Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1538

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-11-2017
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
15/04386
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:238
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming, w.v.v. uit witwassen, meermalen gepleegd. Motivering schatting w.v.v. De bewezenverklaring in de samenhangende strafzaak houdt in dat betrokkene “gouden en zilveren sieraden en munten voorhanden heeft gehad en heeft omgedragen en omgezet”. In ’s Hofs overwegingen is tot uitdrukking gebracht dat dit witwassen ertoe heeft geleid dat betrokkene w.v.v. heeft verkregen tot een geschat bedrag van € 9.002,77. Mede gelet op het door betrokkene gevoerde verweer dat hij voor anderen sieraden en munten heeft ingeleverd en daarvoor € 1.000 heeft gekregen, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk dat betrokkene tot een bedrag van € 9.002,77 daadwerkelijk w.v.v. heeft verkregen d.m.v. of uit baten van het bewezenverklaarde witwassen. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 15/04389.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/04386 P

Zitting: 28 november 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[betrokkene]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij uitspraak van 3 september 2015 de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 augustus 2014 bevestigd. Daarbij is het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €9.002,77,- en is de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

  2. Deze zaak hangt samen met de strafzaak tegen de betrokkene (15/04389), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mr. W.S. Korteling, advocaat te 's-Gravenhage, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 augustus 2014 heeft vermeld als de beslissing waarbij de betrokkene in de hoofdzaak is veroordeeld, omdat dit vonnis in hoger beroep bij arrest van het hof Den Haag van 3 september 2015 is vernietigd.

  5. Voor de oplegging van de verplichting tot betaling van een geldsom aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk genoten voordeel in de zin van art. 36e Sr, is een veroordeling in de zin van art. 36e, tweede en derde lid, Sr een noodzakelijke voorwaarde. Van die veroordeling moet blijken uit de uitspraak waarbij die verplichting wordt opgelegd. Dat voorschrift is van zo grote betekenis dat het niet nakomen daarvan nietigheid oplevert.1

6. In de bestreden uitspraak is melding gemaakt van het in het middel bedoelde vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 augustus 2014, waarbij de betrokkene ten aanzien van feit 1 is veroordeeld voor het verbergen en verhullen van de herkomst van gouden en zilveren sieraden en munten en het voorhanden hebben, overdragen en omzetten daarvan. Dit vonnis is in hoger beroep door het hof Den Haag vernietigd. Bij arrest van 3 september 2015 heeft het hof bewezen verklaard dat de betrokkene de hiervoor bedoelde voorwerpen voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en omgezet.

7. Het middel voert terecht aan dat de bewezenverklaring in hoger beroep in zoverre verschilt van die in eerste aanleg, dat het hof, anders dan de rechtbank, niet bewezen heeft geacht dat de betrokkene de herkomst van de voornoemde voorwerpen heeft verborgen en verhuld. Daarbij moet worden opgemerkt dat het bewezen verklaarde door zowel de rechtbank als het hof wel is gekwalificeerd als ‘witwassen, meermalen gepleegd’.

8. Het hof heeft in de bestreden beslissing bij kennelijke vergissing verwezen naar de veroordeling van de betrokkene door de rechtbank Den Haag van 12 augustus 2014 en niet naar die door het hof Den Haag van 3 september 2015. In beide uitspraken is een veroordeling wegens witwassen, meermalen gepleegd, neergelegd, terwijl ook de voorwerpen van het witwassen, te weten gouden en zilveren sieraden en munten, identiek zijn. De Hoge Raad kan de bestreden uitspraak met herstel van deze misslag lezen. Daardoor ontvalt de feitelijke grondslag aan het middel.2

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel, dat in twee deelklachten uiteenvalt, behelst allereerst de klacht dat het hof in zijn arrest heeft volstaan met de bevestiging van het ontnemingsvonnis waarvan beroep, terwijl uit het dictum en de overwegingen van het hof niet blijkt of die bevestiging is geschied met overneming van gronden. Ten tweede bevat het middel de klacht dat het oordeel van het hof ten aanzien van het wederrechtelijk verkregen voordeel, mede in het licht van een door de verdediging in hoger beroep naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, ontoereikend is gemotiveerd.

