Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1513

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-12-2017
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/03553
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:165
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Witwassen en hawala-bankieren, art. 420bis.1.b Sr. 1. Uos dat niet kan worden bewezen dat aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf en dat verdachte dat wist. 2. Hof heeft weigering van verdachte om een verklaring te geven over herkomst van geldbedrag gebruikt als rechtvaardiging dat het vermoeden van witwassen juist is. Schending nemo tenetur beginsel en art. 6.1 EVRM? HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03553

Zitting: 12 december 2017 (bij vervroeging)

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 11 juli 2016 door het hof Arnhem‑Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden wegens “witwassen” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Het hof heeft voorts het in beslag genomen geldbedrag van € 150.000,- verbeurdverklaard.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mrs. M. Berndsen en K. Canatan, beiden advocaat te Amsterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel richt zich de motivering van de bewezenverklaring.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 27 maart 2015, te Amsterdam, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, een contant geldbedrag van 150.000 euro voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dit contante geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.”

5. Het verkort arrest bevat – voor zover voor de beoordeling van het middel relevant – de volgende bewijsoverweging1:

“Uit het dossier is gebleken dat verdachte op 27 maart 2015 te Amsterdam een geldbedrag van € 150.000,-- in contanten voorhanden heeft gehad. Verdachte heeft zich consequent beroepen op zijn zwijgrecht, met uitzondering van zijn (summiere) verklaring afgelegd op 8 april 2015 ten overstaan van de rechter-commissaris in de rechtbank Overijssel. Daar heeft hij enkel aangegeven: “Het ging om Hawala-bankieren. Ik weet niet waar het geld vandaan kwam.”

Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsman bepleit dat verdachte integraal vrijgesproken dient te worden. Hij heeft hiertoe het navolgende aangevoerd.

Allereerst is niet bewezen dat het geldbedrag van € 150.000,-- een misdadige herkomst heeft. Het dossier bevat geen bewijsmiddelen op grond waarvan een rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf. Een veroordeling voor witwassen kan in dat geval slechts volgen indien het niet anders kan dan dat het geldbedrag van misdrijf afkomstig is. Ook dit blijkt niet/onvoldoende uit het dossier. Weliswaar zijn witwastypologieën aanwezig, maar deze rechtvaardigen niet voornoemde conclusie; er is namelijk sprake geweest van Hawala-bankieren en de witwastypologieën zijn daarvoor kenmerkend.

Er dient derhalve sprake te zijn van bijkomende feiten en omstandigheden die maken dat het om strafbaar gedrag zou gaan, welke ontbreken. Tevens levert ook het niet afleggen van een (concretere) verklaring over de herkomst van het geldbedrag door verdachte geen bewijs op. Het verlangen van een dergelijke verklaring zou in strijd zijn met het nemo tenetur beginsel en in het verlengde daarvan met artikel 6 EVRM. Immers, dit zou mogelijk een bekentenis kunnen opleveren ten aanzien van het plegen van een ander strafbaar feit, zoals bijvoorbeeld de overtreding van de Wet op het financieel toezicht.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het dossier geen bewijs bevat voor wetenschap of het redelijkerwijs moeten vermoeden dat het geld afkomstig is van misdrijf. Concrete aanwijzingen hiervoor ontbreken, aldus de verdediging.

Het hof overweegt als volgt.

Toetsingskader bestanddeel ‘uit enig misdrijf afkomstig’

