Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1491

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-11-2017
Datum publicatie
31-01-2018
Zaaknummer
16/00720
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:113, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Dakloze verdachte trapt en slaat zijn eveneens dakloze vriendin gedurende een periode van 6 maanden. Mishandeling van “zijn levensgezel” a.b.i. art. 304.1 Sr? I.h.l.v. de wetsgeschiedenis en de door het Hof vastgestelde f&o (verdachte en aangeefster hebben 6 maanden lang dag en nacht samen opgetrokken, verdachte had de zorg voor rolstoel gebruikende aangeefster op zich genomen, aangeefster moest zich bij verdachte verantwoorden over haar doen en laten en er was sprake van seksuele omgang tussen verdachte en aangeefster), geeft ’s Hofs oordeel dat tussen verdachte en aangeefster een betrekking bestond die - gelet op haar aard en hechtheid - volstaat om aangeefster te kunnen aanmerken als "levensgezel" niet blijk van een onjuiste uitleg van een onjuiste uitleg van art. 304.1 Sr, terwijl oordeel niet onbegrijpelijk is. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/00720

Zitting: 28 november 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Bij arrest van 27 januari 2016 heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch de verdachte wegens 1 “mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd” en 2 “mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één maand.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J.O.A.N. de Vries, advocaat te Amersfoort, vijf middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, inhoudende dat de verklaringen afgelegd door de aangeefster [slachtoffer] en de getuige [getuige 4] niet tot het bewijs mogen worden gebezigd omdat de desbetreffende verklaringen onbetrouwbaar zijn, ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

  4. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat:

“1. hij op tijdstippen in de periode van 12 oktober 2013 tot en met 5 maart 2014 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, te weten [slachtoffer], (met kracht) tegen het hoofd en het lichaam heeft geslagen of gestompt en geschopt of getrapt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op 6 maart 2014 te Eindhoven opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, te weten [slachtoffer], meermalen tegen het lichaam heeft geslagen en getrapt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.”

5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van bevindingen (met bijgevoegde foto's), d.d. 7 maart 2014, p. 23 t/m 31, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 1] (hoofdagent van politie), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als relaas van verbalisant:

Op 6 maart 2014 was ik in verhoor met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1964. Zij werd verdacht van een winkeldiefstal. Tijdens het verhoor over de winkeldiefstal verklaarde zij het volgende:

"Ongeveer 2 jaar geleden ben ik in contact gekomen met [verdachte]. In augustus 2013 is [verdachte] naar België gekomen. Ik woonde toen nog in België.

Rond september 2013 ben ik voor een paar dagen met [verdachte] mee naar Eindhoven gegaan. Na een week ging ik terug naar België. Toen ik thuis kwam, had mijn (ex) man alle sloten van de deuren vervangen. Ik ben hierna met [verdachte] terug naar Eindhoven gegaan. Sinds ik met [verdachte] in Eindhoven ben, leven wij op straat in Eindhoven. [verdachte] is zeer agressief. [verdachte] heeft mij meerdere keren mishandeld.

Een keer moest iemand wiet voor [verdachte] halen maar deze persoon had dat niet geregeld. [verdachte] sloeg in één keer om en ging tekeer. Hij begon met slaan en schoppen. Ik had hier blauwe plekken, striemen en kneuzingen aan overgehouden en veel pijn.

[verdachte] slaat en schopt mij ongeveer 4/5 keer per dag. Ik word stelselmatig mishandeld en daarbij heb ik een snee in mijn rechter wenkbrauw, blauwe plekken, striemen, kneuzingen, een gebroken vinger en bloedneuzen opgelopen.

Ik mag van [verdachte] geen moment alleen zijn.

Ik heb meerdere keren seks met [verdachte] gehad. Als ik geen seks met [verdachte] heb, word ik in elkaar geslagen en mishandeld.

Gisteren, (het hof begrijpt: 5 maart 2014), heb ik meerdere klappen en schoppen gehad over mijn hele lichaam. Meerdere keren heeft hij mij op mijn hoofd getrapt. Vandaag, (het hof begrijpt: 6 maart 2014), heeft [verdachte] mij wederom meerdere keren geslagen en getrapt.

Ten tijde van het gesprek toonde [slachtoffer] aan mij, verbalisant [verbalisant 1], meerdere verwondingen. Ik zag diverse bloeduitstortingen en verwondingen.

blad 2

2. Een proces-verbaal van aangifte, d.d. 7 maart 2014, p. 38 t/m 41, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 2] (brigadier van politie), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van aangeefster [slachtoffer]:

plaats delict: Eindhoven

pleegdatum: tussen augustus 2013 en 6 maart 2014

Op enig moment kreeg ik via facebook contact met [verdachte]. We vonden elkaar erg leuk. In augustus 2013 hebben [verdachte] en ik voor het eerst afgesproken. Toen ik na een aantal dagen in Eindhoven bij [verdachte] te hebben verbleven weer terug naar huis wilde gaan, kwam ik mijn eigen huis niet binnen. Omdat ik verder op niemand terug kon vallen, ben ik weer teruggegaan naar [verdachte]. [verdachte] heeft mij voor het eerst mishandeld op de avond van mijn verjaardag. 12 oktober 2013. Ik heb die avond een tijdje zitten praten met een andere man. [verdachte] is erg jaloers. Op een gegeven moment zei [verdachte] dat ik mee moest. Ik heb nog gewoon even zitten praten. Maar [verdachte] werd steeds kwader en zei mij dat ik mee moest komen. Hij heeft mij in mijn rolstoel gezet en heeft me naar de Dommel gereden. Op een soort bedrijventerrein heeft hij mij vervolgens mishandeld. Hij heeft met gebalde vuist overal op mijn lichaam geslagen, tegen mijn hoofd, benen en armen. Ik ondervond daarvan veel pijn. Dit deed hij met veel kracht. Ook heeft hij mij toen met geschoeide voet getrapt overal op mijn lichaam.

In de maanden dat ik samen met [verdachte] heb moeten zijn, verloor hij mij geen moment uit het oog. Hij liet mij nooit alleen en ik moest me continu bij hem verantwoorden waar ik geweest was. Ik mocht nooit te lang ergens alleen naar toe.

Ook is zijn drang naar weed en speed heel erg sterk geworden. Hij heeft geen geld en kan het dus ook niet kopen. Toen ik weigerde voor geld voor hem met mannen naar bed te gaan, heeft hij mij op mijn hoofd geslagen met veel kracht en met gebalde vuisten. Ik ondervond daarvan veel pijn. In de periode dat ik met [verdachte] samen ben geweest, werd ik stelselmatig door hem mishandeld, waarbij hij mij met veel kracht heeft geslagen en geschopt. Ik ondervond daarvan elke keer veel pijn.

als noot verbalisant:

Ik zie tijdens het opnemen van de aangifte dat het rechteroog van aangeefster opgezwollen is en rood/blauw van kleur is. Haar linkeroog is enigszins rood van kleur en eveneens opgezwollen. Op haar rug en met name de schouderstreek is een zeer grote blauwe/paarse/zwarte plek te zien.

3. Een proces-verbaal verhoor getuige, d.d. 7 maart 2014, p. 53-54, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] (hoofdagent van politie), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van getuige [getuige 1]:

Op 6 maart 2014 om 22.00 uur was ik werkzaam als forensisch arts van de GGD op de Mathildelaan 4 te Eindhoven (politiebureau). Hier werd ik aangesproken door verbalisant [verbalisant 1] in verband met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1964. Mij werd gevraagd over de mogelijkheden van forensische beschrijving van het letsel. Om 22.30 uur heb ik [slachtoffer] onderzocht. Ik zag het volgende letsel:

Hoofd: Forse zwelling achterhoofd, zwelling en bloeduitstorting rechteroog en oogkas. Verkleuring rond linkeroog.

Romp: Midden op het linker sleutelbeen 3 ovale bloeduitstortingen. Mevrouw verklaarde dat dit letsel ontstaan was door een vuistslag. Het letsel zou hierbij kunnen passen. Bij rechterflank en borst grote bloeduitstorting.

Linker oksel: Streepvormige donkerpaars gekleurde bloeduitstorting.

Linker schouderblad: Bloeduitstorting van 10 bij 15 centimeter.

Rechter bovenarm: Een bloeduitstorting met enige gele verkleuring. Mevrouw verklaart dat dit een klap van eergisteren is. Dit zou kunnen kloppen gezien de verkleuringen.

Rechterhand: Een zwelling en bewegingsbeperking. Dit letsel bestaat al enige weken. Beide armen: Verschillende bloeduitstortingen.

4. Het proces-verbaal van verhoor getuige van de raadsheer-commissaris. d.d. 9 november 201 5. voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van [slachtoffer]:

Ik kan de verklaring die ik bij de politie heb afgelegd hier onder ede bevestigen.

Het klopt dat ik [verdachte] sinds augustus 2013 persoonlijk ken. Hij heeft voor mij gezorgd, hij deed bijvoorbeeld boodschappen voor ons. Hij werd agressief door de drugs, maar ook als hij drugs wilde gebruiken maar dat niet voorhanden had.

Hij sloeg mij op mijn hoofd en ik kreeg blauwe plekken van het schoppen. Overal waar hij mij raken kon, trapte of schopte hij mij. Elke dag werd ik geslagen.

Op mijn verjaardag 12 oktober ben ik voor het eerst ernstig mishandeld.

5. Een proces-verbaal verhoor getuige, d.d. 10 maart 2014, p. 57 t/m 59, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 2] (brigadier van politie), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van getuige [getuige 2]:

[verdachte] en ik zijn vrienden. [slachtoffer] is de vriendin van [verdachte]. Ze hebben ongeveer een halfjaar een relatie.

Als [verdachte] geen drugs op heeft, is het een animal. Dan wil hij alleen maar drugs en wordt hij agressief. Ik ben wel eens getuige geweest van het feit dat [verdachte] haar (het hof begrijpt: [slachtoffer]) gedreigd heeft. Hij zei wel eens: ‘Ik maak je af en dan zullen ze je nooit meer terugvinden!

6. Een proces-verbaal verhoor getuige, d.d. 14 maart 2014, p. 64-65, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 3] (brigadier van politie), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van getuige [getuige 3] afgelegd op 13 maart 2014:

Vanuit mijn werk ken ik [verdachte] en [slachtoffer]. [verdachte] en [slachtoffer] waren altijd samen. Ongeveer twee en een halve maand geleden stonden zij op een dag samen bij mij aan de deur. Ik zag toen dat [slachtoffer] twee blauwe ogen had. Een tijdje later, na die dag dat ik [slachtoffer] zag met twee blauwe ogen, vertelde [verdachte] dat hij een nieuwe laptop had. [slachtoffer] vertelde toen dat [verdachte] die oude laptop op haar hoofd kapot had geslagen en dat hij daarom een nieuwe had moeten kopen.

Enkele weken geleden vertelde [slachtoffer] tegen mij dat ze niet weg kon gaan bij [verdachte], omdat ze bang was dat hij haar ging vermoorden.

7. Een proces-verbaal verhoor getuige, d.d. 17 maart 2014, p. 66 t/m 68, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 2] (brigadier van politie), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van getuige [getuige 4], wonende te Eindhoven:

Ik ken [slachtoffer] hooguit 4 maanden. Af en toe komen [verdachte] en [slachtoffer] bij mij langs om te douchen of iets dergelijks. Zo'n 3 maanden geleden kwamen ze langs en toen ze boven waren om te douchen, heb ik [slachtoffer] ineens heel hard horen gillen. Ik hoorde het gegil heel erg goed. Ik ben naar boven gelopen. Ik heb toen meteen tegen [verdachte] gezegd dat hij er mee moest kappen. Ik heb hem letterlijk gezegd: ‘Ik laat je alle hoeken van de kamer zien, als je dat nog één keer doet’. [slachtoffer] zei dat ze door [verdachte] was geslagen.

In de maanden dat ik [slachtoffer] ken, zat ze regelmatig onder de blauwe plekken. Eigenlijk over haar hele lichaam, althans plekken die zichtbaar waren, op haar armen en benen en in de nek.

8.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte voor inverzekeringstelling van de rechtercommissaris, d.d. 12 maart 2014, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van verdachte [verdachte]:

Ik heb [slachtoffer] vanaf september 2013 verzorgd. Ik heb haar meegenomen naar Eindhoven. Ik heb haar al die tijd onderhouden.”

6. Zoals blijkt uit de aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 januari 2016 gehechte pleitnota, heeft de raadsvrouwe van de verdachte de betrouwbaarheid van de door [slachtoffer] en [getuige 4] afgelegde verklaringen betwist. Zij heeft in dat verband aangevoerd dat [slachtoffer] de verdachte pas heeft beschuldigd op momenten waarop zij zelf was aangehouden op verdenking van het plegen van een strafbaar feit en dat zij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over hun eerste ontmoeting, de personen aan wie zij over de mishandelingen heeft verteld, het moment waarop de mishandelingen zijn begonnen en de personen die getuige zijn geweest van de mishandelingen. De raadsvrouwe heeft het hof verzocht de verklaring van [slachtoffer] als onbetrouwbaar aan te merken en niet tot het bewijs te bezigen.

7. Volgens de raadsvrouwe zou ook verklaring van de getuige [getuige 4] onbetrouwbaar zijn en niet in aanmerking komen om voor het bewijs te worden gebruikt. Zij heeft daartoe betoogd dat [getuige 4] heeft verklaard dat hij regelmatig blauwe plekken bij [slachtoffer] heeft gezien, terwijl de andere getuigen – die [slachtoffer] vaker zouden hebben gezien – hebben verklaard geen blauwe plekken te hebben gezien. Voorts heeft zij betoogd dat [getuige 4] een verstandelijke beperking en een visuele handicap heeft, waardoor hij kleuren niet goed kan onderscheiden. Ten slotte heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat [getuige 4] licht geheugenverlies heeft door zijn drugsverleden, terwijl zijn verklaring pas weken na het voorval is afgelegd. De raadsvrouwe heeft haar pleidooi doen uitmonden in het verzoek de verdachte bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs vrij te spreken van het ten laste gelegde.

8. Het hof heeft het hiervoor samengevatte betrouwbaarheidsverweer verworpen en daartoe het volgende overwogen:

“Ten aanzien van de verklaringen van aangeefster stelt het hof vast dat zij mogelijk op onderdelen niet geheel consistent heeft verklaard, maar dat zij - ook tegenover de raadsheer- commissaris - in de kern is gebleven bij haar verklaring dat verdachte haar meerdere malen mishandeld heeft. Deze verklaring wordt ondersteund door het relaas van verbalisant [verbalisant 1] (pg. 23-24) dat zij op 6 maart 2014 zag dat aangeefster diverse bloeduitstortingen en verwondingen had en de verklaring van de getuige [getuige 1] (pg. 53-54), die op 6 maart 2014 bij aangeefster niet alleen diverse bloeduitstortingen constateerde, maar ook een forse zwelling aan het achterhoofd en een zwelling aan het rechteroog. Voorts wordt de verklaring van aangeefster ondersteund door de getuige [getuige 4] (pg. 67), die aangeefster hard hoorde gillen toen zij met verdachte boven in de woning was om te douchen en die aangeefster bij die gelegenheid hoorde zeggen dat ze door verdachte was geslagen. Ook in de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] vindt het hof ondersteuning voor de verklaring van aangeefster. [getuige 2] (pg. 58) heeft verklaard dat verdachte agressief wordt als hij geen drugs op heeft en dat hij heeft gehoord dat verdachte aangeefster bedreigde met de dood. [getuige 3] (pg. 64-65) verklaarde op 13 maart 2014 dat hij twee en een halve maand daarvoor had gezien dat aangeefster twee blauwe ogen had en dat aangeefster een tijdje later vertelde dat verdachte een oude laptop op haar hoofd kapot had geslagen. Enkele weken voor 13 maart 2014 had aangeefster hem verteld dat zij niet weg kon gaan bij verdachte, omdat ze bang was dat hij haar ging vermoorden.

Alles overziend acht het hof de verklaringen van aangeefster en de getuige [getuige 4], mede bezien in het licht van de overige bewijsmiddelen, voldoende betrouwbaar. Van contra- indicaties is het hof niet gebleken.”

9. In het licht van de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de rechter die over de feiten oordeelt en in aanmerking genomen hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht, acht ik het voornoemde oordeel van het hof niet onbegrijpelijk, terwijl het toereikend is gemotiveerd. Het hof heeft onderkend dat er inconsistenties bestaan in de verklaringen van [slachtoffer], maar heeft ook uiteengezet waarom het haar verklaringen niettemin betrouwbaar acht. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat [slachtoffer] in de kern is gebleven bij haar verklaring, terwijl haar verklaring wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal.

10. Ook het oordeel van het hof dat de verklaring van [getuige 4], mede in het licht van de overige bewijsmiddelen, voldoende betrouwbaar is, acht ik gelet op de hiervoor weergegeven overwegingen van het hof niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in het bijzonder in aanmerking dat het hof erop heeft gewezen dat de verbalisant [verbalisant 1] en de getuige [getuige 1] hebben verklaard over verwondingen bij [slachtoffer], waaronder diverse bloeduitstortingen.

11. Het hof heeft de afwijking van het standpunt van de verdediging aldus toereikend gemotiveerd. Daarbij merk ik nog op dat de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv ten aanzien van een tot vrijspraak strekkend uitdrukkelijk onderbouwd standpunt niet zo ver gaat dat bij de verwerping daarvan op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.1

12. Het middel faalt.

13. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan tegen zijn levensgezel.

14. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan tegen zijn levensgezel. Het heeft in dat verband het volgende overwogen:

“Het hof is voorts, anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat aangeefster dient te worden aangemerkt als levensgezel van verdachte. Uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder de verklaring van aangeefster, blijkt dat verdachte en aangeefster gedurende de maanden voorafgaande aan de aangifte, beiden toen dakloos, dag en nacht samen optrokken, verdachte de zorg voor aangeefster op zich genomen had, aangeefster zich ten opzichte van verdachte over haar doen en laten moest verantwoorden, en er tevens sprake was van seksuele omgang. Verdachte en aangeefster onderhielden met elkaar een nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid.”

15. In art. 304, aanhef en onder 1°, Sr is de volgende, bij de artikelen 300 tot en met 303 Sr behorende, strafverzwarende omstandigheid opgenomen:

“De in de artikelen 300-303 bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd:

ten aanzien van de schuldige die het misdrijf begaat tegen zijn moeder, zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, zijn echtgenoot, zijn levensgezel, zijn kind, een kind over wie hij het gezag uitoefent of een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin”.

16. Reeds in het ontwerp Wetboek van Strafrecht was de omstandigheid dat een mishandeling werd begaan “tegen zijne vrouw” als een strafverzwaringsgrond opgenomen. Het wekt wellicht verbazing dat deze strafverzwaringsgrond niet van toepassing werd geacht op de vrouw die haar echtgenoot mishandelt. Uit de memorie van toelichting blijkt dat daarover wel is nagedacht. Aan dit verschil lag een bepaalde opvatting over de verhoudingen binnen het huwelijk ten grondslag. Degene die het misdrijf begaat jegens zijn echtgenote schendt volgens de memorie van toelichting “den pligt tot bescherming hem door wet en natuur opgelegd; de vrouw is geheel aan zijne magt overgeleverd;”.2 Die gedachte zal anno 2017 weinig applaus oogsten. In de huidige tekst van art. 304, onder 1, is dan ook het genderneutrale begrip ‘echtgenoot’ gebruikt, waaronder ingevolge art. 90octies Sr mede de geregistreerde partner wordt verstaan.

17. Maar ook de term ‘echtgenoot’ is in het licht van de huidige diversiteit aan samenlevingsvormen beperkt van aard. Daarbij moet worden bedacht dat de ratio van de strafverzwaring is gelegen in de uit hoofde van de nauwe persoonlijke betrekking verschuldigde piëteit en het voorkomen van mogelijk machtsmisbruik.3 Die ratio is niet beperkt tot het huwelijk. Met het oog op de bestrijding van huiselijk geweld is bij nota van wijziging bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 22 december 2005, Stb. 2006, 114 voorgesteld het woord “levensgezel” in art. 304 Sr in te voegen.5 De toelichting bij de nota van wijziging houdt het volgende in over dit begrip6:

“De gronden die thans de strafverhoging bij mishandeling van de echtgenoot (enz.) rechtvaardigen — verschuldigde piëteit en mogelijk machtsmisbruik — zijn naar het oordeel van de regering ook aanwezig bij mishandeling tussen personen die met elkaar een nauwe persoonlijke betrekking onderhouden, maar die niet zijn gehuwd of niet als partners zijn geregistreerd. De voorgestelde uitbreiding van artikel 304 Sr sluit aan bij een maatschappelijke ontwikkeling en onderstreept ook voor andere samenlevingsvormen dan het huwelijk en het geregistreerde partnerschap dat mishandeling tussen personen die een nauwe persoonlijke betrekking onderhouden extra strafwaardig is.

Met het begrip «levensgezel» wordt aangesloten bij de algemene aanwijzingen voor de regelgeving (AR 72a), waarin dit begrip is aangewezen voor twee meerderjarigen die, anders dan als elkaars echtgenoot, «met elkaar een nauwe persoonlijke betrekking onderhouden». Het begrip komt momenteel in ongeveer tien andere wetten voor - o.a. het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Faillissementswet en de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens -, vaak naast de begrippen echtgenoot en geregistreerde partner.

Bij de beoordeling of sprake is van een «levensgezel» zijn de volgende aspecten van belang:

- of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding

- de duur van de gemeenschappelijke huishouding

- of er een relatie van affectieve aard is, en met name

- of betrokkenen kennelijk uitgaan van een nauwe lotsverbondenheid.

Doorslaggevend is in het begrip «levensgezel» evenwel, als gezegd, de nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid. Het moet gaan om een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners. Deze is niet per se met het enkele feit van het samenwonen gegeven en vereist ook niet per se dat betrokkenen met elkaar samenwonen.”7

18. Uit het verslag van een wetgevingsoverleg blijkt dat de minister het volgende heeft opgemerkt:

“De heer Van Haersma Buma heeft een vraag gesteld over de verhoging bij het huiselijk geweld. Het geldige motief voor de verzwaring is volgens mij dat geweld tussen huisgenoten, mensen die samenwonen, een ernstiger inbreuk is dan geweld door iemand die niet in het huis woont, maar daar wel binnenkomt en geweld pleegt. Dat is huisvredebreuk, met alle vormen, maar tussen huisgenoten moet een fundamenteel vertrouwen berusten. Als dat wordt doorbroken, kan de strafwetgever dat met die verzwaring bestraffen. Het voorstel is om de levensgezel daarin op te nemen, omdat de samenwoning daar doorgaans ook voor geldt. Als een echtscheiding is uitgesproken, gelden gewezen echtgenoten niet meer als huisgenoten en dan geldt het niet meer als huiselijk geweld. De fundamentele achterliggende gedachte is dat het extra strafwaardig is, als er inbreuk wordt gemaakt op het onderlinge vertrouwen tussen huisgenoten dan wanneer het van buiten komt. Vandaar de verruiming. Ik wil geen onderscheid maken naar gelang of er gehuwd of niet gehuwd is. Daar zou wel een argument voor zijn. Bij gehuwden geldt een plicht tot samenwoning en bij levensgezellen niet.”8

19. Uit de laatste passage blijkt dat de minister aan het aspect van samenwonen belang heeft gehecht.9 Samenwonen is echter geen vereiste om als levensgezel als bedoeld in art. 304 Sr te kunnen worden aangemerkt.10 Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat doorslaggevend is of tussen de personen een nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid bestaat. De hiervoor geciteerde passage uit de nota van wijziging maakt duidelijk dat aan het bestaan van een nauwe en persoonlijke betrekking niet in de weg hoeft te staan dat de twee betrokkenen niet met elkaar samenwonen. De liefde laat zich nu eenmaal moeilijk tussen vier muren opsluiten en bloeit in voorkomende ook zonder een dak boven het hoofd, laat staan een gezamenlijk dak.

20. Het voorafgaande laat onverlet dat het enkele bestaan van een liefdesrelatie niet toereikend zal zijn voor het bewijs van het bestanddeel ‘zijn levensgezel’ als bedoeld in art. 304 Sr. Zo merkt mijn ambtgenoot Machielse op dat een ‘knipperlichtrelatie’ niet op één lijn kan worden gesteld met een door betrokkenen beleefde nauwe lotsverbondenheid.11 In enkele zaken waarin uit de bewijsmiddelen feitelijk niet meer kon worden afgeleid dan dat de verdachte de vriend was van de aangeefster, was volgens de Hoge Raad het oordeel van het hof dat de aangeefster als “levensgezel” in de zin van art. 304 Sr kan worden aangemerkt niet naar de eis der wet met redenen omkleed. De gebezigde bewijsmiddelen hielden onvoldoende in over de aard en hechtheid van de betrekking tussen de verdachte en de aangeefster, aldus de Hoge Raad.12

21. Er moet dus meer zijn. In dit verband valt te wijzen op een zaak waarin het ging om een verdachte die op het moment van het plegen van het feit niet samenwoonde met de aangeefster, maar in het verleden wel een tijd bij de aangeefster was ingetrokken. De verdachte en de aangeefster hadden een (nieuwe) relatie en waren Islamitisch getrouwd. Uit hun eerdere relatie waren twee dochters geboren. Voorts kwam de verdachte regelmatig bij haar en de kinderen over de vloer, terwijl hij een sleutel van haar woning had. Mijn ambtgenoot Harteveld kwam tot de conclusie dat de klacht over de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘zijn levensgezel’ faalde. Het desbetreffende middel werd door de Hoge Raad met toepassing van art. 81, eerste lid, RO afgedaan.13

22. In de onderhavige zaak waren de verdachte en de aangeefster ten tijde van de bewezen verklaarde feiten dakloos. Van een gezamenlijk dak boven het hoofd was dus geen sprake, als althans het hemeldak niet als zodanig wordt beschouwd. Uit het voorafgaande blijkt dat deze omstandigheid niet in de weg behoeft te staan aan het bewijs van het bestanddeel ‘zijn levensgezel’, maar dat wel moet komen vast te staan dat sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid. Het hof heeft deze maatstaf niet miskend. Het heeft in aanmerking genomen dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte en [slachtoffer] gedurende de maanden voorafgaand aan de aangifte, terwijl zij toen beiden dakloos waren, dag en nacht samen optrokken, de verdachte de zorg over [slachtoffer] op zich had genomen, [slachtoffer] zich ten opzichte van de verdachte over haar doen en laten moest verantwoorden en er sprake was van seksuele omgang. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en [slachtoffer] ongeveer een half jaar een relatie hadden (bewijsmiddel 5), dat zij altijd samen waren (bewijsmiddel 6) en dat de verdachte gedurende de relatie in het onderhoud van [slachtoffer] heeft voorzien (bewijsmiddel 8). Voorts volgt uit een verklaring van [slachtoffer] (bewijsmiddel 4) dat de verdachte boodschappen voor haar en zichzelf deed, terwijl de getuige [getuige 4] heeft verklaard dat [slachtoffer] en de verdachte af en toe bij hem langskwamen om te douchen (bewijsmiddel 7).14

23. In het licht van de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, getuigt zijn oordeel dat [slachtoffer] kan worden aangemerkt als de levensgezel van de verdachte niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel is niet onbegrijpelijk, terwijl het toereikend is gemotiveerd.

24. Het middel faalt.

25. Het derde middel behelst de klacht dat het hof het onder 1 bewezen verklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als “meermalen gepleegd”, aangezien het hof de verdachte onder 1 heeft vrijgesproken van het “(dagelijks) meermalen” mishandelen van [slachtoffer].

26. Het hof heeft het ten laste gelegde bewezen verklaard zoals onder 4 van deze conclusie weergegeven. De steller van het middel wijst er terecht op dat daarin het onderdeel van de tenlastelegging, inhoudende “(dagelijks) meermalen” ontbreekt. Aangenomen kan echter worden dat de bedoelde passage, voor zover het “meermalen” betreft, als gevolg van een kennelijke misslag uit de bewezenverklaring is weggevallen. Aanknopingspunt voor deze lezing is dat in de bewezenverklaring tevens is opgenomen dat de verdachte “op tijdstippen in de periode van 12 oktober 2013 tot en met 5 maart 2014” [slachtoffer] heeft geslagen of gestompt en geschopt of getrapt. Voorts wijs ik erop dat het hof in het kader van de op te leggen straf of maatregel in aanmerking heeft genomen dat de verdachte zijn levensgezel gedurende langere tijd stelselmatig heeft mishandeld. Gelet hierop, meen ik dat de bewezenverklaring verbeterd kan worden gelezen, in die zin dat daaraan overeenkomstig het ten laste gelegde wordt toegevoegd “meermalen (met kracht) tegen het hoofd en het lichaam heeft geslagen of gestompt en geschopt of getrapt”. Indien de bewezenverklaring aldus verbeterd wordt gelezen, komt aan het middel de feitelijke grondslag te ontvallen.

27. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

28. Het vierde middel bevat de klacht dat de strafoplegging, gelet op hetgeen door de raadsvrouwe ter terechtzitting is aangevoerd, ontoereikend is gemotiveerd.

29. In de onderhavige zaak heeft de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg de verdachte veroordeeld wegens mishandeling, meermalen gepleegd en mishandeling tot een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft hij de tenuitvoerlegging gelast van een eerder aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één maand. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe van de verdachte het volgende aangevoerd over de op te leggen straf:

“Ik vraag om vrijspraak en afwijzing van de vordering tenuitvoerlegging. De eis en de straf die gevorderd zijn, zijn disproportioneel gelet op de oriëntatiepunten van het LOVS en op het Uittreksel Justitiële Documentatie. Het laatste geweldsdelict is vele jaren geleden gepleegd. Daarbij komt dat het ontlastende bewijsmateriaal niet gepasseerd kan worden. Mijn cliënt heeft de zorg op zich genomen voor iemand die alles was verloren. Nu wordt de schuld in iemand zijn schoenen geschoven van wie zij weet dat hij een strafblad heeft.”

30. Het hof heeft een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden opgelegd, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en heeft voorts de tenuitvoerlegging gelast van de genoemde voorwaardelijke straf. Het heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:

“Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat verdachte zijn levensgezel gedurende langere tijd stelselmatig heeft mishandeld en dat de mishandelingen ernstig zijn in hun soort. Bovendien heeft verdachte een deel van de feiten gepleegd in de proeftijd van een eerdere veroordeling.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Gelet op het advies in het reclasseringsrapport (beknopt zonder diagnose) van het Leger des Heils te Eindhoven d.d. 11 maart 2014 acht het hof voorts noodzakelijk dat na te melden bijzondere voorwaarden worden opgelegd. Het hof merkt daarbij op dat verdachte niet heeft meegewerkt aan een psychologisch onderzoek, zodat onvoldoende is komen vast te staan dat er sprake is van psychische problemen. Derhalve kan een behandeling bij de GGzE de Woenselse Poort, zoals in het reclasseringsrapport vermeld, niet worden voorgeschreven en zal het hof de bijzondere voorwaarden op dat punt formuleren zoals hierna te melden.”

31. In cassatie kan niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren. De keuze van de factoren die voor de strafoplegging van belang zijn, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, terwijl deze keuze geen motivering behoeft.15 Ik meen dat het middel deze straftoemetingsvrijheid miskent.

32. Het hof heeft de strafoplegging uitgebreid gemotiveerd. Het hof heeft tot uitdrukking gebracht waarom naar zijn oordeel niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de desbetreffende duur met zich brengt. Daarbij heeft het hof onder meer in aanmerking genomen dat de verdachte zijn levensgezel gedurende langere tijd stelselmatig heeft mishandeld en dat de mishandelingen ernstig zijn in hun soort, terwijl hij een gedeelte van deze feiten heeft gepleegd in de proeftijd. Dat oordeel is, mede in het licht van de hiervoor bij het derde middel besproken verbeterde lezing van de bewezenverklaring, niet onbegrijpelijk.

33. Anders dan de steller van het middel betoogt, wekt de opgelegde straf geen verbazing. Het hof heeft voorts voldaan aan de in art. 359, zesde lid, Sv neergelegde motiveringsverplichting. Ik wijs erop dat de LOVS-oriëntatiepunten geen recht vormen in de zin van art. 79 Wet RO en dat de feitenrechter hieraan niet gebonden is.16 Ten overvloede merk ik op dat deze oriëntatiepunten geen aanknopingspunten bieden voor gevallen waarin mishandeling meermalen is gepleegd, onder de strafverzwarende omstandigheid dat het om een levensgezel gaat, en waarin sprake is van recidive.

34. Het middel faalt.

35. Het vijfde middel behelst de klacht dat het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg zich niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt.

36. In art. IV, derde lid, Procesreglement Strafkamer Hoge Raad 2013 is neergelegd dat de raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, bij de rolraadsheer schriftelijk een verzoek om aanvulling moet indienen. Wordt een dergelijk verzoek niet gedaan, dan kan het middel waarin wordt geklaagd over het ontbrekende processtuk niet tot cassatie leiden.17 Uit de stukken van het geding blijkt niet dat de raadsvrouwe van de verdachte zich tot de rolraadsheer heeft gewend met het verzoek om een afschrift van het ontbrekende stuk. In de toelichting op het middel wordt evenwel betoogd dat een dergelijk verzoek geen kans van slagen zou hebben gehad, omdat navraag bij de rechtbank in een eerder stadium van de procedure heeft geleerd dat er nooit een proces-verbaal van het onderzoek van de terechtzitting is uitgewerkt. De door de rechtbank aan de raadsvrouwe toegezonden e-mail waarin is kenbaar gemaakt dat er geen uitgewerkt proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg bestaat, is als bijlage aan de schriftuur gehecht. Ik meen dat onder deze omstandigheden het bepaalde in art. IV, derde lid, Procesreglement Strafkamer Hoge Raad 2013 niet aan de steller van het middel kan worden tegengeworpen.

37. Niettemin kan het middel niet tot cassatie leiden. Ik wijs daartoe op het volgende. Ingevolge art. 378, tweede lid, aanhef en onder c, Sv is het opmaken van een proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van de politierechter vereist indien er een gewoon rechtsmiddel tegen het vonnis is aangewend.18 Het hof heeft vastgesteld dat de politierechter ten onrechte heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk. Het hof heeft daarmee geoordeeld dat in eerste aanleg ten onrechte toepassing is gegeven aan art. 378a Sv. Dat oordeel wordt in cassatie niet bestreden. Voorts heeft het hof overwogen dat het is gebonden aan het motiveringsvoorschrift van art. 359 Sv en heeft het hof het vonnis om die reden vernietigd.19 Ten slotte blijkt uit het arrest van het hof dat het is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Eén en ander getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij wijs ik erop dat ingevolge art. 422, tweede lid, Sv in gevallen waarin toepassing is gegeven aan art. 378a Sv, de beraadslaging als bedoeld in de artikelen 348 en 350 Sv alleen plaatsvindt naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.20 De omstandigheid dat ten onrechte toepassing is gegeven aan deze bepaling staat daaraan niet in de weg.21

38. Het middel faalt.

39. De middelen falen en kunnen, behoudens het tweede middel, worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

40. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

41. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.4 onder d.

2 H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, 1891, II, p. 451 en 479.

3 Vgl. A.J. Machielse in Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 2 bij art. 304 (actueel t/m 26 mei 2015).

4 Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994, in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima.

5 Hierover A.J. Machielse in Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 2 bij art. 304 (actueel t/m 26 mei 2015).

6 Met weglating van een voetnoot.

7 Kamerstukken II 2002/03, 28 484, nr. 5, p. 5.

8 Kamerstukken II 2003/04, 28 484, nr. 34, p. 29.

9 A.J. Machielse in Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 2 bij art. 304 (actueel t/m 26 mei 2015). Vgl. over samenwonen in een ‘tourcaravan’ HR 17 september 2013, nr. 12/02911 (niet gepubliceerd), in het bijzonder onderdeel 9 van de conclusie van mijn ambtgenoot Aben voor dit arrest.

10 Vgl. voor het personen- en familierecht, waarin het begrip levensgezel ook voorkomt, Asser/De Boer 2010, Personen en Familierecht, nr. 1139. Zie in dit verband ook Kamerstukken I 1980/81, 15 350, nr. 62b, p. 1-2 (de memorie van antwoord bij de introductie van de onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen in het eerste boek van het Burgerlijk Wetboek).

11 Zie zijn conclusie voorafgaand aan HR 29 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1076.

12 HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:104 en HR 29 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1075, NJ 2013/523.

13 HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2396. Zie met name onderdeel 3.2 van de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld.

14 [slachtoffer] heeft verklaard stelselmatig door de verdachte te zijn mishandeld (bewijsmiddel 2). Ik laat in het midden of die omstandigheid iets zegt over de hechtheid van de relatie. Zie in dit verband onderdeel 9 van de conclusie van mijn ambtgenoot Aben voor HR 17 september 2013, nr. 12/02911 (niet gepubliceerd), die bij zijn beoordeling of het hof tot het oordeel kon komen dat de aangeefster de levensgezel van de verdachte was, de omstandigheid heeft betrokken dat “de relatie tussen de verdachte en de aangeefster klaarblijkelijk dermate hecht [was] dat de door de verdachte toegepaste tortuur niet stante pede heeft kunnen leiden tot een verbreking ervan”.

15 Vgl. HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805, rov. 3.3, HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9353, rov. 4.3, HR 25 november 2003, NS 2004/18, rov. 4.4, HR 26 juni 1984, NJ 1985/138, rov. 7.5 en A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 313.

16 Zie onder meer HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1236, NJ 2014/364 m.nt. Borgers, rov. 2.5 en HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2745, NJ 2011/410, rov. 2.5.

17 HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6704, NJ 2011/495 m.nt. Borgers, rov. 3.5.1.

18 Die eis geldt alleen niet als het aanwenden van het rechtsmiddel meer dan drie maanden na de uitspraak is geschied of sprake is van een vonnis als bedoeld in artikel 410a, eerste lid Sv. Beide situaties zijn in de onderhavige zaak niet aan de orde.

19 Vgl. in dit verband HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0256, NJ 2011/294 m.nt. Mevis, rov. 2.8.2.

20 HR 11 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BX4472, rov. 2.5.

21 HR 27 januari 1986, NJ 1987/886.