Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1492

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-12-2017
Datum publicatie
31-01-2018
Zaaknummer
16/01396
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:114, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verweren raadsman niet opgenomen in p-v tz. of arrest. Nu uit de inhoud van het p-v ttz. in h.b. blijkt dat namens verdachte verweren zijn gevoerd, maar deze niet in p-v of arrest dan wel aanvulling b.m. zijn opgenomen, valt in cassatie niet na te gaan welke verweren zijn gevoerd. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de uitspraak meebrengt. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01396

Zitting: 5 december 2017 (bij vervroeging)

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest 1 maart 2016 de verdachte ter zake van ‘mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel’ en ‘wederspannigheid’ veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand waaraan het hof een proeftijd van twee jaren heeft verbonden.

2. Namens de verdachte heeft mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof heeft verzuimd de namens de verdachte gevoerde verweren te vermelden in het proces-verbaal van de terechtzitting dan wel in het arrest, zodat in cassatie niet valt na te gaan welke verweren er zijn gevoerd.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 februari 2016 houdt, voorover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“(…)

De raadsman voert het woord tot verdediging. De raadsman voert daarbij verweren als weergegeven in het arrest.

De advocaat-generaal voert andermaal in repliek het woord. De raadsman maakt geen gebruik van zijn recht in dupliek het woord te houden.

(…)”

5. Het bestreden arrest houdt evenwel niets in omtrent de door de raadsman van de verdachte gevoerde verweren.

6. De kenbron van (veel) processuele feiten vormt het proces-verbaal van de terechtzitting dat, ingevolge art. 326 Sv, een verslag bevat van al hetgeen ter terechtzitting met betrekking tot de zaak is voorgevallen. Dit is onder meer van belang voor de vraag of de raadsman verweer heeft gevoerd, en zo ja welk.1 De Hoge Raad benadrukt de eigen verantwoordelijkheid van de raadsman hieromtrent. De raadsman moet ervoor zorgen dat een verweer waarover hij een beslissing verlangt schriftelijk wordt vastgelegd in het proces-verbaal,2 bij voorkeur door overlegging van een pleitnota waarin dit verweer is vervat.3 Ook kan hij overeenkomstig art. 326, vierde lid, Sv verzoeken dat van dat verweer aantekening wordt gemaakt in het proces-verbaal. Indien noch het een, noch het ander is gebeurd, levert de omstandigheid dat een gevoerd verweer niet in het proces-verbaal is vermeld – en dientengevolge in cassatie niet kan worden getoetst – geen schending van enige rechtsregel op.4

7. Schending van enige rechtsregel kan zich volgens HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7162, echter wel voordoen indien uit de inhoud van de proces-verbaal blijkt dat namens de verdachte verweren zijn gevoerd, maar deze niet in het proces-verbaal of het arrest zijn opgenomen. In cassatie valt dan immers niet meer na te gaan welke verweren zijn gevoerd en of die verweren een uitdrukkelijke beslissing behoefden. Een dergelijk verzuim is zozeer strijdig met de behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de uitspraak meebrengt.5

8. Terug naar het onderhavige geval. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 februari 2016 houdt niet in dat de raadsman een pleitnota heeft overgelegd, noch heeft hij met betrekking tot door hem ter terechtzitting gevoerde verweren een verzoek gedaan als bedoel in art. 326, vierde lid, Sv. Het proces-verbaal vermeldt echter wel dat “de raadsman (…) opgeeft dat de verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde ten onrechte is veroordeeld,”6 dat “de raadsman het woord [voert] tot verdediging. De raadsman voert daarbij verweren als weergegeven in het arrest” en dat de advocaat-generaal “andermaal in repliek het woord” voert, waarop de raadsman geen gebruik maakt van zijn recht op dupliek. In het arrest (of het proces-verbaal) is evenwel niets opgenomen ten aanzien van de gevoerde verweren. De vraag rijst of derhalve sprake is van een verzuim dat nietigheid van het proces-verbaal en het onderzoek meebrengt. Gezien het voorgaande meen ik van wel. Ook de omstandigheid dat de advocaat-generaal heeft gerepliceerd op het pleidooi van de raadsman vormt een extra indicatie dat verweren zijn gevoerd waarvan in cassatie niet meer is na te gaan of deze wel of niet een uitdrukkelijk beslissing van het hof behoefden.7 ‘s Hofs verzuim is derhalve zozeer strijdig met de goede procesorde dat het moet leiden tot nietigheid van het onderzoek en deze uitspraak.

