Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1521

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-12-2017
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
16/04181
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:187
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Opzettelijk doen van onjuiste aangifte omzetbelasting en opzettelijk niet ter beschikking stellen van (de inhoud van) boeken, bescheiden en of gegevensdragers. Art. 68.1.b en 69.1 AWR. Falende klacht over niet door b.m. weerlegd uos t.a.v. feit 1 en over ontoereikend bewijs van feit 2. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 16/04180.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/04181

Zitting: 12 december 2017

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 15 juni 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, wegens 1. “opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.” en 2. “ingevolge de belastingwet verplicht zijnde boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan voor raadpleging beschikbaar te stellen, deze voor dit doel opzettelijk niet beschikbaar stellen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven”, veroordeeld tot een geldboete van € 72.500,00.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 16/04180. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Het eerste middel klaagt dat het hof het verweer ten aanzien van het onder 1. bewezenverklaarde ten onrechte niet heeft weerlegd, nu het verweer niet in strijd is met de gebezigde bewijsmiddelen.

  5. Ten laste van de verdachte is onder 1. bewezenverklaard dat:

“ [verdachte] op tijdstippen in de periode van 1 januari 2001 tot en met 6 mei 2004 te Amersfoort telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting:

- over het eerste kwartaal 2001 (D-13) en

- over het tweede kwartaal 2002 (D-15) en

- over het eerste kwartaal 2004 (D-21A),

onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers heeft [verdachte] telkens opzettelijk op de ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting geen verschuldigde omzetbelasting opgegeven/ingevuld, terwijl in werkelijkheid uit belaste huur omzetbelasting verschuldigd was, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.”

6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal, gevoegde schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel, Kamer van Koophandel Rotterdam, ondertekend te Woerden d.d. 5 maart 2007, (in ordner gefisnummer 38632, [verdachte] , behorend bij het proces-verbaal FIOD-ECD nr. 38632, onder meer inhoudende:

Rechtspersoon

Rechtsvorm:

Stichting

Statutaire naam:

[verdachte]

Statutaire zetel:

Rotterdam

Adres:

[a-straat 1] Rotterdam

Akte laatste statuten wijziging:

15-02-1995

Bestuurder(s):

Naam:

[medeverdachte]

Geboortedatum:

[geboortedatum] -1944

Adres

[b-straat 1] Amersfoort

Infunctietreding:

26-08-1992

Titel:

voorzitter

Bevoegd:

gezamenlijk bevoegd (met andere bestuurder(s) zie statuten)

2. De als bijlagen bij voormeld hoofdproces-verbaal gevoegde schriftelijke bescheiden als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten bijlage D08, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

A.

een gefaxte brief met bijlagen, d.d. 7 april 2000, van [betrokkene 1] , advocaat en belastingadviseur, gericht aan de belastingdienst Ondernemingen te Roosendaal

(blz. 1)

Betreft: [verdachte] .

Namens bovenvermelde belastingplichtige is in 1993 een verzoek gedaan voor belaste huur. Dit verzoek is ingewilligd door een beschikking van uw dienst.

(blz. 2)

Verzoek om toepassing artikel 11, eerste lid, letter b, sub 5e, van de Wet op de Omzetbelasting 1968 (belaste huur).

Verhuur geldt voor pand: distributiecentrum [A] .

Belaste huur gewenst: met ingang van 1 mei 1993 Verhuurder: [verdachte] Huurder: [A] B.V.

B.

Een brief van de inspecteur van Belastingdienst/ondernemingen Roosendaal, d.d. 25 april 2000, gericht aan [betrokkene 1] voornoemd.

Betreft: [verdachte]

Naar aanleiding van uw fax van 7 april 2000 zend ik u de beschikking artikel II, eerste lid, onderdeel a, ten vijfde, van de Wet op de omzetbelasting 1968, afgegeven op 1 mei 1993 met betrekking tot het pand [B] te Duiven. Afschriften van de beschikking zijn verzonden aan [verdachte] , zijnde de verhuurder, en [A] BV, zijnde de huurder.

3. De als bijlagen bij voormeld hoofdproces-verbaal gevoegde schriftelijke bescheiden als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten bijlage D09, zijnde kopieën van facturen van [verdachte] gericht aan [A] , voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Factuurnr. [001] , distributiecentrum [B]

Huur eerste kwartaal 2001, aanvulling

Aanvulling btw eerste kwartaal 2011, 1½ % van fl. 88.201,31 = fl. 1.323,02

Betaling op rekeningnr. [002] van de FGH-Bank.

