Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1504

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-11-2017
Datum publicatie
02-02-2018
Zaaknummer
17/04555
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:146, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

BOPZ. Verzoek voorlopige machtiging (art. 2 Wet Bopz). Mondelinge behandeling zonder dat betrokkene werd bijgestaan door advocaat. Art. 5 EVRM, art. 8 lid 3 Wet Bopz. Motiveringseisen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/04555

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting: 29 november 2017

Conclusie inzake:

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie Zeeland-West- Brabant

In deze Bopz-zaak heeft de rechtbank een voorlopige machtiging verleend nadat de zaak buiten aanwezigheid van de advocaat mondeling was behandeld. Het middel keert zich tegen deze gang van zaken. Daarnaast zijn klachten gericht tegen de vaststelling van de stoornis van de geestvermogens en het daaruit voortvloeiende gevaar, en tegen het oordeel dat dit gevaar niet buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Bij verzoekschrift, ingekomen op 2 mei 2017, heeft de officier van justitie in het arrondissement Zeeland-West Brabant aan de rechtbank aldaar verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om verzoeker tot cassatie (geb. 1950, hierna: betrokkene) te doen opnemen en verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis1. Ten tijde van de indiening van het verzoekschrift verbleef betrokkene op vrijwillige basis in een psychiatrisch ziekenhuis van Stichting Emergis. Bij het verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd, opgemaakt door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [de psychiater 1] en op 1 mei 2017 ondertekend door de geneesheer-directeur. In rubriek 4.d van deze verklaring is de volgende diagnose gesteld: cognitieve stoornis ten gevolge van alcoholgebruik, passend bij het syndroom van Korsakov.

1.2

Op 22 mei 2017 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld in aanwezigheid van betrokkene en zijn raadsvrouwe en de behandelend psychiater [de psychiater 2]. De raadsvrouwe heeft het volgende aangevoerd. Betrokkene betwist de gestelde geestelijke stoornis. Hij is vrijwillig opgenomen sinds februari 2017 en neemt geen alcohol meer. Hij erkent dat hij hulp nodig heeft, maar is van mening dat een voorlopige machtiging een te zware maatregel is. Hij heeft te kennen gegeven naar huis te willen met extra hulp; hij zou heel weinig thuiszorg hebben gehad. Hij is bereid om mee te werken aan alcoholcontroles. Het in de geneeskundige verklaring gestelde gevaar (maatschappelijke ondergang; verwaarlozing) is volgens de raadsvrouw wel erg mager omschreven. De raadsvrouw heeft primair verzocht het verzoek van de officier van justitie af te wijzen en subsidiair om een onderzoek naar de mogelijkheid van een voorwaardelijke machtiging te laten uitvoeren, met toepassing van art. 8a Wet Bopz en eventueel een second opinion.

1.3

Blijkens de beschikking en het proces-verbaal heeft de rechtbank het verzoek om een second opinion terstond afgewezen als onvoldoende onderbouwd. In een tussenbeschikking van 22 mei 2017 heeft de rechtbank met toepassing van art. 8a Wet Bopz de stukken aan de officier van justitie ter hand gesteld om de mogelijkheid van een voorwaardelijke machtiging te onderzoeken en iedere verdere beslissing aangehouden.

1.4

Op 15 juni 2017 is bij de rechtbank aanvullende informatie ingekomen van de behandelend psychiater en van de eerste contactpersoon van betrokkene, [betrokkene 1].

1.5

Op 16 juni 2017 heeft de officier van justitie een nieuw verzoek tot verlening van een voorlopige machtiging ingediend. Bij dat verzoek was de hiervoor in 1.1 genoemde geneeskundige verklaring gevoegd.