9. Het eerste middel slaagt.

10. Het tweede middel klaagt dat hoewel in eerste aanleg toepassing is gegeven aan art. 378a Sv (summiere aantekening vonnis) in strijd met art. 422 Sv uit het arrest noch de aanvulling daarop blijkt dat ’s hofs beraadslaging (als bedoeld in art. 348 en 350 Sv) slechts heeft plaatsgevonden naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

11. Deze klacht mist (evident) feitelijke grondslag. Het bestreden arrest vermeldt onder de kop ‘onderzoek van de zaak’ immers dat:

“Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 februari 2016.”

12. Het tweede middel faalt.

13. Het derde middel klaagt dat het hof de bewezenverklaring van het onder 1 bewezenverklaarde feit (mishandeling) in strijd met art. 342 lid 2 Sv (unus testis, nullus testis) heeft doen steunen op de verklaring(en) van één getuige, te weten de aangeefster.

14. Ten laste van de verdachte is door het hof onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op 13 april 2011 te Amsterdam opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, te weten [betrokkene 1],

- bij de armen heeft vastgepakt en/of de armen heeft omgedraaid en

- bij het hoofdhaar heeft vastgepakt en/of aan het hoofdhaar heeft getrokken, waardoor deze pijn heeft ondervonden.”

15. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (dikgedrukt in het origineel):

“Ten aanzien van feit 1

1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2011092396-4 van 13 april 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 1 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten :

Op 13 april 2011, kregen wij. [verbalisant 1]. hoofdagent, dienstdoende bij Wijkteam Bos en Lommer en [verbalisant 2], aspirant agent van politie, de melding om te gaan naar de [a-straat 1] waar huiselijk geweld gaande zou zijn. Ik eerste verbalisant, ben toen naar de bovenburen gegaan om te vragen of ze wat gehoord of gezien hadden. Ik sprak met een getuige die opgaf te zijn [getuige]. De man verklaarde kort liet volgende: ik werd wakker van een ruzie van mijn benedenburen. Het was bizar, het huis trilde ervan. Ik hoorde niet name een man schreeuwen en schelden.

2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PLI34L 2011092396-5 van 13 april 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (doorgenummerde pagina’s 4 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten :

Op 13 april 2011 hebben wij, een onderzoek ingesteld op de [a-straat 1] te Amsterdam. Wij, verbalisanten, kwamen ter plaatse en klopten op de deur. Wij zagen dat de deur na ongeveer twee minuten geopend werd door een vrouw welke later opgaf te zijn genaamd: [betrokkene 1]. Wij, verbalisanten, zagen dat er ook een man in de woning was welke later de aangehouden verdachte is, genaamd: [verdachte]. Wij, verbalisanten, hebben [betrokkene 1] gevraagd wat er gebeurd was. Wij hoorden dat zij ons het volgende verklaarde: “We hebben ruzie gehad. Hij heeft meerdere malen aan mijn armen gedraaid. Dit doet erg pijn. Hij draait dan mijn armen helemaal om. Net heeft hij dit ook gedaan. Hij heeft mij ook aan mijn haren getrokken.” Wij zagen aan de houding van [betrokkene 1] dat ze zichtbaar pijn had. Wij zagen dat er op haar rug plukken haar los hingen. Wij zagen dat [betrokkene 1] pijn ondervond toen verbalisant [verbalisant 4] haar arm vast pakte om te kijken of er zichtbaar letsel was.

