Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1544

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-11-2017
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
15/03546
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:248
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Overval op bezorger van eetgelegenheid. Medeplichtigheid aan poging tot afpersing en/of diefstal met geweld in vereniging, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft. Voor medeplichtigheid vereist opzet. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2008:BC0780, ECLI:NL:HR:2011:BO4471 en ECLI:NL:HR:2018:67, o.m. inhoudende dat opzet medeplichtige niet gericht behoeft te zijn op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan, daaronder begrepen of het gronddelict al dan niet in deelneming wordt begaan. Hof heeft o.m. vastgesteld dat verdachtes opzet erop was gericht dat A zou worden beroofd door een persoon die beschikking had over een vuurwapen en munitie en dat verdachte op zijn minst de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er bij die beroving geweld zou worden gebruikt. ’s Hofs oordeel dat verdachtes opzet op de tlgd. gronddelicten bewezen kan worden verklaard, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/03546

Zitting: 21 november 2017 (bij vervroeging)

Mr. A.J. Machielse

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte op 16 juli 2015 voor 1 meer subsidiair: medeplichtigheid aan poging tot afpersing door twee of meer verenigde personen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft en/of medeplichtigheid aan poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan of vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk, om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft, en voor 2: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar.

2. Mr. A.C. Bosch, advocaat te Rotterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, advocaten te Rotterdam, hebben een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof naar aanleiding van het verweer van de verdediging strekkende tot bewijsuitsluiting van de verklaring van verdachte van 16 maart 2012 in het bestreden arrest enerzijds in het midden heeft gelaten of er sprake is van een vormverzuim en daarnaast niet heeft gereageerd op het verweer omtrent bewijsuitsluiting, maar anderzijds de verklaring van verdachte wel tot het bewijs heeft gebezigd.

3.2. Het hof heeft verdachte veroordeeld voor 1 meer subsidiair, inhoudende dat:

" [betrokkene 1] op 15 maart 2012 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door hem en zijn mededader voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of (een) ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld iemand, genaamd [slachtoffer] te dwingen tot afgifte van geld en/of goederen, toebehorende aan [slachtoffer] en/of ' [A] ',

en/of

om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld en/of goederen, toebehorende aan [slachtoffer] en/of ' [A] ', en deze diefstal te doen voorafgaan en/of vergezellen van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , één en ander met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, welk geweld en bedreiging met geweld bestonden uit het

- zich opdringen aan die [slachtoffer] en (daarbij) lossen van een schot met een vuurwapen en

- steken met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de buik van die [slachtoffer] , ten gevolge van welk geweld die [slachtoffer] om het leven is gekomen, terwijl de uitvoering van die voorgenomen diefstal met geweld en/of afpersing niet is/zijn voltooid,

tot en bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 15 maart 2012 te Rotterdam opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest door

- via thuisbezorgd.nl een (valse) bestelling bij " [A] " te plaatsen en

- deze (valse) bestelling af te laten leveren bij het [a-straat 1] te Rotterdam en

- op deze wijze het latere slachtoffer naar de plaats te laten gaan waar deze beroofd zou kunnen worden."

Als feit 2 heeft het hof bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 15 maart 2012 tot en met 16 maart 2012 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver (merk: BBM, model: Olympic 38), en munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2, lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 10 kogelpatronen (kaliber: .22Lr), voorhanden heeft gehad."

3.3. De pleitnota van hoger beroep begint het inhoudelijke gedeelte met een bespreking van de vormverzuimen op grond van de Salduz-rechtspraak die zich in deze zaak zouden hebben voorgedaan. Verdachte is aangehouden op verdenking van het voorhanden hebben van een vuurwapen en heeft toen een advocaat kunnen raadplegen. Maar verdachte is in verzekering gesteld voor een levensdelict. Nadat de advocaat van verdachte de eerste keer met hem heeft gesproken naar aanleiding van de verdenking van wapenbezit heeft zij naderhand nogmaals verzocht om met verdachte te kunnen spreken, maar dat werd haar toen geweigerd omdat verdachte verhoord werd. Toen was echter al de ernst van de verdenking aanmerkelijk verzwaard. Primair is verzocht om niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging, subsidiair tot bewijsuitsluiting van het verhoor van verdachte van 16 maart 2012 en alles wat daarmee verband houdt. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat dat verhoor niet volgens de richtlijnen is geregistreerd omdat apparatuur defect bleek te zijn.