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt ter zake van dit bestanddeel het navolgende. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, kan onder een verdachte aangetroffen geld niettemin aangemerkt worden als ‘uit enig misdrijf afkomstig’, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Specifiek ter zake van witwassen en Hawala-bankieren is overwogen: “Het oordeel van het Hof dat de geldbedragen die verdachte en zijn mededaders in het kader van het bedrijf van betaaldienstverlener zonder vergunning hebben verworven en/of voorhanden hebben gehad en/of hebben overgedragen “daarmee” van misdrijf afkomstig zijn, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Vermogensbestanddelen kunnen immers in beginsel slechts worden aangemerkt als “afkomstig (…) uit enig misdrijf” in de zin van de art. 420bis en 420quater Sr indien zij afkomstig zijn van een misdrijf gepleegd voorafgaand aan het verwerven en/of voorhanden hebben en/of het overdragen daarvan, terwijl de bewezenverklaring kennelijk niet ziet op de mogelijke opbrengst of verdiensten van het zonder vergunning in het kader van het bedrijf van betaaldienstverlener handelen met betrekking tot gelden.” Hieruit blijkt dat het enkele feit dat sprake is van Hawala-bankieren niet per definitie met zich meebrengt dat het betreffende geldbedrag dus van misdrijf afkomstig is. Er dienen bijkomende feiten en omstandigheden te zijn die duiden op de aanwezigheid van crimineel geld. De vastgestelde feiten en omstandigheden kunnen het vermoeden van witwassen rechtvaardiging en gelet daarop mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. In dit kader overwoog de Hoge Raad: “Het hof heeft voorts geoordeeld dat de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het geldbedrag. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Daarvan uitgaande is het oordeel van het hof dat “het niet anders kan zijn dan dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag – middellijk of onmiddellijk – van misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dit wist” niet onbegrijpelijk.”

De feiten en omstandigheden in het onderhavige geval

Uit het dossier blijkt het navolgende.

Verdachte spreekt op 27 maart 2015 af met een onbekend gebleven persoon om elkaar te ontmoeten aan de [a-straat 1] te Amsterdam. Afgesproken wordt dat de onbekende persoon ‘spullen’ komt brengen. Vervolgens vindt deze ontmoeting plaats waarbij verdachte op de Ookmeerweg contact maakt met de bestuurder van een zwarte Opel, die ter hoogte van perceelnummer 249 is gestopt. Uiteindelijk stapt verdachte – met lege handen – als bijrijder in de Opel. Een minuut later stapt verdachte weer uit en heeft hij een gevulde plastic Albert Heijn tas vast. Verdachte loopt met de tas naar een witte Opel Combo, stapt aan de bestuurderskant in en rijdt weg. De politie besluit de auto van verdachte te doen stoppen. Een onopvallend dienstvoertuig wordt geplaatst voor de auto van verdachte. Verdachte besluit hierop zijn weg te vervolgen door weg te rijden via de berm. Hierop wordt door verschillende onopvallende dienstvoertuigen, die nu optische en geluidssignalen voeren, de achtervolging ingezet. Op de Osdorperweg te Amsterdam kan één van de voertuigen voor verdachtes auto komen om hem te doen stoppen. Ook nu tracht verdachte echter weg te rijden door achteruit te rijden. Andere dienstvoertuigen kunnen dit echter verhinderen. De auto van verdachte wordt doorzocht en op de vloer voor de passagiersstoel wordt de Albert Heijn tas aangetroffen met daarin een rode plastic tas met het opschrift ‘Dirk’. In deze tas wordt een contant geldbedrag van € 150.000,- in 700 biljetten van € 100,-- en 4000 biljetten van € 20,-- aangetroffen. Blijkens informatie van de Infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen verhoudt voornoemd geldbedrag zich niet tot het bekende inkomen en vermogen van verdachte. Tevens is niet gebleken dat, na de aanhouding van verdachte, en de inbeslagname van het geld, iemand het geld heeft opgeëist.

Beoordeling

Het hof stelt voorop dat op basis van het dossier geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf.

Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat verschillende witwastypologieën rechtstreeks op onderhavige zaak van toepassing zijn. Het betreft bijvoorbeeld de navolgende witwastypologieën met betrekking tot contant geld:

- De wijze waarop het geldt wordt vervoerd en/of aangeboden; in casu contant in een plastic tas, welke weer in een plastic tas zit.

- Het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld in diverse valuta; in casu gaat het om een aanzienlijk geldbedrag in een groot aantal verschillende kleine(re) biljetten.

- Het fysiek vervoeren van grote bedragen in contanten brengt een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich; in casu wordt het contante geldbedrag in de plastic tas vervoerd door verdachte in zijn auto terwijl de plastic tas gewoon op de vloer aan de passagierszijde ligt.

