Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1494

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-11-2017
Datum publicatie
30-01-2018
Zaaknummer
17/00056
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:117, Gedeeltelijk contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Viervoudige poging doodslag door midden op de dag in een woonwijk in Helmond op een afstand van 20 à 25 meter met een vuurwapen ten minste drie kogels op een auto met vier inzittenden af te vuren. 1. Voorwaardelijk opzet op dood alle inzittenden van auto? 2. Vordering tot herroeping VI, art. 15i Sr.

Ad. 1: HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2003:AE9049 m.b.t. voorwaardelijk opzet op de dood. Oordeel Hof dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad om A, B, C en D te doden, aangezien het schieten op een auto "terwijl daar personen in zitten of zich in de directe nabijheid van de auto bevinden, (...) naar de uiterlijke verschijningsvorm zodanig [is] gericht op het doden van die personen dat de verdachte minst genomen de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood van deze personen bewust heeft aanvaard", geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Aan ’s Hofs kennelijke en niet onbegrijpelijke oordeel dat verdachte door zijn manier van schieten bewust de aanmerkelijke kans op de dood aanvaardde van ieder van de vier personen in of in de directe nabijheid van de auto, doet omstandigheid dat de auto slechts door drie kogels is geraakt niet af, mede in aanmerking genomen dat het telkens gaat om een poging een van deze personen van het leven te beroven.

Ad. 2: Hof heeft VI-datum en bijbehorende proeftijd m.b.t. eerdere veroordeling t.z.v. poging tot moord (meermalen gepleegd) vastgesteld en vastgesteld dat bewezenverklaarde feiten zijn begaan tijdens proeftijd en soortgelijke feiten betreffen. Gelet op deze vaststellingen en pleegdatum bewezenverklaarde feiten, moet worden aangenomen dat Hof t.g.v. een kennelijke vergissing heeft overwogen dat verdachte zich binnen drie maanden in plaats van binnen één jaar en drie maanden nadat hij voorwaardelijk in vrijheid was gesteld aan de bewezenverklaarde feiten schuldig heeft gemaakt. HR leest uitspraak met herstel van deze misslag. CAG: anders t.a.v. herroeping v.i.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/00056

Zitting: 28 november 2017

Mr. B.F. Keulen

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 26 mei 2016 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “poging tot doodslag, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Het hof heeft de vorderingen van drie benadeelde partijen geheel of gedeeltelijk toegewezen, drie schadevergoedingsmaatregelen opgelegd en de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toegewezen, één en ander zoals in het arrest vermeld.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.

  3. De eerste twee middelen hebben betrekking op de bewijsvoering. Ik geef daarom hierna eerst de bewezenverklaring, de gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het hof weer.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij:

“op 3 november 2014 te Helmond, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen meerdere kogels op een auto heeft afgevuurd, terwijl [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zich in die auto bevonden en [slachtoffer 4] zich in de directe omgeving van die auto bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:1

“1. De aangifte van [slachtoffer 1], voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik wil aangifte doen van poging doodslag gepleegd op 3 november 2014 te Helmond. Ik ben vandaag omstreeks 12:00 uur naar Helmond gegaan. Ik was samen met drie vrienden, [slachtoffer 2] (het hof begrijpt hier en hierna: [slachtoffer 2]), [slachtoffer 3] (het hof begrijpt hier en hierna: [slachtoffer 3]) en [slachtoffer 4] (het hof begrijpt hier en hierna: [slachtoffer 4]) naar Helmond gegaan. Omstreeks 14:00 uur kwamen wij aan bij de woning van [betrokkene 1] (het hof begrijpt hier en hierna: [betrokkene 1]). Wij kwamen de straat inrijden en ik zag dat [slachtoffer 2] de auto parkeerde. Ik zat achter in de auto. Ik zat achter de bestuurder. Ik zag vanuit mijn ooghoeken [verdachte] (het hof begrijpt hier en hierna: verdachte [verdachte]) staan. Nadat ik [verdachte] zag staan, keken [verdachte] en ik elkaar aan en ik zag dat [verdachte] een vuurwapen pakte. Ik zag dat hij dit vuurwapen uit zijn jas pakte. Ik riep tegen mijn vrienden, bukken, bukken. Ik hoorde toen zes of zeven schoten. Ik zag dat deze schoten op mij waren gericht. Ik zag dat het raam van het voertuig waar ik zat, werd geraakt.

2. De aangifte van [slachtoffer 4], voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik wil aangifte doen van poging doodslag gepleegd op 3 november 2014 te Helmond. Op 3 november 2014 was ik samen met [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] (het hof begrijpt hier en hierna: [slachtoffer 1]) en een meisje. Wij zijn vanochtend met de auto van [slachtoffer 2] naar Helmond gekomen. [slachtoffer 2] parkeerde zijn auto en ik stapte vervolgens uit om mijn rug te strekken. Toen ik uit de auto stapte zag ik een jonge man staan met donkere haren. De jongen stond aan de linkerzijde van de auto. Ik stond op dat moment aan de rechterzijde van de auto. Ineens hoorde ik vuurschoten. Ik hoorde volgens mij iets van zes schoten. Vervolgens ben ik achter de rechtervelg van het voorwiel gaan liggen. Ik zag tijdens de vuurschoten dat [slachtoffer 1] uit het rechterachterportier van de auto kwam gekropen.

3. De aangifte van [slachtoffer 3], voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik wil aangifte doen van poging doodslag gepleegd op 3 november 2014 te Helmond. We zijn richting Helmond gereden. Ik zat rechtsvoor in de auto. [slachtoffer 2] reed. [slachtoffer 1] zat achter [slachtoffer 2] en die jongen die bij [slachtoffer 1] was (het hof begrijpt: [slachtoffer 4]) zat achter mij. We reden in een Volkswagen. We hebben de auto geparkeerd naast (het hof begrijpt: op) een pleintje met parkeervakken. Op het moment dat ik mijn sigaretje uit het raam gooide, stond er ineens een man bij de auto. Hij stond aan de kant van de bestuurder. Ik hoorde [slachtoffer 1] in de auto zeggen: “Dat is hem”. Ineens zag en hoorde ik dat de man schoot. Ik zag dat hij een pistool in zijn hand had. Ik zag dat hij het wapen op onze auto richtte. Op het moment dat die man schoot, toen ik een knal hoorde, ben ik gelijk met mijn gezicht onder het dashboard geschoten en ik heb mijn gezicht naar de andere kant weggedraaid. Ik hoorde klappen, ik hoorde het afvuren van het wapen. Ik was doodsbang en ik wilde schuilen, zorgen dat hij me niet zou raken.

(..)