Factuur. [003] , distributiecentrum [B]

Huur tweede kwartaal 2002,

btw 19 % van € 42.998,26 = € 8.169,67

Betaling op rekeningnr. [002] van de FGH-Bank.

Factuur. [004] , distributiecentrum [B]

Huur eerste kwartaal 2004,

btw 19 % van € 44.356,87 = € 8.427,81

Betaling op rekeningnr. [005] van F. van Lanschot Bankiers i.z. Stichting [C] / [verdachte] .

Factuur. [006] , distributiecentrum [B]

Huur eerste kwartaal 2004, aanvulling

btw 19% van € 465,75 = € 88,49

Betaling op rekeningnr. [005] van F. van Lanschot Bankiers i.z. Stichting [C] / [verdachte] .

4. De als bijlagen bij voormeld hoofdproces-verbaal gevoegde schriftelijke bescheiden als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten kopieën van de belastingdienst, Ondernemingen Amersfoort c.q. Utrecht-Gooi/kantoor Amersfoort, aangifte omzetbelasting, gericht aan [verdachte] te Amersfoort, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

(bijlage D/13 behorend bij het proces-verbaal FIOD-ECD nr. 38632),

Aangiftetijdvak: 1e kwartaal 2001

Verschuldigde omzetbelasting: -

Ik verklaar deze aangifte duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te hebben ingevuld.

[medeverdachte] , fiscaal en juridisch adviseur, Amersfoort, 30-04-2001.

(bijlage D/15 behorend bij het proces-verbaal FIOD-ECD nr. 38632),

Aangiftetijdvak: 2e kwartaal 2002

Verschuldigde omzetbelasting: -

Ik verklaar deze aangifte duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te hebben ingevuld.

[medeverdachte] . fiscaal en juridisch adviseur, Amersfoort, 29-07-2002.

(bijlage D/21A behorend bij het proces-verbaal FIOD-ECD nr. 38632),

Aangiftetijdvak: 1e kwartaal 2004

Verschuldigde omzetbelasting: -

Ik verklaar deze aangifte duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te hebben ingevuld.

[medeverdachte] , fiscaal en juridisch adviseur, Amersfoort, 29-04-2004.

5. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal, gevoegde schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een kopie van een arrest van de Hoge raad der Nederlanden d.d. 5 maart 2004, nr. C02/303HR, (bijlage D/07), voor zover -zakelijk weergegeven - inhoudende:

(blz. 1) Arrest in de zaak van [verdachte] , gevestigd te Rotterdam, kantoorhoudende te Amersfoort, tegen [A] BV, gevestigd te Maarssen.

(blz. 4) [verdachte] is sedert 2 oktober 1992 eigenaar van het onroerend (register)goed [B] te Duiven. Het nadien daarop gebouwde pand (distributiecentrum) staat bekend als [A] . Het pand is door [D] B.V. op 25 september 1992, met inbegrip van de op 22 juli 1992 met betrekking tot het project door haar als verhuurder met [A] als huurder gesloten huurovereenkomst, verkocht aan de [E] , die het op dezelfde dag heeft doorverkocht aan [verdachte] .

6. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal, gevoegde schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een brief d.d. 09 december 2003 van [verdachte] aan [A] (bijlage D/11), voor zover - zakelijk weergegeven – inhoudende:

Distributiecentrum [B]

Hierdoor berichten wij u dat per 4 november 2003 het recht van eerste hypotheek en het recht van eerste pand (aan u openbaar gemaakt door de FGH bank) door integrale betaling aan de FGH bank is overgegaan op de Stichting [C] te Kamperland.

Wij verzoeken u de verschuldigde huurbetalingen met ingang van één januari 2004 te voldoen naar het door de Stichting [C] opgegeven bankrekeningnummer [005] bij F. van Lanschot Bankiers i.z. Stichting [C] / [verdachte] .

[medeverdachte] , voorzitter bestuur.

7. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal, gevoegde schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een brief d.d. 09 december 2003 van Stichting [C] aan [A] (bijlage D-B-018 behorend bij het proces-verbaal aanvullend onderzoek FIOD-ECD nr. 38632), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Distributiecentrum [B].

Hierdoor berichten wij u dat per 4 november 2003 het recht van eerste hypotheek en het recht van eerste pand (aan u openbaar gemaakt door de FGH bank) door integrale betaling aan de FGH bank is overgegaan op onze instelling.