- Het geld ongeteld aanleveren; in casu is de overdracht van het geld van de onbekende persoon aan verdachte in een dusdanig korte tijd gebeurd dat een dergelijk groot bedrag onmogelijk (na)geteld kan zijn.

Het hof stelt echter – anders dan de verdediging – vast dat er naast deze typologieën ook bijkomende feiten en omstandigheden zijn, die niet direct inherent zijn aan/kenmerkend zijn voor het Hawala-bankieren en die wel (kunnen) duiden op de aanwezigheid van crimineel geld. Zo is bijvoorbeeld sprake van versluierd taalgebruik bij het maken van de afspraak (te weten het niet noemen van namen of expliciet benoemen wat er gebracht gaat worden), van het in uitzonderlijk korte tijd overdragen van contant geld in met name kleine coupures op een openbare, (relatief) rustige plek, te weten de openbare weg, niet zijnde in bijvoorbeeld het stadscentrum, van het vluchten voor de politie wanneer deze het voertuig van verdachte staande proberen te houden en van het na aanhouding van verdachte en inbeslagname van het geld niet opeisen van het geldbedrag door een rechthebbende.

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat de vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen kunnen rechtvaardigen. Gelet hierop mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Verdachte heeft in dit kader echter enkel volstaan met de mededeling dat het ging om Hawala-bankieren en voor het overige in alle toonaarden gezwegen. Verdachte heeft derhalve geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijke verklaring gegeven voor de herkomst van het geldbedrag. Het poneren van de enkele stelling dat het om Hawala-bankieren ging acht het hof hiervoor onvoldoende. Het hof is daarbij – anders dan bepleit – van oordeel dat het verlangen van een dergelijke (concretere) verklaring niet per definitie met zich meebrengt dat verdachte zichzelf zal belasten in het kader van een ander strafbaar feit, dan wel dat dit spanning oplevert met het nemo tenetur-beginsel/art. 6 EVRM. Verdachtes verklaring is dermate summier dat hij ook zonder zich mogelijk te belasten meer informatie had kunnen en moeten verstrekken over de toedracht van de geldoverdracht, de herkomst van het geldbedrag en de afdracht aan de beoogde ontvanger van het geldbedrag.

Uit het voorgaande concludeert het hof dat het niet anders kan zijn dan dat het bij verdachte aangetroffen geldbedrag – middellijk of onmiddellijk – van misdrijf afkomstig is.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Beoordeling bestanddeel ‘wetenschap’

Op grond van bovengenoemde feiten, omstandigheden en overwegingen is het hof eveneens van oordeel dat verdachte wist dat het geldbedrag – middellijk of onmiddellijk – afkomstig was uit enig misdrijf. Anders dan de raadsman ziet het hof hiertoe voldoende aanwijzingen. Ook dit op vrijspraak gerichte verweer van de raadsman wordt verworpen.”

6. Het middel houdt kort gezegd in dat het hof de afwijking van de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten dat niet kan worden bewezen dat het aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf en dat verdachte dat wist, ontoereikend heeft gemotiveerd.

7. Gelet op de hierboven geciteerde bewijsoverweging heeft het hof de bewijsverweren van de verdediging kennelijk aangemerkt als uitdrukkelijk onderbouwde standpunten en deze verweren gemotiveerd verworpen. Voor zover een responsieplicht bestond, heeft het hof daaraan dus voldaan. In cassatie resteert daarmee de toets of de motivering niet ontoereikend of onbegrijpelijk is.

8. Voor zover het middel (mede) zou berusten op de stelling dat hawala‑bankieren en witwassen elkaar (volledig) uitsluiten het volgende. De opvatting dat wanneer vaststaat dat sprake is van hawala-bankieren het tenlastegelegde witwassen niet bewezen kan worden, is niet juist. Weliswaar levert hawala‑bankieren op zichzelf niet zonder meer een vermoeden van witwassen op,2 maar deze verboden manier van bankieren kan zowel plaatsvinden ten aanzien van geld dat een legale herkomst heeft als geld met een criminele herkomst. In het laatste geval kan het enkele voorhanden hebben van dat geld in beginsel worden aangemerkt als witwassen.3 Zo kunnen hawala‑bankieren en witwassen ten aanzien van hetzelfde geldbedrag naast elkaar bestaan.