Ik zag hem zijn pistool richten en ik zag hem op onze auto schieten. Nadat er geschoten was en ik uit de auto was zag ik dat er vooral geschoten was op de plaats waar [slachtoffer 1] zat. Ik zag dat er drie gaten in de auto zaten. Eén gat zat in het raam, één gat een beetje in het midden van de achterdeur en één ook in de achterdeur, maar dan wat meer richting de bestuurder, richting [slachtoffer 2] dus.

4. De aangifte van [slachtoffer 2], voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik wil aangifte doen van poging doodslag gepleegd op 3 november 2014 te Helmond.

Ik ben vandaag met mijn personenauto, merk VW Variant, type 4 Golf, kleur zilvergrijs, [AA-00-BB], naar Helmond gereden. Ik reed als bestuurder. [slachtoffer 1] zat als passagier achter mij. Mijn vriendin, genaamd [slachtoffer 3], zat naast mij op de passagiersstoel. Daar achter zat een jongen, genaamd [slachtoffer 4].

We zijn de [a-straat] ingereden. Ik ben op het parkeerterreintje in die straat gestopt. Ik ben dat parkeervak ingereden. Ik wilde de gordel losmaken toen ik links naast mij een jongen zag staan. Ik hoorde dat [slachtoffer 1] achter mij zei: “Daar staat hij”. Ik vroeg wie, waarop [slachtoffer 1] zei: “De ex van [betrokkene 1].” Ik zat nog in de auto en de portieren waren gesloten. Ik had mijn portierraam open.

Op het moment dat [slachtoffer 1] zijn portier opende en uit wilde stappen zei de ex van [betrokkene 1]: “Kom dan!”. Direct hierop zag ik dat die jongen in zijn rechterhand een vuistvuurwapen had. Hij hield dit wapen vast met gestrekte arm. Het was een donker, redelijk [slachtoffer 2] wapen.

Hij richtte het wapen in de richting van onze auto. Ik hoorde en zag dat die jongeman gericht richting ons schoot. (..) Ik ben via mijn portier uitgestapt en ben voor de auto langs naar de rechterzijde van de auto gelopen. (..) Ik ben aan de rechterzijde naar mijn vriendin toegegaan. Mijn vriendin had inmiddels wel haar portier geopend. Ik heb de veiligheidsriem bij mijn vriendin losgemaakt en haar naar buiten geleid. Ondertussen zag ik dat [slachtoffer 1] ook weggedoken was en dat hij naar rechts weg kroop uit de auto. Hij kwam de auto uit waarbij hij liggend met de benen op de achterbank op de grond kroop. Ook zag ik dat [slachtoffer 4] uit de auto was gekropen. Hij lag bij het rechtervoorwiel.

5. Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1], voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Op 3 november 2014, omstreeks 14:15 uur, bevond ik mij in uniform met een opvallend dienstvoertuig op de [a-straat] te Helmond teneinde een bezoek te brengen aan de bewoonster van [a-straat] 3 te Helmond, te weten [betrokkene 1].

Op mijn aanbellen zag ik dat een manspersoon een gedeelte van het gordijn van de woonkamer optilde. Ik herkende deze man direct als de mij ambtshalve bekende [verdachte]. Ik hoorde [verdachte] luid roepen: “Kut politie. Niet open doen.” Direct hierna werd het gordijn gesloten. Toen ik kenbaar maakte dat ik kwam om een winkelverbod aan haar (het hof begrijpt: [betrokkene 1]) uit te reiken, werd de voordeur door haar geopend. Door de geopende voordeur zag ik dat de achterdeur openstond. Ik vroeg aan [betrokkene 1] waarom [verdachte] zo snel weg was gevlucht. [betrokkene 1] gaf aan dat [verdachte] dacht dat ik hem voor een eventuele boete aan zou komen houden.

Vervolgens heb ik [betrokkene 1] het betreffende winkelverbod uitgereikt. Hierna volgde nog even een kort gesprek. Tijdens dit gesprek keek [betrokkene 1] in de richting van het Willem Beringsplein.

Ik zag plotseling een hoop angst in het gezicht van [betrokkene 1]. Ik keek vervolgens in dezelfde richting en zag op de hoek [a-straat] -Willem Beringsplein een tweetal mannen vanaf een grijze personenauto onze kant op komen lopen. Ik zag een jongen met een grijze jas en wit petje en een jongen met een zwart jack en een petje onze richting oplopen. Ik hoorde [betrokkene 1] roepen: “Kut, kut, kut vuurwapens. Het is mijn ex uit Den Haag. Blijf alstublieft staan. Ik moet [verdachte] bellen.” Ik zag vervolgens dat de twee mannen plotseling omdraaiden en weer terug naar hun auto liepen om hierna weer in te stappen. Inmiddels had [betrokkene 1] [verdachte] met haar gsm gebeld. Ik hoorde haar vervolgens zeggen: “[verdachte] ze zijn er. Ik heb hem gezien. Ze staan in de [a-straat] en zitten in een grijze auto vermoedelijk een Golf. Ben voorzichtig.” Hierna werd de verbinding door [betrokkene 1] verbroken. Ik vroeg vervolgens aan [betrokkene 1] wat er nu precies aan de hand was, zeker met haar uitlating over vuurwapens. Ik zag aan [betrokkene 1] dat zij helemaal in paniek was. Ik hoorde [betrokkene 1] zeggen: “Ik wil er niet te veel over vertellen. Ik heb problemen met mijn ex. Ik word bedreigd”.

Kort hierna hoorde ik een vijftal schoten afkomstig uit de richting van het Willem Beringsplein. Toen ik in de richting van de eerder genoemde grijze auto keek, zag ik een viertal personen uit de auto vluchten en dekking zoeken achter hun auto. Toen ik in de buurt van de grijze personenauto was zag ik drie jongens en een meisje. Twee betroffen de eerder genoemde jongens die richting de woning van [betrokkene 1] kwamen gelopen. Ik zag in de linker achterportier van de grijze personenauto een tweetal kogelinslagen.

Kort hierop werd ik aangesproken door de bewoner van de [b-straat] (het hof begrijpt dat wordt bedoeld: de [b-straat]) 12. Deze vertelde dat hij de schutter voorbij had zien rennen en deze herkende als zijnde de eerder genoemde [verdachte].

6. De verklaring van verbalisant [verbalisant 1], zoals afgelegd tijdens het verhoor door de raadsheer-commissaris in dit hof op 1 februari 2016, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik bleef die twee mannen volgen met mijn ogen en zag dat zij in de auto stapten. De auto stond met de neus mijn kant op. Vrij kort nadat het telefoongesprek (het hof begrijpt: tussen [betrokkene 1] en verdachte) beëindigd was, hoorde ik een vijftal schoten vanuit de richting van het Willem Beringsplein. Ik keek naar de auto en zag de bestuurder hollen via de voorkant van de auto naar de bijrijderskant. De deur van de bijrijder stond open en daar stond iemand gehurkt of gebogen achter. Ik zag dat er ook achter in de auto inzittenden waren, die, voor mij aan de linkerzijde van de auto, uit de deur (het hof begrijpt derhalve: gelet op de positie van verbalisant, vanuit het rechterachterportier van de auto) kwamen rollen.