Wij verzoeken u de verschuldigde huurbetalingen met ingang van één januari 2004 te voldoen naar het door de Stichting [C] opgegeven bankrekeningnummer [005] bij F. van Lanschot Bankiers i.z. Stichting [C] / [verdachte] .

Stichting [F] ,

[betrokkene 2] .

8. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal, gevoegde schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een brief d.d. 19 december 2003 van de FGH-bank aan [A] (bijlage D/10) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Betreft: huur pand [B] te Duiven.

Met onze brief van 24 december 1999 hebben wij u mededeling gedaan van ons pandrecht op de rechten die de [E] heeft uit de met u gesloten huurovereenkomst betreffende het pand aan de [B] te Duiven. Sindsdien voldoet u conform onze aanwijzing de huren op een rekening courant die de [E] bij ons aanhoudt. Hetgeen door u is verschuldigd uit hoofde van de huurovereenkomst kunt u vanaf heden weer voldoen op de wijze als aangegeven door verhuurder.

9. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal, gevoegde schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een gefaxte brief d.d. 22 februari 2007 van de F. van Lanschot Bankiers aan de Belastingdienst FIOD-ECD Kantoor Utrecht, (bijlage D/06), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

De identiteitsgegevens van rekening [005] (rekeningcourant) zijn:

Stichting Beheer Derdengelden, [medeverdachte] , [b-straat 1] , Amersfoort.

10. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal, gevoegde schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een ambtsedige verklaring d.d. 19 maart 2007 van de Belastingdienst Utrecht-Gooi, kantoor Amersfoort, opgemaakt door [betrokkene 3] , fraudecoördinator, (bijlage D/29), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Aan [verdachte] , [b-straat 1] Amersfoort, zijn op of omstreeks onderstaande data uitgereikt en terugontvangen: aangiften omzetbelasting:

Tijdvak:

datum terugontvangst:

plaats ontvangst aangifte:

1e kwartaal 2001

27 april 2001

Amersfoort

2e kwartaal 2002

1 augustus 2002

Amersfoort

1e kwartaal 2004

6 mei 2004

Amersfoort

11. Het proces-verbaal van verhoor van getuigen d.d. 3 januari 2012 opgemaakt door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Utrecht, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 4] :

pag. 1: Ik ken [verdachte] en [medeverdachte] .

pag. 2: Ik ben penningmeester van de Vereniging Vermogensbeheer [G] vanaf de oprichting in 1978). Ik heb de kwartaalfacturen van de huur van het pand verstuurd naar de huurder op papier van [verdachte] , [medeverdachte] heeft nooit iets gezegd over de facturen. Er is normaal betaald. Dat is overgemaakt op de derdenrekening van [medeverdachte] , de kantoorrekening.

pag. 3: lk had een schijfje waar de facturen van [verdachte] opstonden gekregen van [medeverdachte] .

pag. 4: Dat de bankrekening vanaf het eerste kwartaal van 2004 veranderde van de FGH-Bank naar Van Lanschot Bankiers t.n.v. [C] / [verdachte] moet in overleg zijn gebeurd. Het klopt dat de eerste facturen conform [medeverdachte] waren en op het moment dat er iets veranderde, moet dat zijn opgegeven door [medeverdachte] . Ik ben na 13 februari 2000 begonnen met factureren voor [medeverdachte] . Hij wist dat.

pag. 5: Beide rekeningen, zowel de rekening bij de FGH als de rekening bij Van Lanschot, behoorden toe aan [medeverdachte] .

(…)

14. Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 4 september 2012 van de politierechter in de rechtbank Utrecht voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte, [medeverdachte] :

Ik was niet de verhuurder van het pand in Duiven, maar [verdachte] .

15. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal, gevoegde in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden ambtenaar van de belastingdienst en buitengewoon opsporingsambtenaar, opgemaakt proces-verbaal (bijlage V2-1) inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte] :

pag. 3: In het uittreksel van de Kamer van Koophandel kunt u vinden dat er twee natuurlijke personen bij [verdachte] zijn betrokken, waarbij de zaken aan mij zijn overgelaten.

pag. 4: Ik heb de aangiften omzetbelasting ten name van [verdachte] ingevuld, mijn handtekening staat er op. Ik denk dat ik de aangiften op mijn kantoor heb ingevuld op de datum die er op staat en dat ik ze daarna op de bus heb gedaan.

(…)

17. De verklaring van de vertehgenwoordiger van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 6 mei 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik was in de ten laste gelegde periode voorzitter van [verdachte] . Dat ben ik nu nog steeds.”