3.4. Het hof heeft het beroep op niet-ontvankelijkheid van het OM verworpen met een verwijzing naar de rechtspraak van de Hoge Raad over de Salduz-problematiek. Maar - zo betogen de stellers van het middel - het hof heeft wel een onderdeel van het proces-verbaal van verhoor, inhoudende de op 16 maart 2012 door verdachte afgelegde verklaring, voor het bewijs gebezigd. Het onderdeel betreft de uitlating van verdachte over het nummer van zijn mobiele telefoon (bewijsmiddel 9).

3.5. De Salduz-rechtspraak van de Hoge Raad komt erop neer dat een aangehouden verdachte voor de aanvang van het eerste verhoor op zijn consultatierecht moet worden gewezen en dat hem binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid moet worden geboden dat recht te realiseren. 1

3.6. In de onderhavige zaak is niet betwist dat de verdachte een advocaat heeft kunnen raadplegen voor het eerste verhoor. Alleen wordt gesteld dat het onderwerp van de verdenking zo ingrijpend is gewijzigd dat aan verdachte opnieuw de mogelijkheid tot raadpleging van zijn advocaat moest worden geboden en, naar ik aanneem, dat hij ook op deze mogelijkheid moest worden gewezen.

3.7. In het verleden hebben zich wel gevallen voorgedaan waarin het feit waarvoor een verdachte is aangehouden niet (alleen) het feit is waarvoor hij uiteindelijk is vervolgd. Een verdachte die uit anderen hoofde is gedetineerd en daarom voor een nieuwe verdenking niet nog apart behoeft te worden aangehouden, zal toch het recht hebben om een advocaat over die nieuwe verdenking te raadplegen.2 Nog wat duidelijker lijkt mij HR 12 juni 2012, NJ 2012, 463 m.nt. Reijntjes, waarin verdachte is aangehouden omdat hij in het bezit bleek van een gestolen bromfiets. Verdachte is aangehouden. Voorafgaande aan een veiligheidsfouillering is hem gevraagd of hij scherpe voorwerpen bij zich had. Verdachte overhandigde toen twee messen. Voor het dragen van die messen is hij vervolgens veroordeeld. Het hof oordeelde dat de vraag naar het bezit van scherpe voorwerpen en het antwoord daarop van verdachte geen verhoor was naar betrokkenheid bij een strafbaar feit. Daarom behoefde hem voor het stellen van die vraag volgens het hof niet de gelegenheid te worden geboden om een advocaat te raadplegen. Dat oordeel was volgens de Hoge Raad onjuist voor zover het de aanspraak op consultatie van een advocaat beperkte tot het verhoor ten aanzien van het specifieke feit waarvoor de verdachte is aangehouden.

3.8. Het recht op consultatie van een advocaat zou inderdaad kunnen worden uitgehold en van zijn functionaliteit kunnen worden beroofd als er geen rekening zou worden gehouden met de mogelijkheid dat na de aanhouding voor een bepaald strafbaar feit en de daaraan verbonden consultatie van een advocaat, zich niet voorziene ontwikkelingen voordoen die voor de strafrechtelijke positie van de verdachte van wezenlijk belang zijn en die verdachte, alvorens opnieuw te worden gehoord, aan zijn advocaat moet kunnen voorleggen. Denk aan het geval dat iemand voor winkeldiefstal wordt aangehouden en een advocaat raadpleegt waarna blijkt dat een cold case aan deze verdachte kan worden gelinkt. Verdachte kan dan overvallen worden door een nieuwe beschuldiging die hij niet met zijn advocaat heeft besproken tijdens de consultatie. Verdachte hoefde met zo'n beschuldiging geen rekening te houden. Dat ligt anders in een zaak waarin het onderzoek nog goed op gang moet komen. Dan kan de verdachte met zijn advocaat alle opties bespreken, bijvoorbeeld lopende van gevaarlijk verkeersgedrag tot doodslag in het verkeer.

3.9. De Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor3 zoals die luidde op 16 maart 2012 kende een rubriek getiteld "Nieuwe verdenkingen tijdens het verhoor" waarin het volgende is te lezen:

"Als tijdens het verhoor van de verdachte de verdenking rijst dat hij betrokken is geweest bij een of meer feiten die soortgelijk zijn aan of verband houden met het feit waarvoor hij is aangehouden, dan hoeft de verdachte niet opnieuw op het recht op consultatiebijstand te worden gewezen4.

