Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1511

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-12-2017
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
17/01762
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:160
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Invoer cocaïne op luchthaven Schiphol. Verklaring verdachte dat koffer met drugs niet van haar was, redengevend voor bewezenverklaring? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2012:BV3442 m.b.t. motiveringsverplichting t.a.v. voor bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden in nadere overweging, welke verplichting niet geldt voor verklaringen die rechter onaannemelijk of ongeloofwaardig acht. Hof heeft bewezenverklaring mede doen steunen op de in b.m. opgenomen verklaring van verdachte dat de zwart-rode koffer - waarin cocaïne is aangetroffen - niet van haar is en dat zij niets met deze koffer te maken heeft. In zijn nadere bewijsoverwegingen heeft Hof tot uitdrukking gebracht dat het de juistheid van deze uitlatingen van verdachte onaannemelijk acht, maar niet dat het die uitlatingen als kennelijk leugenachtig tot bewijs bezigt. Hof heeft onderdelen van verklaring van verdachte, die niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring, dus ten onrechte onder de b.m. opgenomen. Daarover klaagt het middel terecht. Dat behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden. Mede gelet op ‘s Hofs nadere bewijsoverwegingen is de bewezenverklaring, indien voormelde onderdelen van de verklaring van verdachte worden weggedacht, z.m. toereikend gemotiveerd. Daarom heeft verdachte onvoldoende rechtens te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak. CAG: Hof heeft verklaring van verdachte als kennelijk leugenachtig aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01762

Zitting: 28 november 2017

Mr. B.F. Keulen

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 28 juni 2016 door het gerechtshof Amsterdam wegens “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte opzettelijk cocaïne heeft ingevoerd onbegrijpelijk is en/of dat de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd en/of dat het hof heeft verzuimd (genoegzaam) de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte per abuis op Schiphol een niet aan haar toebehorende koffer van de bagageband heeft gepakt.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“zij op 07 juli 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.”

5. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 juni 2016 heeft de raadsman, voor zover hier relevant, als volgt het woord tot verdediging gevoerd:

“Het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 3] is op het eerste gezicht duidelijk. Ik wil echter wijzen op menselijke factoren bij het afhandelen en registreren van bagage; de slordigheden. De getuige [getuige] heeft verklaard dat achtergebleven bagage nog dezelfde dag moet worden geregistreerd in het systeem. Op het aan het proces-verbaal van verhoor van de getuige gehechte registratieformulier staat dat de koffer ‘not inspected’ zou zijn. Dat is echter wel gebeurd. Uit het aanvullend proces-verbaal van [verbalisant 3] blijkt voorts dat door een fout in het BPS-systeem kennelijk niet goed is genoteerd dat in de andere koffer drugs waren aangetroffen. Pas na handmatig zoeken is men daar achter gekomen. Als er zoveel fouten worden gemaakt bij de registratie, hoe kunnen we dan met voldoende mate van zekerheid weten dat op 7 juli 2013 geen koffer is achtergebleven op de bagageband? De getuige [getuige] heeft ook verklaard dat handbagage die achterblijft in de overhead lockers van een vliegtuig naar de afdeling Lost and Found gaat. Misschien is de bagage van cliënte ook naar die afdeling gegaan. We hebben in deze zaak kunnen constateren hoe vaak er dingen niet goed gaan. Dat in het systeem geen vermelding staat, betekent dus niet dat wij er vanuit kunnen gaan dat er geen koffer is achtergebleven. Ook als er geen koffer is achtergebleven, betekent dit niet dat mijn cliënte geen verkeerde koffer van de band heeft gepakt. Er is op 6 juni 2013 weldegelijk een vergelijkbare koffer achtergebleven. Het is niet uit te sluiten dat de koffer van mijn cliënte door een drugskoerier is meegenomen. Mijn cliënte heeft bij de controle direct gezegd dat het niet haar koffer was. Zij heeft gevraagd of zij terug mocht lopen om haar eigen koffer te pakken maar werd gesommeerd bij de controle te blijven. Zij heeft op dat moment dus niet de kans gekregen haar onschuld aan te tonen. De camerabeelden van de bagagehal zijn niet bewaard gebleven. De mogelijkheden die cliënte had om haar verhaal te onderbouwen zijn haar ontnomen.

