Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1587

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-11-2017
Datum publicatie
13-03-2018
Zaaknummer
16/03511
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:331
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Smaadschrift via Facebook, art. 261.2 Sr. 1. “verspreiding van een geschrift en/of afbeelding” en 2. telastelegging van een “bepaald feit”.

Ad 1. Uit de b.m. blijkt dat de inhoud van een op een website geplaatst bericht van verdachte afkomstig is, dat verdachte een hyperlink naar dat bericht op haar Facebookpagina heeft gedeeld en dat zij daarbij anderen heeft verzocht het bericht verder te delen. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het bericht waar die hyperlink naartoe leidde voor iedere willekeurige bezoeker van de Facebookpagina van verdachte zichtbaar was en dat het bericht ook daadwerkelijk door derden verder is gedeeld, geeft ‘s Hofs oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan "verspreiding van een geschrift en/of afbeelding" niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd.

Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BI1171 m.b.t. gevallen waarin sprake is van telastelegging van een “bepaald feit” a.b.i. art. 261 Sr. ’s Hofs oordeel dat het in de bewezenverklaring bedoelde bericht telastelegging van een “bepaald feit” oplevert, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat het bericht niet slechts vermeldt het ‘niet van kleine kinderen af kunnen blijven’ maar ook dat de politie daarvan sinds augustus 2013 op de hoogte is, alsmede in aanmerking genomen dat uit de overige door het Hof vastgestelde feiten blijkt dat verdachte ook ter kennis van het publiek heeft gebracht dat aangever haar kind heeft misbruikt. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03511

Zitting: 28 november 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 14 juni 2016 door het gerechtshof Amsterdam wegens “smaad en smaadschrift”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.

  2. De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld en namens haar heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, een schriftuur ingediend houdende drie middelen van cassatie.

  3. Alvorens de middelen te bespreken, geef ik de daartoe relevante passages uit de bestreden uitspraak weer.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“zij in de periode van 25 augustus 2013 tot en met 27 november 2013 te IJmuiden, gemeente Velsen, opzettelijk, al dan niet door middel van verspreiding van een geschrift en/of afbeelding, de eer en de goede naam van [betrokkene 1] heeft aangerand door telastlegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft zij met voormeld doel en/of met genoemde middel(en)

- aan [betrokkene 2] en [betrokkene 3] - zakelijk weergegeven - medegedeeld dat haar, verdachtes, kind door [betrokkene 1] seksueel misbruikt zou zijn en dat zij, die [betrokkene 3] , moest uitkijken met haar kinderen voor haar buurman (zijnde voornoemde [betrokkene 1] ) want die zou aan kleine kinderen zitten en dat zij, verdachte, bewijs zou hebben dat de buurman van [betrokkene 3] (genaamd [betrokkene 1] ) haar, verdachtes, kind zou hebben misbruikt en

- op haar, verdachtes, Facebook pagina, een bericht, althans een link naar een bericht, geplaatst, en dat bericht, althans die link naar dat bericht, met anderen gedeeld, welke link is gekoppeld aan de website www.stopkinderseks.com en bestaande dat bericht uit een foto van die [betrokkene 1] , waarbij deze een zwarte balk voor zijn ogen heeft en de woorden “Postcode [postcode] IJmuiden let op je kinderen. In of rond de [a-straat] te IJmuiden woont een man die niet van kleine kinderen afkan blijven. De politie is sinds Augustus 2013 op de hoogte maar doet er niets aan. Signalement: Lang, normaal postuur, donker haar.”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van aangifte van 27 november 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pagina 5 e.v.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang, als de op 27 maart 2013 afgelegde verklaring van [betrokkene 1].

Hij deed aangifte van smaad en laster, gepleegd tussen 25 augustus 2013 en 27 november 2013, wat plaats vond te IJmuiden.

Deze aangifte en klacht doe ik tegen [verdachte] .

Op vrijdag 13 september 2013 kregen wij via de post een brief van het AMK met daarin vermeld dat er een anonieme melding bij hun was binnengekomen. De aanklacht werd aan ons voorgelegd. [betrokkene 4] (hof: dochter van aangever) zou tegen de meldster hebben gezegd dat haar vader haar des nachts niet met rust liet.

Mijn vrouw en ik zijn helemaal door de grond gegaan door deze aantijgingen. Het besef dat dit er voor zou kunnen zorgen dat we onze kinderen kwijt zouden kunnen raken maakte ons erg bang. Ik kan wel zeggen dat dit het meest erge is wat mij ooit is overkomen.

In deze week hoorden wij van een aantal bekenden van ons dat [verdachte] verhalen over mij rond aan het vertellen was. Ze heeft bepaalde dingen tegen [betrokkene 5] (moeder van [betrokkene 6] ), [betrokkene 7] en [betrokkene 8] (fonetisch) gezegd. De verhalen die [verdachte] over mij heeft verspreid zijn de volgende: ‘Ik zou een pedo zijn. Ik zou kinderen misbruiken. Dat mijn dochter andere kinderen misbruikte.’

Toen we weer terug kwamen van het weekje weg probeerden we de draad weer op te pakken. We hoorden echter dat [verdachte] op het schoolplein van [A] tegen andere ouders gezegd had dat ik ons kind waarschijnlijk had uitgemoord, omdat we een week weg waren. Tevens heeft ze gezegd dat ik het wel gedaan zou hebben, want wie kan het anders gedaan hebben. Wat dat dan geweest is heeft ze niet gezegd.