7. Het proces-verbaal sporenonderzoek, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3]:

Op 3 november 2014 werd door ons, verbalisanten, een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met een schietincident gepleegd op 3 november 2014 op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [a-straat] te Helmond.

(Blad 2)

SPOREN ONDERZOEK EN ONDERZOEK TER PLAATSE:

Wij, verbalisanten, zagen dat tussen eerder genoemde flauwe bocht naar links in de [a-straat] en de aftakking naar rechts drie personenauto’s stonden geparkeerd.

Hierbij zagen wij dat deze personenauto’s met de voorzijde geparkeerd stonden in de richting van de Willem Prinzenstraat.

Wij zagen dat als tweede auto een grijze Hyundai Atos-prime geparkeerd stond voorzien van het kenteken [CC-00-DD]. Aan de achterzijde van deze personenauto zagen wij dat deze linksonder de achterruit beschadigd was, zeer waarschijnlijk, gelet op de putvormige beschadiging, veroorzaakt door een projectiel. (...)

De derde (geparkeerde) personenauto betrof het voertuig waarin de slachtoffers hadden gezeten en waarop door de dader zou zijn geschoten. Wij zagen dat deze personenauto een grijze Volkswagen Golf Variant betrof voorzien van het kenteken [AA-00-BB]. Hierbij zagen wij dat van deze personenauto het rechter achter- en rechter voorportier open stond en dat het raam van het rechter achterportier een klein stukje open stond.

Verder zagen wij dat de overige portieren dicht waren en dat het raam van het linker achterportier bijna geheel openstond. (Foto 11, 12 en 14 t/m 17).

In het linker achterportier zagen wij dat er twee inschotbeschadigingen aanwezig waren. Wij zagen namelijk dat het metaal van dat portier rondom de inschotbeschadigingen naar binnen was gedrukt en dat deze beschadigingen ovaal/rond van vorm waren. Staand voor de linkerzijde van deze personenauto zagen wij dat deze inschotbeschadigingen zich aan de linkerzijde van dat portier bevonden, aan de scharnierzijde. Na meting bleek ons dat de meest rechter inschotbeschadiging op een hoogte zat van ongeveer 63 centimeter en de linker inschotbeschadiging op een hoogte van ongeveer 83 centimeter, gemeten vanaf de grond. (Foto 18 t/m 20).

Aan de binnenzijde van betreffend portier werden door ons geen uitschotbeschadigingen aangetroffen. Gelet op het niet aanwezig zijn van uitschotbeschadigingen in dat portier was het zeer aannemelijk dat de projectielen, die deze inschotbeschadigingen hadden veroorzaakt, nog in dat portier aanwezig waren. (Foto 21).

(Blad 3)

Vervolgens zagen wij dat in de ruit van het linkerachterportier rechtsboven aan de rand een doorschotbeschadiging aanwezig was. Aan de binnenzijde van de C-stijl (rechterzijde) van deze personenauto zagen wij dat er een beschadiging aanwezig was van mogelijk een projectiel. Hierbij zagen wij dat deze beschadiging er zodanig uit zag dat het er op leek of dat projectiel langs deze C-stijl was afgeschaafd en dat het zeer waarschijnlijk een schampschot betrof. Gelet op het gegeven dat ons niet duidelijk was in welke stand de ruit van het linkerachterportier had gestaan, op het moment van het schietincident, kon door ons niet worden bepaald of het projectiel dat de doorschot in deze ruit had veroorzaakt hetzelfde projectiel was geweest dat de beschadiging in de rechter C-stijl had veroorzaakt dan wel de schietbeschadiging in de achterruit van de personenauto voorzien van het kenteken 33-FD- NZ. (Foto 23 en 24). (...)

Op het gedeelte van de [a-straat] dat was afgesloten voor voertuigen werden door ons op een afstand van ongeveer 21 meter tot 32 meter van de Volkswagen Golf Variant, zijnde de personenauto van de slachtoffers, zes patroonhulzen aangetroffen. Gezien vanaf de Willem Beringsstraat en kijkend naar de Volkswagen Golf Variant voorzien van het kenteken [AA-00-BB], werden drie patroonhulzen door ons aangetroffen in het verlengde van de linkerzijde van deze personenauto. De andere drie hulzen werden door ons ongeveer drie meter verder naar rechts aangetroffen. De aangetroffen patroonhulzen werden door ons achtereenvolgens gewaarmerkt met markeringsnummer 1 t/m 6. (Situatietekening en foto 27 t/m 29). (...)

(Blad 5)

VOERTUIGONDERZOEK

Op 4 november 2014 werd door ons, verbalisanten, de personenauto Volkswagen Golf Variant voorzien van het kenteken [AA-00-BB] verder onderzocht. Tijdens dat onderzoek bleek ons, aan de hand van een doorschot in het linkerachterportier en een doorschot in de ruit van het linkerachterportier, dat de ruit van het linkerachterportier ten tijde van het schietincident half open had gestaan. Verder bleek ons dat het doorschot rechtsboven in de ruit van het rechterachterportier op een hoogte zat van ongeveer 1.17 meter, gemeten vanaf de grond en in het verlengde van de achterbank. (Foto 50 t/m 54).

Nadat we de binnenbekleding van het linkerachterportier hadden verwijderd werden door ons aan de binnenzijde van dat portier twee projectielen aangetroffen.

8. De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 24 juni 2015, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik heb op 3 november 2014 te Helmond zes keer geschoten. In het vuurwapen zaten 7 patronen. Het vuurwapen was doorgeladen. Ik stond op zo’n 20 á 25 meter van de auto. Eén van de personen stond aan de achterkant van de auto. Ik heb met één arm recht vooruit geschoten.”

6. Het hof heeft het volgende overwogen omtrent het bewijs:2

“De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is - op de gronden zoals genoemd in de ter terechtzitting overgelegde pleitnota - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd:

 dat gelet op de onbetrouwbare en ongeloofwaardige verklaringen van aangevers [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en de daarmee op verschillende punten strijdige verklaring van verbalisant [verbalisant 1] niet in rechte kan worden vastgesteld of en zo ja, hoeveel aangevers zich in de auto bevonden dan wel in de directe nabijheid daarvan;

 dat verdachte niet het opzet had om één of meer van de aangevers te doden doch dat hij slechts beoogde de twee, hem op dreigende wijze naderende, mannen af te schrikken door tussen hen door met een vuurwapen op de linkerachterdeur van de auto te schieten en vervolgens een aantal malen in de lucht te schieten.