Ik betwist de stelling van de advocaat-generaal dat het geagiteerde gedrag van cliënte bij controle wijst op schuld. Dat is geen typerend gedrag voor een drugskoerier. Mijn cliënte heeft uitgelegd waarom zij op reis is gegaan en gezegd dat zij op dat moment geestelijk niet in orde was. Zij leed aan PTSS, had medicijnen ingenomen en had op dat moment haar bril niet op. Het staat vast dat zij in ieder geval één verkeerde koffer van de bagageband heeft gehaald. Kan zij dan niet ook per ongeluk een tweede koffer van de band hebben gehaald? Dat weten we niet. In dat geval zou je niet tot een veroordeling moeten komen. Dat het label niet in de tas van cliënte is aangetroffen, kan evenmin in haar nadeel worden meegewogen. In Suriname worden tegenwoordig bij het uitgeven van limited release labels namen genoteerd, juist om dit soort problemen te voorkomen. (…) Ik blijf erbij dat het beschikbare bewijs niet tot een bewezenverklaring kan leiden en verzoek het hof mijn cliënte vrij te spreken.”

6. Het hof heeft in het verkorte arrest het volgende overwogen:

“Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De verdachte is op 7 juli 2013 met vlucht PY994, komende vanuit Paramaribo, aangekomen op Schiphol. Bij het verlaten van de aankomsthal is de bagage die de verdachte met zich meevoerde gecontroleerd. Deze bagage bestond uit een donkerblauwe rolkoffer, een zwart-rode rolkoffer, een zwart-witte damestas en meerdere plastic tassen. De verdachte deelde de controlerende verbalisant desgevraagd mede dat de bagage van haar was.

Direct na het openen van de blauwe rolkoffer deelde de verdachte mede dat dit niet haar koffer was. In deze koffer werd niets ter zake doende aangetroffen. Na het openen van de zwart-rode rolkoffer deelde de verdachte mede dat ook deze koffer niet van haar was. De verdachte gaf aan dat zij de verkeerde koffers van de bagageband had gepakt en dat zij haar eigen bagage van de band wilde halen.

De verbalisant heeft de verdachte hierop gesommeerd bij de controle aanwezig te blijven. In de zwart-rode rolkoffer trof de verbalisant acht pakketten met cocaïne aan. In het buitenvak van de zwart-rode rolkoffer zat een tablet van het merk Medion Lifetab, dat aan de verdachte toebehoorde. Nadat verbalisanten de verdachte hadden aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet, hebben zij de verdachte gesommeerd de mobiele telefoon, die zij in haar hand had, aan hen af te geven. De verdachte heeft hierop de telefoon hard op de tafel geslagen en deze vervolgens met kracht op de grond gegooid. De verbalisant heeft de telefoon, die uit elkaar lag, opgeraapt en in de fouilleringszak gedeponeerd.

Bij onderzoek aan de blauwe rolkoffer die de verdachte met zich meevoerde, is gebleken dat deze koffer aan een ander dan de verdachte toebehoorde. Op de bagageband werd alsnog een donkerblauwe rolkoffer op naam van de verdachte aangetroffen. Op de bagageband werd geen andere zwart-rode rolkoffer aangetroffen.

Naar het oordeel van het hof staat voorop dat de verdachte verantwoordelijk is voor de bagage die zij van de bagageband heeft gepakt en voor de inhoud van die bagage. Bijzondere omstandigheden kunnen evenwel tot de conclusie leiden dat de verdachte daarvoor niet verantwoordelijk kan worden gehouden.