Een andere dag in september liep ik langs de woning van [betrokkene 2] . Ik zag dat [betrokkene 2] de woning uit kwam. Ik hoorde [betrokkene 2] tegen mij zeggen: ‘wat zit je nou te lachen pedo’. Korte tijd daarop liep [betrokkene 2] een keer langs onze woning. Mijn vrouw en schoonmoeder hoorden [betrokkene 2] tegen haar zoon zeggen: ‘hier bij de bloemetjes woont de pedo’. Op onze vensterbank staan bloemetjes. Het ging dus duidelijk over mij.

Rond 16 oktober 2013 werd de conclusie van het AMK bekend. Hierin staat dat geen sprake is geweest van kindermishandeling. Op 5 november ontvingen we een brief van de zedenpolitie met daarin het verzoek om op het politiebureau te verschijnen om een getuigenverklaring te geven inzake een zedenmisdrijf. Op 12 november ben ik op gesprek geweest bij de zedenpolitie. In het gesprek met de politie werd mij verteld dat [verdachte] aangifte had gedaan tegen mij.

Vandaag 27 november 2013 werd ik gebeld door een zakenrelatie. Hij stuurde mij een link naar een website. Ik klikte op die link en kwam terecht op www.stopkinderseks.nl. Ik zag een pagina met een foto van mijzelf met een balk voor mijn ogen. Er stond in het bericht dat in of rond de [a-straat] in IJmuiden iemand woont die niet van kleine kinderen af kan blijven. Tevens las ik een signalement bij dit bericht staan. Ik hoorde van mijn vrouw dat het bericht op stopkinderseks.nl al via Facebook werd verspreid.

Ik weet heel zeker dat [verdachte] achter het plaatsen van het bericht zit. Zij is degene die de melding bij het AMK heeft gemaakt. Dit heeft ze namelijk zelf rondverteld in de buurt. Zij is degene die aangifte heeft gedaan bij de Politie. En zij moet zodoende ook degene zijn geweest die dit bericht heeft laten plaatsen. Dit is ook op te maken uit de tekst van het bericht dat de politie sinds augustus op de hoogte is van het misbruik maar niks wil doen. De ellende is vanaf die tijd ook begonnen.

2. Een proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 2] met nummer PL 1251 -2013121557-4, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina 12 e.v.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang:

V: Wat voor relatie heeft u met haar?

A: Nu geen relatie meer. In het verleden gingen we wat vaker met elkaar om. Nu ben ik er klaar mee, wat ze heeft gedaan kan echt niet. Dit gaat gewoon te ver. Iemand beschuldigen van pedofilie, terwijl dat nergens op gebaseerd is vind ik walgelijk. [verdachte] heeft me verteld dat haar kind seksueel misbruikt zou zijn door [betrokkene 1] en dat ze daar aangifte van heeft gedaan. De politie heeft deze zaak onderzocht en [verdachte] is het niet eens met de uitslag. Blijkens het gedane onderzoek zou [betrokkene 1] geen verdachte meer zijn in die zaak. Dit zinde [verdachte] in het geheel niet. Zij heeft tegen mij gezegd dat ze tot ‘de laatste snik door zal gaan’. [verdachte] heeft mij onder andere verteld dat zij contact heeft met een paragnost, wiens kind ook seksueel misbruikt zou zijn. Deze paragnost, ene [...] , had [verdachte] een telefoonnummer van een vrouw gegeven die een website met iets van stop kinderseks beheerde. [verdachte] vertelde mij dat zij deze vrouw telefonisch had benaderd en haar het verhaal had verteld wat haar was overkomen. Deze vrouw van die website heeft vervolgens een bericht op haar website geplaatst, waarin gesuggereerd werd dat [betrokkene 1] een pedo zou zijn.

Dit alles van [verdachte] gehoord na dat het al op de site stond. Ik heb tegen [verdachte] gezegd dat zij veel beter contact op kan nemen met slachtofferhulp en dat wat zij nu deed echt niet zou kunnen.

V: Ik heb begrepen dat u berichten heeft gelezen op de telefoon van [verdachte] ?

A: Ik heb géén berichten op de telefoon van [verdachte] gelezen. [verdachte] stuurde wel geregeld berichten naar mijn telefoon. Voordat zij aangifte had gedaan bij de politie, had zij mij onder andere een filmpje gestuurd. Zij had haar zoontje [betrokkene 9] geïnterviewd over wat [betrokkene 1] haar zoontje aangedaan had. Ik heb dat filmpje niet meer. Maar mij viel op dat [verdachte] de woorden bij [betrokkene 9] in de mond had gelegd.

V: [verdachte] zou een bericht op facebook geplaatst hebben met betrekking tot [betrokkene 1] . Om welk bericht gaat het hier?

A: Ik heb dat bericht gelezen en schrok me dood. [verdachte] had dat via facebook naar mij gestuurd. Ik heb dat bericht niet gedeeld. [verdachte] had een bericht op een website, iets met stopkinderseks, en op facebook geplaatst, waarin zij suggereerde dat [betrokkene 1] een pedo zou zijn. Vorige week dinsdagavond kreeg ik via Facebook van [verdachte] het bericht of ik de brief en de link had gelezen. Zij schreef dat zij een link naar mij toe gestuurd had via haar telefoon. Zij schreef dat zij een bericht op facebook had geplaatst waarin gesuggereerd werd dat [betrokkene 1] een pedo zou zijn. De politie had haar toch echt duidelijk gemaakt dat de zaak gesloten was. Er is een periode geweest dat zij vrijwel dagelijks berichten naar mij stuurde via de telefoon, die gingen over [betrokkene 1] .