1.6

Op 26 juni 2017 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld in de instelling. Betrokkene en de behandelend psychiater waren ter zitting aanwezig. De raadsvrouw ontbrak. Het proces-verbaal vermeldt hieromtrent:

“Rechter: Uw advocaat heeft aan de instelling laten weten dat zij verlaat is en een half uur later op de zitting zal verschijnen. Wij hebben helaas een strakke planning in verband met een thuisverhoor waar politie en ambulance wachten, waardoor het onmogelijk is om de zaak zo lang uit te stellen. Bent u in staat uw eigen verdediging te voeren en uzelf te verweren, nu u vroeger zelf altijd advocaat geweest bent? Ik zie dat u een en ander op papier hebt gesteld. Ik acht u daartoe uitstekend in staat.

Betrokkene: Ja, ik kan mijn eigen verdediging voeren.”

1.7

Op 26 juni 2017 heeft de rechtbank afzonderlijk beslist op de verzoeken welke de officier van justitie op 2 mei 2017 en op 16 juni 2017 had ingediend. In de beschikking met zaaknummer C/02/330112/FA RK/17/2300 heeft de rechtbank het op 2 mei 2017 ingediende verzoek toegewezen en een voorlopige machtiging verleend voor de periode tot en met 26 december 20172.

1.8

Namens betrokkene is - tijdig3 - cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking waarin een voorlopige machtiging is verleend. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bevat drie onderdelen. Onderdeel I is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat betrokkene voldoende in staat is zich ter zitting te verweren zonder advocaat. Onderdeel II is gericht tegen het oordeel met betrekking tot de stoornis van de geestvermogens en de ernst van het gevaar dat daaruit voortvloeit. Onderdeel III keert zich tegen het oordeel dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.

2.2

Onderdeel I klaagt in de kern dat de rechtbank het verzoek van de officier van justitie niet had mogen toewijzen, omdat betrokkene ter zitting niet werd bijgestaan door een advocaat. Ter toelichting op deze klacht is aangevoerd dat in de Wet Bopz de toevoeging van een advocaat uitdrukkelijk is opgenomen in de machtigingsprocedure. Kwetsbare personen die tegen hun wil in een psychiatrisch ziekenhuis worden ingesloten worden verondersteld de bijstand van een advocaat nodig te hebben, ongeacht hun persoonlijke achtergrond. De verdere toelichting op de klacht spitst zich toe op de feitelijke gang van zaken in eerste aanleg. Onder verwijzing naar een e-mail van 23 juni 20174 stelt betrokkene dat bij de planning van de zitting al bekend was dat de mogelijkheid bestond dat de toegevoegde advocaat niet op tijd aanwezig zou kunnen zijn voor de mondelinge behandeling van deze zaak (in de instelling), aangezien zij dezelfde dag in een zitting elders een andere cliënt moest bijstaan. Op de dag van de zitting heeft de raadsvrouw de instelling gebeld om te laten weten dat zij verlaat was als gevolg van het uitlopen van die andere zitting. Het onderdeel verwijst ten slotte naar een brief van dezelfde strekking, welke de raadsvrouw op 27 juni 2017 (dus na de eindbeschikking) aan de rechtbank heeft gestuurd.5 Het middelonderdeel klaagt in het bijzonder dat de rechter, met het argument dat betrokkene zelf advocaat is geweest, betrokkene heeft ‘overgehaald’ om zich te verdedigen buiten aanwezigheid van zijn advocaat. Daarbij is de rechter voorbijgegaan aan de bij betrokkene aanwezige geestelijke problematiek, zoals deze onder meer blijkt uit de geneeskundige verklaring. Uit de stukken blijkt niet wat de rechtbank heeft gedaan om zich ervan te vergewissen dat betrokkene inderdaad in staat was zelf zijn verdediging te voeren. Volgens de klacht is onbegrijpelijk waarom de rechtbank op 26 juni 2017 niet de behandeling van de zaak heeft aangehouden, opdat betrokkene op een later tijdstip alsnog van rechtsbijstand gebruik zou kunnen maken. Tot zover de klacht.