Het hof stelt vast dat de verdachte de zwart-rode rolkoffer met daarin acht pakketten met cocaïne van de bagageband heeft gepakt en heeft meegenomen.

De verdachte heeft aangevoerd dat de blauwe en de zwart-rode rolkoffer, die zij ten tijde van de controle bij zich droeg, niet van haar waren en dat zij twee verkeerde, op haar eigen bagage gelijkende, koffers van de bagageband heeft gepakt. De tablet heeft zij pas in de zwart-rode rolkoffer gestopt nadat zij deze van de bagageband had gehaald. De verdachte heeft voorts verklaard dat zij op de luchthaven in Suriname haar eigen bagage, bestaande uit een blauwe rolkoffer, had ingecheckt. De zwart-rode trolley had ze aanvankelijk als handbagage meegenomen en pas kort voor vertrek ingecheckt. Ze heeft daarvan een bewijs in de vorm van een label gekregen en dit label in haar handtas gedaan. Nadat de verdachte op Schiphol was gecontroleerd, was dit label, evenals een aantal andere goederen, volgens de verdachte uit haar handtas verdwenen.

Het hof ziet in het dossier geen aanknopingspunt voor de lezing van de verdachte dat ook de zwart-rode rolkoffer niet van haar zou zijn. De verdachte heeft op geen enkele wijze kunnen aantonen dat zij kort voor vertrek op de luchthaven in Suriname een andere rolkoffer zou hebben ingecheckt. De stelling van de verdachte dat haar eigen zwart-rode rolkoffer op de bagageband zou zijn achtergebleven, wordt weersproken door (aanvullend) onderzoek naar het bagage-afhandelingssysteem op Schiphol, waaruit is gebleken dat op 7 juli 2013 geen enkel stuk bagage, afkomstig van vlucht PY994, is achtergebleven op de bagageband, laat staan een soortgelijke koffer. De stelling van de verdediging dat dit mogelijk onjuist zou zijn geregistreerd, is niet voldoende onderbouwd. Dit geldt evenzeer voor de enkele stelling dat de zwart-rode rolkoffer van de verdachte door een ander zou zijn meegenomen.

Voorts overweegt het hof dat de verdachte twee telefoons bij zich had. Na haar aanhouding heeft zij, zoals omschreven in het proces-verbaal van uitkijken camerabeelden van 25 juli 2013 (dossierpagina 2.7), één van die telefoons eerst geweigerd af te geven en vervolgens van de onderzoekstafel gepakt, daarmee op de tafel geslagen en op de grond gegooid. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte heeft geprobeerd te bewerkstelligen dat de geheugeninhoud van deze telefoon niet bij verder onderzoek zou kunnen worden betrokken, hetgeen blijkens het proces-verbaal onderzoek GSM-telefoon van 15 juli 2013 (dossierpagina 2.6) ook is gelukt.

De verdediging heeft voorts betoogd dat sprake is van strijd met artikel 6 EVRM, nu de verdachte tijdens de controle op Schiphol geen gelegenheid heeft gekregen alsnog haar eigen bagage van de bagageband te halen. Voorts zijn de camerabeelden die op 7 juli 2013 in de aankomsthal zijn gemaakt inmiddels gewist. Zodoende is de verdachte tijdens de controle en ook nadien een eerlijke kans ontnomen om haar onschuld aan te tonen, aldus de verdediging.

Het hof is van oordeel dat de bagagecontrole op Schiphol conform de daarvoor geldende regels is geschied, nu de verdachte was gehouden bij die controle aanwezig te blijven. Derhalve is geen sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. Dat de camerabeelden van het betreffende tijdstip zijn gewist, leidt evenmin tot het oordeel dat de verdachte in haar verdedigingsrechten is geschaad. Het verweer wordt verworpen.”