9. Blijkens de hiervoor geciteerde bewijsoverweging heeft het hof allereerst vastgesteld dat geen rechtstreeks verband kan worden gelegd tussen het geldbedrag en een bepaald misdrijf. Het vervolgens door het hof uiteengezette toetsingskader ter beantwoording van de vraag of vastgesteld kan worden dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is, is juist.4 Het hof heeft, in weerwil van hetgeen door de verdediging is bepleit, vastgesteld dat naast de witwastypologieën sprake is van “bijkomende feiten en omstandigheden, die niet direct inherent zijn aan/kenmerkend zijn voor hawala-bankieren en die wel (kunnen) duiden op de aanwezigheid van crimineel geld.” Deze overweging wordt in punt 10 van de schriftuur onder vuur genomen.

10. Voor de vraag of sprake is geweest van witwassen maakt het niet uit of sprake is geweest van hawala-bankieren of niet. Van betekenis is slechts dat indien tevens sprake was van hawala-bankieren dit niet uitsluitend heeft plaatsgevonden met uit een legale bron afkomstig geld. Voor zover de steller van het middel meent dat het hof dit in de zojuist geciteerde overweging heeft miskend door te oordelen dat in het geheel geen sprake is geweest van hawala-bankieren berust dit op een verkeerde lezing van die overweging. In die overweging valt immers juist te lezen dat ook als wel sprake is geweest van hawala-bankieren dit niet uitsluit dat enkele bijkomende feiten en omstandigheden in het bijzonder duiden op hawala-bankieren met crimineel geld.

11. Die bijkomende feiten en omstandigheden zijn volgens het hof:

- er is sprake van versluierd taalgebruik bij het maken van de afspraak tot overdracht van het geld;

- het contante geldbedrag is in uitzonderlijk korte tijd overgedragen;

- het geldbedrag bestaat uit voornamelijk kleine coupures;

- het geldbedrag is op de openbare weg overgedragen, op een (relatief) rustige plek;

- verdachte sloeg op de vlucht voor de politie toen zij hem probeerden staande te houden;

- na de aanhouding en de inbeslagname van het geldbedrag is de rechthebbende het geldbedrag niet op komen eisen.

Voorts merk ik nog op dat uit de bewijsvoering ook blijkt dat verdachte niet beschikte over enig (legaal) inkomen of noemenswaardige spaargelden op zijn bankrekening.5

12. Het oordeel van het hof dat juist deze bijkomende feiten en omstandigheden wijzen op (hawala-bankieren met) crimineel geld acht ik niet onbegrijpelijk. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de omstandigheden waaronder hawala-bankieren met traditioneel (‘legaal’) geld dan wel crimineel geld plaatsvinden wezenlijk van elkaar verschillen. Daarbij heeft het hof kennelijk de volgende verschillen voor ogen gehad.6 De overdracht van ‘legaal’ geld vindt doorgaans plaats op vaste locaties (vaak kleine bedrijven) waarmee de klant de bankier identificeert, terwijl crimineel geld vaak wordt overdragen in openbare, anonieme gelegenheden teneinde te voorkomen dat de criminele klant de bankier kan identificeren. Ook de omvang van de over te dragen geldbedragen verschilt van elkaar. Bij traditionele geldstromen gaat het om tientallen tot maximaal enkele duizenden euro’s, maar bij de overdracht van crimineel geld gaat het vaak om tienduizenden tot honderdduizenden euro’s per keer. In het geval dat ‘legaal’ geld wordt overgedragen middels hawala-bankieren vindt geen communicatie via de telefoon plaats; klanten gaan naar de vaste locatie. De overdracht van crimineel geld daarentegen gaat gepaard met communicatie in versluierd taalgebruik. Naast de vermelde verschillen heeft het hof bovendien betekenis toegekend aan het vluchten en het nadien niet opeisen van het geld.