Ik heb tegen [verdachte] gezegd dat ik het walgelijk vond dat zij op facebook en stopkinderseks een bericht had geplaatst dat [betrokkene 1] een pedo zou zijn. [verdachte] reageerde dat het haar niets interesseerde. Zij heeft meerdere malen naar mij bevestigd dat zij verantwoordelijk was voor de plaatsing van het pedo bericht op die stop kinderseks website en facebook.

3. Een proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 3] met nummer PL 1251-2013121557-6, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina 16 e.v.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang:

Er gonsde wat in de buurt. Sommige kinderen mochten niet meer met elkaar spelen en op het schoolplein hoorde ik op een gegeven moment dat [betrokkene 1] een kind seksueel misbruikt zou hebben.

V: Hoe ging dat dan?

A: Ik werd op het schoolplein aangesproken door [verdachte] , dat is de moeder van [betrokkene 9] , dat ik moest uitkijken met mijn kinderen voor de buurman, want die zou aan kleine kinderen zitten. Zij had namelijk bewijs zei ze dat de buurman [betrokkene 1] haar kind had misbruikt. Ze vertelde dat haar huisarts een verklaring had ondertekend dat haar kind was misbruikt door de buurman.

V: Er zouden verhalen verspreid zijn ten nadele van [betrokkene 1] . Wat weet u daarvan?

A: Nou wat ik u net vertelde en ik weet ook dat er berichten op internet zijn geplaatst. Ik kreeg via de whatsapp een link toegezonden van mensen die bij mij in de buurt wonen naar een pagina op een website genaamd stopkinderseks.com. Degenen die mij het dat whatsapp bericht stuurden waren ongerust van wat hier aan de hand was. Vervolgens heb ik de betreffende pagina bekeken en zag een tekst met daarbij een foto en op die foto herkende ik mijn buurman [betrokkene 1] . De tekst ken ik niet uit mijn hoofd, maar de strekking was dat deze man een pedofiel zou zijn. Het adres stond bij het bericht vermeld echter zonder perceel nummer. Voor mij was duidelijk waar dat bericht vandaan kwam.

V: Waarom?

A: Voor mij was het toen duidelijk dat [verdachte] achter het plaatsen van de berichten op internet stond. [verdachte] heeft mij verteld dat zij over [betrokkene 1] een aanklacht bij het AMK had gedaan. Ook vertelde ze mij dat zij een aanklacht bij de politie had gedaan.

V: Volgens de aangever zouden er verhalen verspreid zijn dat hij een pedo zou zijn en onder andere zou jij dat op een schoolplein gehoord hebben. Weet je nog wanneer dat was?

A: Ja dat klopt. Wanneer precies weet ik niet meer.

V: Wie waren er bij?

A: Ik stond op het schoolplein. [verdachte] stond naast [betrokkene 2] dat is een vrouw die vlakbij ons op de hoek woont. Zij was nogal close met [verdachte] . Met de nadruk op WAS. Nu dus niet meer. [verdachte] liep vervolgens naar mij toen en zei dat ik moest oppassen voor [betrokkene 1] , want die zou haar zoon misbruikt hebben. Dit zei [verdachte] op een dusdanige toon dat iedereen dat kon horen.

V: Is het u bekend dat er een bericht op een website is geplaats met betrekking tot [betrokkene 1] ?

A: Ja, dat heb ik net verklaard, dat heeft betrekking op de website stopkinderseks.com en facebook.

4. Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] met nummer PL 1251-2013121557-15, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina 19 e.v.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang:

A: Op een gegeven moment waren [familie betrokkene 1] een aantal dagen weg, zij zaten in een vakantiehuis in Spaarnwoude. Toen hoorde mijn man in de kleuterklas waar mijn kind in zit die blonde zeggen: “die [betrokkene 1] zal zijn gezin wel aan het uitmoorden zijn”.

V: Waarom waren ze dan een paar dagen weg?

A: Ze hebben [betrokkene 4] van school weggehaald, omdat er een anonieme melding bij het AMK binnengekomen was. Deze klacht is onderzocht, maar bleek onterecht te zijn. Om tot rust te komen zijn [familie betrokkene 1] er even tussen uit gegaan. [betrokkene 4] ging gewoon naar school, maar de ouders wilde even uit het buurtje weg. Het vermoeden bestond dat [verdachte] deze melding heeft gedaan.

V: Er zouden verhalen verspreid zijn ten nadele van [betrokkene 1] . Wat weet u daar van?

A: Ja, dat is mij bekend. Een poosje, terug stond mijn man, [betrokkene 10] , op het schoolplein te wachten op ons kind en even verderop stond [verdachte] en die ouwe met elkaar te praten. [betrokkene 10] vertelde mij dat hij had gehoord dat die ouwe tegen [verdachte] zei:

“Je moet het tegen haar vertellen, ze moet het weten”. [betrokkene 10] zag [verdachte] vervolgens naar [betrokkene 3] lopen. Later hoorde ik van [betrokkene 3] dat [verdachte] inderdaad naar haar toe was gelopen en dat [verdachte] tegen haar gezegd had dat [betrokkene 1] aan kleine kinderen zou zitten en dat ze voor haar eigen kinderen moest uitkijken. Ze zou dit op luide toon gedaan hebben, zodanig dat meerdere mensen dit konden horen.

V: Volgens de aangever zouden er verhalen verspreid zijn dat hij een pedo zou zijn. Wat weet jij daarvan?

A: Wat ik net vertelde was in het begin. Later is gebleken dat er een melding is gedaan bij het AMK, meer dan vermoedelijk door die [verdachte] . Onlangs zijn er berichten op een website geplaatst, en op facebook, dat [betrokkene 1] een pedo zou zijn.