Het hof overweegt als volgt.

De aangevers [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] hebben kort na het schietincident op 3 november 2014, te weten ongeveer een uur later, bij de politie een verklaring afgelegd. Uit deze verklaringen kan worden afgeleid dat [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zich, in ieder geval op het moment dat het schieten een aanvang nam, in de auto bevonden. Aangever [slachtoffer 4] heeft destijds bij de politie verklaard dat hij kort voordat verdachte begon te schieten uit de auto was gestapt en aan de rechterzijde van de auto stond. Dat de verklaringen van aangevers onderling niet op alle punten overeenkomen, maakt naar het oordeel van het hof, mede gezien het feit dat het hier een traumatische gebeurtenis betreft die zich in een zeer korte tijd voltrok, niet dat deze verklaringen als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt. Ook is niet aannemelijk geworden dat aangevers hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd. De aangevers hebben op 26 mei 2015 ten overstaan van de rechter-commissaris met betrekking tot hun eigen positie in of bij de auto ten tijde van het schietincident in gelijkluidende zin als bij de politie verklaard.

De verklaringen van aangevers omtrent de wijze waarop zij zichzelf in veiligheid hebben gebracht, zijn gedetailleerd en worden in grote lijnen ondersteund door hetgeen verbalisant [verbalisant 1] heeft waargenomen. Deze relateert immers in het door hem diezelfde dag ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van bevindingen dat hij, terwijl hij in gesprek is met [betrokkene 1], hoort dat er geschoten wordt, dat hij kijkt in de richting van de grijze auto waarin hij eerder twee mannen had zien instappen die daarvoor op de woning van [betrokkene 1] af waren komen lopen, en dat hij ziet dat vier personen uit de auto vluchten en dekking zoeken achter de auto. Ten overstaan van de raadsheer-commissaris van dit hof heeft verbalisant [verbalisant 1] (ongeveer anderhalf jaar later) zijn bevindingen in de kern herhaald.

Het hof acht derhalve de verklaringen van aangevers omtrent de plaats waar zij zich bevonden op het moment dat het schieten een aanvang nam, betrouwbaar en geloofwaardig. Dat aangevers kennelijk niet de waarheid hebben verklaard over het op een eerder moment verlaten hebben van de auto door twee van hen, zoals gerelateerd door verbalisant [verbalisant 1], maakt dit oordeel niet anders.

Ook de verklaring van getuige [getuige], die in tegenstelling tot aangevers en verbalisant [verbalisant 1], heeft verklaard dat alle aangevers op het moment van schieten buiten de auto stonden kan niet tot een ander oordeel leiden. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat meer waarde moet worden gehecht aan de verklaring van verbalisant, tot wiens professie het hoort om feiten waar te nemen en deze te reproduceren. Bovendien is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat de verklaring van getuige [getuige] chronologisch niet lijkt te kloppen, nu deze getuige verklaart dat er iemand rechtsachter bij de velg van de auto lag nog voordat er geschoten werd.

Uit het voorgaande volgt dat het door verdachte geschetste scenario dat hij - tussen 2 personen door - op de auto heeft geschoten terwijl zich niemand in de auto bevond, op geen enkele wijze wordt bevestigd.

De verdediging heeft betoogd dat uit het auditief geregistreerde telefonisch gesprek van verdachte met aangever [slachtoffer 1] op 19 december 2014 (om 12.40 uur) vanuit de penitentiaire inrichting, blijkt dat deze laatste niet naar waarheid heeft verklaard bij de politie. Het hof heeft deze geluidsopname ter terechtzitting van 12 mei 2016 beluisterd en vastgesteld dat het gesprek dat wordt gevoerd, overeenstemt met de reeds eerder verbatim uitgewerkte weergave van dit gesprek. Het hof kan zich niet aan de indruk onttrekken dat verdachte gedurende het gesprek [slachtoffer 1] woorden in de mond probeert te leggen. Het hof ziet dan ook geen enkele reden om de verklaring van [slachtoffer 1] - dat hij tijdens het schietincident in de auto zat - naar aanleiding van dit telefoongesprek in twijfel te trekken.

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting en de door het hof gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat verdachte ten minste driemaal, op een afstand van ca 20 tot 25 meter afstand, met een vuurwapen op de Volkswagen Golf Variant heeft geschoten terwijl [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] zich in de auto bevonden en [slachtoffer 4] zich aan de rechterzijde naast de auto bevond.

Het door de raadsman ter terechtzitting op 12 mei 2016 (voorwaardelijk geformuleerde) verzoek tot het gelasten van nader onderzoek door een deskundige naar de snelheid en de gevaren van een - onder de omstandigheden van deze zaak - afgeketste kogel, behoeft gelet op het voorgaande geen beslissing van het hof.

Voorwaardelijk opzet op het toebrengen van dodelijk letsel

Verdachte heeft op een afstand van ongeveer 20 tot 25 meter ten minste drie keer op de auto van aangevers geschoten waarbij de auto ook driemaal is geraakt. Dit blijkt uit het feit dat in de linker achterportier twee inschotbeschadigingen zijn aangetroffen en in de ruit van het linker achterportier een doorschotbeschotbeschadiging. Ter plaatse zijn zes hulzen aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat hij drie keer in de lucht heeft geschoten. Deze stelling, zo deze al van invloed zou zijn op de bewezen verklaring, vindt geen enkele steun in het dossier. Bij aanvullend proces-verbaal hebben verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] gerelateerd dat op basis van de positie van de hulzen geen uitspraak kan worden gedaan omtrent de juistheid van de lezing van verdachte.

Op het moment dat verdachte met schieten begon zaten [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] in de auto en stond [slachtoffer 4] aan de rechterzijde van de auto. Het schieten op een auto terwijl daar personen in zitten of zich in de directe nabijheid van de auto bevinden, is naar de uiterlijke verschijningsvorm zodanig gericht op het doden van die personen dat verdachte minst genomen de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood van deze personen bewust heeft aanvaard.

Evenals de rechtbank en de advocaat-generaal komt het hof tot de conclusie dat verdachte op zijn minst genomen het voorwaardelijk opzet heeft gehad om [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] te doden.

Gelet op al het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag op [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4].”

7. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring van het opzet op de dood van [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed.