Heeft de verdachte voor het feit waarvoor hij is aangehouden gebruik gemaakt van zijn recht op consultatiebijstand, dan mag immers worden aangenomen dat hij ook ten aanzien van die feiten in het gesprek met de raadsman zijn procespositie heeft kunnen bepalen. Heeft de verdachte in het eerdere stadium afstand gedaan van het recht op consultatiebijstand, dan kan hij geacht worden ook ten aanzien van het verhoor over deze soortgelijke feiten afstand te hebben gedaan.

Als de nieuwe verdenking betrekking heeft op een feit dat niet in de hierboven bedoelde zin soortgelijk is aan of verband houdt met het feit waarvoor de verdachte is aangehouden, dan geldt het volgende, ongeacht of er met betrekking tot het laatst bedoelde feit gebruik is gemaakt of afstand is gedaan van het consultatierecht (Hierna zal een feit dat niet in de hierboven bedoelde zin soortgelijk is aan of verband houdt met het feit waarvoor de verdachte is aangehouden kortweg een ‘niet-soortgelijk feit’ worden genoemd).

Als de verdachte is aangehouden voor een feit uit de B- of C-categorie en de nieuwe verdenking betrekking heeft op een niet soortgelijk feit uit de A-categorie, dan wijst de politie de verdachte opnieuw op het recht op consultatiebijstand en wordt gehandeld als hiervoor ten aanzien van A-zaken is gesteld. Hetzelfde geldt, mutatis mutandis, als jegens de voor een B- of C-feit aangehouden verdachte de verdenking ter zake van een niet-soortgelijk feit uit de B-categorie rijst. Als, tot slot, de verdachte is aangehouden ter zake van een feit uit de C-categorie en er rijst een verdenking ter zake van een niet-soortgelijk feit uit de C-categorie, dan dient hij ook wat betreft laatstbedoeld feit andermaal op zijn consultatierecht te worden gewezen."

3.10. Verdachte heeft voorafgaand aan het eerste verhoor een advocaat kunnen raadplegen en aan deze advocaat alle vragen en twijfels kunnen voorleggen die bij hem zijn opgekomen. De advocaat heeft verdachte kunnen voorlichten over alle hypothesen waartoe het onderzoek op dat moment aanleiding kon geven. Misschien heeft verdachte niet het achterste van zijn tong laten zien tijdens deze consultatie, maar dat is een eigen keuze die aan zijn opties niet kon afdoen. De betrokkenheid van verdachte bij de poging tot overval is misschien eerst - voorzichtig - gewaardeerd als een misdrijf van de Wet wapens en munitie, ook nog ten tijde van de consultatie van de advocaat, en nadien verzwaard, maar verdachte heeft rekening moeten en kunnen houden met de mogelijkheid dat de politie zijn rol bij dit misdrijf nader zou onderzoeken en al naargelang de resultaten van dat onderzoek zwaarder dan voorheen zou kunnen gaan inschatten. Naar mijn mening is het recht van verdachte op consultatie van een advocaat niet geschonden.

3.11. Ook al zou dit anders zijn, zou dat verdachte niet kunnen baten. Bewijsmiddel 2 geeft immers een verklaring weer die verdachte op 26 maart 2012 heeft afgelegd. Over deze verklaring wordt in het kader van het Salduz-bezwaar niet geklaagd, zodat ik het ervoor houd dat verdachte voorafgaand aan deze verklaring zijn positie met een advocaat heeft kunnen bespreken. In die verklaring heeft verdachte óók zijn telefoonnummer opgegeven.

3.12. Dus ook als bewijsmiddel 9 wel zou moeten worden uitgeschakeld heeft verdachte onvoldoende rechtens te respecteren belang bij vernietiging van het arrest omdat met weglating van bewijsmiddel 9 de motivering van de bewezenverklaring niet wordt verzwakt.5

Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt dat niet is voldaan aan de eisen voor medeplichtigheid aan - kort gezegd - de overvalpoging omdat het daarvoor benodigde opzet bij verdachte ontbrak. Als verdachte al opzet had op enigerlei bijdrage bestrijkt dat opzet niet het feit dat er nog een andere persoon bij het delict betrokken zou worden en dat deze gebruik zou maken van een steekwapen. Dat de broer van verdachte de beschikking had over een vuurwapen levert dat opzet nog niet op.

