Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:150

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-01-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
15/05342
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:436, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Strafmotiveringsklacht. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 15/05303; 15/05447; 15/05454; 16/00013; 16/00237; 16/00238; 16/00239; 16/00947; 16/00948; 16/00949; 16/00950; 16/00951 en 16/00952.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/05342

Zitting: 24 januari 2017

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 9 november 2015 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

  2. Er bestaat samenhang met twaalf andere zaken. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Beide middelen komen op tegen ’s hofs strafoplegging en de motivering daarvan. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof bij de strafoplegging ten onrechte en onbegrijpelijk geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat een deel van de hennep betrekking had op de gedoogde inkoop voor een coffeeshop. Het tweede middel klaagt dat het hof het verweer dat schending van het doorlaatverbod tot strafvermindering moet leiden ten onrechte en ondeugdelijk gemotiveerd heeft verworpen. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

  5. Het bestreden arrest houdt in, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang:

“Verdachte heeft zich gedurende bijna een jaar schuldig gemaakt aan het vervoeren en afleveren van hennep. Door zo te handelen heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van het criminele circuit waarin deze softdrugs worden geproduceerd en verhandeld.

Namens de verdachte is aangevoerd dat (een groot gedeelte van) de door verdachte gepleegde strafbare feiten (namelijk het inkopen van cannabis ter bevoorrading van de coffeeshop) het rechtstreekse uitvloeisel is en het onlosmakelijke gevolg is van de exploitatie van die coffeeshop, waarvoor het gedoogbeleid geldt. Namens verdachte wordt daarom een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van strafrecht: het rechterlijk pardon.

Het hof verwerpt het verweer. Aangenomen dat verdachte inderdaad inkoper van hennep is (geweest) voor een coffeeshop, dan hield hij zich daarnaast ook bezig met de verkoop van hennep aan anderen. Die activiteiten zijn in geen enkel opzicht noodzakelijk voor de exploitatie van de coffeeshop. Het hof stelt vast dat (grootschalige) handel in en bezit van hennep/weed door de wetgever onverminderd strafbaar is gesteld en op geen enkele wijze onder het met strenge criteria omgeven gedoogbeleid voor coffeeshops valt te scharen. In de omstandigheid dat verdachte mede heeft gehandeld ten behoeve van de bevoorrading van een coffeeshop, ziet het hof geen aanleiding om een lagere straf op te leggen, zoals de raadsman heeft bepleit. Juist verdachte moet zich als werknemer van een coffeeshop die verkondigt dat hij zich met betrekking tot zijn coffeeshop netjes aan de regels van het gedoogbeleid houdt, afzijdig houden van handel in hennep buiten de coffeeshop om.

Voor deze ernstige feiten, alsmede gelet op de frequentie en omvang daarvan is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende sanctie is.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf neemt het hof in aanmerking dat uit een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 24 juli 2015 blijkt dat verdachte meermalen voor strafbare feiten is veroordeeld, waaronder ook overtredingen van de Opiumwet. Het hof acht - in afwijking van de eis van de advocaat-generaal - een enigszins beperktere gevangenisstraf, namelijk voor de duur van 6 maanden passend en geboden.

Het verweer van de raadsman dat de op te leggen straf gematigd dient te worden omdat sprake is van schending van het doorlaatverbod wordt verworpen, omdat niet onderbouwd is in welk belang verdachte geschaad is.”

6. De stelling in de toelichting op het eerste middel dat het hof in de strafoplegging geen rekening heeft gehouden met de hoeveelheid hennep die de verdachte in het kader van het gedoogbeleid aan een coffeeshop mocht leveren, berust lijkt mij op een onjuiste lezing van de strafmotivering. Daarin komt immers tot uitdrukking dat hetgeen het hof de verdachte verwijt is dat hij “daarnaast” zich bezig hield met de verkoop van hennep aan anderen. Kennelijk – het wordt in cassatie niet bestreden – vielen deze nevenactiviteiten onder de noemer (grootschalige) handel in hennep, hetgeen door de wetgever strafbaar is gesteld. Voorts heeft het hof in zoveel woorden overwogen dat het in de omstandigheid dat de verdachte ook de coffeeshop bevoorraadde geen aanleiding ziet om een door de raadsman bepleite lagere straf op te leggen. Dat oordeel acht ik in het licht van de motivering ervan niet onbegrijpelijk. Datzelfde geldt voor de overweging van het hof dat er geen reden is om de straf te matigen vanwege de gestelde schending van het doorlaatverbod1 omdat niet is onderbouwd in welk belang de verdachte is geschaad. In de toelichting op het tweede middel wordt aangevoerd dat in het verweer van de raadsman vanzelfsprekend besloten zou liggen dat naleving van het doorlaatverbod zou hebben geleid tot een pleegperiode die dan 11 maanden korter was geweest en dienvolgens dus tot een lagere straf. Nog daargelaten dat de raadsman dit punt niet uitdrukkelijk en als zodanig op de terechtzitting van het hof naar voren heeft gebracht, heeft het hof, indien het al het betoog van de raadsman in de door de steller van het middel geëxpliciteerde zin heeft verstaan, daarin geen onderbouwing gelezen voor de stelling dat de verdachte daardoor in enig belang is geschaad. Ook dan is het impliciete oordeel ter zake niet onbegrijpelijk. Overigens merk ik op dat het doorlaatverbod niet is geschreven in het belang van de verdachte.2 Het staat de rechter vrij met schending van het doorlaatverbod in de straftoemeting rekening te houden, verplicht daartoe is hij niet.

7. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het in art. 126ff Sv bedoelde doorlaatverbod zou door justitie zijn geschonden, nu niet tijdig tot inbeslagneming en aanhouding zou zijn overgegaan.

2 Vgl. HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9915, NJ 2002/602 m.nt. Buruma.