7. Het eerste bewijsmiddel dat is opgenomen in de aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv houdt in:

“1. Een proces-verbaal met nummer 20130687 van 7 juli 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 19-22).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten of één van hen:

Naar aanleiding van de grote toevoer van verdovende middelen op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, werd op 7 juli 2013 omstreeks 12.45 uur door de Douane, Unit Fysiek Toezicht Passagiers, een verscherpte controle uitgevoerd op vlucht PY994 vanuit Paramaribo.

Ik heb een vrouwelijke passagier aangesproken. Uit gegevens van het Nederlands paspoort genummerd [0001] bleek dat het ging om:

Naam: [verdachte]

Voornamen: [...]

Geboortedatum: [geboortedatum] 1962

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

Hierop heb ik haar verzocht om de bagage welke zij met zich meevoerde op de bagagetrolley, op de visitatietafel te plaatsen en te openen voor controle. [verdachte] voldeed aan dit verzoek. Ik zag dat de bagage bestond uit een donkerblauwe rolkoffer, een zwart/rode rolkoffer van het merk Atlantics, een zwart/witte damestas en meerdere plastic tassen.

Desgevraagd deelde [verdachte] mij mede dat de bagage van haar is.

Vervolgens opende [verdachte] desgevraagd de blauwe rolkoffer. Hierop hoorde ik [verdachte] direct roepen dat dit niet haar koffer was en dat zij deze terug wilde brengen naar de bagageband om haar eigen koffer op te halen. Ik zag dat de donkerblauwe koffer op naam van [betrokkene 1] stond. In de donkerblauwe koffer is niets ter zake dienende aangetroffen.

Vervolgens heb ik de zwart/rode koffer van het merk Atlantics aan een visitatie onderworpen. Nadat ik deze koffer opensloeg, vertelde de vrouw ook over deze koffer dat deze niet van haar zou zijn. [verdachte] gaf wederom aan dat zij haar eigen bagage wilde halen omdat zij niets met deze koffer te maken had. Ik sommeerde [verdachte] dat zij bij de controle moest blijven. Ik zag in de koffer een aantal groene en witte plastic zakjes. Ik zag dat er in de plastic zakken pakketten zaten welke gewikkeld waren in kranten. Ik maakte een van deze pakketten open en zag doorzichtige zakken waarin een bruine vloeistof zat.

Ik heb met een mes een van de pakketten geopend en zag dat er onder de bruine vloeistof een witte substantie zat, welke bestond uit brokken. Ik heb met mijn fretboortje een opening gemaakt in het bovengenoemde pakket. Bij het terugtrekken zag ik dat er een witte stof aan mijn boortje bleef kleven die qua kleur en samenstelling geleek op cocaïne. Ik heb de stof getest met een van rijkswege verstrekte test-set, de MMC cocaïnetest, en de uitslag gaf een positieve kleurreactie, zodat aangenomen mag worden dat de aangetroffen stof vermoedelijk cocaïne bevat.

Naar aanleiding van bovenstaande heb ik [verdachte] op 7 juli 2013 aangehouden als verdachte van vermoedelijke overtreding van de Opiumwet.

Ik zag vervolgens [verdachte] met een mobiele telefoon in haar hand. Ik heb [verdachte] verzocht deze af te geven. Ik zag vervolgens dat [verdachte] de mobiele telefoon op de grond gooide. Ik heb de telefoon, een zwarte Samsung, welke uit elkaar lag, opgeraapt en in een fouilleringszak gedeponeerd.

In het buitenvak van de zwart/rode rolkoffer is een tablet van het merk Medion Lifetab aangetroffen, waarvan [verdachte] aangaf dat zij deze pas hier in de rolkoffer had gestopt omdat de handbagage te vol zat.