2.3

Uit de beginselen die ten grondslag liggen aan art. 5 EVRM vloeit − behoudens bijzondere omstandigheden – een recht van de betrokkene voort op rechtsbijstand in procedures over voortzetting, schorsing of beëindiging van zijn vrijheidsbeneming. Blijkens de uitspraak van het EHRM in de zaak Megyeri/Duitsland geldt dit ook voor een persoon die onvrijwillig is opgenomen in een psychiatrische inrichting6. In de rechtspraak vóór de inwerkingtreding van de Wet Bopz werd een recht op rechtsbijstand al afgeleid uit het stelsel van de Krankzinnigenwet, de eisen van een goede procesorde en/of het arrest van het EHRM inzake Winterwerp/Nederland7. Van procedurele rechten, zoals het recht om tijdens de zitting te worden bijgestaan door een advocaat, kan in beginsel afstand worden gedaan door de rechthebbende (een zgn. ‘waiver’). Zulke afstand van recht moet uit vrije wil zijn gedaan, moet ondubbelzinnig kunnen worden vastgesteld en moet met minimumgaranties zijn omgeven die in verhouding staan tot het belang van het recht dat wordt prijsgegeven8.

2.4

Zodra een verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging is ingediend, geeft de rechter op grond van art. 8 lid 3 Wet Bopz aan het bestuur van de Raad voor de rechtsbijstand last tot toevoeging van een raadsman, tenzij de betrokken patiënt daartegen bedenkingen heeft. De betrokkene is niet verplicht om gebruik te maken van de hem aangeboden rechtsbijstand. Hij mag zelf zijn verdediging voeren: in machtigingsprocedures − in eerste aanleg – op grond van de Wet Bopz is geen sprake van een verplichting tot procesvertegenwoordiging9. Dijkers betoogt dat het begrip ‘bedenkingen’ in art. 8 lid 3 Wet Bopz moet worden genuanceerd indien de betrokken persoon evident niet in staat is om een redelijke afweging te maken van zijn belangen met betrekking tot het gebruik van rechtsbijstand. Wanneer de patiënt in dit opzicht wilsonbekwaam is te achten mag volgens Dijkers aan de ‘bedenkingen’ van de patiënt worden voorbijgegaan; in die situatie dient de toegevoegde advocaat op een gepaste wijze uitvoering aan zijn taak te geven.10 Indien de advocaat op een later tijdstip terugtreedt, omdat zijn cliënt te kennen geeft niet langer door hem te willen worden bijgestaan, brengt een met de kwetsbare positie van de betrokkene strokende uitleg van art. 8 lid 3 Wet Bopz, in verbinding met het vierde lid van art. 45 Sv, mee dat de rechter dient te onderzoeken of de betrokkene toevoeging van een andere advocaat wenst. In zijn beschikking dient de rechter van het resultaat van dit onderzoek te doen blijken.11

2.5

In gevallen waarin een (gekozen of toegevoegde) advocaat voor de betrokkene optreedt, heeft deze vrije toegang tot de betrokkene en aanspraak op toezending van alle processtukken12. Ter zitting krijgt de advocaat de gelegenheid het woord te voeren (vgl. art. 8 lid 9 Wet Bopz). De rechter bepaalt de dag en het uur waarop de mondelinge behandeling van het verzoek aanvangt (art. 279 lid 1 Rv). Indien de betrokkene zelf of de advocaat uitstel van de mondelinge behandeling verzoekt, beslist de rechter op dat verzoek aan de hand van de maatstaf van een goede procesorde. Daarbij moet een afweging worden gemaakt tussen het (verdedigings-)belang dat gediend is met behandeling van de zaak op een later tijdstip en, anderzijds, het belang dat niet langer dan noodzakelijk onzekerheid blijft bestaan over de beslissing op het verzoek van de officier van justitie.

2.6

Het verdedigingsbelang omvat ten minste13 dat de advocaat in de gelegenheid wordt gesteld ter zitting het woord te voeren. Het belang bij een spoedige beslissing op het verzoek van de officier van justitie kan divers zijn. Eén van de factoren die hierbij een rol speelt is de wettelijke beslistermijn als bedoeld in art. 9 lid 1 Wet Bopz. In Bopz-zaken zal het belang bij een voortvarende afdoening dikwijls voortvloeien uit het gevaar waarvoor moet worden gevreesd: zo kan bijvoorbeeld sprake zijn van suïcidegevaar, van gevaar voor leven of gezondheid van anderen of van gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen, een en ander als bedoeld in art. 1 lid 1 Wet Bopz.

