Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1579

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-03-2017
Datum publicatie
09-03-2018
Zaaknummer
17/01572
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3363
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Uitspraak vierde kamer. Vordering PG tot ontslag van rechter in Rb Zeeland-West-Brabant als rechterlijk ambtenaar o.g.v. arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, art. 46i.1 en 46o Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Gelet op de door PG overgelegde stukken en het in raadkamer ingestelde onderzoek is voldaan aan de in art. 46i.1 onder a, b en c Wrra genoemde voorwaarden. HR is van oordeel dat voldoende gronden aanwezig zijn om betrokkene ex art. 46i Wrra als rechterlijk ambtenaar ontslag te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

K/2016/008

Aan de Hoge Raad der Nederlanden, Vierde Meervoudige Kamer

Vordering als bedoeld in artikel 46o van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren

betreffende

[betrokkene]

geboren op [geboortedatum] 1950, wonende aan de [a-straat 1] te [woonplaats].

Betrokkene is senior rechter in de Rechtbank Zeeland-West-Brabant en derhalve een rechterlijk ambtenaar als bedoeld in artikel 46b van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra). Hij is sinds 30 oktober 2014 arbeidsongeschikt wegens ziekte. In haar brief van 2 februari 2016 heeft mr. M.W. Koek, president van de Rechtbank, de Procureur-Generaal geïnformeerd over de arbeidsongeschiktheid van betrokkene. Mr. Koek was voornemens de Procureur-Generaal te verzoeken bij de Hoge Raad het ontslag te vorderen van betrokkene op grond van artikel 46i lid 1 Wrra. Zij heeft een dossier aangaande de arbeidsongeschiktheid van betrokkene overgelegd.

Artikel 46i lid 1 Wrra bepaalt dat een rechterlijk ambtenaar die wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid door de Hoge Raad kan worden ontslagen indien a) de ongeschiktheid twee jaar onafgebroken heeft geduurd, b) herstel van zijn ziekte binnen een periode van zes maanden na voornoemde termijn van twee jaar redelijkerwijs niet is te verwachten en c) naar het oordeel van de functionele autoriteit duurzame re-integratie in de eigen arbeid, in andere passende arbeid bij een gerecht of binnen het gezagsbereik van Onze Minister, of in passende arbeid buiten dat gezagsbereik, niet binnen een redelijke termijn is te verwachten.

Artikel 46j Wrra houdt in - kort gezegd - dat de Hoge Raad het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) betrekt bij de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 46i lid 1.

Uit het dossier blijkt dat de bedrijfsarts betrokkene duurzaam en volledig arbeidsongeschikt acht voor zijn eigen of ander werk. Omdat betrokkene geen WIA-uitkering ontvangt, bevat het dossier niet de in artikel 46j genoemde beoordeling door het UWV. De Procureur-Generaal heeft mr. Koek in overweging gegeven een deskundigenoordeel aan te vragen bij het UWV. In zijn brief van 20 juni 2016 heeft hij dat als volgt toegelicht.

“Ik heb mij beraden op de vraag of het ontbreken van een UWV-beoordeling aan het instellen van een vordering tot ontslag wegens ziekte in de weg staat. Naar mijn oordeel is dat inderdaad het geval. Ik licht dit nader toe.

Artikel 46j (oud) luidde als volgt.

“1 Om te beoordelen of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 46i, eerste lid, onderdelen a en b, wordt door de functionele autoriteit medisch advies ingewonnen bij een daartoe door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, aangewezen arts. Deze arts stelt naar aanleiding van zijn bevindingen een rapport op, dat wordt toegezonden aan de functionele autoriteit en in afschrift aan de betrokken rechterlijk ambtenaar.

2 De in het eerste lid bedoelde arts betrekt bij zijn beoordeling een door de functionele autoriteit aangewezen arts en, indien de rechterlijk ambtenaar dit wenst, een door de rechterlijk ambtenaar aangewezen arts.

3 De functionele autoriteit stelt de rechterlijk ambtenaar er schriftelijk van op de hoogte dat de in het eerste lid bedoelde procedure zal worden ingesteld en dat de rechterlijk ambtenaar bevoegd is desgewenst een arts aan te wijzen. Deze kennisgeving geschiedt niet eerder dan nadat de rechterlijk ambtenaar gedurende een onafgebroken periode van achttien maanden ongeschikt is geweest tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte en in ieder geval op een zodanig tijdstip dat de procedure met betrekking tot het medisch advies uiterlijk binnen een periode van vierentwintig maanden ongeschiktheid afgerond kan zijn.”

De wijziging van artikel 46j (Wet van 14 mei 2013 tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in verband met de modernisering van het loopbaanbeleid en de introductie van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, Stb. 2013/182) is als volgt toegelicht (TK 2012-2013, 33570, nr. 3, p. 4/5).