Collega [betrokkene 2], werkzaam bij cameratoezicht Douane Schiphol Passagiers deelde mij telefonisch mede dat zijn collega [betrokkene 3] op de camerabeelden heeft gezien dat [verdachte] een tablet uit de koffer, waarin de pakketten met vermoedelijk cocaïne zaten, heeft genomen, deze op de visitatietafel plaatst, een rode en wit/rode plastic tas oppakt en deze bovenop de tablet plaatst. Bovendien deelde collega Boomkens mij mede dat eveneens op de camerabeelden te zien is dat zij de telefoon op de grond gooide.

De eerdergenoemde blauwe rolkoffer op naam van [betrokkene 1] is aan de rechtmatige eigenaar teruggegeven.”

8. De aanvulling houdt onder “Nadere bewijsoverweging” het volgende in:

“Het hof heeft in het verkorte arrest (p. 3) het volgende overwogen:

Dat de camerabeelden van het betreffende tijdstip zijn gewist, leidt evenmin tot het oordeel dat de verdachte in haar verdedigingsrechten is geschaad.

Het hof voegt aan deze overweging het volgende toe:

Vast is komen te staan dat de verdachte zelf de twee koffers van de bagageband heeft gepakt en dat er op die bagageband geen koffer is achtergebleven. De enkele stelling van de verdachte, dat de koffer mogelijk door een ander van de bagageband is gepakt en meegenomen, is niet aannemelijk geworden en kan niet tot een ander oordeel leiden.

9. De toelichting op het middel houdt in de eerste plaats (onder 7) in dat in de gebezigde bewijsmiddelen bevestiging is te vinden voor de lezing van de verdachte dat de zwart-rode koffer niet van haar is, aangezien die bewijsmiddelen haar aldus luidende verklaring inhouden. De steller van het middel heeft kennelijk het oog op bewijsmiddel 1. In zoverre zouden de bewijsmiddelen niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Ik begrijp deze klacht aldus, dat de steller er van uit gaat dat het hof – door deze verklaring onder de bewijsmiddelen op te nemen – de bedoelde lezing van de verdachte betrouwbaar zou hebben geacht.

10. De door het hof redengevend geachte inhoud van het als bewijsmiddel 1 gebezigde proces-verbaal bestaat uit de “mededeling van verbalisanten of één van hen” van hetgeen zij hebben waargenomen of ondervonden bij gelegenheid van de bagagecontrole. In dit verband heeft het hof ook opgenomen hetgeen de verdachte bij die controle tegen de verbalisanten heeft gezegd. Uit de bewijsoverwegingen van het hof volgt dat het hof de lezing van de verdachte niet heeft geloofd. Het is de vraag of dat meebrengt dat bewijsmiddel 1, voor zover inhoudend dat de verdachte heeft gezegd dat de zwart-rode koffer niet van haar is, niet redengevend is. Ik meen van niet. Het hof heeft de beschrijving van het gedrag van de verdachte in haar totaliteit bezien redengevend kunnen achten voor de bewezenverklaring van het opzet op het binnen het grondgebied van Nederland brengen van (kort gezegd) cocaïne. Het leerstuk van de kennelijke leugenachtigheid biedt die mogelijkheid.