2.7

In het strafprocesrecht, waar soortgelijke uitstelverzoeken aan de orde komen, behoort de feitenrechter bij de beoordeling van een verzoek tot aanhouding van de behandeling ter terechtzitting een afweging te maken van het belang dat met de verzochte aanhouding wordt gediend tegenover het belang van een voortvarende afdoening van strafzaken. Van die afweging behoort de strafrechter blijk te geven in een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing14. Het belang van een voortvarende afdoening kan een belang van organisatorische aard zijn (het niet ongebruikt laten van schaarse zittingscapaciteit, met name indien het uitstelverzoek pas zeer kort vóór de aanvang van de behandeling wordt gedaan), maar ook andere belangen kunnen betrokken zijn bij een voortvarende afdoening van strafzaken, zoals het belang van het slachtoffer of van potentiële slachtoffers.

2.8

In de onderhavige zaak was betrokkene vrijwillig opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Het inleidend verzoekschrift van de officier van justitie gaat uit van de situatie dat de betrokkene te kennen geeft het vrijwillig verblijf te willen beëindigen (zie art. 2 lid 4 Wet Bopz). In zo’n geval is een rechterlijke machtiging noodzakelijk om het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis onvrijwillig te laten voortduren. Vanaf het begin van de procedure werd hij, met zijn instemming, bijgestaan door mr. Davidse als raadsvrouw. Zij heeft betrokkene bijgestaan ter zitting van 22 mei 2017. De raadsvrouw was voornemens betrokkene ook ter zitting van 26 juni 2017 bij te staan. De rechtbank was hiervan op de hoogte. De raadsvrouw heeft betrokkene op 26 juni 2017 niet kunnen bijstaan vanwege het feit dat zij eerst in de instelling arriveerde toen de zitting al was gesloten. Toen de zitting werd gepland is aan de rechtbank kenbaar gemaakt dat mr. Davidse mogelijk later ter zitting zou verschijnen en dat de zaak niet kon worden waargenomen door een kantoorgenoot. De rechtbank had bij de planning van de zittingsdatum hiermee rekening kunnen houden. Op de dag zelf had de rechtbank kunnen wachten tot de raadsvrouw alsnog zou verschijnen, dan wel – als het schema van die zittingsdag geen uitstel toeliet − een afspraak kunnen maken om de zaak op een later tijdstip (diezelfde of een andere dag) alsnog te behandelen. De rechtbank heeft ervoor gekozen de zaak mondeling te behandelen buiten aanwezigheid van de raadsvrouw.

2.9

Indien deze procedurele beslissing berust op de gedachte dat betrokkene geen recht heeft op bijstand van een advocaat ter zitting, zou de rechtsklacht slagen. Indien deze procedurele beslissing berust op de gedachte dat betrokkene afstand heeft gedaan van zijn recht om zich ter zitting te laten bijstaan door zijn advocaat, geeft dat oordeel hetzij blijk van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij is het ontoereikend gemotiveerd. Van een zekere “aansporing” van betrokkene door de rechter om van rechtsbijstand door mr. Davidse af te zien, kan naar mijn mening wel worden gesproken, gelet op hetgeen hierover is opgenomen in het proces-verbaal. De omstandigheid dat betrokkene zich blijkbaar erop had voorbereid ter zitting zelf het woord te voeren, maakt nog niet dat betrokkene zich ook erop had voorbereid de verdediging tegen het verzoek van de officier van justitie te moeten voeren zonder de bijstand van zijn advocaat ter zitting. In het licht van het ziektebeeld zoals dat is beschreven door de behandelend psychiater (vergeetachtigheid, moeite met oriëntatie in tijd, plaats en persoon, confabuleren) en zoals dit door de rechtbank zelf is geconstateerd in haar beschikking, behoefde het oordeel dat betrokkene uitstekend in staat werd geacht om zichzelf te verdedigen, een nadere motivering om voor de lezer begrijpelijk te zijn. De omstandigheid dat betrokkene vroeger zelf advocaat is geweest, kan in het licht van het geschetste ziektebeeld en van het feit dat niet iedere advocaat ervaring heeft met de behandeling van Bopz-zaken, op zichzelf niet het oordeel dragen dat betrokkene in staat was zijn zaken te behartigen en behoorlijk verweer te voeren zonder bijstand van zijn raadsvrouw ter zitting.