4.2. Het hof heeft in het verkort arrest nadere bewijsoverwegingen opgenomen. Daarin heeft het hof vastgesteld dat de bestelling bij [A] is gedaan via het IP adres van de wifi router in de woning van de medeverdachte [betrokkene 1] , de halfbroer van verdachte, met de telefoon van verdachte. Het bij de bestelling opgegeven e-mailadres is naar alle waarschijnlijkheid ook door verdachte aangemaakt. De bezorger heeft bij het adres waar hij de bestelling zou moeten afleveren aangebeld en is toen kennelijk overvallen. Getuigen hebben een knal gehoord en een lichtflits gezien. Iemand rende schreeuwend weg en zeeg op straat ineen. De bezorger is door een steekwond om het leven gekomen. Het stoffelijk overschot vertoonde geen schotwonden.

4.3. Vervolgens heeft het hof overwogen:

“De verdachte heeft verklaard dat hij nu eens bij zijn moeder in huis woonde en dan weer bij [betrokkene 1] en dat hij op 15 maart 2012 de gehele dag in de woning aan het [a-straat 2] [AM: de woning van [betrokkene 1] , verdachtes halfbroer] is geweest. Hij is in de vroege ochtend van 16 maart 2012 door de politie in die woning aangehouden. Vastgesteld kan daarom worden dat de verdachte in de directe nabijheid van de plaatst delict was ten tijde van het incident.

Vastgesteld kan voorts worden dat de bestelling die [slachtoffer] kwam afleveren, is gedaan met de Blackberry van de verdachte – hij verklaart dat zelf ook – en dat de bestelling is gedaan via het IP-adres van [betrokkene 1] (de wifi-router). Deze bestelling is gedaan om omstreeks 21:55 uur, toen de verdachte naar eigen zeggen in de woning aanwezig was.”

4.4. Binnen betrekkelijk korte tijd zijn er vanaf het IP adres van de halfbroer van verdachte vier andere valse bestellingen gedaan bij maaltijdbezorgers, waarvan drie via de telefoon van verdachte. Omdat die bestellingen verdacht voorkwamen is daaraan geen gevolg gegeven. Bij vier van de in totaal vijf valse bestellingen is een e-mail adres opgegeven dat aan verdachte is te linken. Het hof vervolgt dan:

“Met de rechtbank concludeert het hof dat het de verdachte moet zijn geweest die op 15 maart 2012 omstreeks 21:54 uur de valse bestelling bij [A] met zijn Blackberry heeft gedaan. Zijn verweer dat terwijl hij onder de douche stond, zijn broer of iemand anders, zijn Blackberry hiervoor zou hebben gebruikt en dat hij wel had gezien dat de bestelling was gedaan, maar deze niet zelf had geplaatst, wordt als onaannemelijk terzijde geschoven.”

4.5. Deze conclusie baseert het hof op de verklaringen van een vriend van verdachte over het gebruik van de telefoon van verdachte en op verkeersgegevens van die telefoon. Vervolgens overweegt het hof:

“Het hof gaat ervan uit dat de verdachte een valse bestelling heeft geplaatst op een specifieke tijd, op naam en adres van een buurman [AM: [betrokkene 2] , [a-straat 1] ] teneinde zo de bezorger in de val te lokken.

Noch bij de fouillering van de verdachten, noch hij de doorzoeking van de woning van [betrokkene 1] is geld aangetroffen, terwijl bij de bestelling van het eten doorgegeven was dat met een bedrag van € 60,- betaald zou worden. Hier leidt het hof mede uit af dat het kennelijk de bedoeling was om zonder te betalen de bezorger het eten afhandig te maken en hem mogelijk ook te beroven van het geld dat [slachtoffer] als bezorger (mogelijk) bij zich had.

Anders dan de rechtbank is het Hof van oordeel dat de opzet van verdachte niet beperkt is tot de diefstal, maar zich ook uitstrekt tot het gebezigde geweld.

Verdachte wist dat medeverdachte [betrokkene 1] de beschikking had over een vuurwapen en munitie.

Bovendien heeft verdachte zelf verklaard dat hij er vanuit gaat dat als iemand wordt beroofd, er een worsteling zal plaatsvinden, omdat iemand niet zomaar zijn spullen gaat geven en je jezelf gaat verdedigen.