11. Dat leerstuk is, zo kan uit eerdere rechtspraak worden afgeleid, ook van toepassing op een (de auditu-)verklaring van de (latere) verdachte die, zoals in de onderhavige zaak, is vervat in een proces-verbaal waarin wordt gerelateerd hetgeen zij eigener beweging tegen de verbalisant heeft gezegd.1 Dat de verdachte ontkent dat de zwart-rode rolkoffer haar koffer is nadat een verbalisant die openslaat ter controle, levert in die benadering een aanwijzing op dat zij weet dat daar cocaïne in zit. Hoewel het hier niet gaat om een verklaring die de verdachte na het plegen van het feit tijdens het opsporingsonderzoek of bij de behandeling van de strafzaak ter terechtzitting aflegt om de waarheid te bemantelen maar om een verklaring die een nog (net) niet verdachte aflegt om te voorkomen dat zij verantwoordelijk zal worden gesteld voor een feit dat op het punt staat ontdekt te worden, ligt het voor de hand een dergelijke verklaring (wat betreft de aan het gebruik voor het bewijs te stellen eisen) ook te benaderen als een kennelijk leugenachtige verklaring.2 Niet het moment waarop of de hoedanigheid waarin de verklaring wordt afgelegd, maar het kennelijke doel waarmee de (latere) verdachte dat doet – het bemantelen van de waarheid – is van belang. De leugenachtigheid moet dan blijken uit vastgestelde feiten en omstandigheden, vervat in één of meer andere voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen, niet zijnde verklaringen van de verdachte zelf of van andere personen die slechts behelzen wat de verdachte hun heeft meegedeeld.3 Aan die eis is hier naar het mij voorkomt voldaan: het hof heeft in het verkorte arrest overwogen dat aanvullend onderzoek is gedaan naar het bagage-afhandelingssysteem op Schiphol, waaruit is gebleken dat op 7 juli 2013 geen enkel stuk bagage, afkomstig van vlucht PY994 is achtergebleven op de bagageband, laat staan een soortgelijke koffer. De resultaten van dat onderzoek zijn in de aanvulling als bewijsmiddel 4 opgenomen. En het hof verwijst in dit verband ook naar het vernielen van de telefoon van de verdachte: geen verklaring maar een gedraging van de verdachte. Ik merk hierbij op dat de feitenrechter bij zijn oordeel omtrent de kennelijke leugenachtigheid van de verklaring van een verdachte niet gehouden is aan te geven in welk(e) specifieke bewijsmiddel(en) dat oordeel zijn grondslag vindt.4

12. Een punt van aandacht is wel dat het hof de verklaring van de verdachte niet met zoveel woorden als ‘kennelijk leugenachtig’ aanmerkt. Uit eerdere rechtspraak van Uw Raad zou evenwel kunnen worden afgeleid dat het niet gebruiken van deze kwalificatie niet altijd de doorslag geeft. In zijn conclusie bij HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:2 heeft mijn ambtgenoot Bleichrodt betoogd dat in de overwegingen van het hof besloten lag dat het de verklaring van de verdachte als kennelijk leugenachtig heeft bestempeld. Het hof had de verklaring van de verdachte op een specifiek punt als onjuist aangemerkt. Voorts had het overwogen dat vast stond dat in de door de verdachte bestuurde auto 214 gram heroïne en 7154 gram versnijdingsmiddel was aangetroffen, en dat de verdachte hierover een verklaring had afgelegd ‘die geen steun vindt in de onafhankelijke onderzoeksresultaten en ook anderszins niet aannemelijk is geworden’. De Hoge Raad verwierp het middel met de aan art. 81 RO ontleende formulering; daarmee staat niet zonder meer vast dat de Hoge Raad het beroep heeft verworpen op de gronden als verwoord in de conclusie. Naar het mij voorkomt volgt uit de bewijsconstructie en uit de bewoordingen die het hof in het onderhavige arrest heeft gebruikt voldoende duidelijk dat het de verklaring van de verdachte als kennelijk leugenachtig heeft aangemerkt. Wat de bewoordingen betreft: het hof geeft onder meer aan dat het dossier ‘geen aanknopingspunt’ biedt voor de lezing van de verdachte en dat de stelling van de verdachte dat haar eigen zwart-rode rolkoffer op de bagageband zou zijn achtergebleven wordt ‘weersproken’ door het onderzoek naar het bagage-afhandelingssysteem.

13. Voor zover uw Raad toch van oordeel zou zijn dat het hof de in het middel bedoelde verklaring van de verdachte ten onrechte onder de bewijsmiddelen heeft opgenomen, behoeft het middel niet tot cassatie te leiden. Mede gelet op de hiervoor weergegeven bewijsoverweging van het hof is de bewezenverklaring, indien voormelde verklaring van de verdachte wordt weggedacht, zonder meer toereikend gemotiveerd. Daarom heeft de verdachte onvoldoende rechtens te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak.5

14. De toelichting op het middel houdt voorts (onder 9) in dat het hof weliswaar heeft overwogen dat het verweer van de verdachte moet worden verworpen, maar dat het hof de door de verdachte gegeven toedracht niet heeft weerlegd.