V: Is het u bekend dat er een bericht op een website is geplaatst met betrekking tot [betrokkene 1] ?

A: Ja, dat vertelde ik net al. Ik heb een account op facebook en ik zag dat mijn tante in Spanje een link had gedeeld, die verwees naar een bericht op een website genaamd www.stopkinderseks.com . Deze link heb ik bekeken en ik kreeg vervolgens een foto in beeld van [betrokkene 1] . Hij had weliswaar een balkje voor zijn ogen, maar ik herkende hem direct. Het kopje was: postcode [postcode] . De tekst was dat er een pedofiel was in dit gebied en dat deze persoon niet van kleine kindertjes af kon blijven. Zoiets stond er op. Voor zover ik weet is de link op facebook nu verwijderd.

5. Een geschrift, zijnde fotobijlage behorend bij proces-verbaal: PL1251 2013 121 557,

doorgenummerde pagina’s 69-75, aangehecht aan dit arrest. Op de foto’s zijn schermafdrukken van de Facebook pagina van [verdachte] zichtbaar. Op deze schermafdrukken is te zien dat [verdachte] een bericht van www.stopkinderseks.com heeft gedeeld en dat zij anderen verzoekt het bericht verder te delen. Het bericht is zichtbaar zonder vrienden te zijn met [verdachte] , dit volgt uit de tekst ‘Om te zien wat ze met haar vrienden deelt, stuur je haar een vriendschapsverzoek’ (pagina 71). Voorts is zichtbaar dat de gebruiker van deze Facebook pagina zelf de link op Facebook heeft geplaatst, dit blijkt uit de opmaak van het bericht en de tekst: ‘ [verdachte] heeft een link gedeeld’ (p. 71).”

6. Het eerste middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de in de bewezenverklaring onder het eerste gedachtestreepje vermelde uitlatingen zijn gedaan ‘met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven’, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.

7. Onder ‘ruchtbaarheid geven’ als bedoeld in art. 261 Sr dient te worden verstaan ‘het ter kennis van het publiek brengen’. Met zodanig ‘publiek’ is een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld.1 Van ‘het kennelijke doel om ruchtbaarheid te geven’ kan onder omstandigheden ook sprake zijn indien de mededeling aan niet meer dan één persoon is gedaan.2 Wel moet uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid dat die mededeling is gedaan met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven.

8. Bij de beantwoording van de vraag of een mededeling wordt gedaan met het kennelijke doel om deze ter kennis van het publiek te brengen kan van belang zijn of verwacht mag worden dat de ontvanger van de (smadelijke) mededeling daarmee vertrouwelijk omgaat.3 In dit verband valt te wijzen op een zaak waarin de verdachte op haar Hyves-pagina zichtbaar voor 20 à 25 andere personen de tekst had geplaatst dat zij haar kind “aan een pedo” moest meegeven, waarmee zij haar ex-partner bedoelde.4 Het hof in deze zaak oordeelde dat de verdachte haar ex-partner opzettelijk in zijn eer en goede naam had aangerand door de tenlastelegging van een bepaald feit met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven. Daarbij had het hof in aanmerking genomen dat de in de bewezenverklaring genoemde uitlating niet te vergelijken is met informatie die in de beslotenheid van de huiskamer aan een beperkte kring geadresseerden wordt toevertrouwd en dat het in het onderhavige geval, waarin de tekst op de Hyves-pagina van de verdachte zichtbaar was voor personen die kennelijk naar eigen inzicht en zonder enige restrictie over de uitlating konden beschikken, voor de verdachte voorzienbaar en op voorhand feitelijk te verwachten was dat de geplaatste tekst verder zou worden verspreid. De Hoge Raad overwoog dat dit oordeel niet getuigde van een onjuiste opvatting over art. 261 Sr, terwijl het evenmin onbegrijpelijk was.

9. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen houden over de vraag of de in de bewezenverklaring onder het eerste gedachtestreepje genoemde uitlatingen zijn gedaan met ‘het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven’ als bedoeld in art. 261, eerste lid, Sr, het volgende in. De verdachte heeft aan een persoon met wie zij in het verleden omging5, getuige [betrokkene 2] , verteld dat haar kind seksueel is misbruikt door [betrokkene 1] (bewijsmiddel 2). Daarnaast houdt de tot het bewijs gebezigde verklaring van getuige [betrokkene 3] in dat zij op het schoolplein werd aangesproken door de verdachte (bewijsmiddel 3). De verdachte vertelde [betrokkene 3] dat zij met haar kinderen moest uitkijken voor buurman [betrokkene 1] , want “die zou aan kleine kinderen zitten”. Ook zou de verdachte bewijs hebben dat haar eigen kind door de buurman was misbruikt. Dit werd door de verdachte verteld “op een dusdanige toon dat iedereen dat kon horen”. Uit de verklaring van getuige [getuige] blijkt dat haar man op het schoolplein een deel van het voorafgaande gesprek had kunnen horen (bewijsmiddel 4). Gelet op deze omstandigheden, getuigt het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het hof dat in de gegeven omstandigheden sprake is van het kennelijke doel om aan de tenlastelegging van het bepaalde feit ruchtbaarheid te geven niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat het op luide toon op een schoolplein in de aanwezigheid van anderen verkondigen van een beschuldiging van seksueel misbruik van kinderen niet duidt op een wens om informatie vertrouwelijk te delen in de verwachting dat discreet met die informatie zal worden omgegaan. In het licht van hetgeen ter terechtzitting is aangevoerd, was het hof niet gehouden zijn oordeel nader te motiveren.6

10. Het middel faalt.

11. Het tweede middel valt uiteen in twee klachten en betreft de bewezenverklaring na het tweede gedachtestreepje. De eerste klacht luidt dat het hof ten onrechte, althans op ontoereikende gronden heeft geoordeeld sprake is van ‘telastelegging van bepaalde feiten’ als bedoeld in art. 261, eerste lid, Sr. Met de tweede klacht komt het middel op tegen het oordeel van het hof dat sprake is van ‘verspreiding door middel van een geschrift en/of afbeelding’ in de zin van art. 261, tweede lid, Sr.