7. In het bestreden arrest heeft het hof nog de volgende bewijsoverweging opgenomen:

“Het hof is van oordeel dat de door verdachte bepleite vrijspraak wordt weersproken door de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van die, van de lezing van verdachte afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen.

Daarbij overweegt het hof het volgende.

Uit het dossier blijkt dat op 1 mei 1993 een beschikking ex artikel 11, eerste lid, onderdeel a, ten vijfde, van de Wet op de omzetbelasting 1968 door de belastingdienst is afgegeven met betrekking tot het pand [B] te Duiven. Afschrift van die beschikking is verstuurd naar de verhuurder, [verdachte] en de huurder, [A] B.V. Zowel verhuurder als huurder wisten derhalve dat over de huur omzetbelasting moest worden betaald (en vervolgens dan ook afgedragen aan de belastingdienst). De vertegenwoordiger van verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 4 september 2012 verklaard dat niet hij maar [verdachte] de verhuurder was van het pand te Duiven. Uit het dossier is niet gebleken dat het huurcontract van [verdachte] is overgedragen aan een andere partij. In het verhoor van de vertegenwoordiger van verdachte door de FIOD op 15 november 2006 heeft deze verklaard dat er bij [verdachte] twee bestuurders zijn, maar dat de zaken aan hem, [medeverdachte] , zijn overgelaten. Voorts heeft de vertegenwoordiger van verdachte verklaard dat hij de aangiften heeft ingevuld, dat zijn handtekening eronder staat en dat hij ze daarna op de bus heeft gedaan. Nu over de huur BTW is berekend volgt hieruit dat de omzetbelasting had moeten worden aangegeven op de aangiften.

Daderschap rechtspersoon

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan een rechtspersoon aangemerkt worden als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. De vraag wanneer een (verboden) gedraging in redelijkheid kan worden toegerekend is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is de vraag of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Hiervan zal onder andere sprake kunnen zijn wanneer het gaat om handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon, de gedraging de rechtspersoon dienstig is geweest en de rechtspersoon erover vermocht te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden.

De onjuiste aangiften voor de omzetbelasting van [verdachte] zijn door de vertegenwoordiger van verdachte als bestuurder van de stichting opgemaakt en verzonden. Verdachte heeft als doel de exploitatie van onroerend goed. De ten laste gelegde gedragingen hebben derhalve alle plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en zijn de rechtspersoon dienstig geweest terwijl de rechtspersoon er over vermocht te beschikken of deze gedragingen al dan niet plaatsvonden.

Op grond van de hierboven beschreven gang van zaken met betrekking tot het doen van de aangiften en de bij de vertegenwoordiger van verdachte als bestuurder aanwezige kennis wordt vastgesteld dat bij de rechtspersoon het vereiste opzet en het oogmerk aanwezig was.

Het door de vertegenwoordiger van verdachte en de verdediging geschetste scenario als zou niet verdachte de verhuurder zijn en de huurpenningen zou hebben ontvangen wordt als volstrekt ongeloofwaardig ter zijde geschoven.”

8. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 1 juni 2016 gehechte pleitnotities heeft de raadsman onder meer ter verdediging aangevoerd:

“10. [betrokkene 4] mag dan ook worden vertrouwd in zijn verklaring bij de rechtercommissaris, dat hij het briefhoofd van [verdachte] zonder medeweten van [medeverdachte] heeft gebruikt. Om reden zoals [betrokkene 4] in zijn verklaring expliciet heeft aangegeven.

Deze stelling wordt eens te meer onderbouwd door het feit dat [medeverdachte] zelfs niet wist om welke huurprijs het ging, aangezien zoals uit de stukken blijkt de huurpenningen aanvankelijk werden gestort op de bankrekening van de FGH.

(…)

12. Uit deze overeenkomst mag blijken dat [G] steeds partij is geweest in deze kwestie als vereniging Vermogensbeheer, die de aankoop van [A] financieel mogelijk heeft gemaakt en derhalve economisch hypotheekhouder was met alle daaraan verbonden rechten en verplichtingen.

(…)

14. Kort en goed wenst de verdediging te stellen, dat door het enkele feit dat [G] ( [betrokkene 4] ) ten onrechte op briefpapier van [verdachte] declareerde bij [A] , het misverstand is ontstaan als zou voor de facturering [medeverdachte] verantwoordelijk zijn.

15. Het gaat om de facturering. Kennelijk heeft [G] gewild dat de huurpenningen na aflossing van de FGH zouden worden betaald op de Stichting Derdengelden [medeverdachte] , op welke derdenrekening bedragen verschenen die waren voldaan door [A] . Derhalve jaren na de overname door [G] .