11. Het middel wijst er terecht op dat de bevestiging of vernietiging in het stelsel van art. 423 Sv ziet op de beslissingen die de rechter neemt op grond van art. 348 en 350 Sv in verbinding met art. 358 Sv. De in art. 423 Sv genoemde gronden zien op de bij die beslissingen behorende motivering op grond van, voor zover hier van belang, art. 359 Sv.3

12. Het hof heeft in zijn arrest onder de kop ‘beoordeling van het vonnis’ (pag. 2) overwogen dat de behandeling in hoger beroep het hof niet heeft gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter. Daarmee heeft het hof voldoende tot uitdrukking gebracht dat het naast de beslissingen van de rechtbank ook de daarbij behorende motivering heeft overgenomen. Voor zover het middel uitgaat van een andere lezing, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. In zoverre faalt het middel.

13. Ten aanzien van de tweede deelklacht merk ik het volgende op.

14. In de hoofdzaak is de betrokkene veroordeeld voor witwassen, meermalen gepleegd. De bewezenverklaring4 houdt in dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2013 tot en met 10 oktober 2013, te ’s-Gravenhage, voorwerpen, te weten gouden en zilveren sieraden en munten voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en omgezet, terwijl hij wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf”

15. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 augustus 2015 blijkt dat de betrokkene en diens raadsman het woord hebben gevoerd overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover van belang, in:

“ Ontneming
26. Cliënt heeft sieraden en munten ingeleverd bij de juwelier. Daarvoor kreeg hij geld. Dat geld moest hij buiten direct afstaan aan de jongens voor wie hij dat deed. In ruil daarvoor kreeg hij een kleine vergoeding. Volgens cliënt heeft hij daar ongeveer 1000 euro aan overgehouden. Dat is het daadwerkelijk behaalde voordeel van cliënt. Al het andere geld was bestemd voor de andere jongens. Dat is de verklaring van cliënt en die vindt de verdediging aannemelijk.
27. Anders dan de rechtbank is de verdediging van mening dat alleen dat bedrag kan worden ontnomen. Van tevoren stond vast dat cliënt dat geld moest afstaan. Van tevoren stond vast dat hij alleen een kleine vergoeding kreeg. Dan gaat het niet om hem te plukken voor het hele bedrag. Ik verzoek om toewijzing van de vordering tot 1000 euro.”

16. Het hof heeft de in het ontnemingsvonnis van de rechtbank opgenomen beslissingen bevestigd met overneming van gronden. Daarmee heeft het hof het namens de betrokkene gevoerde verweer als volgt verworpen:

“Uit het dossier en uit zijn eigen verklaring volgt dat veroordeelde in de periode van 1 augustus tot en met 10 oktober 2013 aan een juwelier diverse sieraden en verwante goederen heeft verkocht. Uit het dossier volgt voorts dat hij hiervoor een totaalbedrag van € 9.002,77 in ontvangst heeft genomen. In het vonnis van 12 augustus 2014 in de strafzaak tegen veroordeelde heeft deze rechtbank overwogen dat voornoemde goederen middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig waren.

Ter terechtzitting van 25 juli 2014 heeft veroordeelde verklaard dat hij aan de verkoop van de sieraden slechts een relatief gering bedrag heeft overgehouden. Het overgrote deel van het door hem ontvangen geld zou hij aan anderen, te weten de houders van de sieraden, hebben afgegeven.
Naar het oordeel van de rechtbank staat dit verweer, wat daar verder van zij, niet aan toewijzing van de integrale vordering in de weg. Het is immers de keuze van veroordeelde geweest om het geld aan anderen af te staan. De ontnemingsmaatregel betreft het voordeel dat door het aan de ontneming ten grondslag liggende delict is verworven; daarbij doet in beginsel niet ter zake welke bestemming dit voordeel heeft gekregen (HR 8 juli 1998, LJN ZD1199; HR 26 augustus 2003, LJN AF9695).”

17. Het hof heeft, met bevestiging van het vonnis van de rechtbank, in de bestreden uitspraak vastgesteld dat het in de hoofdzaak bewezen verklaarde feit als grondslag van de vordering wordt aangemerkt. Aldus heeft het hof toepassing gegeven aan art. 36e, tweede lid, Sr, in die zin dat het gaat om wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van of uit de baten van het bewezen verklaarde witwassen, meermalen gepleegd.

18. Bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat de opvatting dat bedragen die voorwerp zijn van het bewezen verklaarde misdrijf witwassen reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormen, niet juist is. Wanneer het hof de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel baseert op het bewezen verklaarde witwassen, dient het hof nader te motiveren waarom de betrokkene daadwerkelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit baten van dat feit.5

19. In de voorliggende zaak zijn sieraden en munten de voorwerpen van het bewezen verklaarde misdrijf witwassen. De betrokkene heeft deze voorhanden gehad en bij een juwelier omgezet in geldbedragen. Deze handelingen betreffen de bewezen verklaarde witwashandelingen. Zoals hiervoor is opgemerkt, is de opvatting dat bedragen die voorwerp zijn van het bewezen verklaarde misdrijf witwassen reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormen, niet juist. Voor zover het oordeel van het hof berust op deze opvatting, getuigt het van een onjuiste rechtsopvatting.

20. Het hof heeft het verweer van de verdediging, inhoudende dat de betrokkene het geld dat hij heeft ontvangen door sieraden en munten bij de juwelier in te leveren, heeft moeten afstaan aan de personen voor wie hij dat deed en daar slechts een kleine vergoeding voor heeft gekregen, verworpen met de overweging dat dit verweer niet aan toewijzing van de integrale vordering in de weg staat. Daartoe heeft het hof overwogen dat het de keuze van de veroordeelde is geweest om het geld aan anderen af te staan. Deze overweging overtuigt mij niet. De vraag of de betrokkene daadwerkelijk voordeel heeft verkregen, gaat immers vooraf aan de bestemming van dat voordeel. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk dat de betrokkene uit het in de strafzaak bewezen verklaarde witwassen van de genoemde voorwerpen het door het hof geschatte bedrag daadwerkelijk aan wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

21. Het middel slaagt.

22. Het derde middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

23. Namens de betrokkene is op 9 september 2015 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 24 februari 2017 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendingstermijn van acht maanden is overschreden. Op het moment dat deze conclusie wordt genomen is sinds het instellen van het cassatieberoep voorts meer dan twee jaar verstreken. Dit brengt mee dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM inderdaad is overschreden. Het middel is terecht voorgesteld.

24. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. De compensatie, tot welke de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, kan worden toegepast in de hoofdzaak. Gelet hierop is er geen aanleiding om in de onderhavige zaak aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en kan de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.6 Daarbij komt dat met het slagen van het tweede middel de zaak zal moeten worden teruggewezen. Het hof kan na terugwijzing de overschrijding van de redelijke termijn in zijn overwegingen betrekken.

25. Het derde middel is terecht voorgesteld maar behoeft niet tot cassatie te leiden. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Het tweede middel slaagt.

26. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

27. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 16 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1152, NJ 1999, 386 (rov. 3.2), HR 17 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1458 (rov. 4.2), HR 11 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6249 (rov. 4.3) (niet gepubl.).

2 Vgl. HR 17 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1458, NJ 2001, 670.

3 Zie onder meer G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 910, H.G.M. Krabbe, Verzet en hoger beroep in strafzaken, H.D. Tjeenk Willink, Alphen aan den Rijn 1983, p. 171 en A.E. Harteveld, ‘Bevestigen of vernietigen’, in: Pet af: liber amicorum D.H. de Jong, Nijmegen: Wolf Legal Publishers WLP 2007, p. 99-115.

4 Overeenkomstig de bespreking van het eerste middel, ga ik daarbij uit van de bewezenverklaring in het arrest van het hof.

5 Vgl. HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2500, rov. 2.3, HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2501, rov. 2.3, HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2502, rov. 2.3, HR 5 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2258, rov. 2.5, HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1222, rov. 2.5, HR 29 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2718, rov. 3.3, HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1331, rov. 2.4, HR 8 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3485, rov. 2.3, HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3172, rov. 2.6, HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3071, rov. 3.3, HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3051, rov. 2.4, HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2648, rov. 2.4, HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1559, rov. 2.4 en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5217, NJ 2013/293 m.nt. Reijntjes, rov. 2.3.

6 Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008, 358 m.nt. Mevis, rov. 3.6.3 onder B.