12. Van tenlastelegging van een ‘bepaald feit’ als bedoeld in art. 261 Sr indien het feit op een zodanige wijze door de verdachte is ten laste gelegd dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging aanwijst. Daarvan is bijvoorbeeld geen sprake indien het ‘feit’ niet het gedrag van de betrokkene betreft maar een eigenschap die hem wordt toegedicht en evenmin, zo het wel gaat om diens gedrag, indien dat gedrag slechts in algemene termen wordt geduid en derhalve niet wordt toegespitst op een voldoende geconcretiseerde gedraging. Het behoort tot de taak van de strafrechter om, afhankelijk van de precieze vormgeving van de door het openbaar ministerie uitgebrachte tenlastelegging, zelfstandig te beoordelen of het bestanddeel ‘telastlegging van een bepaald feit’ als bedoeld in art. 261 Sr kan worden bewezen verklaard dan wel of het bewezen verklaarde het misdrijf van art. 261 Sr oplevert.7 Niet nodig is dat de uitlating zodanig is gespecificeerd dat daaruit blijkt wanneer en waar de gebeurtenis zou hebben plaatsgevonden.

13. De steller van het middel betoogt dat het verwijt dat “iemand niet van kleine kinderen af kan blijven” in het licht van de rechtspraak van de Hoge Raad te algemeen is gesteld om als tenlastelegging van een ‘bepaald feit’ als bedoeld in art. 261 Sr te gelden. Ik deel dat standpunt niet. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte een bericht van www.stopkinderseks.com heeft gedeeld op haar Facebook-profiel. De inhoud van het gedeelde bericht bestaat uit een afbeelding van de aangever, waarbij een zwarte balk over zijn ogen is geplaatst. Daarnaast bevat het bericht de tekst: “Postcode [postcode] IJmuiden let op je kinderen. In of rond de [a-straat] te IJmuiden woont een man die niet van kleine kinderen af kan blijven. De politie is sinds Augustus 2013 op de hoogte maar doet er niets aan. Signalement: Lang, normaal postuur, donker haar.” Het hof heeft deze tekst, in samenhang bezien met de afbeelding, kunnen beschouwen als de tenlastelegging van een ‘bepaald feit’ als bedoeld in art. 261, eerste lid Sr. Daarbij neem ik in aanmerking dat de waarschuwing “let op je kinderen” wordt ‘onderbouwd’ met de vermelding dat de betrokkene “niet van kleine kinderen af kan blijven”. Deze tekst wijst zonder meer op een duidelijk te onderkennen concrete gedraging, een beweerdelijk begane daad.8 De steller van het middel meent dat de desbetreffende vermelding allerhande gedragingen kan omvatten, zoals mishandeling of ouderlijke tuchtiging , en daarmee te onbepaald is om als de tenlastelegging van een bepaald feit in de zin van art. 261 Sr te gelden. In het licht van het algemeen spraakgebruik, meen ik dat het hof de mededeling dat iemand niet van kleine kinderen af kan blijven heeft kunnen opvatten als een beschuldiging dat de verdachte zich schuldig zou maken aan gedragingen van pedoseksuele aard. Mocht hierover al enige twijfel kunnen bestaan, dan wordt die weggenomen door de plaatsing van het bericht op de website www.stopkinderseks.com, met als ondertitel ‘Kinderen zijn onze toekomst, daar blijf je van af!’. Al met al laat het in de bewezenverklaring bedoelde bericht weinig aan de verbeelding over. Daaraan doet niet af dat geen nadere concretisering heeft plaatsgevonden wanneer en ten aanzien van wie het beweerde misbruik zou hebben plaatsgevonden.9 De klacht treft geen doel.

14. In de tweede klacht wordt de vraag aan de orde gesteld of het enkele plaatsen/delen van een link naar een elders bestaand bericht op een social media-pagina kan worden aangemerkt als ‘verspreiding door middel van een geschrift en/of afbeelding’ als bedoeld in art. 261, tweede lid, Sr. Alvorens deze klacht inhoudelijk te bespreken, geeft de schriftuur mij aanleiding om kort stil te staan bij de verhouding tussen smaad (art. 261, eerste lid, Sr) en smaadschrift (art. 261, tweede lid, Sr).

15. Smaadschrift als bedoeld in art. 261, tweede lid, Sr betreft een gekwalificeerde vorm van smaad. Overtreding van deze bepaling wordt bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste één jaar, terwijl het bij een overtreding van art. 261, eerste lid, Sr gaat om een strafdreiging van maximaal zes maanden. Het hogere strafmaximum wordt gerechtvaardigd door het tweeledige verwijt dat wordt gemaakt bij smaadschrift: het vastleggen van een smadelijke uitlating in een geschrift of afbeelding en daardoor het duurzame karakter van de smaad én het verspreiden (en de daarmee samenhangende grotere publiciteit) van een dergelijke smadelijke uitlating.10 Deze combinatie van verwijten komt in de strafbaarstelling van smaadschrift terug. De smadelijke uitlating moet door middel van geschriften of afbeeldingen zijn gedaan, terwijl daarnaast de desbetreffende uitlating verspreid, openlijk tentoongesteld, aangeslagen of openlijk ten gehore moet zijn gebracht. In de bewezenverklaring staat vermeld dat de verdachte ‘door middel van verspreiding van een geschrift en/of afbeelding’ de eer of goede naam van de aangever heeft aangerand. Voor zover geklaagd wordt dat de bewijsvoering geen steun biedt om het plaatsen of delen op een social media-pagina aan te merken als een dergelijke vorm van verspreiding, berust de klacht dan ook op een verkeerde lezing van het arrest.