16. Uit de ongespecificeerde betalingen door [A] op de Derdenrekening van [medeverdachte] , kan niet worden geconcludeerd dat [verdachte] , OB belaste omzet maakte.

(…)

25. [verdachte] heeft per begin januari 2000 op vordering van de (economisch gerechtigde) eigenaar/hypotheekhouder van de aan [A] verhuurde onroerende zaak te Duiven alle bescheiden betreffende de verhuur/huur, met inbegrip van de huurovereenkomst ten name van en tussen [D] B.V. en [A] B.V., overgedragen aan Vereniging Vermogensbeheer [G] ( [G] ), die vanaf de overdracht alle zaken inzake de verhuur/huur zelfstandig - niet meer door tussenkomst van [verdachte] derhalve - is gaan regelen en alle besluiten en beslissingen ter zake heeft genomen.

26. [verdachte] heeft hierna geen bemoeienis meer met deze verhuur/huur gehad, noch ook heeft zij enig huurbedrag op factuur in rekening gebracht aan de huurder, noch ook enig huurbedrag van de huurder ontvangen.

27. [G] had aan [verdachte] laten weten dat eveneens de facturering naar [A] van de huurbedragen door [G] zouden geschieden, hetgeen ook effectief is gebeurd. [verdachte] is er vanzelfsprekend van uit gegaan dat de facturering door [G] naar [A] op eigen naam en titel zou gebeuren en wist niet anders.

28. [G] heeft ook nimmer aan [verdachte] kenbaar gemaakt dat zij op naam van [verdachte] /op briefhoofd papier van [verdachte] respectievelijk ten behoeve van [verdachte] de huren aan [A] declareerde.

29. De aldus zonder opdracht van en buiten medeweten van [verdachte] naar [A] verzonden facturen moeten naar het oordeel van [verdachte] dan ook als vervalste facturen worden gekwalificeerd. [verdachte] noch haar bestuurders kunnen, bij gebrek aan kennis en wetenschap hiervan, hiervoor aansprakelijk worden gehouden.”

9. Volgens de steller van het middel had het hof dit verweer, dat niet in strijd zou zijn met de door het hof gebezigde bewijsmiddelen maar wel met de bewezenverklaring,1 moeten weerleggen en is gelet daarop de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.

10. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat medeverdachte [medeverdachte] ten tijde van de ten laste gelegde periode voorzitter was van [verdachte] (de verdachte), waarbij “de zaken” aan [medeverdachte] werden overgelaten (b.m. 1, 15 en 17). [verdachte] is sinds 2 oktober 1992 eigenaar van het onroerend (register)goed [B] te Duiven en, naar ik begrijp, van het nadien daarop gebouwde distributiecentrum (zie b.m. 5), dat bekend staat als [A] (hierna: [A] ). Uit de bewijsmiddelen 6, 7 en 8 kan worden afgeleid dat op 24 december 1999 FGH Bank haar stil gevestigde pandrecht op de huurvorderingen aan [A] als huurder openbaar heeft gemaakt en [A] is verzocht om de huren op een rekening-courant van de [E] bij de FGH Bank te storten. In december 2003 is aan [A] bekendgemaakt dat het recht van eerste hypotheek en het recht van eerste pand door integrale betaling aan de FGH Bank is overgegaan op de Stichting [C] en is aan de huurder verzocht om met ingang van 1 januari 2004 de huur te betalen op de bankrekening van F. van Lanschot Bankiers i.z. Stichting [C] / [verdachte] (b.m. 6 en 7). Zowel de rekening bij de FGH bank als de rekening bij Van Lanschot Bankiers behoorde (mede) toe aan de verdachte; medeverdachte [medeverdachte] was tot deze rekeningen gerechtigd (b.m. 9 en 11). De facturen die [A] ontving voor de betaling van de huur werden door [G] aan [A] verstuurd op papier van [verdachte] . Het schijfje met daarop deze facturen was door medeverdachte [medeverdachte] aan penningmeester [betrokkene 4] van [G] verstrekt (b.m. 11). Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat [verdachte] de verhuurder was van het pand van [A] (b.m. 14). Conform een door de belastingdienst afgegeven beschikking, werd BTW over de huurprijs berekend (b.m. 2 en 3).2 Medeverdachte [medeverdachte] heeft aangiften omzetbelasting ten name van [verdachte] ingevuld en verstuurd (b.m. 15). In deze aangiftes is aangegeven dat [verdachte] geen omzetbelasting verschuldigd was (b.m. 4).