3. Een proces-verbaal van 30 april 2015, opgemaakt door mr. B.F de Pooner. raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij het gerechtshof Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 30 april 2015 tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de getuige [betrokkene 1] :

Op 13 april 2011 woonde ik samen met [verdachte]. Die ochtend had hij een belangrijke afspraak. Ik ben opgestaan en ben naar de woonkamer gegaan. Toen ik daar aankwam werd hij heel erg boos. Hij trok mij aan mijn armen en draaide deze op mijn rug. Hij trok aan mijn haren.”

16. Ingevolge art. 342, lid 2, Sv mag de bewezenverklaring niet op de verklaring(en) van slechts één getuige berusten; er dient een bewijsmiddel uit andere bron aanwezig te zijn die de verklaring van de alleenstaande getuige in voldoende mate ondersteunt. Deze bewijsminimumregel geldt slechts voor de gehele bewezenverklaring; onderdelen mogen wel op één enkele getuigenverklaring berusten. Bij de beoordeling in cassatie is mede van belang of de rechter zijn oordeel op dit punt nader heeft gemotiveerd.

17. Het hof heeft in het onderhavig geval meer bewijsmiddelen gebezigd dan alleen de verklaring van de aangeefster. Blijkens de aanvulling berust de bewezenverklaring op een drietal bewijsmiddelen, te weten de mededeling van de verbalisanten inzake de melding huiselijk geweld van de buurman van de verdachte, een mededeling van de verbalisanten over hun bevindingen ter plaatse inzake de mishandeling door de verdachte, alsook de genoemde verklaring van de aangeefster. Die verklaring correspondeert met en wordt m.i. in voldoende mate bijgestaan door de inhoud van de andere twee bewijsmiddelen. De in het middel voorgestelde klacht faalt derhalve wegens gebrek aan feitelijke grondslag.

18. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het hof.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

n.d.

AG

1 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 191-192.

2 R. Verheul & H. Th. Pos, Verweren strafzaken (Praktijkwijzer Strafrecht 04), Deventer: Kluwer 2011, 4.5.3.

3 Zie HR 19 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD03285, r.o. 4.3.

4 Zie HR 24 februari 1987, ECLI:NL:HR:AC9738, r.o. 8.1. Zie ook HR 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4854 en HR 12 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3517.

5 Zie HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7162, NJ 2006/368, r.o. 3.3. Mijn ambtgenoot Vellinga betoogde in zijn aan deze uitspraak voorafgaande conclusie dat de omstandigheid dat de advocaat-generaal na het pleidooi van de raadsman had gerepliceerd, waarna verdachtes raadsman weer had gedupliceerd, een extra aanwijzing vormde dat er in die zaak verweren waren gevoerd. ’s Hofs verzuim die verweren op te nemen bracht volgens Vellinga met zich dat het proces-verbaal niet voldeed “aan de eisen die daaraan met het oog op een deugdelijke behandeling van een zaak in cassatie moeten worden gesteld”, zie ECLI:NL:PHR:2006:AV7162, § 12-13.

6 De akte hoger beroep d.d. 15 juli 2014 bevat de mededeling dat het beroep zich “uitsluitend tegen de bewezenverklaring 13/706321-14” richt.

7 Van een situatie zoals in HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013BZ6519, is voorts geen sprake. Ook in dat geval had het hof in weerwil van een mededeling daartoe in het proces-verbaal verzuimd de verweren in het arrest op te nemen. Uit het proces-verbaal in die zaak bleek echter dat het onderzoek gericht was op de vraag naar de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde en mocht volgens de Hoge Raad worden aangenomen dat de raadsvrouw dientengevolge een bewijsverweer had gevoerd dat in het arrest onder de kop “nadere bewijsoverweging” was weergegeven en gemotiveerd was verworpen. De klacht mistte volgens de Hoge Raad derhalve feitelijke grondslag. In het onderhavige geval kan, gezien het proces-verbaal en het arrest, een dergelijke conclusie m.i. niet worden getrokken.