16. In de onderhavige zaak is art. 261, tweede lid, Sr toegepast. Dit brengt mee dat het hof ervan uit is gegaan dat de teksten op de website waarnaar verwezen wordt afkomstig zijn van de verdachte. Nu die (niet onbegrijpelijke11) vaststelling in cassatie niet wordt bestreden, kan hiervan in deze procedure worden uitgegaan.12 Evenmin staat ter discussie of de tekst en de afbeelding op de website kan worden beschouwd als een ‘geschrift en/of afbeelding’. Wel merk ik op dat, anders dan de steller van het middel kennelijk meent, geen zuivere tweedeling tussen smaad enerzijds en smaadschrift anderzijds kan worden gemaakt.13 De (civiele kamer van de) Hoge Raad heeft in het begin van de vorige eeuw reeds uitgemaakt dat ‘eenige steun is te vinden in de geschiedenis van het artikel’ om smaad en smaadschrift te onderscheiden naar gelang de telastelegging mondeling of schriftelijk is gedaan. Desondanks constateert de Hoge Raad dat de algemene wettekst van art. 261, eerste lid, Sr zich er niet tegen verzet om een schriftelijke uitlating onder smaad te scharen.14 Indien het openbaar ministerie de verdachte voor smaad vervolgt, terwijl (ook) sprake is van smaadschrift, zal een veroordeling voor smaad kunnen volgen.15 Tegen deze achtergrond kan uit de omstandigheid dat in eerdere rechtspraak een bericht dat op social media als smaad is gekwalificeerd, niet worden afgeleid dat het delen van een bericht op dergelijke websites niet (ook) onder de strafbaarstelling van het tweede lid van art. 261 Sr kan vallen.

17. Over de vraag of het plaatsen of delen van een bericht via Facebook kan worden beschouwd als ‘verspreiden’ in de zin van art. 261, tweede lid, Sr, kan het volgende worden opgemerkt. De term ‘verspreiden’ komt, in verschillende werkwoordsvormen, op verschillende plekken voor in het Wetboek van Strafrecht.16 Uit de wetsgeschiedenis van art. 113 Sr (het verspreidingsartikel van – kort gezegd – majesteitsschennis17) volgt dat het woord ‘verspreiden’ een pluraliteit van in omloop gebrachte exemplaren insluit. De Hoge Raad heeft met een verwijzing naar deze wetsgeschiedenis geoordeeld dat het ter lezing geven van eenzelfde exemplaar van een boek aan meer dan één persoon geen verspreiding oplevert.18 In een noot onder dit arrest gaf Pompe aan deze rechtsopvatting niet overtuigend te vinden. Hij wees er daarbij op dat voor verspreiden meer personen, maar niet per definitie meer exemplaren vereist zijn.

18. De opkomst van moderne technieken, in het bijzonder het internet, leidde tot nieuwe interpretatievragen over uitings- en verspreidingsdelicten. Bij de behandeling van de Wet computercriminaliteit II is de invloed van moderne technieken op commune delicten tegen het licht gehouden. Naar het oordeel van de minister was de omschrijving van dit type delicten nog voldoende ‘bij de tijd’ en wordt daarin voldoende rekening gehouden met moderne vormen van communicatie en informatievoorziening. Het via computernetwerken transporteren, kopiëren, ter beschikking stellen en oproepen van gegevens zou geschaard kunnen worden onder ‘verspreiden’, ‘in voorraad hebben‘ of ‘tentoonstellen’. Daarnaast zou de term ‘geschrift’ voldoende ‘techniek-onafhankelijk’ zijn.19 Die lezing is in de literatuur onderschreven.20 Ook de uitleg van een bestanddeel als ‘verspreiden’ zal met inachtneming van de stand van de techniek moeten worden beschouwd.21 Janssens en Nieuwenhuis bepleiten om die reden een extensieve uitleg van het begrip ‘verspreiden’.22 Zo zou het plaatsen of rondsturen van een link naar een website met een smadelijke inhoud onder dit begrip geschaard kunnen worden.

19. De verdachte heeft een door haarzelf geplaatst bericht van de website www.stopkinderseks.com gedeeld op haar Facebook-account. Dit bericht heeft zij vergezeld met de boodschap: “Delen!! Gevaar voor je kinderen!!!” Het bericht is op een zogeheten openbare ‘muur’ geplaatst; het bericht is ook zichtbaar voor personen die niet als ‘Facebookvrienden’ gelden. Het bericht was daarmee voor een grote, ongeselecteerde groep van derden zichtbaar, waaraan voorts een oproep tot verdere verspreiding was gekoppeld. Het oordeel van het hof dat de verdachte door op de voormelde manier te handelen het smadelijke geschrift en/of afbeelding heeft verspreid, getuigt in het licht van het voorafgaande niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

20. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

21. Het derde middel bevat de klacht dat het hof het door de verdediging gedane beroep op de exceptie van art. 261, derde lid, Sr op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden heeft verworpen.

22. Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het ten laste gelegde waar was en dat het algemeen belang de tenlastelegging eiste, zoals verwoord in het derde lid van artikel 261, Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft daartoe aangevoerd, zakelijk weergeven, dat verdachte van haar zoontje had begrepen dat hij onzedelijk betast was. Volgens de raadsman bestaat het algemeen belang uit het feit dat de verdachte een melding heeft gemaakt bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) en dat zij zich heeft gewend tot de politie tot het doen van aangifte. De verdachte heeft enkel haar kinderen, en die van anderen, willen beschermen.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt als volgt.

De verdachte heeft melding gemaakt bij het AMK en heeft aangifte gedaan bij de politie. Nadat de verdachte te horen had gekregen dat het onderzoek van het AMK en de politie op niets was uitgelopen, heeft zij desondanks de smadelijke uitlatingen verder verspreid. Een beroep op het algemeen belang gaat niet op wanneer al door de bevoegde instanties is uitgezocht of de beschuldiging waar is, dit niet is gebleken en dit de dader (in dit geval verdachte) bekend is. Door niet tijdig te stoppen met het doen van smadelijke uitlatingen en verspreiden van smadelijke geschriften, gaat de exceptie van het derde lid van artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht niet op.

Het beroep op straffeloosheid wordt derhalve verworpen.”

23. Het derde lid van art. 261 Sr bevat een strafuitsluitingsgrond met het karakter van een bijzondere rechtvaardigingsgrond.23 Ingevolge deze bepaling bestaat noch smaad noch smaadschrift voor zover de dader te goeder trouw heeft gehandeld tot noodzakelijke verdediging of te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het ten laste gelegde waar was en dat het algemeen belang de tenlastelegging eiste. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet dat aandacht is besteed aan de vraag wat onder ‘algemeen belang’ in de context van art. 261, derde lid, Sr dient te worden verstaan. In het verslag van de Tweede Kamer naar aanleiding van de voorgestelde strafbaarstellingen van smaad en laster in het Wetboek van Strafrecht van 1881 komt wel naar voren dat “vrees voor eene vervolging ter zake van smaad of smaadschrift de vrije beoordeeling der publieke zaak niet aan banden [moet] leggen, zoo lang de kritiek blijft binnen de perken der goede trouw. (…) De openbaring der waarheid moet alleen strafbaar zijn wanneer zij noodeloos een ander kwetst. Waar zij noodzakelijk is, primeert een hooger belang de bescherming die de wet anders den beleedigde verleent.”

24. De eis dat het ‘algemeen belang’ met de tenlastelegging wordt gediend, drukt volgens Nieuwenhuis en Janssens uit dat de verdachte voorafgaand aan de beschuldiging te goeder trouw heeft mogen aannemen dat hiermee een hoger belang was gediend dan zijn eigen belang.24 Toenmalig advocaat-generaal Silvis wijst erop dat vorm en inhoud van de beschuldiging in de redelijke voorstelling van de verdachte nodig moeten zijn voor het dienen van het algemeen belang.25 Bij de beoordeling of het algemeen belang de uitingen eiste, komt het niet alleen aan op de veronderstelling van de verdachte dienaangaande, maar ook op de wijze waarop aan de uitingen uitvoering is gegeven, te weten met inachtneming van de evenredigheid en de keuze voor de minst bezwarende inhoud en vorm.26 In de woorden ‘voor zover’ in het derde lid van art. 261 Sr liggen deze vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit besloten.27

25. Het hof heeft het beroep op de bijzondere exceptie van art. 261, derde lid, Sr verworpen en deze verwerping in de sleutel gezet van het algemeen belang. Het hof heeft overwogen dat de verdachte doorgegaan is met de smadelijke uitlatingen, nadat zij te horen had gekregen dat het onderzoek van het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (hierna: AMK) en de politie op niets was uitgelopen. Daarnaast overweegt het hof dat door de bevoegde instanties is uitgezocht of de beschuldiging waar is, dit niet is gebleken en dit de verdachte bekend is. Door niet tijdig te stoppen met het doen van smadelijke uitlatingen en verspreiden van smadelijke geschriften, is de exceptie van art. 261, derde lid, Sr niet van toepassing, aldus het hof. Ik meen dat dit oordeel niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk is. Daarbij is het volgende van belang.

26. Het algemeen belang kan gediend zijn bij (openbare) kritiek op justitieel onderzoek naar strafbare feiten. Dergelijke kritiek kan bijdragen een (vrij) publiek debat, welk debat voor de werking van de democratische samenleving onmisbaar is. De enkele omstandigheid dat justitieel onderzoek niet tot een vervolging van de verdachte leidt, brengt dan ook niet zonder meer mee dat een definitief punt is gezet achter een eventueel publiek debat. Voor de beoordeling of de degene die de uitingen doet te goeder trouw heeft mogen aannemen dat het ten laste gelegde waar was en dat het algemeen belang de tenlastelegging eist, kunnen de uitkomsten van een onderzoek als het onderhavige echter wel van belang zijn. Dat geldt te meer bij het zonder reserve uiten van beschuldigingen als in de onderhavige zaak aan de orde. Het hof heeft het in het voorafgaande beschreven toetsingskader niet miskend. Daarbij wijs ik er nog op dat het gaat om een bijzondere exceptie. Mede in het licht van de vorm en de wijze waarop de beschuldiging is geuit, is het oordeel van het hof dat zich in dezen niet de situatie voordoet waarin de verdachte te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het ten laste gelegde waar was en dat het algemeen belang de tenlastelegging eiste niet onbegrijpelijk. Daarbij kon het hof in aanmerking nemen dat de verdachte is doorgegaan met het doen van de smadelijke uitlatingen en verspreiden van smadelijke geschriften nadat haar de uitkomst van de onderzoeken door de politie en het AMK was medegedeeld. Uit het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van aangifte blijkt dat rond 16 oktober 2013 de conclusie van het onderzoek van het AMK bij de aangever bekend werd en dat de aangever op 12 november 2013 op gesprek is geweest bij de zedenpolitie (bewijsmiddel 1). Getuige [betrokkene 2] heeft verklaard dat de verdachte het niet eens was met de uitslag van het onderzoek van de politie (bewijsmiddel 2). Vervolgens heeft de verdachte tegen deze getuige gezegd dat zij tot “de laatste snik door zal gaan”. Hieruit heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte bekend was met de uitkomst van het onderzoek naar de aangever en zich daaraan niets gelegen heeft laten liggen. Ook volgt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat de verdachte op 26 november 2013 via Facebook de uitingen heeft voortgezet, dus nadat de verdachte kennelijk bekend was geworden met de uitkomst van het politieonderzoek.