Kennelijk ging [betrokkene 1] hier ook van uit, zodat hij zijn vuurwapen bij zich droeg, evenals [betrokkene 1] ’s mededader die een mes-/steekwapen bij zich stak.

Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat de verdachte met het voornemen de bezorger, [slachtoffer] , door een dader voorzien van een vuurwapen te beroven en er vanuitgaande dat die bezorger niet zonder slag of stoot de bestelling en/of het geld zou overhandigen, hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de mededader óók van een wapen voorzien zou zijn, i.c. een steekwapen, en dat wapen zou gebruiken.

Verdachte heeft aldus op zijn minst de aanmerkelijke kans aanvaard dat er geweld zou worden gebruikt dan wel dat daarmee gedreigd zou worden. Het fatale gevolg van het steken met een mes/scherp voorwerp in de buik van het slachtoffer kan dan ook aan verdachte worden toegerekend.”

4.6. Het komt mij voor dat het middel te zware eisen stelt aan het opzet van de medeplichtige. De medeplichtige staat vaak wat op afstand van de precieze wijze van uitvoering van het misdrijf. Omdat een medeplichtige zich niet hoeft te hebben verstaan met de dader(s) van het misdrijf dat de medeplichtige wil bevorderen en er zelfs niet van op de hoogte hoeft te zijn wie van zijn hulp zal profiteren, is het dikwijls niet van belang of de medeplichtige opzet heeft op het feit dat het misdrijf door twee of meer verenigde personen of door slechts één persoon zal worden begaan. Alleen wanneer het "tezamen en in vereniging met een of meer anderen" verschil maakt voor de strafbedreiging zal het relevant kunnen zijn of de medeplichtige opzet had op deze omstandigheid of niet.6 Als de medeplichtige ervan op de hoogte is dat het door hem ter beschikking stellen van een vervoermiddel aan een of meer anderen die anderen het opsporen van het slachtoffer, dat zij zwaar lichamelijk letsel willen gaan toebrengen of zelfs om het leven willen gaan brengen, gemakkelijk maakt, staat het ontbreken van wetenschap bij verdachte dat die anderen gebruik zullen maken van vuurwapens niet aan de veroordeling voor medeplichtigheid in de weg. Het opzet van de medeplichtige hoeft niet te zijn gericht op de manier waarop het misdrijf wordt uitgevoerd. Nodig is dat het opzet van de medeplichtige al dan niet in voorwaardelijke vorm is gericht op het misdrijf, maar dat opzet behoeft niet de precieze wijze waarop het misdrijf wordt begaan te omvatten.7 In het kader van bewezenverklaring en kwalificatie van medeplichtigheid moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook als het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Als het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige niet (volledig) was gericht op het gronddelict moet het misdrijf waarop de medeplichtige opzet had, nog wel voldoende verband met dat gronddelict hebben. In 2017 overwoog de Hoge Raad in een zaak waarin verdachte was veroordeeld voor medeplichtigheid aan afpersing:

"Nochtans zal doorgaans kunnen worden aangenomen dat dit verband bestaat indien het misdrijf waarop het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige was gericht, een onderdeel vormt van het gronddelict, zoals het geval is bij een misdrijf dat is begaan onder strafverzwarende omstandigheden. Maar ook in andere gevallen, waarbij zowel de aard van het gronddelict als de aard van de gedraging van de medeplichtige en de overige omstandigheden van het geval van belang zijn, kan sprake zijn van een dergelijk verband. (Vgl. HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4471, NJ 2011/342).

2.4. Het Hof heeft blijkens zijn hiervoor onder 2.2.2 weergegeven overwegingen vastgesteld dat het opzet van de verdachte slechts was gericht "op het leveren van hulp aan [betrokkene 2] en [betrokkene 1] om met vals geld een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne te verwerven", doch heeft geoordeeld dat dit misdrijf in de hiervoor onder 2.3 bedoelde zin verband hield met de afpersing. In aanmerking genomen wat uit de vaststellingen van het Hof volgt over de aard van de gedraging van de verdachte (valse bankbiljetten aan [betrokkene 2] geven om daarmee een partij cocaïne te verwerven) en van het gronddelict (afpersing), is het oordeel van het Hof dat het misdrijf waarop het opzet van de verdachte was gericht voldoende verband houdt met de afpersing, niet zonder meer begrijpelijk. Daaraan doet niet af hetgeen het Hof heeft overwogen over de overige omstandigheden van het geval (kort gezegd: een illegaal en risicovol gebeuren in het criminele milieu met betrekking tot een waardevol goed). De bewezenverklaring is dus ontoereikend gemotiveerd.”8

4.7. In de onderhavige zaak is een verband zoals de Hoge Raad verlangt, mijns inziens wel aan te wijzen. Het hof heeft vastgesteld dat het e-mailadres van verdachte en zijn telefoon zijn benut om de bezorger naar het pand waar verdachte verbleef te lokken. Eerder waren al vergeefse pogingen gedaan om met een valse naam en een vals adres bestellingen te laten bezorgen. Het hof heeft voorts aan kunnen nemen dat alleen verdachte van de telefoon gebruik heeft gemaakt. Dat het de bedoeling was om de bezorger te beroven heeft het hof mede gebaseerd op de vaststelling dat bij verdachten noch in de woning waar verdachte verbleef geld is aangetroffen om de bestelling te betalen. Verdachte was ervan op de hoogte dat zijn halfbroer beschikte over een vuurwapen en munitie. Het hof is er van uit kunnen gaan dat aan verdachte de overval op een bezorger voor ogen heeft gestaan en dat de verdachte er wel vanuit is gegaan dat de bezorger niet zomaar geld of eten zonder betaling zal afgeven. Verdachtes opzet bestreek dus grotendeels hetgeen in werkelijkheid heeft plaatsgevonden. Dat lijkt mij voldoende voor het aannemen van medeplichtigheid aan de overval en voor het door de Hoge Raad verlangde verband. Dat uit de bewijsmiddelen niet zomaar is af te leiden dat verdachte tevens voorwaardelijk opzet had op het feit dat bij de overval nog een derde zou zijn betrokken, zoals het hof wél heeft verondersteld, doet er niet aan af dat verdachte minstens welbewust de aanmerkelijke kans moet hebben aanvaard dat geweld zou worden gebruikt tegen de bezorger.

Het middel faalt.

5.1. Het derde middel klaagt over schending van de redelijke termijn in cassatie. Op 23 juli 2015 is het beroep in cassatie ingesteld en de stukken zijn eerst op 16 juni 2017 ter administratie van de Hoge Raad ontvangen. De stellers van het middel wijzen erop dat het nog te vaak voorkomt dat de Hoge Raad moet concluderen tot een schending van de redelijke termijn en dat deze praktijk zich zal voortzetten als het gebrek aan rechterlijke capaciteit druk op de rechterlijke macht blijft zetten.

5.2. De data waarvan het middel uitgaat zijn correct. De door de Hoge Raad op acht maanden bepaalde inzendtermijn is met 14 maanden en 24 dagen overschreden. Dat heeft met zich gebracht dat ook meer dan twee jaren met de behandeling in cassatie zijn gemoeid geweest. Dat zal moeten leiden tot verlaging van de opgelegde straf.

6. De eerste twee middelen falen. Het derde middel is gegrond, hetgeen tot een vermindering van de opgelegde straf behoort te leiden. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

7. Deze conclusie strekt tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3079, NJ 2009/349 m.nt. Schalken; HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3608, NJ 2016/52 m.nt. Klip; HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2018, NJ 2016/442 m.nt. Reijntjes.

2 HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9264, NJ 2013/513 m.nt. Reijntjes; HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7892.

3 Stcrt. 2010, 4003.

4 Bij ‘soortgelijke’ feiten moet onder meer worden gedacht aan feiten die hetzelfde zijn wat betreft hun kwalificatie, wat betreft criminaliteitstype, wat betreft hun modus operandi en wat betreft het slachtoffer(type) etc. Bij ‘verband houden met’ moet onder meer gedacht worden aan een verband wat betreft (pleeg)tijd en (pleeg)plaats, wat betreft medeverdachten, wat betreft de handelingen die voorafgaand aan en na voltooiing van het delict zijn gepleegd.

5 HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:234; HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3608, NJ 2016/52 m.nt. Klip.

6 Zie G. Knigge, Het opzet van de deelnemer, in: Glijdende schalen, Liber amicorum J. De Hullu, Nijmegen 2003, p. 302.

7 HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4372, NJ 2002/245; HR 4 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0780; HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4471, NJ 2011/342 m.nt. Schalken.

8 HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1158.