Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1519

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-12-2017
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
16/03375
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:185
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Mishandeling, meermalen gepleegd. Falende klacht over verwerping van een beroep op noodweer, noodweerexces en putatief noodweer. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03375

Zitting: 12 december 2017

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 15 juni 2016 door het gerechtshof Den Haag wegens 1 subsidiair en 2 “mishandeling, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren (subsidiair 60 dagen hechtenis), waarvan 40 uren (subsidiair 20 dagen hechtenis) voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als nader in het arrest omschreven.

  2. Namens de verdachte heeft mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te Den Haag, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt over de verwerping door het hof van het beroep op noodweer dan wel noodweerexces in het verband van feit 1 subsidiair. Het tweede middel klaagt over de verwerping door het hof van het beroep op noodweer dan wel putatief noodweer ten aanzien van feit 2. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1 subsidiair.

hij op 13 september 2014 te ‘s-Gravenhage opzettelijk een persoon (te weten [betrokkene 1]) in het gezicht heeft geslagen, waardoor voornoemde [betrokkene 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.

hij op 13 september 2014 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon (te weten [betrokkene 2]), een kopstoot heeft gegeven, waardoor deze pijn heeft ondervonden.”

5. Deze bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde

1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 13 september 2014 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500- 2014218793-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 32 e.v.):

als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Op 13 september 2014 was ik in Den Haag, buiten bij het Maliehuisje. Ik zag een jongen staan met een lang postuur en er kwam een kleinere jongen op mij af rennen. Hij had een blauw/wit geblokt shirt aan. Na een aantal klappen in mijn gezicht viel ik op de grond. Ik weet dat de jongen met het blauw/wit gestreepte (het hof begrijpt: geblokte) shirt de ex-vriend van [betrokkene 3] is.

2. Een proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 13 september 2014 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500- 2014218793-8. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 40 e.v.):

als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Ik heb kneuzingen en zwellingen in mijn gezicht. Er bloedt een wondje onder mijn ogen. Ik heb nog erg veel pijn. De ex van [betrokkene 3] heet [verdachte].

3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 28 september 2014 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500-2014218793-28. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijke weergegeven - (blz. 82):

als de op genoemde datum afgelegde verklaring van de medeverdachte [betrokkene 4]:

Twee weken geleden is er wat gebeurd bij het Maliehuisje. Ik was uit met [verdachte]. [verdachte] moest het Maliehuisje verlaten. Ik ben ook weggegaan. Opeens zag ik dat er een man aan kwam lopen. De man pakte mij vast en ik heb mij losgerukt. Ik zag vervolgens dat [verdachte] kwam, dat de man [verdachte] vastpakte en [verdachte] die man sloeg. Ik zag dat [verdachte] die man meerdere malen heeft geslagen.

4. Een proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 13 september 2014 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500- 2014218793-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 44):

als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:

Op 13 september 2014 was ik in het Maliehuisje in Den Haag. Ik was daar met mijn zusje. Ik ging naar buiten. Ik zag [verdachte] staan. Ik zag dat [verdachte] met zijn hoofd met snelheid richting mijn hoofd bewoog. Ik voelde een pijnscheut in mijn lip.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde

5. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 26 september 2014 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500-2014218793-13. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 78 e.v.):

als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [verdachte], de verdachte:

Twee weken geleden was ik in het Maliehuisje (het hof begrijpt: in Den Haag). [betrokkene 3], mijn ex, was er ook. Zij was in het gezelschap van haar broer, [betrokkene 2]. Ik ging naar buiten. Daar gaf ik [betrokkene 2] een kopstoot. Kort daarna heb ik buiten een andere jongen een vuistslag gegeven in zijn gezicht. De jongen viel op de grond. Het letsel wat die jongen heeft opgelopen moet door mij zijn veroorzaakt.

6. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 1 juni 2016 verklaard - zakelijk weergegeven -:

In de nacht van 12 op 13 september 2014 was ik in het Maliehuisje in Den Haag. Ik zag dat [betrokkene 2] binnen kwam samen met zijn zus [betrokkene 3], mijn ex-vriendin. Ik ging naar buiten. Daar heb ik [betrokkene 2] een lichte kopstoot en [betrokkene 1] een klap gegeven.”

6. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte aldaar aan de hand van haar pleitnota aangevoerd:

“Feiten en omstandigheden 13 september 2014

(…)

6. Op 22 maart 2016 heeft de Hoge Raad een overzichtsarrest gewezen ter zake de strafuitsluitingsgronden van (putatief) noodweer(exces). Op 17 mei 2016 heeft de Hoge Raad wederom een arrest gewezen en daarbij een arrest van het Hof Haag gecasseerd waar een noodweer-verweer in was gevoerd. De Hoge Raad heeft daarbij relevante overwegingen uit voornoemd arrest herhaald.
7. […] stelt de verdediging vast dat een beroep op noodweer in beginsel niet kan worden verworpen op de grond, dat verzoeker zich aan de confrontatie met de aangever had kunnen onttrekken (vgl. HR 22 november 2011, UN BT6449; HR 15 november 2011, UN BQ6110 en HR 12 juli 2011, UN BQ6720). Voorts is in de jurisprudentie uitgemaakt dat niet uitsluitend paniek- of angstgevoelens een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in art. 41 lid 2 Sr kunnen veroorzaken, maar een hevige gemoedsbeweging kan ook ontstaan als gevolg van de door de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding gewekte woede (HR 21 oktober 2008, UN BD7821, NJ 2008, 561). 8. Met inachtneming van het voorgaande, is de verdediging van oordeel dat op basis van bovenstaande feiten en omstandigheden er geen andere conclusie kan volgen, dan dat cliënt gerechtvaardigd heeft gehandeld uit (putatief) noodweer(exces). In het bijzonder is hierbij het volgende van belang.

Ten aanzien van feit 2 – putatief noodweer: OVAR

9. Er was nog geen sprake van een daadwerkelijke aanranding door [betrokkene 2] van cliënt, toen cliënt hem een kopstoot gaf. Maar wel was sprake van een 'onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding', welk gevaar op zichzelf als aanranding in de zin van artikel 41 Sr kan worden aangemerkt. Voor zover uw Hof zou menen dat dat onmiddellijk dreigende gevaar er (nog) niet was, was in elk geval sprake van verontschuldigbare dwaling; cliënt kon en mocht redelijkerwijs menen dat hij zich moest verdedigen tegen [betrokkene 2] op de wijze zoals hij heeft gedaan, omdat hij zich verontschuldigbaar het dreigende gevaar mocht inbeelden en ook het gevaar aldus beoordelen.

10. Immers, [betrokkene 2] is tot driemaal toe agressief en bedreigend naar cliënt toe gekomen. Tweemaal in het Maliehuisje, terwijl cliënt op een kruk zat. De derde keer direct nadat cliënt eruit was gezet en de gespannen situatie volledig over was. [betrokkene 2] is toen wéér, op eigen initiatief, zelf de confrontatie met cliënt op gaan zoeken. Hij kwam snel op hem aflopen, agressief, met grote kwade ogen en kwam heel dicht op het gezicht van [verdachte] staan. Dat [betrokkene 2] zich agressief gedroeg, wordt bovendien bevestigd door de portiers die hem eerder in het café al weghaalden en tegen hem zeiden dat hij rustig moest doen. Dit en zijn eerdere agressieve gedrag en woordelijke bedreigingen is zeer intimiderend gedrag waarmee [betrokkene 2] zelf willens en wetens tot driemaal toe een confrontatie opzoekt en een gewelddadige verdedigingsreactie uitlokt. Het is in de optiek van de verdediging dan ook duidelijk dat [betrokkene 2] (toen hij naar buiten op cliënt af kwam) zonder meer uit was op ruzie en een fysieke confrontatie met cliënt.