2.10

Indien het bestreden oordeel niet berust op een veronderstelde afstand van recht, maar impliciet op een belangenafweging als hiervoor bedoeld, is deze afweging in de bestreden beschikking niet naar behoren met redenen omkleed. De omstandigheid dat de raadsvrouw bij een eerdere gelegenheid, namelijk tijdens de eerste zitting op 22 mei 2017, het woord had gevoerd, doet hieraan niet af.

2.11

Het eerste middelonderdeel slaagt. Dit betekent dat de overige onderdelen geen bespreking behoeven. Voor het geval dat de Hoge Raad tot een ander oordeel komt, zal ik kort ingaan op de overige middelonderdelen.

2.12

Onderdeel II is gericht tegen de volgende overwegingen:

“(…) Betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens in de vorm van psycho-organische stoornissen door gebruik van middelen (incl. intoxicatie).

Onder invloed van deze stoornis is er bij betrokkene sprake van een verstoord voedingspatroon, persoonlijk en huishoudelijke vervuiling, valneigingen en maatschappelijke teloorgang. Betrokkene is vergeetachtig, heeft moeite met oriëntatie in tijd, plaats en persoon, kan niet zelfstandig plannen, organiseren en handelen en confabuleert tijdens het gesprek. Betrokkene bagatelliseert zijn 24-uurszorgafhankelijkheid.

De stoornis doet betrokkene gevaar veroorzaken. Het gevaar bestaat er vooral in dat betrokkene maatschappelijk te gronde gaat en zichzelf in ernstige mate zal verwaarlozen. (…)”

2.13

De klacht houdt in dat deze overwegingen rechtens onjuist zijn, althans ontoereikend gemotiveerd. Ter toelichting is aangevoerd dat in het oordeel dat betrokkene in staat was om ter zitting zelf verweer te voeren, al besloten ligt dat het met de geconstateerde geestelijke stoornis wel meeviel. Het feit dat betrokkene een verstoord voedingspatroon heeft en dat sprake is van persoonlijke en huishoudelijke vervuiling, valneigingen en maatschappelijke teloorgang behoeft volgens de klacht niet te wijzen op een stoornis van de geestvermogens, noch op een daaruit voortvloeiend gevaar dat zo ernstig is dat het een gedwongen opname voor de duur van zes maanden rechtvaardigt. Het onderdeel klaagt dat de rechtbank niet met een behoorlijke redengeving is ingegaan op de volgende stellingen van betrokkene ter zitting, te weten: dat de klachten die hij heeft somatisch van aard zijn, dat die klachten zijn op te lossen met meer thuiszorg, dat nergens op schrift is gesteld dat hij lijdt aan het syndroom van Korsakov en dat hij niet agressief is geweest naar anderen. Ook uit de reactie ter zitting van de behandelend psychiater dat betrokkene onderhuids agressie heeft, dat hij wel eens met kopjes gooit en een kort lontje heeft, kan (volgens het middelonderdeel) niet zonder meer worden afgeleid dat sprake is van een uit een stoornis van de geestvermogens voortvloeiend gevaar dat zo ernstig is dat dit een vrijheidsbeneming voor de duur van zes maanden rechtvaardigt. Het onderdeel klaagt ten slotte dat weliswaar duidelijk is dat betrokkene veel alcohol heeft gebruikt, maar dat nergens in de stukken voldoende duidelijk wordt gemaakt dat sprake is van een verslaving die gepaard gaat met (andere) psychische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend omdat de stoornis de gevaarvolle daden overwegend beheerst.15

