten ‘broedplaats’ De Vloek, het feitelijk gebruik van dit pand niet heeft beëindigd.

Mijns inziens gaat het middel hier uit van de onjuiste rechtsopvatting dat De Vloek, van wie het hof heeft vastgesteld dat zij het desbetreffende pand in bruikleen had gekregen van de eigenaar van dit pand, te weten de gemeente, als rechthebbende in de zin van art. 138a Sr kan gelden. Het hof heeft met juistheid geoordeeld dat de gemeente als rechthebbende in de zin van art. 138a Sr moet worden aangemerkt en heeft niet onbegrijpelijk vastgesteld dat de gemeente het gebruik van het pand heeft beëindigd.

7.3.

Het middel faalt.

8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie Stb. 1992, 548. De Huisvestingswet is met de inwerkingtreding van de Huisvestingswet 2014 op 1 januari 2015 vervallen (zie Stb. 2014, 248 en Stb. 2014, 323).

2 Zie Kamerstukken II 1987/88, 20 520, nrs. 1-2.

3 Kamerstukken II 1987/88, 20 520, nr. 3, p. 45.

4 Kamerstukken II 1987/88, 20 520, nr. 3, p. 51.

5 Kamerstukken II 1987/88, 20 520, nr. 3, p. 53.

6 Zie de ingetrokken Antikraakwet 12 305, Kamerstukken I 1980/81, 12 305, nr. 168.

7 Art. 12 van de wet Regelen omtrent leegstaande woningen en andere gebouwen (Leegstandwet), waarin kraken strafbaar werd gesteld is nooit in werking getreden en met de invoering van de Huisvestingswet vervallen; zie Kamerstukken II 1987/88, 20 520, nr. 3, p. 53.

8 Kamerstukken II 2008, 31 560, nr. 2, nr. 3 en nr. 6.

9 Zie Stb. 2010, 320 en Stb. 2010, 321.

10 Kamerstukken II 2008, 31 560, nr. 6, p. 1.

11 Kamerstukken II 2008, 31 560, nr. 6, p. 1-3 en p. 17 e.v. Zie ook H.J. Rossel, Gebruiksovereenkomst met kraakwacht, Module Vastgoed en wonen 1320 en H.J. Moné & N. Eeken, Kraken en leegstand: genezen en voorkomen (II), TBR 2010/42.

12 Kamerstukken II 2008, 31 560, nr. 6, p. 1-14. (zie ook nrs. 2 en 3).

13 Zie noot 7.

14 Zie Stb. 1988, 77. Zie ook Kamerstukken I, 1980/81, 15 442, nr. 126 (Regelen omtrent leegstaande woningen en andere gebouwen (Leegstandwet); gewijzigd ontwerp van wet), p. 5.