15. Als uitgangspunt heeft te gelden dat ingeval een verdachte het tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter - indien hij tot een bewezenverklaring komt - die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.6

16. Het hof heeft - zoals gezegd - overwogen dat de stelling van de verdachte dat haar eigen zwart-rode rolkoffer op de bagageband zou zijn achtergebleven, wordt weersproken door (aanvullend) onderzoek naar het bagage-afhandelingssysteem op Schiphol, waaruit is gebleken dat op 7 juli 2013 geen enkel stuk bagage, afkomstig van vlucht PY994, is achtergebleven op de bagageband, laat staan een soortgelijke koffer. In dit verband heeft het hof voorts overwogen dat de stelling van de verdediging dat dit mogelijk onjuist zou zijn geregistreerd, niet voldoende is onderbouwd.

17. Het door het hof als bewijsmiddel 4 gebezigde proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] houdt, voor zover hier relevant, het volgende in:

“Bevindingen:

Op 25 september 2013 (het hof begrijpt: 2014) is aanvullend onderzoek gedaan naar het bagageafhandelings-systeem dat wordt gehanteerd door afhandelingskantoor Menzies.

(…)

Als de bagage op de bagageband ligt zal deze worden opgepakt door de betreffende passagier.

Nadat alle passagiers hun bagage van de betreffende bagageband hebben gepakt, zal personeel van Menzies de achtergebleven bagage van de bagageband pakken en deze apart zetten. Nadat de bagageband is geleegd, zal personeel van Menzies de bagage verwerken in hun afhandelingssysteem.

Na vlucht PY994 van 7 juli 2013, komende vanuit Paramaribo, is echter geen bagage op de bagagebanden achtergebleven. Wat inhoudt dat alle bagage door de passagiers van vlucht PY994 is meegenomen.”

18. De steller van het middel betoogt (onder 12-13) dat de mogelijkheid dat de koffer van de verdachte is achtergebleven op de bagageband niet, althans niet genoegzaam, wordt weersproken door het onderzoek dat is verricht. Op grond van de inhoud van bewijsmiddel 4 zou namelijk niet de conclusie kunnen worden getrokken dat er geen bagage is achtergebleven, maar slechts dat uit het bagage-afhandelingssysteem van Menzies niet kan blijken dat er bagage is achtergebleven.

19. Uit de hiervoor weergegeven bewijsoverwegingen en het tot bewijs bezigen van het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 3] volgt dat het hof geen aanleiding heeft gezien te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de registratie van eventuele achtergebleven bagage door Menzies. Het oordeel van het hof komt erop neer dat, aangezien in het bagage-afhandelingssysteem niet is geregistreerd dat na de desbetreffende vlucht bagage is achtergebleven en geen aanleiding bestaat tot twijfel aan de betrouwbaarheid van de registratie, vaststaat dat na die vlucht geen bagage op de bagageband is achtergebleven. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en kan, als van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst. In het licht van het hiervoor onder 5 weergegeven betoog van de raadsman was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.