2.14

De bestreden beschikking verwijst, ten aanzien van de stoornis van de geestvermogens en het oorzakelijk verband met het gevaar, naar de geneeskundige verklaring en de aan de rechtbank overgelegde informatie. In zijn (door de rechtbank op 15 juni 2017 ontvangen) verslag somt de behandelend psychiater verschillende alcohol-gerelateerde incidenten op die hebben plaatsgevonden. In het verslag vermeldt hij dat betrokkene in de periode van augustus 2014 tot en met juni 2015 reeds bij de ambulante verslavingszorg geregistreerd is geweest, dat dit in januari 2016 wederom is gebeurd, dat betrokkene in februari 2016 klinisch bij de verslavingszorg opgenomen is geweest en toen in zorgwekkende toestand naar de ziekenboeg is gebracht, dat betrokkene zich in maart 2016 na zijn ontslag niet heeft gehouden aan BOR (bed op recept)-afspraken, dat sinds juni 2016 naast de verslavingszorg nog thuiszorg, gebiedsteams van WNO (maatschappelijk werk van de gemeente) en de politie zijn ingeschakeld en dat betrokkene voor een neuropsychologisch onderzoek en nieuwe detox op 1 februari 2017 van de verslavingszorg naar de afdeling ouderenpsychiatrie werd gebracht. In het verslag staat dat het gedane onderzoek een uitgebreide alcoholgerelateerde dementie van Korsakov-type toont, hetgeen een zelfstandig functioneren van betrokkene bijna onmogelijk maakt. Het verslag vermeldt voorts dat ziekte-inzicht ontbreekt, dat betrokkene door een uitgebreide alcoholgerelateerde polyneuropathie en alcoholgerelateerde kleine hersenbeschadiging in zijn mobiliteit duidelijk beperkt is en het risico loopt van aanstaande valpartijen die zelfs tot de dood of ernstig hersenletsel kunnen voeren. Daarnaast schrijft de behandelend psychiater dat bij betrokkene recent ook toenemende agressie zichtbaar is en dat zijn gedrag in toenemende mate slecht tot helemaal niet meer corrigeerbaar is. De behandelend psychiater vermeldt tot slot dat een heel reëel gevaar van ernstig letsel bestaat, dat de aandoening van betrokkene duurzaam en onomkeerbaar is en dat in de loop van de komende jaren alleen met verergering rekening moet worden gehouden.

2.15

Ofschoon juist is dat de geneeskundige verklaring niet uitdrukkelijk vermeldt dat sprake is van een verslaving die gepaard gaat met (andere) psychische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend omdat de stoornis de gevaarvolle daden overwegend beheerst, is niet onbegrijpelijk dat de rechtbank ook op dit punt met een verwijzing naar de stukken en het verhandelde ter zitting heeft volstaan. Uit de inhoud van het verslag, waarin de diagnose in de eerder opgestelde geneeskundige verklaring wordt bevestigd, heeft de rechtbank m.i. kunnen opmaken dat aan deze maatstaf is voldaan. Voor zover onderdeel II aan de orde komt, treft het geen doel.

2.16

Onderdeel III klaagt dat het oordeel dat het gevaar niet kan worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis, rechtens onjuist is, althans onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Ter toelichting is gesteld dat bij de stukken, naast de verklaring van de behandelend psychiater, zich een verklaring van de eerste contactpersoon van betrokkene, [betrokkene 1], bevindt die op 15 juni 2017 bij de rechtbank is ingekomen. Deze persoon, die vanaf 2010 is betrokken bij deze patiënt, heeft gesteld dat betrokkene uitsluitend zelfstandig kan wonen indien wordt voldaan aan een aantal voorwaarden, met stevige waarborgen. Het onderdeel klaagt dat uit de bestreden beschikking niet blijkt dat de rechtbank dit voorstel ter zitting heeft besproken en aan de behandelend psychiater heeft voorgelegd. Indien het voorstel van de eerste contactpersoon wordt gevolgd, had dit volgens de klacht kunnen leiden tot een voorwaardelijke machtiging, waarbij betrokkene in zijn eigen huis zou kunnen wonen onder de voorgestelde voorwaarden. Daarbij komt, dat het reële gevaar van ernstig letsel door vallen reeds bestaat als gevolg van de beperkte mobiliteit van betrokkene, zodat zich de vraag voordoet of dit genoemde gevaar wordt veroorzaakt door een stoornis van de geestvermogens, zoals de rechtbank veronderstelt, of door somatische problemen.