11. Het hof heeft overwogen dat uit het dossier niet is gebleken dat het huurcontract van [verdachte] is overgedragen aan een andere partij. Voor zover de steller van het middel meent dat het hof verzuimd heeft te reageren op het verweer dat de economische eigendom van de huurpenningen is overgedragen, mist de betreffende klacht derhalve feitelijke grondslag. Uit de bewijsmiddelen en hetgeen het hof heeft overwogen kan daarnaast worden afgeleid dat: - medeverdachte [medeverdachte] de facturen aan [A] heeft opgesteld; - de facturen aan [A] werden verstuurd op het papier van [verdachte] (de verdachte); - de door [A] betaalde huurpenningen terechtkwamen op de rekening van de verdachte; - medeverdachte [medeverdachte] gerechtigd was tot de betreffende rekening; - het geschetste scenario dat de verdachte de verhuurder niet zou zijn en ook niet de huurpenningen zou hebben ontvangen, als volstrekt ongeloofwaardig door het hof terzijde is geschoven. In het licht hiervan vindt het verweer, dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] er vanuit zijn gegaan dat niet de verdachte maar een derde de huur bij [A] in rekening bracht en de huurpenningen ontving, zijn weerlegging in de bewijsvoering. Van een alternatieve gang van zaken die niet door de bewijsmiddelen is uitgesloten, is geen sprake.

12. Het middel faalt.

13. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 2 niet uit de bewijsmiddelen volgt, althans dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op een gevoerd verweer.

14. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 2. bewezenverklaard dat:

“ [verdachte] op tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 maart 2006 tot en met 31 mei 2006 te Amersfoort telkens opzettelijk als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, deze opzettelijk niet voor dit doel beschikbaar heeft gesteld, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven.”

15. Deze bewezenverklaring steunt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, op de volgende bewijsmiddelen:

“12. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal, gevoegde schriftelijk bescheid als

bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een brief d.d. 20 maart 2006 van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi, kantoor Amersfoort, van [verbalisant 3] , namens de inspecteur, (D/25), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Aan [verdachte] , ter attentie van [medeverdachte] .

Hierbij deel ik u mede dat ik voornemens ben een boekenonderzoek bij u in te stellen inzake [verdachte] . Wat betreft de omzetbelasting is geen sprake van een eerder ingesteld boekenonderzoek. Het doel van het onderzoek is de verschuldigde omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2005 vast te stellen, alsmede de ingediende aangiften omzetbelasting over die periode te beoordelen op de volledigheid en juistheid van de op grond van artikel 29, lid 2, van de Wet op de omzetbelasting 1968 verschuldigd geworden belasting.

13. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal, gevoegde schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een brief d.d. 8 mei 2006 van de Belastingdienst/Utrecht- Gooi, kantoor Amersfoort, van [verbalisant 3] , namens de inspecteur, (D/27), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Op 18 april 2006 heb ik een brief gestuurd inzake [verdachte] tot op heden heb ik geen reactie vernomen. Om te komen tot een juiste aanslag over de gecontroleerde periode verzoek ik u de vragen te beantwoorden. De vragen heb ik hieronder opnieuw vermeld.

1. Bent u in het bezit van administratie inzake [verdachte] ?

2. Kunt u deze binnen een week na dagtekening van deze brief ter beschikking stellen?

3. Beschikt u over een volmacht van de penningmeester van de stichting?

4. wie maakt de facturen op jegens de huurder?

5. op welke rekening(en) worden de huurpenningen ontvangen?

U bent verplicht op grond van de artikelen 47, 49 en 52 Algemene wet inzake rijksbelastingen om medewerking te verlenen aan de controle, onder meer door het verstrekken van inlichtingen, alsmede een deugdelijke administratie te voeren.

(…)

16. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal, gevoegde in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] , ambtenaar van de belastingdienst en buitengewoon opsporingsambtenaar, opgemaakt proces-verbaal (bijlage G2-1) inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de getuige [verbalisant 3]:

Op 23 januari 2006 ben ik een controle begonnen bij [medeverdachte] zelf. Op 20 maart 2006 heb ik [medeverdachte] schriftelijk aangekondigd dat ik ook bij [verdachte] een onderzoek wilde instellen. Zelfs na het herhaaldelijk wijzen op de verplichting daartoe en de mogelijke strafrechtelijke gevolgen, heeft [medeverdachte] mij, namens [verdachte] , geen inzage in de administratie verleend. [medeverdachte] beriep zich bij het niet verstrekken van de administratie op overmacht. Bij een doorzoeking van de SIOD zou een deel van de administratie zijn meegenomen en deels in een chaos zijn achtergelaten. Bij navraag bij de SIOD hoorde ik dat er uitsluitend administratie van een andere verdachte is meegenomen en dat er zorgvuldig is opgetreden.”