11. Let wel, cliënt is op geen enkel moment gedurende die avond naar [betrokkene 2] toegegaan of heeft anderszins de confrontatie opgezocht! Hij heeft op een barkruk gezeten en is, nadat hij eruit was gezet, zelfs naar de hoek van de straat gelopen om daar rustig op zijn jas te wachten. Maar [betrokkene 2] nam daar geen genoegen mee en was eenvoudigweg uit op een fysieke confrontatie met cliënt.

12. Onder deze omstandigheden was sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding, althans mocht cliënt gerechtvaardigd in de veronderstelling zijn dat [betrokkene 2] niet naar hem toe kwam om rustig te praten, maar om hem wederrechtelijk aan te randen. Cliënt had zich al eerder onttrokken aan de situatie en nu [betrokkene 2] dermate dicht op hem en zijn gezicht stond en hem op blééf zoeken, was er geen reële en redelijke mogelijkheid meer voor cliënt om zich (wederom) te onttrekken aan de situatie en hij had dat ook niet gemoeten. Omdat [betrokkene 2] zo dicht op hem stond, kon hij hem feitelijk ook niet wegduwen of anderszins hen uit elkaar halen. De afstand tussen hen was te kort om zijn armen ertussen te krijgen om een duw te kunnen geven of een klap. Het enige wat hij nog kon ter noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf, was een kopstoot geven. De kopstoot was bovendien niet met kracht en was tegen de lip (niet de neus!), waarvan [betrokkene 2] kennelijk ook geen letsel heeft opgelopen.

13. Naar het oordeel van de verdediging moet - op grond van het bovenstaande - geconcludeerd worden dat cliënt heeft gehandeld uit (putatief) noodweer en voldoet zijn handelen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Ten aanzien van feit 2 dient cliënt dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

[…]

Ten aanzien van feit 1 - subsidiair: noodweerexces) OVAR

15. Toen vervolgens aangever [betrokkene 1] naar buiten kwam en die de vechtpartij met [betrokkene 4] initieerde, was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [betrokkene 4]. Opvallend is dat ook hierbij weer geldt, dat cliënt noch [betrokkene 4] op enig moment de confrontatie met de aangevers hebben opgezocht of uitgelokt. Het is [betrokkene 1], die onnodig naar buiten komt om verhaal te halen over / voor [betrokkene 2]. [betrokkene 2] was immers al teruggelopen naar het Maliehuisje en het incident tussen cliënt en [betrokkene 2] was al voorbij.

16. Cliënt heeft in al zijn handelen duidelijk laten zien niet uit te zijn geweest op een vechtpartij. Cliënt was ook al weggerend na het incident met [betrokkene 2] naar Hotel Des Indes. Pas toen hij zag dat [betrokkene 4] werd aangevallen door [betrokkene 1], is hij teruggegaan om zijn vriend te ontzetten. Van cliënt kan en mag niet verwacht worden dat hij zich in zo een geval, wanneer zijn vriend wordt aangevallen, moet omdraaien en zijn vriend moet achterlaten. De situatie voor [betrokkene 4] was op dat moment zo bedreigend - mede gelet op de aanwezigheid van [betrokkene 2] daar nog en de algeheel vijandige sfeer - dat onttrekken aan de situatie geen reëel of redelijk alternatief was voor [verdachte]. Cliënt moest ertussen komen om de confrontatie te stoppen en [betrokkene 4] te ontzetten. Hij is er niet met het spreekwoordelijke 'gestrekte been' ingegaan, maar heeft geprobeerd de aanval te stoppen door ertussen te komen. Toen hij daarbij van [betrokkene 1] een klap in zijn gezicht kreeg, was wederom sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [betrokkene 1]. De verdediging van cliënt tegen zowel de aanranding van [betrokkene 4] als tegen die van hemzelf, was dan ook noodzakelijk en geboden.