8. Het hof heeft overwogen dat de verdachte het voorwaardelijk opzet heeft gehad om [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] te doden. In dit verband heeft het hof vastgesteld dat de verdachte op een afstand van ongeveer 20 tot 25 meter ten minste drie keer op de auto van de aangevers heeft geschoten – waarbij de auto ook driemaal is geraakt, hetgeen blijkt uit het feit dat in het linker achterportier twee inschotbeschadigingen zijn aangetroffen en in de ruit van dat portier een doorschotbeschotbeschadiging3 – en dat, op het moment dat de verdachte begon met schieten, [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] in de auto zaten en [slachtoffer 4] aan de rechterzijde van de auto stond. De gebezigde bewijsmiddelen houden in dat [slachtoffer 2] op de bestuurdersplaats zat, dat [slachtoffer 3] op de bijrijdersplaats zat en dat [slachtoffer 1] linksachter in de auto zat. De verdachte stond tijdens het schieten aan de linkerzijde (bestuurderszijde) van de auto.

9. Het middel betoogt in de eerste plaats dat de gebezigde bewijsmiddelen inhouden dat de verdachte gericht op [slachtoffer 1] heeft geschoten (bewijsmiddel 1) en dat de beschadigingen aan de auto uitsluitend zijn gesitueerd in de omgeving van de plaats waar [slachtoffer 1] zat, te weten links achterin (bewijsmiddelen 3, 5 en 7). De gebezigde bewijsmiddelen zouden daarom in strijd zijn met de bewezenverklaring dat de verdachte opzet op de dood van (ook) [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft gehad.

10. Anders dan het middel kennelijk tot uitgangspunt neemt, sluiten de tot het bewijs gebezigde verklaring van [slachtoffer 1] (“Ik zag dat deze schoten op mij waren gericht.”) en de plaatsen waar de kogels de auto hebben geraakt, niet uit dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]. Eén en ander staat immers niet de weg aan het oordeel dat er een aanmerkelijke kans bestond dat ook – de zich in de onmiddellijke nabijheid van [slachtoffer 1] bevindende – [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] of [slachtoffer 4] door één van de kogels dodelijk zou worden getroffen en dat de verdachte die kans ook bewust heeft aanvaard.4 Hierbij neem ik in aanmerking dat de verdachte de schoten loste van een afstand van ongeveer 20 tot 25 meter, terwijl uit bewijsmiddelen 3 en 8 volgt dat de verdachte schoot met een pistool dat hij met één hand vasthield, hetgeen – naar van algemene bekendheid is – de precisie van schoten niet ten goede komt. Ten aanzien van de kans dat de aan de rechterzijde van de auto staande [slachtoffer 4] dodelijk zou worden getroffen, wijs ik er voorts op dat het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal sporenonderzoek inhoudt dat aan de binnenzijde van de C-stijl aan de rechterzijde van de auto een beschadiging aanwezig was van mogelijk een projectiel, hetgeen zeer waarschijnlijk een schampschot betreft, en dat van een andere auto (een Hyundai die kennelijk aan de rechterzijde van de auto van de aangevers stond geparkeerd) de achterruit linksonder een schietbeschadiging vertoonde. Wat betreft de kans dat de voorin de auto van de aangevers gezeten [slachtoffer 2] of [slachtoffer 3] dodelijk zou worden getroffen, wijs ik erop dat genoemd proces-verbaal inhoudt dat de twee inschotbeschadigingen zich bevonden aan de scharnierzijde van het linker achterportier op een hoogte van ongeveer 63 centimeter (rechter inschot) en 83 centimeter (linker inschot) vanaf de grond en dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van [slachtoffer 3] inhoudt dat één van de gaten in het achterportier “wat meer richting de bestuurder, richting [slachtoffer 2] dus” zat.

11. Het middel klaagt in de tweede plaats dat zonder nadere motivering niet duidelijk is hoe het opzet van de verdachte op de dood van vier personen kan zijn gericht, terwijl het hof heeft vastgesteld dat de verdachte ten minste driemaal op de auto heeft geschoten en niets heeft vastgesteld over de andere drie schoten. Volgens de steller van het middel behoeft daarom uitleg hoe aanmerkelijk de kans is dat de verdachte met drie schoten vier personen om het leven zou kunnen brengen.

12. Het hof heeft vastgesteld dat ter plaatse zes hulzen zijn aangetroffen. Met de steller van het middel constateer ik dat het hof, dat tot tweemaal toe heeft overwogen dat de verdachte ten minste driemaal op de auto van de aangevers heeft geschoten, de mogelijkheid heeft opengelaten dat de verdachte niet meer dan drie schoten op de auto heeft gelost. Het hof heeft weliswaar overwogen dat de stelling van de verdachte dat hij driemaal in de lucht heeft geschoten geen enkele steun vindt in het dossier, maar niet dat die stelling ongeloofwaardig is of niet aannemelijk is geworden. Het hof overweegt in dit verband immers niet meer dan dat de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] bij aanvullend proces-verbaal hebben gerelateerd dat op basis van de positie van de hulzen geen uitspraak kan worden gedaan omtrent de juistheid van de lezing van verdachte. Bij de beoordeling van het middel moet er daarom van worden uitgegaan dat de verdachte driemaal op de auto van de aangevers heeft geschoten.5

13. Het middel neemt tot uitgangspunt dat het hof heeft geoordeeld dat er een aanmerkelijke kans bestond dat de verdachte met de drie schoten vier personen om het leven zou kunnen brengen. Indien het hof dat heeft geoordeeld, rijst inderdaad de vraag naar de begrijpelijkheid van dat oordeel. De kans dat het afvuren van drie kogels in de richting van vier personen leidt tot de dood van alle vier die personen is immers niet zonder meer aanmerkelijk, omdat één van de kogels dan twee dodelijke slachtoffers moet kunnen maken. Of die kans zich voordoet, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen ook feiten van algemene bekendheid een rol spelen. Zo heeft de Hoge Raad overwogen dat het een feit van algemene bekendheid is dat een kogel die van zeer korte afstand wordt afgevuurd in de richting van twee naast elkaar (en vanuit de schutter bezien achter elkaar) zittende personen eerst de ene persoon kan treffen en vervolgens de andere.6

14. Ik meen dat die kwestie hier kan blijven rusten. De bestreden uitspraak dwingt namelijk niet tot de door de steller van het middel voorgestane uitleg dat het hof heeft geoordeeld dat er een aanmerkelijke kans bestond dat de verdachte met drie schoten alle vier aangevers dodelijk kon treffen. In zoverre berust het middel naar mijn mening op een verkeerde lezing van de bestreden uitspraak, zodat het feitelijke grondslag mist. Het hof heeft overwogen dat het schieten op een auto terwijl daar personen in zitten of zich in de directe nabijheid van de auto bevinden, naar de uiterlijke verschijningsvorm zodanig is gericht op het doden van die personen dat de verdachte minst genomen de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood van deze personen bewust heeft aanvaard. Ik versta deze overweging aldus dat het hof heeft geoordeeld dat ten aanzien van elk van de in de bewezenverklaring genoemde vier personen een aanmerkelijke kans op de dood heeft bestaan en niet dat alle vier de personen om het leven zouden komen. De bewezenverklaring dient in dienovereenkomstige zin te worden begrepen. Aldus verstaan, kan het bewezen verklaarde voorwaardelijk opzet op de dood uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid, terwijl het hof het bewezen verklaarde ook heeft kunnen kwalificeren als “poging tot doodslag, meermalen gepleegd”.7

15. Het eerste middel faalt.

16. Het tweede middel klaagt ten eerste dat de bewijsvoering van het hof tegenstrijdig is en ten tweede dat het hof de afwijking van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de positie van de aangevers in of nabij de auto onvoldoende heeft gemotiveerd.