16. In de hiervoor genoemde pleitnotities heeft de raadsman het volgende ter verdediging naar voren gebracht:3

“1. De verdediging merkt op dat met name met betrekking tot het onder 2. ten laste

gelegde, de veroordeling onjuist is. Uit bewijsstuk D/01 blijkt dat [betrokkene 5] in ieder geval op 21 november 2003 over de stukken heeft beschikt, die door cliënt waren uitgeleverd aan de Belastingdienst.

2. Het betrof hier de volledige administratie die zich onder cliënt bevond.

3. Waarom cliënt dan in 2006 niet bereid zou zijn om precies diezelfde administratie nog eens uit te leveren aan de Belastingdienst ontgaat de verdediging ten enenmale, zodat voor de stelling van het O.M. dat cliënt in 2006 onwillig was, elke grondslag ontbreekt. Er moet een andere reden zijn geweest, waarschijnlijk van praktische aard die het cliënt onmogelijk maakte om te voldoen aan de uitlevering van zijn administratie op de termijn die werd geëist door de Belastingdienst. Het ging hier immers om precies dezelfde administratie die in 2003 al werd uitgeleverd aan de Belastingdienst.

4. Sinds de uitlevering in 2003 van alle administratie, is er niets van enig belang aan die administratie toegevoegd.

(…)

63. Processtuk 13: brief van de belastingdienst d.d. 8 mei 2006 herinnering boekenonderzoek. Na langdurig privé- en kantoor boekenonderzoek door de belastingdienst, [verbalisant 3] , hetwelk [medeverdachte] veel tijd gekost had en welke tijd niet aan (productieve) werkzaamheden besteed kon worden, was [medeverdachte] hierna in deze periode zeer druk met werkzaamheden inzake een drijvend hotel project in Hongarije en een monument restauratie project in het centrum van Utrecht. Zijn veelvuldige afwezigheid van huis en kantoor verhinderde hem te voldoen aan de gestelde vragen en termijnen. Vanuit financieel oogpunt was het hem niet mogelijk om prioriteit te geven aan het verlangen van de belastingdienst, ook al omdat de belastingdienst alle administratie reeds eerder had gekregen en onderzocht (zie het verslag van [betrokkene 5] ).

64. Van onwil tot het verstrekken van informatie was geen sprake, er was slechts een praktische onmogelijkheid om tijdig te voldoen aan het wederom ter beschikking stellen van (dezelfde) administratie.

(…)

77. Van het opzettelijk niet voor raadpleging beschikbaar stellen van de boeken en

bescheiden van [verdachte] aan de Belastingdienst is geen sprake geweest. Immers waren alle boeken en bescheiden van de werkzame periode van [verdachte] reeds aan de belastingdienst ter beschikking gesteld en gecontroleerd (zie verslag [betrokkene 5] ). Slechts aan het nogmaals ter beschikking stellen binnen de aangegeven tijd kon door omstandigheden niet worden voldaan. Bovendien was er ná de werkzame periode van [verdachte] geen BTW-administratie meer. Onwil was er niet. Opzet evenmin.”

17. Art. 68, eerste lid, aanhef en onder b, AWR luidt:

“1. Degene die ingevolge de belastingwet verplicht is tot: (…)

b. het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, en deze niet voor dit doel beschikbaar stelt;”

En in het eerste lid van art. 69 AWR is bepaald dat:

“1 Degene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doet, niet binnen de daarvoor gestelde termijn doet, dan wel een der feiten begaat, omschreven in artikel 68, eerste lid, onderdelen a, b, d, e, f of g, wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting.”

18. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof heeft verzuimd te reageren op het hiervoor onder 16. weergegeven verweer. Ik merk op dat het hof inderdaad niet heeft gerespondeerd op het betoog dat de belastingdienst reeds in 2003 over de betreffende administratie beschikte en dat de vertegenwoordiger van de verdachte nadien in 2006 door overmacht was verhinderd de administratie wederom aan de belastingdienst te verschaffen. Dat is enigszins opvallend, in aanmerking genomen dat in de samenhangende zaak aan hetzelfde verweer door het hof wel een overweging is gewijd. Het uitblijven van een reactie in het onderhavige arrest, doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof echter niet af. Daarvoor wijs ik op het volgende.