17. Gelet op de voorgeschiedenis met [betrokkene 2], was de omgeving van het Maliehuisje inclusief de portiers en vrienden van [betrokkene 2] een zeer vijandige omgeving waar cliënt en [betrokkene 4] snel vandaan moesten voordat een en ander nog meer uit de hand zou lopen. Iets wat cliënt nooit heeft gewild en wat bovendien uit (de uiterlijke verschijningsvorm van) zijn gedrag ook niet blijkt. Zijn gedrag of dat van [betrokkene 4] is nimmer in de kern aanvallend geweest of aan te merken als 'uit op een confrontatie', maar juist terughoudend en de-escalerend (door op de kruk te blijven zitten, door geen tegenspraak te geven toen hij eruit werd gezet, maar dit te accepteren en zelfs verderop te gaan staan om te wachten op zijn jas).

18. De verdediging stelt zich dan ook primair op het standpunt dat cliënt ten aanzien van feit 1 subsidiair een beroep op noodweer toekomt. Hij heeft enkel met zijn hand geslagen, in de worsteling om [betrokkene 4] te ontzetten en los te komen van de fysieke confrontatie. Zijn handelen was noodzakelijk ter verdediging van het lijf van [betrokkene 4] en dat van hemzelf.

19. Mocht uw Hof van oordeel zijn dat de handelingen van cliënt niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit zouden voldoen, dan stelt de verdediging zich op het standpunt dat sprake is van noodweerexces. Als onmiddellijk gevolg van die vijandige omgeving, het steeds weer opzoeken en uitlokken van agressie door de aangever(s), de eerdere bedreigingen door en confrontatie met [betrokkene 2] en ten slotte de hieropvolgende aanranding door [betrokkene 1] van zijn (onschuldige) vriend [betrokkene 4] die hierdoor ten onrechte ook nog eens bij deze problemen betrokken raakte, is bij cliënt een hevige gemoedsbeweging ontstaan die aanleiding is geweest tot zijn gedragingen jegens [betrokkene 1]. Dat deze gedragingen (wellicht) de grenzen van de noodzakelijke verdediging hebben overschreden - quod non -, maakt niet dat cliënt hiervoor strafbaar is, gelet op het voorgaande. Gelet op de feiten en omstandigheden van dit geval, een en ander in samenhang bezien, komt cliënt dan ook een gerechtvaardigd beroep op noodweer(exces) toe, zodat hij voor feit 1 subsidiair dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.”

7. Het hof heeft het aangevoerde als volgt samengevat en verworpen:

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde - overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotities - op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt en dat hij daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zowel het lijf van zijn vriend als zijn eigen lijf. De verdachte heeft zich daartegen verdedigd. Die verdediging was noodzakelijk en geboden, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Bij de vaststelling van de feiten neemt het hof als uitgangspunt de verklaring van [betrokkene 4], vriend van de verdachte, die bij het feit aanwezig was. [betrokkene 4] verklaart dat hij door de aangever werd vastgepakt en dat hij zich heeft losgerukt. Vervolgens kwam de verdachte erbij. Toen de aangever de verdachte vastpakte, sloeg de verdachte de aangever. De aangever en de verdachte kwamen op de grond terecht en de verdachte sloeg toen de aangever meerdere keren.

Uit deze verklaring volgt dat [betrokkene 4] zich reeds had losgerukt uit de greep van de aangever op het moment dat de verdachte erbij kwam (en dus ook op het moment dat de verdachte de aangever in het gezicht sloeg). Gelet hierop is het hof met de politierechter van oordeel dat geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eens anders lijf. Evenmin aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes eigen lijf. Anders dan de verdachte, verklaart zijn vriend [betrokkene 4] niet dat de verdachte door de aangever werd geslagen voordat de verdachte de aangever in het gezicht sloeg. Ook overigens vindt de verklaring van de verdachte als voormeld geen steun in het dossier.

Gelet op het vorenstaande verwerpt het hof het beroep op noodweer.

Op grond van de voormelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt.

Het beroep op noodweerexces wordt ook verworpen.