“In artikel 46j is thans vervolgens uitgewerkt dat voor de beoordeling of voldaan was aan de vereisten in vorengenoemde onderdelen a en b door de functionele autoriteit medisch advies werd ingewonnen bij een daartoe door het UWV aangewezen arts. Dit advies van het UWV over de medische geschiktheid van de rechterlijk ambtenaar, het functieongeschiktheidsadvies (FOA), beantwoordt de vraag of kan worden voldaan aan het gestelde onder de punten a en b zoals hierboven omschreven. Met de introductie van de WIA is het FOA feitelijk onderdeel geworden van de WIA-claimbeoordeling en hoeft niet meer apart te worden aangevraagd. Om die reden wordt voorgesteld om het eerste lid van artikel 46j, dat nog wel uit gaat van een aparte aanvraag, alsmede het tweede en derde lid, waarin dit verder wordt uitgewerkt, te laten vervallen. De rechterlijk ambtenaar behoudt de mogelijkheid om tijdens het claimbeoordelingsproces stukken, bevindingen en dergelijke van een eigen arts in te brengen bij UWV en zich bij de keuring te laten vertegenwoordigen of bijstaan door een derde, welke derde een door de rechterlijk ambtenaar aan te wijzen arts kan zijn. Omdat deze procedure onderdeel is geworden van het FOA, vervalt echter de noodzaak dit expliciet in de Wrra op te nemen.

(…)

Het ontslagbesluit dient binnen één jaar na de datum van de beschikking te worden genomen. Wordt een ontslagbesluit niet genomen binnen één jaar na de datum van de beschikking, of zijn de functionele autoriteit en de rechterlijk ambtenaar of de rechterlijk ambtenaar in opleiding het niet eens over het ontslag, dan kan door de functionele autoriteit een deskundigenoordeel als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Wet Suwi, worden aangevraagd bij het UWV. Dit deskundigenoordeel dient te worden betrokken in het oordeel van de Hoge Raad of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 46j, eerste lid.”

Hoewel artikel 46j het niet meer uitdrukkelijk bepaalt, blijkt uit de aangehaalde toelichting dat onverminderd geldt dat de beoordeling of is voldaan aan de vereisten voor ziekteontslag geschiedt aan de hand van een advies van een arts die daartoe door het UWV is aangewezen, een arts derhalve die niet is verbonden aan de organisatie waar de betrokkene werkzaam is. Indien een dergelijk advies niet voorhanden is omdat - zoals in het onderhavige geval - geen WIA-beoordeling door het UWV heeft plaatsgevonden, zal het advies alsnog moeten worden aangevraagd bij het UWV. De tweede volzin van artikel 46j voorziet daarin. De rapportage van de bedrijfsarts – welke arts is aangewezen door het gerecht waar de betrokken rechter of raadsheer werkzaam is – kan door de UWV-arts worden betrokken bij zijn beoordeling, maar deze rapportage kan het advies van de UWV-arts niet vervangen.”

Mr. Koek heeft bij schrijven van 14 juli 2016 het UWV verzocht een deskundigenoordeel uit te brengen. Die aanvraag werd afgewezen omdat volgens het UWV niet een deskundigenoordeel maar een ontslagvergunning bij langdurige arbeidsongeschiktheid diende te worden aangevraagd. Dit misverstand is rechtgezet en op 23 november 2016 heeft het UWV het deskundigenoordeel afgegeven. Het oordeel houdt in dat betrokkene op 27 oktober 2016 twee jaar lang door ziekte of gebrek ongeschikt is geweest voor het verrichten van zijn functie als senior rechter en dat herstel binnen zes maanden (dat wil zeggen: voor 27 april 2017) niet is te verwachten.

Bij brief van 8 december 2016 heeft mr. Koek de Procureur-Generaal verzocht de vordering tot het ontslag van betrokkene in te stellen. Alvorens over te gaan tot het instellen van de vordering heb ik bij schrijven van 19 januari 2017 betrokkene - overeenkomstig artikel 46o lid 3 Wrra - in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Bij e-mail bericht van 22 februari 2017 heeft betrokkene laten weten dat hij geen behoefte had aan het geven van een mondelinge toelichting.

Uit het deskundigenoordeel van het UWV, de rapportage van de bedrijfsarts en de overige door mr. Koek overgelegde stukken blijkt dat betrokkene sedert 30 oktober 2014 onafgebroken ziek is geweest. Voorts blijkt uit die stukken dat noch herstel binnen een termijn van 6 maanden, noch re-integratie in de eigen arbeid of in andere passende arbeid is te verwachten. Op grond hiervan ben ik van oordeel dat ten aanzien van betrokkene is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor ontslag op grond van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte.

De stukken van deze zaak leg ik over overeenkomstig de bijgevoegde inventarislijst.

Gelet op het voorafgaande vorder ik dat de Hoge Raad [betrokkene] op de voet van artikel 46i lid 1 Wrra zal ontslaan met ingang van 1 mei 2017.

’s-Gravenhage, 20 maart 2017

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Plv.