17. Met de tegenstrijdigheid in de bewijsvoering doelt het middel op het verschil tussen enerzijds de verklaringen van de vier aangevers, voor zover deze erop neerkomen dat de verdachte meteen op hen heeft geschoten nadat de auto werd geparkeerd (bewijsmiddelen 1-4), en anderzijds het relaas c.q. de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] waaruit volgt dat twee van de vier aangevers aanvankelijk naar de woning van [betrokkene 1] liepen en toen terug naar de auto die kort daarop werd beschoten (bewijsmiddelen 5 en 6). In dit verband wordt tevens geklaagd dat het hof heeft vastgesteld dat de aangevers op dit punt niet de waarheid hebben verklaard, maar niettemin voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van de desbetreffende onderdelen van hun verklaringen.

18. Het middel klaagt hierover terecht. Het hof heeft overwogen dat de aangevers kennelijk niet de waarheid hebben verklaard over het op een eerder moment verlaten hebben van de auto door twee van hen, zoals gerelateerd door verbalisant [verbalisant 1]. Het hof heeft de desbetreffende onderdelen van de verklaringen van de aangevers dus ten onrechte onder de bewijsmiddelen opgenomen. Te wijzen valt onder meer op bewijsmiddel 4, waar de betrokkene verklaart dat hij zijn gordel wilde losmaken toen de verdachte al naast hem zou staan. Tegelijk is het eenvoudiger om uit verklaringen delen weg te laten die niet geloofwaardig zijn dan om uit verklaringen waarin over tussenliggende gedragingen die wel hebben plaatsgevonden geen mededelingen zijn gedaan een bewijsmiddel te destilleren dat aan de wettelijke eisen voldoet.

19. De klacht behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden. Mede gelet op de hiervoor weergegeven bewijsoverweging van het hof is de bewezenverklaring, indien voormelde onderdelen van de verklaringen van de aangevers worden weggedacht, zonder meer toereikend gemotiveerd. De verdachte heeft daarom onvoldoende rechtens te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak.8 Ik neem hierbij in aanmerking dat de eerste klacht van het middel betrekking heeft op een ondergeschikt onderdeel van de bewijsvoering. Het hof heeft voor zijn oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de aangevers immers in het bijzonder van belang geacht waar zij zich bevonden op het moment dat het schieten een aanvang nam. Daarop heeft de in het middel gesignaleerde tegenstrijdigheid geen betrekking. Van belang is voorts dat geen onduidelijkheid bestaat over de vraag welke onderdelen van de verklaringen van de aangevers het hof betrouwbaar heeft geacht. Het hof heeft immers uitdrukkelijk overwogen dat het de verklaringen van de aangevers omtrent de plaats waar zij zich bevonden op het moment dat het schieten een aanvang nam wel betrouwbaar en geloofwaardig acht. Aldus doet de in het middel bedoelde tegenstrijdigheid geen afbreuk aan de inzichtelijkheid van de gedachtegang van het hof.

20. De tweede klacht luidt dat het hof ongemotiveerd is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verklaringen van de aangevers over hun positie in en om de auto worden tegengesproken door de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] dat de twee mannen die in de richting van de woning van [betrokkene 1] liepen (volgens de verdediging: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4]) nadien op de bestuurdersplaats en de bijrijdersstoel – dus voorin de auto – plaatsnamen.

21. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 mei 2016 heeft de raadsman aldaar het woord gevoerd overeenkomstig een pleitnota. Die pleitnota houdt – voor zover hier relevant – het volgende in:9

“Agent [verbalisant 1] is op 1 februari 2016 nader gehoord ten overstaan van uw Raadsheer-Commissaris en hij verklaart op daartoe gestelde vragen gedetailleerd nader. (…) Hij heeft waargenomen dat een tweetal personen uit deze auto lopen in de richting van de woning van [betrokkene 1] kwamen (“gelopen in onze richting”). De agent zelf stond toen bij de voordeur van die woning en hij had zicht op de geparkeerde auto. Hij stelt dan te hebben waargenomen dat de beiden omdraaiden (en terugliepen naar die auto) en hij veronderstelt dat zij terugliepen omdat zij hem (een geüniformeerde agent) en zijn (politie-)auto hadden zien staan ter hoogte van die woning. Hij heeft gezien dat zij weer in de auto stapten en zegt dat zij instapten als bestuurder en bijrijder, voor in de auto dus.

(…)

Opvallend is voorts dat de vier aangevers tegen politie en RC hebben gesproken over een zekere plaats-indeling in de auto (zie hierboven). Agent [verbalisant 1] ziet evenwel twee mannen naar de woning van [betrokkene 1] lopen en weer terug de auto in. Hij is zeer duidelijk in zijn waarneming dat deze twee mannen toen op de chauffeursplaats en de bijrijdersplaats zijn gaan zitten. Ik wil thans niet aannemen dat zij dan op schoot zijn gaan zitten bij “bestuurder” [slachtoffer 2] en “bijrijdster” [slachtoffer 3], danwel in elk geval toch op schoot bij dat meisje [slachtoffer 3].

Ook hier heeft het er een behoorlijk serieuze schijn van dat de vier aangevers onwaarheid hebben willen verklaren (en volhouden) omtrent de positie [die zij] hebben ingenomen in de auto. (…) Daarmee in strijd is toch écht hetgeen de agent [verbalisant 1] heeft waargenomen, zo blijkt dus uit zijn verklaring bij de Raadsheer-Commissaris: twee mannen lopen terug naar de auto, en stappen in op de bestuurdersplaats en op de bijrijdersplaats (waar dus, zo mogen we aannemen) geen vrouwspersoon gezeten was.”

22. Het in het middel bedoelde standpunt strekte er aldus toe de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangevers over hun positie in en om de auto aan te vechten op de grond dat verbalisant [verbalisant 1] heeft waargenomen dat twee mannen uit de groep van de aangevers, nadat die twee mannen in eerste instantie richting de woning van [betrokkene 1] liepen, terug zijn gelopen en voorin de auto zijn ingestapt. Zoals ik hiervoor opmerkte, heeft het hof overwogen dat het de verklaringen van de aangevers omtrent de plaats waar zij zich bevonden op het moment dat het schieten begon betrouwbaar en geloofwaardig acht. In dit verband heeft het hof onder meer overwogen dat de aangevers kort na het schietincident, te weten ongeveer een uur later, bij de politie een verklaring hebben afgelegd, dat niet aannemelijk is geworden dat zij hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd en dat zij ten overstaan van de rechter-commissaris met betrekking tot hun eigen positie in of om de auto ten tijde van het schietincident in gelijkluidende zin als bij de politie hebben verklaard.