27. Het middel faalt.

28. Alle middelen falen. In elk geval het eerste en het derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

29. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

30. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie bijv. HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9186, NJ 2008/430; HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2009, NJ 2011/325; HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1243, NJ 2014/337 m.nt. Keijzer, rov. 3.4 en HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2848, NJ 2017/6, rov. 2.5.1.

2 HR 3 november 1965, NJ 1965/109 m.nt. Pompe.

3 HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2848, NJ 2017/6.

4 HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2009, NJ 2011/325.

5 Getuige [betrokkene 3] heeft de omgangsrelatie tussen de verdachte en de getuige [betrokkene 2] getypeerd als ‘nogal close’ (bewijsmiddel 3). Getuige [betrokkene 2] heeft zelf over haar omgangsrelatie met de verklaard dat zij ten tijde van haar verhoor door de politie geen (omgangs)relatie had met de verdachte, maar dat zij in het verleden ‘wat vaker’ met elkaar omgingen (bewijsmiddel 2).

6 Op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 31 mei 2016 is door de verdediging in dit verband het volgende aangevoerd: “Voorts ontbreekt ieder bewijs dat mijn cliënte met luide stem op het schoolplein zou hebben geroepen dat [betrokkene 1] een pedofiel zou zijn. Uit de bewijsmiddelen volgt dat mijn cliënte enkel heeft gesproken met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . Dat is onvoldoende om te kunnen concluderen dat er ruchtbaarheid aan het verhaal is gegeven.” De reden voor de afwijking van dit standpunt volgen uit de hiervoor besproken bewijsmiddelen.

7 NLR, art. 261, noot 3, onder verwijzing naar de noot van Taverne onder HR 3 mei 1937, NJ 1937, p. 10. Zie bijv. HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2291, NJ 2016/478; HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1556, NJ 2014/46 en HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1171, NJ 2009/541 m.nt. Reijntjes.

8 Zie voor de laatstgenoemde maatstaf Keijzer in zijn noot onder HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2291, NJ 2016/478.

9 Zie onder meer HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2291, NJ 2016/478, m.nt. Keijzer.

10 A.L.J. Janssens, Strafbare belediging, Amsterdam: Thela Thesis 1998, p. 133.

11 Zie met name de bewijsmiddelen 2 en 3.

12 Indien een bericht wordt gedeeld dat niet van de hand is van de verdachte, komt het verspreidingsdelict uit art. 271, eerste lid, Sr in beeld.

13 Zie Janssens, a.w., 1998, p. 134-136.

14 HR 25 mei 1923, NJ 1923, p. 900.

15 HR 19 juni 1962, NJ 1962/276 m.nt. Röling. Overigens meen ik dat thans een dergelijke klacht in cassatie bij gebrek aan belang – gelet op het hogere strafmaximum van smaadschrift – tot de toepassing van art. 80a RO zal leiden.

16 Ik noem de artikelen 119, 132, 134, 137e, 139d, 240b, 254a, 261, 271, 326c, 334, 350a, 350b, 350d, 421 en 441 Sr.

17 Vgl. Kamerstukken II 2015/16 – 2017/18, 34 456.

18 HR 14 april 1964, NJ 1964/435 m.nt. Pompe.

19 Kamerstukken II 1998/99, 26 671, nr. 3, p. 7.

20 Zie, met verwijzingen, onderdeel 4 van de conclusie van de toenmalig A-G Van Dorst voor HR 9 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1337, NJ 1999/346.

21 Buruma merkt op dat de term ‘verspreiden’ door de opkomst van het internet obsoleet is geworden. Y. Buruma, ‘Internet en strafrecht’, in: Handelingen Nederlandse Juristen-Vereniging 128e jaargang/1998-I, Deventer: Tjeenk Willink, p. 156.

22 Janssens en Nieuwenhuis, a.w., 2011, p. 90 en 91.

23 Vgl. Kamerstukken II 1975/76, 11 249, nr. 3, p. 6 en onderdeel 17 van de conclusie van toenmalig A-G Silvis voor HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0287, NJ 2011/504 m.nt. Dommering.

24 Janssens en Nieuwenhuis, a.w., 2011, p. 162.

25 Toenmalig A-G Silvis in zijn conclusie voor HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0287, NJ 2011/504 m.nt. Dommering, onderdelen 18 en 20.

26 Zie onderdeel 20 van de conclusie van Silvis voor HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0287, N NJ 2011/504 m.nt. Dommering.

27 Hierover uitgebreid Janssens, a.w., 1998, p. 329 e.v.