2.17

Anders dan het cassatiemiddel veronderstelt, maakt het onbesproken laten van de brief van de contactpersoon het oordeel van de rechtbank niet onjuist of onbegrijpelijk. De contactpersoon noemt aan het slot van zijn brief een zestal voorwaarden waaraan zijns inziens (alle) moet zijn voldaan, wil betrokkene weer zelfstandig kunnen wonen. Hij noemt als voorwaarden onder meer “100% stoppen met het gebruik van alcohol” en “gedragsverandering”. Het laatste houdt volgens de brief van de contactpersoon in, dat betrokkene moet beseffen dat hij een alcoholprobleem heeft, dit erkent (in plaats van het te bagatelliseren) en daar ook naar handelt. Indien deze brief van de contactpersoon, met de daarin genoemde voorwaarden, wordt gelegd naast de brief van de behandelend psychiater van diezelfde datum, dan blijkt dat de psychiater van oordeel is dat bij betrokkene het besef dat hij een alcoholprobleem heeft, geheel ontbreekt. Zoals hiervoor al vermeld, schrijft de behandelend psychiater dat neuropsychologisch onderzoek heeft aangetoond dat bij betrokkene sprake is van een uitgebreide alcoholgerelateerde dementie van Korsakov-type, wat het zelfstandig functioneren bijna onmogelijk maakt. De psychiater schrijft verder dat er de afgelopen drie jaar voldoende pogingen zijn geweest om betrokkene in zijn thuissituatie te steunen en in functie te houden, doch dat die allemaal mislukt zijn. Aan het slot schrijft de psychiater dat de aandoening van betrokkene “duurzaam en onomkeerbaar is” en dat in de loop van de komende jaren “alleen met verergering rekening moet worden gehouden”.

2.18

Uit de verklaring van de behandelend psychiater, waarnaar de rechtbank verwijst, kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat de voorwaarden voor zelfstandig kunnen gaan wonen, welke de eerste contactpersoon heeft opgesomd, niet alle kunnen worden vervuld. Het bestreden oordeel berust op een waardering van de procestukken, die aan de feitenrechter is voorbehouden. Het oordeel is niet onbegrijpelijk voor de lezer. De stelling van het onderdeel dat “de vraag zich voordoet” of het reële gevaar van ernstig letsel dat de behandelend psychiater noemt, met een stoornis van de geestvermogens of met somatische problemen te maken heeft, berust m.i. op een onjuiste lezing van het verslag van de behandelend psychiater. Voor zover de Hoge Raad toekomt aan onderdeel III, faalt het.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van 26 juni 2017 en tot terugwijzing naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

1 Zie art. 2 Wet Bopz.

2 Bij beschikking nr. C/02/332060/FA RK/17/3300 heeft de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in het door hem op 16 juni 2017 ingediende verzoek, omdat (op basis van het op 2 mei 2017 ingediende verzoek) al een voorlopige machtiging was verleend.

3 Het verzoekschrift is ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 26 september 2017.

4 In deze e-mail, die een kantoorgenoot om 08:58 uur aan de raadsvrouwe heeft verzonden, staat: “Gezegd dat je daarvoor voor een pol. r. zitting heb van minimaal een uur en dat je in principe 12.00 moet halen, maar dan moet het uiteraard niet uitlopen bij de rechtbank.”