23. Door aldus te overwegen heeft het hof de afwijking van het in het middel bedoelde standpunt genoegzaam gemotiveerd. Hieraan doet niet af dat het hof in zijn overwegingen niet uitdrukkelijk is ingegaan op de verklaring van [verbalisant 1] bij de raadsheer-commissaris, voor zover inhoudende dat de twee mannen voorin de auto stapten. Het stond het hof vrij de verklaringen van de aangevers over hun positie in en om de auto tot het bewijs te bezigen en de passage uit de verklaring van [verbalisant 1] bij de raadsheer-commissaris waarop de verdediging zich heeft beroepen terzijde te stellen. Art. 359, tweede lid, Sv noopte het hof niet tot nadere motivering. Die bepaling heeft immers geen wijziging gebracht in de vrijheid van de rechter die over de feiten oordeelt ten aanzien van de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal.10 Daar komt bij dat de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, Sv niet zo ver gaat dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.11 De passage waarin de raadsman wijst op tegenstrijdigheden tussen de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] en de verklaringen van de aangevers maakt onderdeel uit van een veel breder betoog dat uitloopt op een verzoek om vrijspraak.

24. In de toelichting wordt nog een beroep gedaan op de overweging van het hof dat meer waarde moet worden gehecht aan de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] tot wiens professie het hoort om feiten waar te nemen en deze te reproduceren. Daarmee wordt echter miskend dat deze overweging betrekking heeft op het oordeel van het hof dat meer waarde moet worden gehecht aan de verklaring van [verbalisant 1] dan aan de verklaring van de getuige [getuige].

25. Voor zover het middel ten slotte blijkens de toelichting tot uitgangspunt neemt dat het hof in het midden heeft gelaten of verbalisant [verbalisant 1] of de aangevers het bij het rechte eind hadden in hun verklaringen over de positie van de aangevers ten tijde van het schieten, mist het feitelijke grondslag. Uit de overwegingen van het hof blijkt immers dat het hof op dit punt geloof heeft gehecht aan de verklaringen van de aangevers. Ik merk hierbij nog op dat het hof het gedeelte van de verklaring van [verbalisant 1] bij de raadsheer-commissaris, inhoudende dat de twee mannen voorin de auto instapten, niet voor het bewijs heeft gebezigd.

26. Het tweede middel faalt.

27. Het derde middel klaagt dat het hof de beslissing op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling onjuist en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.

28. Het hof heeft de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toegewezen en gelast dat de verdachte alsnog 730 dagen gevangenisstraf moet ondergaan. Daartoe heeft het hof het volgende overwogen:

“Bij onherroepelijk geworden arrest van 17 september 2010 in de zaak met parketnummer 20-003910-09 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dat arrest in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De verdachte is op 30 augustus 2013 op de voet van het bepaalde in artikel 15 e.v. van het Wetboek van Strafrecht voorwaardelijk in vrijheid gesteld onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de op twee jaren gestelde proeftijd (van 1 september 2013 tot 30 augustus 2015) niet aan een strafbaar feit schuldig maakt.

De officier van justitie heeft bij vordering van 14 november 2014 (v.i. nummer 99-000148-28) gevorderd dat de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel wordt herroepen wegens het niet naleven van de daaraan verbonden algemene voorwaarde, nu de verdachte zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten, zoals ten laste gelegd in de dagvaarding met parketnummer 01-865135-14.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende en toegewezen vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.

De verdediging heeft in lijn met de bepleite integrale vrijspraak afwijzing van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling verzocht.

Het hof stelt vast dat de verdachte zich tijdens de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan (…) nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene aan zijn voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden voorwaarde heeft overtreden. Verdachte heeft binnen 3 maanden nadat hij voorwaardelijk in vrijheid was gesteld van een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, die hem was opgelegd vanwege poging tot moord, meermalen gepleegd, zich wederom schuldig gemaakt aan soortgelijke feiten, zoals hiervoor bewezen verklaard. Het hof acht daarom herroeping van de gehele voorwaardelijke invrijheidsstelling passend en geboden.”

29. Het middel wijst er terecht op dat de overweging van het hof dat de verdachte binnen drie maanden nadat hij voorwaardelijk in vrijheid was gesteld zich heeft schuldig gemaakt aan de bewezen verklaarde feiten, niet begrijpelijk is. Het hof heeft immers vastgesteld dat de verdachte op 30 augustus 2013 in vrijheid is gesteld, terwijl de in de onderhavige zaak bewezen verklaarde feiten zijn begaan op 3 november 2014.

30. Ik heb mij afgevraagd of hier sprake is van een kennelijke misslag die zich leent voor verbeterde lezing, in die zin dat aangenomen kan worden dat het hof kennelijk binnen een jaar en drie maanden heeft bedoeld. Een argument daarvoor is dat het hof kort daarvoor uitdrukkelijk heeft overwogen dat de verdachte op 30 augustus 2013 in vrijheid is gesteld, hetgeen minder waarschijnlijk maakt dat het hof zich heeft vergist in het tijdsverloop. Ik zie uiteindelijk toch onvoldoende grond om ervan uit te gaan dat het hof bij zijn beslissing op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling is uitgegaan van het juiste tijdsverloop tussen de invrijheidstelling en de pleegdatum van de thans bewezen verklaarde feiten. De reden daarvoor is dat het hof eerst vaststelt dat de verdachte zich tijdens de proeftijd, die twee jaren bedroeg, heeft schuldig gemaakt aan nieuwe strafbare feiten. Een overweging dat de verdachte zich binnen een jaar en drie maanden na zijn invrijheidstelling aan die feiten heeft schuldig gemaakt, zou daaraan weinig toevoegen. Dat is anders indien het hof ervan is uitgegaan dat de verdachte – niet slechts binnen de proeftijd, maar reeds – binnen drie maanden na zijn invrijheidstelling opnieuw soortgelijke feiten heeft gepleegd. Ik houd het er daarom voor dat het hof bij zijn beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling is uitgegaan van de onjuiste veronderstelling dat de verdachte binnen drie maanden opnieuw in de fout is ingegaan. Het middel klaagt daarover terecht.