13. Het hof heeft vervolgens, in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad,7 van verdachte verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand volstrekt onaannemelijke verklaring zou geven voor de herkomst van het geld. Enkel ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verdachte een verklaring afgelegd,8 voor het overige heeft hij zich telkens beroepen op zijn zwijgrecht. Die verklaring hield niet meer in dan dat het om hawala‑bankieren ging en hij niets wist over de herkomst van het geld. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof dat als onvoldoende concreet en niet (min of meer) verifieerbaar heeft aangemerkt. Hawala-bankieren sluit het vermoeden van witwassen immers niet uit en daarnaast bevat de verklaring geen aanknopingspunten op basis waarvan nader onderzoek kon worden gedaan naar de (legale) herkomst van het geld.9 De afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het geld niet van misdrijf afkomstig is, is door het hof dan ook niet ontoereikend of onbegrijpelijk gemotiveerd.

14. Tot slot heeft het hof overwogen dat het, anders dan de raadsman, voldoende aanwijzingen ziet dat verdachte wist dat het geld uit misdrijf afkomstig was. Voor het bewijs van de wetenschap van de criminele herkomst heeft het hof verwezen naar de feiten, omstandigheden en overwegingen die tot het oordeel hebben geleid dat het geld dat verdachte voorhanden heeft gehad van misdrijf afkomstig is. Kennelijk heeft het hof daarbij in het bijzonder in aanmerking genomen dat sprake was van versluierd taalgebruik toen werd gesproken over de overdracht van het geld, dat de bijzonder grote som contant geld zonder te tellen in met name kleine coupures aan verdachte werd overgedragen op een openbare, anonieme plek en dat verdachte trachtte te vluchten voor de politie toen hij in de gaten kreeg dat zij hem probeerde staande te houden. Gelet daarop acht ik ook de afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de wetenschap ontbrak niet ontoereikend of onbegrijpelijk gemotiveerd.

15 Het eerste middel faalt in al zijn onderdelen.

16. Het tweede middel klaagt over schending van art. 6 EVRM, doordat het hof in de bewijsoverweging heeft betrokken dat van verdachte verlangd kan worden dat hij meer informatie verstrekt over de toedracht van de geldoverdracht, de herkomst van het geldbedrag en de afdracht aan de beoogde ontvanger, terwijl hij zichzelf hiermee zou blootstellen aan strafrechtelijke vervolging.

17. In de zaak van Murray tegen het Verenigd Koninkrijk heeft het EHRM benadrukt dat het zwijgrecht en het recht tegen gedwongen zelf-incriminatie (het beginsel van nemo-tenetur) geen absolute rechten zijn.10 Een veroordeling mag volgens het EHRM niet enkel worden gebaseerd op het zwijgen van verdachte, maar er kunnen zich situaties voordoen die vragen om een uitleg en waarbij het zwijgen meegenomen kan worden bij de beoordeling van het bewijs. Indien de rechter aan het zwijgen gewicht toekent in de bewijsconstructie, dient hij dat te motiveren.11

18. Zoals bij de bespreking van het eerste middel (punt 13) ook al naar voren is gekomen kan volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad van degene die wordt verdacht van witwassen worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand volstrekt onaannemelijke verklaring aflegt over de (legale) herkomst van het voorwerp waarvan wordt vermoed dat het van misdrijf afkomstig is.12 Indien die verklaring dat vermoeden ontzenuwd, ontstaat voor de politie, het openbaar ministerie of de feitenrechter een verplichting onderzoek te (doen laten) verrichten naar die herkomst. Verdachte hoeft niet aan te tonen dat het voorwerp niet afkomstig is uit enig misdrijf; dit zou immers een omkering van de bewijslast impliceren en in strijd zijn met de onschuldpresumptie.13