5 In deze brief staat onder meer: “(…)Voorafgaand aan het plannen van de zitting van 26 juni jl. is er door en namens mij aan de rechtbank kenbaar gemaakt dat ik in verband met een politierechterzitting dezelfde ochtend mogelijk verlaat ter zitting zou kunnen verschijnen. De zitting kon echter niet later dan 12.00 uur gepland worden. Helaas konden beide zittingen ook niet door kantoorgenoten worden waargenomen, hetgeen ik ook aan de rechtbank heb verwittigd. Tijdens de politierechterzitting op 26 juni jl. bleek dat ik het tijdstip van 12.00 uur niet zou gaan redden. Mijn secretaresse heeft tot twee keer toe contact opgenomen met de rechtbank team BOPZ om u en ook Emergis hierover te informeren. Uiteindelijk was ik om 12.20 uur ter plaatse bij Emergis. (…)”

6 EHRM 15 mei 1992, ECLI:NL:XX:1992:AC2378, NJ 1993/522, m.nt. H.E. Ras onder 524. Zie met name overweging 23: “(…) The importance of what is at stake for him - personal liberty - taken together with the very nature of his affliction - diminished mental capacity - compel this conclusion.”.

7 Zie HR 14 oktober 1983, NJ 1985/66 m.nt. F.H.J. Mijnssen en de daaraan voorafgaande conclusie van de A-G Ten Kate onder 34; HR 31 mei 1985, NJ 1985/667;

8 Zie hierover, met verdere verwijzingen: de conclusie voor HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:560, JVggz 2017/17.

9 W.J.A.M. Dijkers, Doen en laten in de BOPZ-machtigingsprocedure, diss. 2003, blz. 301; SDU Commentaar Wet Bopz, art. 8, aant. C.3.3.1 (W. Dijkers).

10 SDU Commentaar Wet Bopz, art. 8, aant. C.3.3.1 (W. Dijkers), onder verwijzing naar HR 28 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0754, NJ 1989/591. In die zaak (toen nog de Krankzinnigenwet gold) had de betrokkene verklaard er geen bezwaar tegen te hebben om te worden gehoord buiten aanwezigheid van zijn raadsman, wanneer - zoals de R-C had gezegd - het proces-verbaal van dat verhoor aan de raadsman zou worden opgestuurd, die zich dan zou kunnen uitlaten over de inhoud van zowel de geneeskundige aantekeningen als van het proces-verbaal. De rechtbank overwoog tegen de achtergrond hiervan, dat de betrokkene zelf vooraf te kennen heeft gegeven dat hij tegen de te volgen gang van zaken geen bezwaar had. De rechtbank wees om die reden het verzoek van de raadsman om opnieuw een verhoor te houden, af. In een en ander lag naar het oordeel van de Hoge Raad besloten dat de rechtbank de betrokkene in staat heeft geoordeeld om de draagwijdte van het voorstel van de R-C te overzien. Zie ook HR 19 januari 1990, ECLI:NL:HR:1989:AB8522, NJ 1990/443 m.nt. G.E. Mulder. Dat het hierbij gaat om fundamentele regels, volgt uit HR 12 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0858, NJ 1993/524 m.nt. H.E. Ras. Zie voorts: R.B.M. Keurentjes, Tekst & toelichting Wet Bopz, 2012, par. 76.

11 HR 1 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1422, NJ 1994/720; HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2998, NJ 2014/471, JVggz 2014/39; HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3663, NJ 2015/35, JVggz 2015/1 m.nt. W. Dijkers.

12 Zie art. 8 lid 3 Wet Bopz in verbinding met art. 38, 39 en 45 Sv.

13 In de conclusie voor HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH6283, BJ 2009/23 m.nt. W. Dijkers, worden onder 2.1 – 2.9 diverse mogelijke verdedigingsbelangen besproken.

14 G.J.M. Corstens/ M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, 2014, blz. 715 (nr. 15.24); HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3421, NJ 2015/39 m.nt. T.M. Schalken; HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3026.

15 Het onderdeel verwijst in dat verband naar HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2937, NJ 2014/439.