20. Ik wijs er in dit verband nog op dat blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 14 juni 2016 langdurig gesproken is over het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3]. De raadsman heeft, in vervolg daarop, zo bleek onder 5, in zijn pleidooi gemeld: ‘Op het aan het proces-verbaal van verhoor van de getuige gehechte registratieformulier staat dat de koffer ‘not inspected’ zou zijn. Dat is echter wel gebeurd’. Mede op basis daarvan concludeert de raadsman dat er veel fouten worden gemaakt bij de registratie. De raadsman refereert ook aan een verklaring van getuige [getuige] inhoudend dat handbagage die achterblijft in overhead lockers van een vliegtuig naar de afdeling Lost and Found gaat, en suggereert dat de bagage van de verdachte daar ook naar toe kan zijn gegaan. De advocaat-generaal, die bij requisitoir al heeft medegedeeld in de voorbereiding op de zaak persoonlijk met verbalisant [verbalisant 3] op Schiphol het hele traject van aankomst en afhandeling van de bagage te hebben nagelopen, heeft in reactie op het betoog van de raadsman onder meer medegedeeld: ‘Dat het registratieformulier ‘not inspected’ vermeldt, betekent slechts dat de koffer niet door de bagageafhandelaar Menzies is geïnspecteerd. De douane had de koffer al gecontroleerd en aan Menzies gevraagd deze in het systeem te zetten. Ruimbagage gaat nooit naar de afdeling Lost and Found.’ Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt niet dat de raadsman dat vervolgens heeft weersproken. Het verhandelde ter terechtzitting, ‘waaronder begrepen hetgeen door of namens de verdachte en het openbaar ministerie over en weer naar voren is gebracht’, brengt daarmee – gelezen in samenhang met de overwegingen van het hof – ook mee dat de uitspraak toereikend gemotiveerd is.7

21. Verder voert de steller van het middel (onder 14) aan dat het hof de mogelijkheid dat een ander – vermoedelijk de werkelijke eigenaar van de zwart-rode koffer waarin de cocaïne werd aangetroffen – de koffer van de verdachte van de bagageband heeft gepakt ontoereikend heeft weerlegd, namelijk slechts met de overweging dat die stelling niet voldoende is onderbouwd.

22. Het hof heeft blijkens de nadere bewijsoverweging in de aanvulling op het verkorte arrest geoordeeld dat de enkele stelling van de verdachte dat de koffer mogelijk door een ander van de bagageband is gepakt en meegenomen, niet aannemelijk is geworden. Ook dat oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk. In het licht van hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, is dat oordeel voorts toereikend gemotiveerd, zodat de daartegen gerichte klacht faalt. Datzelfde geldt voor het oordeel van het hof dat de verdachte, door het op de tafel slaan en op de grond gooien van één van haar telefoons, heeft geprobeerd te bewerkstelligen dat de geheugeninhoud van deze telefoon niet bij verder onderzoek zou kunnen worden betrokken.

23. Uit het voorgaande volgt dat het hof genoegzaam – deels in de bewijsmiddelen, deels in aanvullende overwegingen – de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van het in het middel bedoelde standpunt dat de verdachte per abuis een niet aan haar toebehorende koffer van de band heeft gepakt.

24. Het eerste middel faalt.

25. Het tweede middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, doordat het hof de stukken te laat heeft ingezonden.

26. Het beroep in cassatie is ingesteld op 1 juli 2016. De stukken van het geding zijn op 6 april 2017 bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendtermijn van acht maanden inderdaad is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

27. Het tweede middel slaagt.

28. Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

29. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 19 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0413, NJ 1996/540, m.nt. Schalken, rov. 4.3.

2 Zie in dit verband ook de conclusie van P-G Silvis (onder 13-21) voor HR 10 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2571, waarin wordt betoogd dat een door een (latere) verdachte in de (toen nog) hoedanigheid van getuige tegenover de politie gedane opgave als kennelijk leugenachtige verklaring voor het bewijs kan worden gebezigd.

3 Vgl. onder meer HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:467.

4 Vgl. HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:467.

5 Vgl. HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:715, HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:272, HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1176, NJ 2014/381, m.nt. Keulen, HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1167, NJ 2014/382 en HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2406.

6 HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359, NJ 2010/314, m.nt. Buruma.

7 Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma, rov. 3.8.2. Ook een Meer en Vaart-verweer is door Uw Raad als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt aangemerkt, zie onder meer HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5969, NJ 2008/231.