19. Onlangs heeft het EHRM in de zaak van Zschüschen tegen België geoordeeld dat het weigeren van een verdachte om een nadere verklaring te geven over de herkomst van het geld ten aanzien waarvan de verdenking bestaat dat het van misdrijf afkomstig is, in samenhang met ander bewijs, kan leiden tot de conclusie dat het redelijkerwijs wel moet gaan om geld dat van misdrijf afkomstig is.14 Deze bewijsconstructie levert volgens het EHRM op zichzelf geen schending van het bepaalde in art. 6, eerste lid, EVRM op. Het EHRM verwijst onder meer naar de eerder genoemde zaak van Murray tegen het Verenigd Koninkrijk en merkt op dat reeds is uitgemaakt dat aan verdachten in strafzaken de verplichting kan worden opgelegd om opheldering te verschaffen over hun vermogenstoestand. Volgens het EHRM was het in het geval van Zschüschen van belang dat sprake was van voldoende (overig) bewijs voor de criminele herkomst van het geldbedrag, waarbij het weigeren van verdachte om een nadere verklaring te geven enkel diende ter ondersteuning. Reijntjes stelt in zijn noot onder deze uitspraak dat de Nederlandse en Belgische witwasbepalingen en het bewijsstelsel inzake witwassen sterke gelijkenis vertonen. Dit is geen toeval, merkt Reijntjes op, aangezien zij dienen ter implementatie van dezelfde Europeesrechtelijke richtlijn en hetzelfde verdrag.15 Naar ik meen kan deze uitspraak derhalve in beginsel tevens worden toegepast op soortgelijke zaken in Nederland.

20. Dat brengt mij terug bij de onderhavige zaak. Verdachte heeft geweigerd een (nadere) verklaring te geven over de herkomst van het tenlastegelegde geldbedrag. In de motivering van het hof ligt besloten dat dat wel van hem verlangd kon worden, nu zich feiten en omstandigheden voordeden die sterk tegen verdachte pleitten en verdachte dit vermoeden zou moeten kunnen ontzenuwen indien het geld een legale herkomst had. Gelet op de hierboven vermelde rechtspraak van het EHRM kon het hof, zonder het beginsel van nemo tenetur en daarmee art. 6, eerste lid, EVRM te schenden, het uitblijven van die verklaring gebruiken als rechtvaardiging dat het vermoeden van witwassen juist is. De enkele mogelijkheid dat verdachte zich hiermee zou blootstellen aan strafrechtelijke vervolging ter zake van een ander strafbaar feit, doet aan het vorengaande mijns inziens niet af.

21 Het tweede middel faalt eveneens.

22. De middelen falen en kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.

23. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

24. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zonder weergave van voetnoten.

2 Zie HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3046.

3 Mits het geld niet uit ‘eigen misdrijf’ afkomstig is.

4 Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787; HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3046 en HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1197.

5 Bewijsmiddel 8 in de aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a jo. 415 Sv.

6 Vgl. zaaksdossier ‘26DeWierde; Overige geldoverdrachten’, hoofdstuk 1, paragraaf 1.4 ‘Werkwijze Hawala-bankieren/ondergronds bankieren, i.h.b. de tabel op p. 9-10.

7 HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787.

8 Zie het proces-verbaal van de zitting in raadkamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle van 8 april 2015.

9 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Jörg voor HR 13 juli 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM0787.

10 EHRM 8 februari 1996, NJ 1996, 725, m. nt. Kn. (Murray/Verenigd Koninkrijk).

11 Zie omtrent deze problematiek L. Stevens, ‘Het nemo-teneturbeginsel in strafzaken: van zwijgrecht naar containerbegrip’, diss. Tilburg, Wolf Legal Publishers 2005, p. 11-13.

12 Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787 (Air Holland) en de bijbehorende conclusie van mijn ambtgenoot Jörg.

13 Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2471 en de conclusie van mijn ambtgenoot Jörg voor HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787.

14 EHRM 2 mei 2017, NJ 2017/360, m. nt. J.M. Reijntjes (Zschüschen/België).

15 Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen van geld en de financiering van terrorisme en het Verdrag van de Raad van Europa van 16 mei 2005 inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven en de financiering van terrorisme.