31. De vraag rijst of dit tot cassatie moet leiden. De in cassatie niet bestreden vaststelling van het hof dat de verdachte zich tijdens de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan soortgelijke strafbare feiten en dat hij daarmee de algemene aan zijn voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden voorwaarde heeft overtreden, had voor het hof immers op zichzelf reeds grond kunnen vormen voor de herroeping van de gehele voorwaardelijke invrijheidstelling. Daarbij is echter het volgende van belang.

32. Ingevolge art. 15g, eerste volzin, Sr kan de rechter de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel of gedeeltelijk herroepen indien de veroordeelde een daaraan verbonden voorwaarde niet heeft nageleefd. Blijkens de wetsgeschiedenis komt herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking indien sprake is van een ernstige schending van zo een voorwaarde. De rechter dient derhalve aan de hand van de omstandigheden van het geval te bepalen welke reactie op overtreding van een voorwaarde passend is. Hij is daarbij vrij in de keuze en de waardering van de factoren die voor zijn beslissing van belang zijn.12

33. Uit het feit dat het hof niet heeft volstaan met de vaststelling dat de verdachte zich binnen de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan soortgelijke feiten, maar uitdrukkelijk heeft overwogen dat de verdachte zich binnen drie maanden na zijn invrijheidstelling aan die feiten heeft schuldig gemaakt, moet worden afgeleid dat het hof bij zijn beslissing tot herroeping van de gehele voorwaardelijke invrijheidstelling – als één van de hiervoor bedoelde factoren – het vermeende tijdsverloop van slechts drie maanden van belang heeft geacht. In cassatie kan er daarom naar het mij voorkomt niet van worden uitgegaan dat ook indien het hof zou zijn uitgegaan van het juiste tijdsverloop, het hof de gehele voorwaardelijke invrijheidstelling had herroepen. Dat betekent dat de verdachte een rechtens te respecteren belang heeft bij cassatie op dit punt.

34. Het derde middel slaagt.

35. Het vierde middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, doordat het hof de stukken te laat heeft ingezonden.

36. De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. Het beroep in cassatie is ingesteld op 30 mei 2016. De stukken van het geding zijn op 29 maart 2017 bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendtermijn van zes maanden is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

37. Het vierde middel slaagt.

38. Het eerste en tweede middel falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Het derde en vierde middel slagen. De Hoge Raad kan volstaan met vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van de beslissing op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling en in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase strafvermindering toepassen.13 Daarbij merk ik ambtshalve op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat ook in zoverre sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

39. Deze conclusie strekt tot:

 vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, alsmede wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf,

 vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf,

 terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch opdat de zaak wat betreft de beslissing op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling opnieuw wordt berecht en afgedaan en

 verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Met weglating van voetnoten.

2 Met weglating van voetnoten.

3 In bewijsmiddel 7 wordt melding gemaakt van twee inschotbeschadigingen in het linker achterportier en vervolgens onder “VOERTUIGONDERZOEK” van een doorschot in dat portier. Dit riep bij mij de vraag op of hier op drie verschillende schoten wordt gedoeld. Een blik achter de papieren muur verschaft duidelijkheid. Uit het proces-verbaal sporenonderzoek met fotomap blijkt dat wordt gedoeld op in totaal twee schotbeschadigingen in het linker achterportier. Het genoemde doorschot in het portier is hetzelfde schot als het eerder genoemde linker inschot. Het desbetreffende schot is kennelijk door de buitenzijde van het portier gegaan (vandaar hier kennelijk ook de aanduiding doorschot) en vervolgens door het gedeelte van de half openstaande ruit dat zich in het portier bevond, waarna de kogel in het portier is achtergebleven. Ik merk voorts op dat in bewijsmiddel 7 wordt gesproken van een “doorschot rechtsboven in de ruit van het rechterachterportier” dat zich bevond op een hoogte van 1.17 meter gemeten van de grond, waarbij wordt verwezen naar foto’s 50 t/m 54. Op foto’s 53 en 54 wordt echter opgemeten dat de beschadiging van de ruit van het linker achterportier zich bevindt op een hoogte van 1.17 meter. Ik merk één en ander slechts op ter vermijding van misverstanden die kunnen ontstaan bij lezing van de bewijsmiddelen. Het voorgaande is niet in strijd met de vaststelling van het hof dat in het linker achterportier twee inschotbeschadigingen zijn aangetroffen en in de ruit van dat portier een doorschotbeschotbeschadiging.

4 Vgl. HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5260, NJ 2012/131 en HR 22 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1249, NJ 1998/911. Zie ook de volgende niet gepubliceerde en met art. 81 RO afgedane zaken: HR 6 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4408, HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1818 en HR 16 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD7621.

5 Ik merk hierbij op dat het hof in de strafmotivering heeft overwogen dat één van de kogels die met het door de verdachte gehanteerde vuurwapen was afgeschoten, werd aangetroffen in het kozijn van de voordeur van een woning gelegen aan de [c-straat] en dat de baan van die kogel liep over de speeltoestellen van de ter plaatse aanwezige speeltuin. Nu het hof over deze kogel geen nadere vaststellingen heeft gedaan en dus ook niet dat het niet de kogel betreft die de doorschotbeschadiging in de ruit van het linker achterportier heeft veroorzaakt, kan uit deze overigens niet door de vermelding van een bewijsmiddel geschraagde overweging in de strafmotivering niet worden afgeleid dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte meer dan driemaal op de auto heeft geschoten. Dat heeft het hof kennelijk evenmin afgeleid uit de tot het bewijs gebezigde verklaring van [slachtoffer 1] dat hij zes of zeven schoten hoorde en dat hij zag dat “deze schoten” op hem waren gericht.

6 Zie HR 20 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5214.

7 De onderhavige zaak verschilt van de zaak die aanleiding gaf tot HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6742, NJ 2013/112, m.nt. Keijzer, betreffende het schieten op een ruit van een café waarin zich meerdere personen bevonden. In die zaak hield de bewezenverklaring in dat de verdachte “een kogel” heeft afgevuurd, beperkte het hof zich in zijn oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet op de dood had tot één schot en werd het bewezen verklaarde gekwalificeerd als “poging tot moord, meermalen gepleegd”.

8 Vgl. HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:715, HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:272, HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1176, NJ 2014/381, m.nt. Keulen en HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1167, NJ 2014/382.

9 Pagina’s 2-4 van de pleitnota.

10 Vgl. HR 1 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8686. Terzijde merk ik op dat een blik achter de papieren muur leert dat [verbalisant 1] in zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris op dit punt minder stellig heeft verklaard dan de raadsman in zijn pleitnota doet voorkomen: “De auto stond met de neus mijn kant op. Voor zover ik kon zien, stapten ze voor in dus waren ze bestuurder en bijrijder.”

11 Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma, rov. 3.8.4 sub d.

12 Vgl. HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:645, NJ 2017/208, m.nt. Schalken.

13 Vgl. HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2525.