19. Art. 69, eerste lid, AWR in verbinding met art. 68, eerste lid, onder b, AWR stelt strafbaar het opzettelijk niet voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, terwijl op grond van de belastingwet een verplichting bestaat voor het beschikbaar stellen hiervan.4

20. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan het volgende worden afgeleid. Aan de medeverdachte [medeverdachte] is (kennelijk in de hoedanigheid van bestuurder/voorzitter van de verdachte) op 20 maart 2006 namens de belastinginspecteur per brief aangekondigd dat bij de verdachte een boekenonderzoek zou worden ingesteld, met als doel om de verschuldigde omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2005 vast te stellen, alsmede de ingediende aangiften omzetbelasting over die periode te beoordelen op de volledigheid en juistheid van de verschuldigd geworden belasting. Een reactie van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] op deze aankondiging is uitgebleven. Daarop is de medeverdachte [medeverdachte] op 8 mei 2006 nogmaals aangeschreven. In dit schrijven valt in de eerste plaats te lezen dat medeverdachte [medeverdachte] inzake [verdachte] (de verdachte) op 18 april 2006 ook al een brief was gestuurd en in de tweede plaats dat hem een vijftal vragen is voorgelegd, met het verzoek deze te beantwoorden (b.m. 13). Dat heeft medeverdachte [medeverdachte] niet gedaan. Uit het als bewijsmiddel 16 opgenomen proces-verbaal van [verbalisant 1] , ambtenaar van de belastingdienst en buitengewoon opsporingsambtenaar, blijkt dat op 23 januari 2006 een controle bij medeverdachte [medeverdachte] is begonnen en dat op 20 maart 2006 hem schriftelijk is meegedeeld dat [verbalisant 1] ook bij de verdachte een onderzoek wil instellen. Medeverdachte [medeverdachte] heeft echter geen inzage verleend, ondanks het herhaaldelijk wijzen op de verplichting daartoe. Volgens het proces-verbaal van [verbalisant 1] (in cassatie niet bestreden) heeft medeverdachte [medeverdachte] zich bij het niet verstrekken van de administratie op overmacht beroepen: bij een eerdere doorzoeking door de SIOD zou een deel van de administratie zijn meegenomen en deels in een chaos zijn achtergelaten. Ook staat daarin vermeld dat uit navraag bij de SIOD (thans: Inspectie SZW) blijkt dat uitsluitend administratie van een andere verdachte is meegenomen en dat er zorgvuldig is opgetreden.

21. Dat het hof op grond van het voorgaande tot het oordeel is gekomen dat de verdachte opzet in de zin van art. 68, eerste lid, AWR heeft gehad zoals is bewezenverklaard, acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat medeverdachte [medeverdachte] als feitelijke leidinggever (bestuurder/voorzitter) van de verdachte meermalen heeft verzuimd de benodigde administratie met betrekking tot de verdachte aan de belastingdienst ter beschikking te stellen en hij in samenhang daarmee een beroep op overmacht heeft gedaan, waaruit ook het opzettelijk handelen in het onderhavige geval kan worden afgeleid. De bewezenverklaring is derhalve voldoende met redenen omkleed.

22. Het middel faalt.

23. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81, eerste lid, RO bedoelde motivering.

24. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

25. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 295 en 296.

2 De verhuur van onroerende zaken is in principe vrijgesteld van omzetbelasting. Onder voorwaarden kan op grond van art. 11, eerste lid, sub b onder 5° Wet op de omzetbelasting 1968 de verhuur worden belast. Zie thans de Beleidsregels Omzetbelasting, levering en verhuur van onroerende zaken (Stcrt. 2013/26851).

3 Ik merk op dat aan het betreffende proces-verbaal niet de eerste drie pagina’s van de pleitnota zijn gehecht. Hoewel in principe het proces-verbaal van de terechtzitting de enige kenbron is van de verweren die aldaar zijn gevoerd, wil ik er wel van uitgaan dat de ontbrekende pagina’s – waaruit geciteerd wordt in de schriftuur en welke wel zijn gehecht aan het onderzoek ter terechtzitting van diezelfde datum in de samenhangende zaak – op de terechtzitting zijn voorgedragen.

4 In de toelichting op het middel worden enige arresten aangehaald, die echter zien op bedrieglijke bankbreuk waarbij geen administratie is gevoerd en op het niet tijdig doen van aangifte.