15 Kamerstukken II, 1987/88, 20 520, nr. 3, p. 72.

16 Kamerstukken II 1980/81, 15 442, nr. 13, p. 16.

17 Kamerstukken II 1979/80, 15 442, nr. 8, p. 18-19.

18 Zie in dit verband de ‘nota naar aanleiding van het eindverslag’ bij de Huisvestiging, waarin de strekking van art. 429sexies (oud) Sr als volgt wordt toegelicht (Kamerstukken II, 1991/92, 20 520, nr. 11, p. 28-29): “Mijn betoog in de memorie van antwoord kon - door zijn beknoptheid en door het onvoldoende uit elkaar houden van de begrippen «motief» en «onderwerp» van een regeling - inderdaad het misverstand oproepen dat er een tegenstelling bestaat tussen het oogmerk om (in aanvulling op artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht) een «verlengde gebruiksbescherming» te bieden, en het onderbrengen van het voorgestelde nieuwe artikel in de titel «Overtredingen tegen de openbare orde». Zo'n tegenstelling is er niet, hetgeen alleen al kan blijken uit het feit dat artikel 138 zelf is ondergebracht in de titel «Misdrijven betreffende de openbare orde». Anders dan artikel 138 heeft het voorgestelde artikel 429 sexies echter niet betrekking op woningen en gebouwen die in gebruik zijn, maar juist op woningen en gebouwen waarvan het rechtmatig gebruik is geëindigd. Daarmee is het object gelijk aan dat van de mij bekende gemeentelijke anti-kraakbepalingen. (…) Het is juist dat het begrip «openbare orde» zoals dat in het Wetboek van strafrecht en in het gemeenterecht wordt gebruikt, nog tamelijk ruim is. Ik wil er daarom in dit verband nog op wijzen dat het voorgestelde artikel 429 sexies uitdrukkelijk de bescherming beoogt van de eigenaar tegen inbreuken op zijn eigendomsrecht, een oogmerk dat naar ik meen ook ten grondslag ligt aan de bestaande gemeentelijke anti-kraakbepalingen. In de jurisprudentie wordt dat althans wel als een kenmerkend verschil genoemd met het oogmerk van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht, dat de gebruiker beschermt tegen inbreuken op de «huisvrede» of «lokaalvrede».” De memorie van antwoord bij de wet kraken en leegstand vermeldt in dit verband onder de kop “juridische aspecten” nog het volgende over de strafbaarstelling van kraken in art. 138a Sr (Kamerstukken I, 2009/10, 31 560, C, p. 27): “Het is de leden van de SP-fractie niet ontgaan dat het College van procureurs-generaal de aandacht vestigt op het feit dat kraken geen inbreuk maakt op de openbare orde maar op het eigendomsrecht en dat er bij kraken dus in feite sprake is van een civielrechtelijk geschil. Zelfs het duperen van duizenden mensen door banken is op dit moment en wordt nog steeds gezien als een civielrechtelijk geschil. Waarom zou een kleine inbreuk op het eigendomsrecht van een leegstaande woning - het eigendomsrecht gaat immers niet verloren -, een strafbaar feit vormen terwijl het civielrechtelijk geschil tussen een grote bank en duizenden klanten civielrechtelijk dient te worden bestreden. Graag ontvangen de leden van de SP-fractie de visie van de initiatiefnemers. Er zijn veel strafbepalingen waaronder ook gedragingen kunnen vallen die voortkomen uit een civielrechtelijk conflict. (…) Het enkele feit dat het daarbij om een civielrechtelijk conflict gaat, is niet zonder meer een reden om van strafbaarstelling af te zien. Het ligt veeleer in de rede om deze factor mee te wegen bij de vraag of strafvervolging opportuun is.”

19 Als ik het goed zie dan was met deze toevoeging bedoeld een ‘materiële’ invulling te geven aan de wederrechtelijkheid van leegstand. Het ging dan om het op niet nader aan te duiden manieren om - onterecht - de meldingsplicht in de Leegstandswet te omzeilen. Voor de kraker zou dat geen verschil maken, aldus W.M. Kleyn in: Leegstandbestrijding, Alphen aan den Rijn, 1982, p.17. Deze kraker zou alsnog op grond van art. 138 Sr strafbaar zijn voor het binnendringen c.q. vertoeven in een aldus in strijd met de strekking van de Leegstandswet in gebruik genomen woning of lokaal.

20 Kamerstukken II, 1987/88, 20 520, nrs. 1-2.

21 Kamerstukken II, 1990/91, 20 520, nr. 7 en nr. 13.

22 Kamerstukken II, 1990/91, 20 520, nr. 26. Wat onder eigenaar in de zin van deze wet moest worden verstaan werd vervolgens bepaald in art. 1 van de Leegstandwet gegeven omschrijving van begrippen.

23 Zie art. 1 lid 2 van de Huisvestingswet en art. 1 onder c van de Leegstandwet.

24 Zie Kamerstukken II, 1987/88, 20 520, nr. 3, p 72 en 76. Kamerstukken II 1979/80, 15 442, nr. 8, p. 18, en Kamerstukken I 1980/81, 15 442, nr. 126b, p. 1. Zie ook GS Huurrecht, art. 1 LW, aant. 6.

25 HR 22 september 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC9967, NJ 1988/286. Zie ook HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1404, NJ 2016/365.

26 Vgl. o.a. HR 4 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4943, NJ 2007/491.

27 Zie Kamerstukken I, 2009/10, 31 560, C, p. 23.

28 Zie Kamerstukken I, 2009/10, 31 560, C, p. 22.

29 Vgl. HR 11 januari 2002, NJ 2002/167.

30 Kamerstukken II 2008/09, 31 560, nr. 8, p.20.

31 Zie ECLI:NL:PHR:2015:2229.