(…)

Het onder 2 bewezen verklaarde

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich - wederom overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotities - op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op noodweer dan wel. putatief noodweer toekomt en dat hij daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf, dan wel dat de verdachte redelijkerwijs kon en mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof vast dat de aangever naar de verdachte is toegelopen en dat zij vervolgens - op straat - vlak bij elkaar stonden. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf, waartegen verdediging noodzakelijk was. De geschetste feiten en omstandigheden leveren een dergelijk onmiddellijk dreigend gevaar niet op. Evenmin leveren die feiten en omstandigheden een situatie op waarin de verdachte abusievelijk doch verschoonbaar heeft kunnen menen dat het noodzakelijk was zichzelf te verdedigen. Het hof verwerpt het beroep op (putatief) noodweer.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezen verklaarde en van de verdachte uitsluit. Het onder 2 bewezen verklaarde en de verdachte zijn dus strafbaar.”

8. Vooropgesteld dient te worden dat de Hoge Raad in het overzichtsarrest van 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 m.nt. Rozemond met betrekking tot de onderhavige strafuitsluitingsgronden heeft overwogen:

“ Aan de beoordeling van de middelen voorafgaande beschouwing

Inleiding

(…)

3.1.2.

Indien door of namens de verdachte een beroep op noodweer, noodweerexces of putatieve noodweer is gedaan, moet de rechter een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer. Dan zal hij moeten onderzoeken of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. In dat verband kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten, al behoeft de omstandigheid dat een verdachte de hem tenlastegelegde gedraging ontkent, niet zonder meer aan het slagen van een subsidiair gedaan beroep op noodweer(exces) in de weg te staan. Bij de beoordeling van het beroep kunnen nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn, waarbij de rechter de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen. Indien de rechter het beroep verwerpt, dient hij duidelijk te maken of hij de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht, dan wel of die toedracht het beroep niet kan doen slagen.

Wettelijke omschrijving

3.2.

Art. 41 Sr luidt:

"1. Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

2. Niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt."

Verdediging van specifieke rechtsgoederen

3.3.

Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als "verdediging", maar - naar de kern bezien - als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.

Uit de omschrijving van noodweer in art. 41 Sr volgt dat het bij deze strafuitsluitingsgrond gaat om de verdediging van limitatief opgesomde rechtsgoederen: "lijf, eerbaarheid of goed". Onder die rechtsgoederen is het enkele huisrecht niet begrepen. Voorts volgt uit art. 41 Sr dat het beschermde rechtsgoed bij de verdachte zelf of bij een ander kan worden aangerand. Noodweer strekt dus verder dan zelfverdediging.

Onder omstandigheden kan ook sprake zijn van de aanranding van een "lijf" indien de bewegingsvrijheid wederrechtelijk wordt beperkt. Het begrip "eerbaarheid" is niet zo ruim dat dat dat wordt aangerand door een belediging. (…).

Ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding

3.4.

Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een "ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding". Van een "ogenblikkelijke" aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van art. 41 Sr. Er is geen "wederrechtelijke" aanranding wanneer bijvoorbeeld de politie rechtmatig dwangmiddelen toepast of wanneer de verdachte zich op zijn beurt verdedigt tegen iemand die zelf in noodweer handelt als reactie op een daarvóór gepleegde aanranding. Wanneer de aanranding is geëindigd, is een beroep op noodweer niet (meer) mogelijk.

(….)

Verdediging moet geboden zijn

3.5.3.

De proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij - als verdedigingsmiddel - niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De in dat verband - tot terughoudendheid nopende - maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. Zo staat in beginsel het met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond niet in verhouding met een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist.

(…)

Noodweerexces

3.6.1.

Noodweerexces kan in beeld komen bij een "overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging", dus wanneer aan alle voorgaande eisen is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis. Wat de subsidiariteitseis betreft, verdient opmerking dat voor een beroep op noodweerexces geldt dat er wel een noodzaak tot verdediging moet zijn of moet zijn geweest.

3.6.2.

Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:

a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien

b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

3.6.3.

Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het "onmiddellijk gevolg" moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer.

Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde "onmiddellijk gevolg", kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. Voorts kan het tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling van belang zijn.

3.6.4.

Niet op voorhand kan worden uitgesloten dat een beroep op noodweerexces mogelijk is in gevallen waarin de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding niet direct van het slachtoffer zelf uitging. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen in situaties waarin het slachtoffer wel een aandeel had in de aanranding of de dreiging daarvan, of waarin sprake was van andere gedragingen van het slachtoffer waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die ertoe hebben geleid dat de verdachte - handelende in een hevige gemoedsbeweging - zich op het slachtoffer richtte.

Enkele bijzondere onderwerpen

Verontschuldigbare dwaling ten aanzien van noodweer

(…)

3.7.2.

Indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op zogenoemde putatieve noodweer, zal de rechter moeten onderzoeken of sprake was van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. (Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316.) "

9. Wat betreft feit 1 subsidiair heeft het hof op basis van het procesdossier vastgesteld dat hetgeen in het verweer omtrent de feitelijke toedracht door de verdachte naar voren is gebracht, niet aannemelijk is geworden en geoordeeld dat (i) geen sprake is geweest van een noodweersituatie en (ii) reeds daarom ook het beroep op noodweerexces geen doel treft. Dat aan de verwerping van het beroep op noodweer(exces) ten grondslag liggende oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Voor zover het middel tevens bedoelt te betogen dat voor de beoordeling van het beroep op noodweer(exces) de feiten steun moeten vinden in de bewijsmiddelen, stelt het een eis die het recht niet kent.

10. Het eerste middel faalt.

11. Aangaande ’s hofs verwerping van het beroep op noodweer respectievelijk putatief noodweer met betrekking tot feit 2, wordt in de toelichting op het middel “in de eerste plaats” gesteld dat het hof niet duidelijk heeft gemaakt of het de door en namens de verdachte uitdrukkelijk aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht of dat het die toedracht onvoldoende acht om het beroep te doen slagen.

12. Daarin kan ik de toelichting op het middel niet volgen. Het hof heeft uitdrukkelijk overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een onmiddellijk dreigend gevaar etc. en dat de geschetste feiten en omstandigheden een dergelijk onmiddellijk dreigend gevaar niet opleveren. Onder deze feiten en omstandigheden is mede begrepen de door de toelichting op het middel genoemde vaststelling van het hof dat de verdachte en aangever [betrokkene 2] “vlak bij elkaar stonden”. Overigens, het andere punt waarop de toelichting in dit verband wijst, te weten dat de verdediging heeft aangevoerd dat [betrokkene 2] zelfs met zijn hoofd tegen het hoofd van de verdachte kwam staan, maakt dat niet anders.

13. “In de tweede plaats” betoogt de toelichting op het middel dat het oordeel van het hof dat een onmiddellijk dreigend gevaar niet aannemelijk is geworden en zijn oordeel dat evenmin sprake is van putatief noodweer zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk zijn, mede in aanmerking genomen dat het hof slechts heeft gewezen op de geschetste feiten en omstandigheden terwijl “volstrekt onduidelijk is” op welke feiten en omstandigheden het hof dan precies doelt.

14. Ik meen dat het volkomen duidelijk is naar welke feiten en omstandigheden het hof hier verwijst – ook de steller van het middel heeft deze feiten en omstandigheden onder “In de eerste plaats” aangehaald – nu zij slechts twee volzinnen daarvoor door het hof zijn genoemd: de aangever is naar de verdachte toegelopen en zij stonden vervolgens vlak bij elkaar op straat. Op grond daarvan heeft het hof tevens geoordeeld dat geen sprake was van een situatie waarin de verdachte abusievelijk doch verschoonbaar kon menen dat het noodzakelijk was zichzelf te verdedigen.

15. Het aan de verwerping van het beroep op noodweer respectievelijk putatief noodweer ten grondslag liggende oordeel van het hof dat geen sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding en evenmin sprake was van putatief noodweer, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.

16. Het tweede middel faalt eveneens.

17. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

18. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG