Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1487

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-11-2017
Datum publicatie
25-01-2018
Zaaknummer
15/03982
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:67, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen van medeplichtigheid aan medeplegen van door verschaffen van inlichtingen opzettelijk uitlokken van poging tot moord. Voor medeplichtigheid vereist opzet. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2008:BC0780 en ECLI:NL:HR:2011:BO4471, o.m. inhoudende dat opzet medeplichtige niet gericht behoeft te zijn op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. Onder die precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan, is ook begrepen of het gronddelict al dan niet in deelneming wordt begaan; op die deelnemingsvorm behoeft het opzet van de medeplichtige dus niet te zijn gericht. Hof heeft vastgesteld dat verdachtes opzet was gericht op de dood van A en dat verdachte actief betrokken was bij het plannen van alsmede, tezamen met een ander, inlichtingen heeft verschaft tot de (poging tot) moord op A. ’s Hofs oordeel dat verdachtes opzet bewezen kan worden verklaard, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Samenhang met 15/04093, 15/04391, 15/04861 en 17/00194.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/03982

Zitting: 28 november 2017

Mr. B.F. Keulen

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 17 augustus 2015 door het gerechtshof Amsterdam wegens “medeplegen van medeplichtigheid aan het medeplegen van opzettelijk uitlokken van poging tot moord” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 15/04093, 15/04861, 17/00194 en 15/04391. In de eerste drie zaken zal ik vandaag eveneens concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. G. Meijers en mr. K. Canatan, advocaten te Amsterdam, hebben zes middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Het eerste middel klaagt dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.

  5. In het arrest is de tenlastelegging opgenomen zoals deze na de door rechtbank en hof toegelaten wijzigingen luidt. Onder 1 meer subsidiair is tenlastegelegd, met benadrukking mijnerzijds, dat:

1 meer subsidiair:

[betrokkene 1] op of omstreeks 21 juli 2010 te Gouda en/of/althans (elders) in Nederland, ter uitvoering van het door hem en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, na kalm beraad en rustig overleg,

- naar de woning van die [slachtoffer] toe is gegaan en/of

- tegen die [slachtoffer] (in het Engels en/of in het Nederlands) heeft gezegd dat hij een bericht van mr. en/of [medeverdachte 2] had, en/of

- (vanaf korte afstand) een vuurwapen op die [slachtoffer] heeft gericht en/of

- (vervolgens) de trekker van dat vuurwapen heeft overgehaald, althans getracht heeft de trekker van dat vuurwapen over te halen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

welk feit door [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] , op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2010 tot en met 21 juli 2010 te Amsterdam en/of te Nijkerk en/of te Hattem en/of te Terwolde en/of te Maarsbergen en/of te Gouda en/of/althans (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet door tussenkomst van een of meer anderen, door giften en/of beloften en/of door misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, opzettelijk is uitgelokt, immers heeft/hebben die [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] :

- het plan opgevat en/of besproken en/of een besluit genomen en/of ingestemd met een plan/besluit om [slachtoffer] om het leven te brengen, en/of

- een geldbedrag van € 50.000,-, althans enig geldbedrag, ten behoeve van de uitvoering van de moord op [slachtoffer] betaald en/of

- adresgegevens/verblijfplaatsen en/of de naam van [slachtoffer] en/of kentekengegevens van de door [slachtoffer] gebruikte auto’s en/of ander informatie over [slachtoffer] en/of diens familie doorgegeven, dan wel ter beschikking gesteld en/of

- die [betrokkene 1] benaderd voor het uitvoeren van dat plan/besluit tot het om het leven brengen van [slachtoffer] en/of

- die [betrokkene 1] beloofd dat hij gered zou worden van de gebroeders [betrokkene 3 en 4] die een conflict met die [betrokkene 1] hadden en/of,

- tegen die [betrokkene 1] gezegd dat hem wat gevraagd zou worden en dat daarop maar één antwoord mogelijk was en/of

- tegen die [betrokkene 1] gezegd dat hij ergens een magazijn moest leegschieten en/of

- een geldbedrag van € 10.000,-, althans enig geldbedrag, in het vooruitzicht gesteld als het feit gepleegd zou worden en/of

-tegen die [betrokkene 1] gezegd, nadat die [betrokkene 1] ja had gezegd, dat dit de enige juiste beslissing was en dat hij anders die [betrokkene 1] had laten opruimen en/of

- tegen die [betrokkene 1] gezegd dat hij die [slachtoffer] moest doodschieten en/of

-die [betrokkene 1] ondergebracht in een hotel in Maarsbergen, in de buurt van de woning van [slachtoffer] , althans in de buurt van de plaats waar het feit gepleegd zou moeten worden en/of

- de woning van [slachtoffer] aan die [betrokkene 1] getoond en/of

-die [betrokkene 1] een (doorgeladen) vuurwapen heeft overhandigd en/of een auto en/of een gsm en/of handschoenen heeft gegeven en/of

- laten zien aan die [betrokkene 1] hoe het vuurwapen doorgeladen moest worden en/of instructies gegeven over hoe de moord op die [slachtoffer] uitgevoerd zou moeten worden (het meermalen schieten op de borst en/of in het hoofd);

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen althans alleen, in of omstreeks de periode van 1 mei 2010 tot en met 21 juli 2010 te Amsterdam en/of te Nijkerk en/of te Hattem en/of te Terwolde en/of te Maarsbergen en/of te Gouda, in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door

- het bespreken en/of doen van suggesties voor de wijze waarop de moord gepleegd zou kunnen worden en/of

-door de naam en/of adresgegevens/verblijfplaatsen van [slachtoffer] en/of kentekengegevens van de door [slachtoffer] gebruikte auto’s en/of ander informatie over [slachtoffer] en/of diens familie door te geven en/of ter beschikking te stellen aan [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en/of [betrokkene 1] ten behoeve van de uitvoering van de voorgenomen moord op [slachtoffer] en/of

- door een betaling te verrichten van € 50.000,-, althans enig geldbedrag, ten behoeve van de uitvoering van de voorgenomen moord op [slachtoffer] ;”

6. Het hof heeft op basis van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde, met benadrukking mijnerzijds, bewezenverklaard dat:

“ [betrokkene 1] op 21 juli 2010 te Gouda in Nederland, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, na kalm beraad en rustig overleg,

- naar de woning van die [slachtoffer] toe is gegaan en

- een vuurwapen op die [slachtoffer] heeft gericht en

- vervolgens de trekker van dat vuurwapen heeft overgehaald, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welk feit [medeverdachte 4] , tezamen en in vereniging met [medeverdachte 3] , op tijdstippen in de periode van 1 juni 2010 tot en met 21 juli 2010 in Nederland door een belofte en door het verschaffen van middelen en inlichtingen, opzettelijk hebben uitgelokt, immers hebben hij, [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] :

- het plan opgevat en/of besproken om [slachtoffer] om het leven te brengen, en

- adresgegevens en de naam van [slachtoffer] ter beschikking gesteld en

- die [betrokkene 1] benaderd voor het uitvoeren van dat plan tot het om het leven brengen van [slachtoffer] en

- aan [betrokkene 1] een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld als het feit gepleegd zou worden en

- tegen die [betrokkene 1] gezegd dat hij die [slachtoffer] moest doodschieten en

- die [betrokkene 1] ondergebracht in een hotel in de buurt van de plaats waar het feit gepleegd zou moeten worden en

- de woning van [slachtoffer] aan die [betrokkene 1] getoond en

- die [betrokkene 1] een vuurwapen overhandigd en een auto en een gsm en handschoenen gegeven en

- die [betrokkene 1] instructies gegeven over hoe de moord op die [slachtoffer] uitgevoerd zou moeten worden (het meermalen schieten op de borst en in het hoofd),

tot het plegen van welk misdrijf verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] in de periode van 1 juni 2010 tot en met 21 juli 2010 in Nederland opzettelijk inlichtingen heeft verschaft door de naam en adresgegevens van [slachtoffer] en andere informatie over [slachtoffer] ter beschikking te stellen aan [medeverdachte 4] ten behoeve van de uitvoering van de voorgenomen moord op [slachtoffer] .”

7. Het middel signaleert dat het hof in de bewezenverklaring een woord heeft toegevoegd ten opzichte van de tenlastelegging. In de tenlastelegging is, kort gezegd, opgenomen dat [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] de door [betrokkene 1] gepleegde poging tot moord hebben uitgelokt. Het hof heeft bewezenverklaard (kort gezegd) dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] de door [betrokkene 1] gepleegde poging tot moord opzettelijk hebben uitgelokt, “immers hebben hij, [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] het plan opgevat en/of besproken om [slachtoffer] om het leven te brengen” etc. Tot die uitlokking zou ‘verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] ’ opzettelijk inlichtingen hebben verschaft. Nu het hof “hij” heeft toegevoegd, zou het volgens het middel niet voor de hand liggen te veronderstellen dat hier sprake is van een kennelijke misslag. Een redelijke lezing van de aangevulde zinsnede zou vervolgens inhouden dat het hof bedoelt dat [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] alsmede verdachte de feitelijke gedragingen hebben verricht waarmee is uitgelokt. En daarmee zou het hof “meer en anders” hebben bewezenverklaard dan ten laste is gelegd.

8. Anders dan de stellers van het middel, meen ik dat de enkele omstandigheid dat het hof iets aan de bewezenverklaring heeft toegevoegd, niet meebrengt dat geen kennelijke misslag kan worden aangenomen. Ook een toevoeging aan een tenlastelegging kan een kennelijke misslag zijn. Naar mijn mening zijn er in de onderhavige zaak een aantal argumenten die steun bieden aan het standpunt dat van een kennelijke misslag sprake is. Het eerste argument is dat het hof van het onder 1 primair ten laste gelegde heeft vrijgesproken.1 Onder 1 primair was aan de verdachte “het medeplegen van uitlokking van poging tot moord” ten laste gelegd. Het hof heeft deze vrijspraak als volgt toegelicht:

“Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting volgt niet dat de verdachte ten aanzien van deze uitlokking nauw en bewust met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] heeft samengewerkt.” 2

Ook de logica van de tenlastelegging en de logica van de deelnemingsregeling wijzen in de richting van een kennelijke misslag. Het gaat, bij medeplichtigheid, om ondersteuning van een misdrijf dat door anderen wordt begaan. Daarbij past niet dat de verdachte tot de uitlokkers zou behoren die hij als medeplichtige ondersteunt. Daarnaast laat ook de door het hof gebezigde kwalificatie geen ruimte voor het misverstand dat het hof heeft gedacht iets anders bewezen te hebben verklaard dan “medeplegen van medeplichtigheid aan het medeplegen van opzettelijk uitlokken van poging tot moord”. Tegen deze achtergrond kan de bewezenverklaring verbeterd worden gelezen. De aard en ernst van het bewezenverklaarde wordt daardoor niet aangetast3; deze wordt alleen beter begrijpelijk gemaakt. Door een verbeterde lezing komt aan het middel de feitelijke grondslag te ontvallen.

9. Het eerste middel kan niet tot cassatie leiden.

10. Het tweede middel klaagt dat het voor medeplichtigheid vereiste dubbel opzet niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Voor strafbaarheid is, aldus de stellers van het middel, vereist dat het opzet van de medeplichtige gericht is op de eigen hulpverlening en op het misdrijf ten aanzien waarvan de hulp wordt verleend. Uit de bewijsoverwegingen en bewijsmiddelen zou niet kunnen volgen dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] iemand zouden uitlokken om de moord te plegen, laat staan dat hij de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard.

11. De bewezenverklaring onder 1 meer subsidiair is in het voorgaande (rubriek 6) weergegeven. Deze bewezenverklaring steunt, blijkens de aanvulling verkort arrest van 28 december 2016, op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

“1. Een proces-verbaal van verhoor van 21 juli 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (….).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 21 juli 2010 tegenover verbalisant voornoemd afgelegde verklaring van [slachtoffer] :

(…)

Hij deed aangifte ter zake poging tot doodslag/moord en verklaarde het volgende:

Op 21 juli 2010 omstreeks 21.00 uur en 21.15 uur was ik in mijn woning aan de [a-straat 1] in Gouda. Ik was alleen in de woning. Er werd drie keer aangebeld. Direct daarna werd er twee hard op het raam van de woonkamer geklopt. Ik deed de deur open en zag een man staan. De man had een zwarte schrijfmap onder zijn arm. Ik hoorde dat hij Engels tegen mij sprak. Ik wilde de deur dicht doen. Ik zag dat de man vervolgens een stap/sprong naar voren maakte en half in de deuropening kwam, waardoor ik de deur niet dicht kon doen. Ik hoorde dat de man tegen mij zei: “Wacht even ik heb een message van [medeverdachte 2] ”. [medeverdachte 2] is mijn manager/director van [A] B.V. Dit bedrijf is gevestigd aan de [b-straat 1] in Gouda. Het hoofdkantoor zit in Nijkerk. Ik heb tot vorige maand gewerkt voor [A] B.V. Ik ben per 1 juli 2010 op staande voet ontslagen bij dit bedrijf. Nadat de man in de deuropening was gekomen, dacht ik: “Dit is mis”. Ik heb geprobeerd om de man naar buiten te duwen. Ik zag dat de man met zijn linkerhand een pistool haalde. Dit was een zwart pistool met een demper. Ik zag dat de man het pistool op mij probeerde te richten. Ik begon hard om hulp te roepen. De man rende weg.

2. Een proces-verbaal van verhoor van 1 november 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren NR02-007 en NR02-011 (….).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 1 november 2011 tegenover verbalisanten voornoemd afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

Op 6 juli 2010 kwamen [medeverdachte 4] (het of begrijpt hier en hierna: [medeverdachte 4] ) en [medeverdachte 3] (het hof begrijpt hier en hierna: [medeverdachte 3] ) mij opzoeken op de camping in Terwolde en vond er een gesprek plaats tussen ons. [medeverdachte 4] zou mij redden van de gebroeders [betrokkene 3] en [betrokkene 4] uit Cuijk maar verlangde wel een tegenprestatie. Toen ik [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] vroeg wat dit moest zijn, maakten zij mij duidelijk dat ik op iemand moest schieten. Hij heeft mij toen verteld dat ik iemand een paar keer in de borst moest schieten. Ik heb ja gezegd op de vraag van [medeverdachte 4] of ik op iemand wilde schieten. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] maakten met mij de afspraak dat [medeverdachte 3] mij op 9 juli 2010 zou komen ophalen van de camping. Op 9 juli 2010 kwam [medeverdachte 3] mij ophalen. Wij zij samen naar Utrecht gereden. [medeverdachte 3] gaf mij de opdracht mijn accu uit mijn telefoon te halen. We hadden een afspraak met [medeverdachte 4] in het Van der Valk hotel in Breukelen maar we moesten eerst naar een telefoonwinkel in Utrecht om een nieuwe telefoon te kopen. [medeverdachte 3] is daar naar binnen geweest en ik kreeg van [medeverdachte 3] de nieuwe telefoon. Vervolgens zijn we naar Breukelen gereden waar we een ontmoeting zouden hebben met [medeverdachte 4] .

Daarna besloot [medeverdachte 4] dat [medeverdachte 3] een onderkomen voor mij moest zoeken. Dit moest redelijk in de buurt zijn van [medeverdachte 4] of [medeverdachte 3] om goed contact met elkaar te kunnen onderhouden. [medeverdachte 3] heeft mij naar motel Amrath in Maarsbergen gebracht. [medeverdachte 3] heeft de kamer voor twee dagen contant bij de receptie betaald. Ik kreeg ook nog wat geld voor sigaretten en eten te kopen. Daarna is [medeverdachte 3] weggegaan. Op 10 juli 2010 is er telefonisch contact geweest tussen [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en mij. Op 11 juli 2010 gaf [medeverdachte 4] mij geld om nog twee nachten in het hotel te kunnen blijven. Ook zei [medeverdachte 4] dat [medeverdachte 3] mij op 12 juli 2010 zou komen ophalen. [medeverdachte 3] kwam tussen 10 en 11 uur. Wij zijn naar autobedrijf Maas in Uithoorn gereden Daar stond [medeverdachte 4] al te wachten. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] zeiden dat ze mij iets gingen laten zien. Later bleek dat ze me een huis in Gouda gingen laten zien. Op een zeker moment hadden we de goede straat gevonden. Toen we de straat inreden, lag dat huis aan de linkerkant. Ik bedoel dan het huis dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] mij aanwezen toen we het passeerden. Vlak voordat we het huis passeerden, zeiden ze dat ik goed op moest letten. Ik zag dat ze een normale tussenwoning aanwezen. We zijn de straat uitgereden, zijn toen linksaf geslagen en hebben een blokje omgereden. We zijn toen nogmaals langs het huis gereden. Ik wist dat er daar op iemand geschoten moest worden. Vervolgens heeft [medeverdachte 3] mij naar mijn hotel gebracht. Ik had al met [medeverdachte 4] afgesproken dat hij de volgende dag naar het hotel zou komen. Op 13 juli 2010 heeft [medeverdachte 4] aan de balie geld betaald zodat ik weer twee dagen in de hotelkamer kon blijven. [medeverdachte 4] heeft contant betaald. Daarna zijn we een rondje gaan lopen en zei [medeverdachte 4] dat ik mijn werk goed moest gaan uitvoeren. Hij zei tegen mij dat die persoon dood moest. En werd er een plan gemaakt hoe het ongeveer uitgevoerd moest worden.

3. Een proces-verbaal van verhoor van 2 november 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren NR02-007 enNR02-011 (….).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 2 november 2011 tegenover verbalisanten voornoemd afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

[medeverdachte 4] vertelde mij op 13 juli 2010 dat ik hem drie of vier keer in zijn borst moest schieten en daarna nog een schot in zijn hoofd. [medeverdachte 4] vertelde mij dat de auto die [medeverdachte 3] voor mij zou regelen een dezer dagen klaar zou staan en dat het snel moest gebeuren. Ik wist al langer dat [medeverdachte 3] een auto voor mij moest regelen. Ik hoorde op 6 juli 2010 al dat [medeverdachte 3] een auto zou regelen voor de uitvoering van dit werk. In de periode van 14 juli 2010 tot en met 17 juli 2010 heb ik geregeld sms-contact gehad met [medeverdachte 3] . Het is niet zo dat ik geen contact had met [medeverdachte 4] maar het gebruikelijke contact onderhield ik met [medeverdachte 3] . Dat contact ging onder meer over of het hotel verlengd moest worden en of er al een auto geregeld was. Dit vroeg ik dan aan [medeverdachte 3] . Gedurende deze vier dagen is er elke dag iemand - [medeverdachte 3] of [medeverdachte 4] - bij mij in het hotel op bezoek geweest. Op 17 juli 2010 kwam [medeverdachte 3] langs om de hotelrekening te betalen. [medeverdachte 3] zei dat [medeverdachte 4] de volgende dag bij mij langs zou komen. Op 18 juli 2010 kwam [medeverdachte 4] bij mij langs. Ik denk dat ik die dag te horen heb gekregen dat de liquidatie in opdracht was van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 4] vertelde dat [medeverdachte 3] de opdracht had aangenomen voor deze liquidatie, dat ze de opdracht tot liquidatie hadden opgenomen op een voicerecorder en dat ze hiervoor € 100.000,00 zouden beuren. [medeverdachte 4] vertelde dat ze de helft al hadden gekregen van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 4] vertelde dat de accu van de voicerecorder tijdens het opnemen van het gesprek bijna leeg was en begon te piepen en dat [medeverdachte 3] toen naar buiten is gelopen. Op 20 juli 2010 vertelde [medeverdachte 4] mij dat de gestolen auto was aangekomen en dat ik de volgende dag moest uitchecken. [medeverdachte 4] heeft vervolgens mijn hotelrekening betaald. [medeverdachte 4] vroeg een paar keer of ik er klaar voor was en drong er op aan dat ik mijn best moest doen. Omdat ik moest uitchecken, de gestolen auto klaar stond en [medeverdachte 4] mij vroeg of ik er klaar voor was, werd mij duidelijk dat de liquidatie aanstaande was. Ik heb [medeverdachte 4] toen gevraagd of hij ook alles geregeld had. Hiermee bedoelde ik een nieuw navigatiesysteem, een nieuwe mobiele telefoon met telefoonnummer, het vuurwapen dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] ter beschikking zouden stellen voor de liquidatie en de handschoenen die ik zou gebruiken tijdens de liquidatie. [medeverdachte 4] vertelde dat alles geregeld was en dat ik de volgende dag door hen opgehaald zou worden. [medeverdachte 4] zei dat we dan de auto die [medeverdachte 3] voor deze liquidatie had geregeld zouden gaan ophalen. In de periode dat ik in het hotel verbleef, heeft [medeverdachte 4] gezegd dat hij het vuurwapen met toebehoren zou regelen. Ik heb toen tegen [medeverdachte 4] gezegd wat ik verder dacht nodig te hebben voor deze klus, namelijk wat geld, een telefoon en navigatie. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] kwamen me op 21 juli 2010 rond 15.00 uur ophalen. We zijn toen richting Utrecht gereden. We moesten langs een soort dumpstore om een schoonmaaksetje voor het vuurwapen te kopen. Ik moest in de winkel een schoonmaaksetje kopen, type 7.65. Daarmee bedoel ik het kaliber 7.65. Ze bleken dat niet te hebben. [medeverdachte 4] of [medeverdachte 3] zei toen dat ik maar een spuitbusje moest halen. Dat heb ik gedaan. Daarna zijn we naar het huis van [medeverdachte 3] gereden. [medeverdachte 3] legde een vuurwapen op tafel. [medeverdachte 4] heeft toen het vuurwapen uit elkaar gehaald. Hij heeft doeken gebruikt om het vuurwapen schoon te maken. [medeverdachte 4] heeft in overleg met [medeverdachte 3] acht patronen in het magazijn van het vuurwapen gedaan. [medeverdachte 4] heeft het vuurwapen verder bedrijfsklaar gemaakt. Hij heeft het magazijn gevuld met patronen en doorgeladen. Hij heeft het boven gedeelte van het vuurwapen daarvoor op en neergehaald. Ook heeft hij gekeken of de pal op rood stond. Dit palletje is een vergrendeling. En hij heeft een demper op het vuurwapen gezet. Ik heb hen gevraagd waar ik het vuurwapen moest laten. [medeverdachte 3] zei dat we een tas gingen kopen. Ik heb hen ook naar de beloofde telefoon, navigatie, handschoenen en geld gevraagd. [medeverdachte 3] heeft toen handschoenen gepakt, zwarte dunne rubberen handschoenen. De telefoon zou ik later krijgen. En de auto zou uitgerust zijn met navigatie. [medeverdachte 4] overhandigde mij het vuurwapen. Hij wees de veiligheidspal aan en zei dat ik die naar beneden moest zetten en dat het wapen dan schietklaar zou zijn. Ik vermoed dus dat we ergens tussen 16.15 uur en 16.30 uur bij [medeverdachte 3] weg zijn gereden. Ik had het vuurwapen in de kofferbak gelegd. Daarna gingen we de auto waarmee ik het karwei in Gouda moest gaan uitvoeren, ophalen. Onderweg kreeg ik te horen waar ik na de liquidatie heen moest. [medeverdachte 4] zei dat ik niet alle kogels moest gebruiken en dat ik het vuurwapen en de auto na de liquidatie weer moest inleveren. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] zouden mij na de liquidatie komen opzoeken en zij zouden de spullen dan meenemen. [medeverdachte 4] zou mij rond de 6000 euro geven. [medeverdachte 3] wees mij op een gegeven moment een auto aan. [medeverdachte 3] gaf mij de autosleutels en zei dat ik achter hem aan moest rijden. Onderweg naar de auto heeft [medeverdachte 4] de naam genoemd van de persoon die ik moest gaan liquideren. Hij haalde een A4 te voorschijn waarop de naam en het adres van die persoon geschreven stond. Het adres dat op de A4 stond vermeld, was hetzelfde adres als waar ik met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] op voorverkenning ging in Gouda

4. Een proces-verbaal van verhoor van 9 november 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren NR02-007 en NR02-011 (…).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 9 november 2011 tegenover verbalisanten voornoemd afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

Ik ben [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] gevolgd naar het hotel waar ik een kamer had gereserveerd. Volgens mij was het een Golden Tulip hotel net buiten Gouda, maar het kan ook Bodegraven zijn geweest. Dit was het laatste contact dat ik op 21 juli 2010 met [medeverdachte 4] heb gehad. Ik had gereserveerd onder mijn eigen naam, [betrokkene 1] , en heb contant betaald voor mijn kamer. Ik ben vervolgens in de auto gestapt en ben gaan rijden om de weg te zoeken. Op een gegeven moment vond ik de [a-straat] . Ik ben toen door de straat heen gereden. Ik zag het huis. Ik herkende het huis omdat ik met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] door de straat was gereden en zij mij toen het huis hadden aangewezen. Ik wist van [medeverdachte 4] dat er een persoon zou wonen en dat die persoon van buitenlandse komaf was. Verder wist ik niks. Vervolgens heb ik mijn auto geparkeerd. Ik ben uitgestapt en heb de tas gepakt, waarin het pistool met demper zat. Ik ben naar het huis gelopen en heb aangebeld. Ik zag op het naambordje de naam staan van de persoon die ik van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] moest doodschieten. Ik heb aangebeld omdat ik wilde dat de voordeur geopend zou worden. Van [medeverdachte 4] moest ik zeggen dat ik een ‘message van [medeverdachte 2] ’ had. Maar omdat er niemand open deed, is het hier niet van gekomen. [medeverdachte 4] had de tactiek met mij doorgenomen. [medeverdachte 4] wilde dat ik vroeg in de avond aan zou bellen en zou zeggen dat ik een ‘message van [medeverdachte 2] ’ had. [medeverdachte 4] zei dat die man mij dan binnen zou laten in zijn huis. Ik moest dit in het Engels zeggen omdat het een buitenlands persoon betrof. Het moest vroeg in de avond gebeuren omdat [medeverdachte 4] had verteld dat hij en [medeverdachte 3] ervoor zouden zorgen dat ze dan een alibi zouden hebben. Ik had het wapen in de tas. Het was een tas met een grote klep. Door het openen van de klep kon ik het vuurwapen zo pakken. Toen ik aanbelde, was het wapen volledig doorgeladen. Dat had [medeverdachte 4] ‘s middags al gedaan. Ik moest alleen de vergrendeling er nog afhalen. Dat heb ik gedaan voordat ik de eerste keer bij het huis van de persoon aanbelde. Omdat er niet werd opengedaan ben ik weggegaan. Ik heb gewacht totdat de duisternis begon in te vallen. Iets na 21.00 uur ben ik weer naar het huis in de [a-straat] gereden. Ik heb de auto geparkeerd. Ik heb de tas met daarin het vuurwapen gepakt, ben naar het huis gelopen en heb aangebeld. Na enige tijd werd de voordeur een klein stukje geopend. Ik zag een man met een licht getint uiterlijk. Omdat ik het huis in wilde, zei ik tegen de man dat ik een ‘message van [medeverdachte 2] ’ had. Ik wilde de man niet op straat doodschieten. Toen ik dat zei, duwde ik tegen de voordeur aan. Ik probeerde zo binnen te komen. Maar ik merkte dat de man de voordeur tegenhield. Ik voelde weerstand. Ik probeerde met mijn linkerschouder en mijn linkervoet de voordeur verder open te duwen. Ik moest hiervoor kracht zetten. Op dat zelfde moment pakte ik met mijn rechterhand het doorgeladen vuurwapen uit mijn tas. Ik richtte het doorgeladen vuurwapen op de man. Ik hoorde dat de man op het moment dat ik het vuurwapen op hem richtte, begon te schreeuwen. Op het moment dat ik mijn vuurwapen op de man richtte stond ik op ongeveer een halve meter bij hem vandaan. Ik richtte volgens mij het vuurwapen op de borst van de man. Ik heb vervolgens de trekker van het vuurwapen overgehaald. Ik merkte dat het vuurwapen niet afging. Het vuurwapen ging niet af. Het weigerde gewoon. Ik weet niet of ik nogmaals heb geprobeerd een schot te lossen. Ik raakte in paniek. Ik stopte het vuurwapen weer in mijn tas en rende naar mijn auto. Ik ben ingestapt en weggereden. Ik ben naar het hotel gegaan. Daar heb ik mijn spullen gepakt. Ik heb niet uitgecheckt omdat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] dan nog zouden kunnen geloven dat ik nog in het hotel zat. Je moet begrijpen dat ik nu zwaar in de problemen zat. Op 22 juli 2010 heb ik een nieuwe telefoon gekocht. Ik heb ergens begin september 2010 pas weer contact gehad met [medeverdachte 4] .

5. De verklaring van de [betrokkene 1] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juni 2014.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik blijf bij mijn verklaring dat [medeverdachte 4] mij heeft opgedragen om [slachtoffer] dood te schieten. Ik weet dat er een conflict was met [slachtoffer] en dat [slachtoffer] daarom dood moest. Ik verbleef in de periode voor de aanslag in het hotel. Ik sprak in die tijd alleen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] heeft mij op enig moment een papiertje laten zien, waarop wat gegevens stonden vermeld. Ik weet nog dat er een adres in Gouda op stond. Wij zijn met z’n drieën langs die woning in Gouda gereden. Ze hebben me de woning aangewezen en zeiden erbij dat het daar was. Ik had het wapen dat ik voor deze aanslag bij me had, niet eerder in handen gehad. Er zat een demper op en het was doorgeladen. Het wapen was gebruiksklaar. Ik hoefde het wapen alleen nog maar van de veilige stand af te halen. Ik wist dit omdat [medeverdachte 4] mij uitleg over het wapen heeft gegeven.

[medeverdachte 4] kwam op een gegeven moment bij me op bezoek en zei dat hij me van de gebroeders [betrokkene 3 en 4] kon verlossen. In ruil daarvoor moest ik dan wel een klus voor hem doen. Dat was de aanslag in Gouda. Ik heb het wapen van [medeverdachte 4] gekregen. [medeverdachte 3] was daarbij. [medeverdachte 3] gaf het wapen aan [medeverdachte 4] , waarna [medeverdachte 4] het gebruiksklaar heeft gemaakt. Toen zij bij mij kwamen met het Gouda-plan zeiden ze dat er een wapen zou worden geregeld, een auto, een navigatiesysteem en een nieuwe telefoon. We waren in de woning van [medeverdachte 3] toen [medeverdachte 4] het wapen klaar maakte. Toen ik het wapen kreeg, was het doorgeladen. Er zaten geen losse patronen bij. Ik weet dat zeker omdat ik bij [medeverdachte 4] aan tafel zat toen hij het wapen laadde. Ik heb niet geteld hoeveel patronen hij in het wapen deed. Het zullen er 7 of 8 geweest zijn.

Ik weet niet meer hoe het daar bij die deur precies ging. Er ontstond een worsteling. Ik heb het wapen geprobeerd, maar het wapen deed niks. Daarna ben ik weggerend. Volgens mij had ik een Walther P5. Ik ben die dag drie keer bij die persoon aan de deur geweest. De laatste keer deed hij open. Ik pakte het wapen uit mijn heuptas. Ik zei tegen hem dat ik ‘een message van [medeverdachte 2] ’ had. Dat was de opdracht van [medeverdachte 4] . Het was de bedoeling dat hij mij door die mededeling binnen zou laten. Dat gebeurde echter niet. Bij de deur ontstond een worsteling. Ik probeerde de deur open te duwen, hij probeerde hem dicht te doen. Ik heb het wapen uit mijn heuptas gepakt en op hem gericht. Ik zag dat hij schrok. Ik heb geprobeerd het wapen af te vuren, maar er kwam geen kogel uit. Ik heb het wapen tijdens die worsteling gepakt. Ik denk dat ik het wapen op zijn bovenlichaam heb gericht maar het ging allemaal zo snel. Toen het wapen niet afging, ben ik gevlucht.

Ik zat in verband met de poging liquidatie in de periode van 14 tot 19 juli 2010 in motel Amrath in Maarsbergen. Dat is de enige keer dat ik in dat hotel heb verbleven. [medeverdachte 4] is mij daar diverse keren komen opzoeken. Wij hebben elkaar in het hotel ontmoet maar ook op de parkeerplaats. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] kwamen geregeld naar het hotel. [medeverdachte 4] heeft toen met mij besproken wat er met [slachtoffer] moest gebeuren. Hij zei letterlijk dat [slachtoffer] dood moest. Wij waren toen alleen. [medeverdachte 4] deed toen het woord en [medeverdachte 3] stond erbij en knikte met zijn hoofd. Ik heb een paar keer bij [medeverdachte 3] naar de stand van zaken geïnformeerd. U vraagt mij specifiek of [medeverdachte 3] mij opdrachten heeft gegeven. Ik antwoord dat ik [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] als één zag. Zij waren mijn opdrachtgever.

6. Een proces-verbaal van verhoor van 7 april 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren NR02-013 enNR02-0023 (…).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 7 april 2014 tegenover verbalisanten voornoemd afgelegde verklaring van [medeverdachte 4] :

Tijdens een gesprek in het Hilton hotel in Amsterdam, waarbij [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] begrijpt hier en hierna: [medeverdachte 3] ) aanwezig waren. Tijdens dit gesprek gaven [verdachte] en [medeverdachte 2] beiden aan dat [slachtoffer] er de oorzaak van was dat de gouddeal niet door was gegaan. [medeverdachte 2] was er nog steeds van overtuigd dat [medeverdachte 3] en ik er in zouden slagen om van de gouddeal een succes te maken, hoewel ik toen uiteraard al wist dat er niets van terecht zou komen. Na dit gesprek kwam bij [medeverdachte 3] en mij de gedachte op om nog een gesprek over deze moordaanslag te voeren met als doel dat gesprek op te nemen. Het doel van deze opname was het in een later stadium afpersen van [medeverdachte 2] en [verdachte] .

[betrokkene 2] heeft het wapen een 7.65 mm Walther PP pistool met houder met volmantelmunitie geleverd. Hij heeft dit wapen speciaal voor dit doel aan mij geleverd. Ik heb hiervoor een bedrag van 1500 euro betaald. [betrokkene 2] wist waarom ik dit wapen kocht. Het wapen is ergens tussen het gesprek en de bandopname bij mij thuis aan mij geleverd. Ik kreeg bij het wapen een magazijn met scherpe patronen.

[medeverdachte 3] is medeopdrachtgever, uitvoerder en facilitair in de zin dat hij de vluchtauto leverde.

[medeverdachte 2] : opdrachtgever die wilde dat [slachtoffer] om het leven gebracht zou worden en tevens degene die relevante informatie ter beschikking heeft gesteld in relatie tot [slachtoffer] . Hij heeft foto’s van [slachtoffer] , zijn echtgenote en kinderen, zijn woonadres, het woonadres van zijn echtgenote, het adres van de school van de kinderen en het ip-adres ter beschikking van [medeverdachte 3] en mij gesteld.

Mijn rol was medeopdrachtgever en uitvoerder.”

12. In het arrest van het hof zijn verder de volgende bewijsoverwegingen opgenomen:

“Overwegingen van het hof

(…)

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft (…) vrijspraak van de gehele tenlastelegging bepleit. Daartoe is aangevoerd dat degene die de poging tot moord zou plegen, [betrokkene 1] , al in mei 2010 hiertoe was uitgelokt, door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] . Al in die periode zou tegen [betrokkene 1] zijn gezegd dat hij “een magazijn ergens leeg moest schieten”, een opdracht die sloeg op het ombrengen van [slachtoffer] . Volgens de verdediging was de uitlokking van [betrokkene 1] al voltooid, zodat op het moment dat de verdachte gegevens over [slachtoffer] aan [medeverdachte 2] verstrekte van strafbare uitlokking geen sprake meer kon zijn.

Daarnaast heeft de verdediging vrijspraak bepleit omdat de uitlatingen van de verdachte tijdens het gesprek van 24 juni 2010 niet als redengevend kunnen worden aangemerkt, dat de betaling van € 50.000,00 omstreeks 18 juni 2010 niet in verband met het ten laste gelegde heeft plaatsgevonden en dat het verstrekken van gegevens over de auto waarin [slachtoffer] reed, door de verdachte aan [medeverdachte 2] , niet heeft plaatsgevonden met het oog op het plegen van een moordaanslag. De verdachte heeft niet de opzet op de dood van [slachtoffer] en geen opzet had op zijn eigen bijdrage.

Overwegingen van het hof

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de gehele tenlastelegging, inhoudende de beschuldiging van het medeplegen van de poging tot moord op [slachtoffer] .

Gelet op de in hoger beroep gewijzigde tenlastelegging is thans aan de orde de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (primair) het medeplegen van uitlokking van poging tot moord, (subsidiair) medeplegen van poging tot moord, (meer subsidiair) medeplegen van medeplichtigheid aan uitlokking van poging tot moord dan wel (meest subsidiair) medeplichtigheid aan poging tot moord.

Het hof stelt op grond van de in de eventueel nader op te maken aanvulling op te nemen bewijsmiddelen vast dat [betrokkene 1] op 21 juli 2010 heeft getracht om [slachtoffer] dood te schieten. [betrokkene 1] is daartoe naar de woning van [slachtoffer] gegaan, en heeft, toen [slachtoffer] de deur opende, een pistool getrokken en heeft de trekker overgehaald. Doordat het vuurwapen weigerde heeft [slachtoffer] de aanslag overleefd. Dat door [medeverdachte 4] aan [betrokkene 1] opzettelijk een niet functionerend vuurwapen ter beschikking was gesteld, zoals door de raadsman is geopperd, is niet aannemelijk geworden.

Medeverdachte [medeverdachte 4] , die het vuurwapen aan [betrokkene 1] heeft overhandigd, heeft immers als getuige ter terechtzitting in hoger beroep verklaard: Het was de bedoeling dat [betrokkene 1] [slachtoffer] in een arm of been zou schieten (…). Uit die verklaring, mede in combinatie met het technisch onderzoek aan het wapen, blijkt, naar het oordeel van het hof, dat [medeverdachte 4] aan [betrokkene 1] een vuurwapen heeft gegeven dat had moeten functioneren. Er is voorts geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [betrokkene 1] omtrent hetgeen hij ter uitvoering van zijn voornemen heeft gedaan.

Het hof stelt op grond van de in de eventueel nader op te maken aanvulling op te nemen bewijsmiddelen voorts vast dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] tezamen en in vereniging [betrokkene 1] tot het plegen van de poging tot moord op [slachtoffer] opzettelijk hebben uitgelokt. Zij hebben aan [betrokkene 1] daartoe onder meer een beloning m het vooruitzicht gesteld, hem ondergebracht in een hotel in de buurt van de woning van [slachtoffer] , hem die woning aangewezen en hem een doorgeladen vuurwapen met geluiddemper ter beschikking gesteld.

Om de rol van de verdachte bij de door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] gepleegde uitlokking vast te kunnen stellen, zal het hof eerst de feiten met betrekking tot het handelen van de verdachte beoordelen.

De verdachte heeft (via [A] B.V.) op 18 juni 2010 een bedrag van € 50.000,00 betaald aan [medeverdachte 4] . Het openbaar ministerie heeft gesteld dat deze betaling is verricht voor de te plegen moord op [slachtoffer] .

Het hof stelt voorop dat er onvoldoende bewijs is waaruit blijkt dat deze betaling met de uitvoering van het plan om [slachtoffer] te vermoorden te maken had. Hoewel aan de verklaring van [betrokkene 1] steun zou kunnen worden ontleend voor de stelling dat al vóór de poging tot moord een betaling is gedaan, kan deze verklaring niet aan de op 18 juni 2010 door [A] B.V. gedane betaling worden gekoppeld. De verdachte heeft immers voor deze betaling een andere reden gegeven, te weten dat het bedrag bestemd zou zijn geweest voor [medeverdachte 4] zodat hij daarmee ‘de Israëli’s’ kon afkopen, welke verklaring, gelet op de bevestiging op dit punt door [medeverdachte 4] én de overige omstandigheden die omtrent de diverse betalingen door de verdachte aan [medeverdachte 4] zijn gebleken, niet zonder meer als onaannemelijk terzijde kan worden gesteld.

Het hof stelt aan de hand van de navolgende bewijsmiddelen vast dat de verdachte aanwezig is geweest bij meerdere ontmoetingen met [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , waarbij de moord op [slachtoffer] is besproken. Uit de stukken van het dossier blijkt dat er een gesprek tussen voornoemde personen heeft plaatsgevonden bij het Hilton hotel in Amsterdam. Uit het dossier komt naar voren, en de verdachte heeft dat ook verklaard (onder andere in het 5e verhoor van de verdachte bij de politie (…) dat de reis naar Rome heeft plaatsgevonden rond Pinksteren 2010 (het hof begrijpt: rond 23 en 24 mei 2010). Gelet op de verklaringen van de verdachte hierover heeft dit gesprek bij het Hilton enkele weken na de reis naar Rome plaatsgevonden, derhalve in de eerste of tweede week van juni 2010.

Uit het dossier leidt het hof af dat tijdens dit gesprek bij het Hilton is gesproken over het ‘probleem [slachtoffer] ’. Het hof verwijst hiervoor naar de verklaring van [medeverdachte 3] (…) 8e verhoor van [medeverdachte 3] op 21 februari 2012):

Wij willen nu verder gaan naar de aanslag op [slachtoffer] . Wat kan jij ons vertellen over deze aanslag?

Volgens [verdachte] (het hof begrijpt hier en hierna: de verdachte) en [medeverdachte 2] (het hof begrijpt hier en hierna: [medeverdachte 2] ) had deze [slachtoffer] (het hof begrijpt hier en hierna: [slachtoffer] ) gestolen en hij zou bepaalde deals in gevaar hebben gebracht. Hij zou laptops hebben gestolen. Dat heb ik in eerste instantie gehoord van [medeverdachte 4] (het hof begrijpt hier en hierna: [medeverdachte 4] ) en later ook van [medeverdachte 2] en [verdachte] .

Zij wilden dat [slachtoffer] werd omgelegd. Er was het probleem [slachtoffer] . Het initiatief kwam bij hun drieën vandaan. Het gesprek waarin dit werd besloten had al plaatsgevonden en later is dit nogmaals besproken waarbij dit vervolgens is opgenomen. Het idee van het opnemen kwam bij [medeverdachte 4] vandaan.

Bij het eerste gesprek was ik ook aanwezig want ik zou zogenaamd de schutter zijn.

Dat tweede gesprek is opgenomen waarbij ik de apparatuur bij mij droeg in mijn buideltasje.

En:

((…) 10e verhoor van [medeverdachte 3] op 23 februari 2012, (…)):

We waren met z’n vieren, [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en ik. Zij waren in de tuin van het Hiltonhotel in Amsterdam in een zakelijk gesprek.

Voorts blijkt uit de verklaringen van [medeverdachte 3] dat vaker werd gesproken over [slachtoffer] ( 10e verhoor van [medeverdachte 3] op 23 februari 2012):

[medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [verdachte] hadden regelmatig gesprekken met elkaar over de problemen met [slachtoffer] . Van [medeverdachte 4] begreep ik dat ze dus [slachtoffer] uit de weg wilden laten ruimen. Met ‘ze ’ bedoel ik dus alle drie.

Hij had gestolen en deals in gevaar gebracht. Het ging om goud en zo, maar dat was niet helemaal legaal. Dus als hij ontslagen zou worden dan zou hij de boel kunnen verraden.

Het gesprek dat op 24 juni 2010 in Nijkerk door de verdachte, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] is gevoerd, is door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] opgenomen en het dossier bevat een letterlijke weergave van dat gesprek (…) Uit de weergave van dat gesprek leidt het hof af dat de verdachte - met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] - van mening was dat [slachtoffer] zou moeten worden omgebracht. De stelling van de verdachte dat hij tijdens het voeren van dit gesprek bang was, en slechts meepraatte met de anderen, wordt niet ondersteund door de tekst van het gesprek, en ook na het beluisteren van de opname komt het hof niet tot die conclusie. Zoals ook door [medeverdachte 3] is verklaard ( 10e verhoor van [medeverdachte 3] : Er was een lacherige sfeer, ontspannen), blijkt uit de opname dat sprake was van een ontspannen sfeer en geenszins van intimidatie of dwang. Dat tijdens dit gesprek met name door [medeverdachte 4] met enige aandrang is gesproken over de wenselijkheid dat [slachtoffer] om het leven zal worden gebracht, maakt dat niet anders.

Voorts leidt het hof uit de inhoud van het gesprek af dat het onderwerp, het vermoorden van [slachtoffer] , tijdens dit gesprek niet voor het eerst naar voren werd gebracht. Het is duidelijk dat geen van de gespreksdeelnemers enige verbazing heeft geuit over de vaststelling dat [slachtoffer] om het leven moet worden gebracht. Het hof stelt vast dat ook de verdachte van mening was dat [slachtoffer] dood moest en dat hij actief mee heeft gedaan bij het maken van plannen over hoe en waar een aanslag op [slachtoffer] zou moeten worden uitgevoerd. Zo zegt de verdachte in dit gesprek (…) nadat [medeverdachte 4] heeft opgemerkt ‘Maar ik had gehoopt dat zij (het hof begrijpt: [betrokkene 5], de ex-vrouw van [slachtoffer] ) misschien de sleutel zou zijn om [slachtoffer] ergens heen te lokken. Maar ik begrijp dat dat niet tot een van de opties behoort’:

Nee, maar goed. Zij wilde niets met [slachtoffer] te maken hebben. En ik kan niet zeggen, hey bel [slachtoffer] maar even op want ehh, en dan gebeurt er wat.

Ook zegt de verdachte (…): Sowieso, ik heb er geen probleem mee als hij uhhh....iets overkomt. Uhm. Niemand zit te wachten op hem. Hij heeft niemand, echt niemand! Dus ik denk, ik denk dat we hem een plezier doen als hij er morgen niet meer is. Dat is mijn gevoel.

Over de betekenis van deze uitlatingen is de verdachte bij de politie bevraagd, waarop hij heeft verklaard (… 3e verhoor van [verdachte] ): Hij heeft mij en mijn bedrijf veel schade toegebracht maar ook zijn vrouw en zijn gezin. Zijn oudste dochter wilde hem ook niet meer zien. Ik hoorde van [betrokkene 5] ook dat [slachtoffer] constant huilde. U moet het zien dat je een zieke en zwakke hond uit zijn lijden moet verlossen.

Ter terechtzitting in eerste aanleg is de verdachte gevraagd wat hij in het gesprek van 24 juni 2010 bedoelde met de opmerking: "Ja, nou de belangrijkste... sowieso. Ik vind dat het moet gebeuren dat sowieso... alleen de tijd. Jij zegt van, het moet nu gebeuren” (…) waarop de verdachte heeft geantwoord: Wat ik er mee bedoelde? Waar ze het de hele tijd over hadden, over het plegen van een moord.” (..).

Voorts heeft de verdachte verklaard (7e verhoor op 5 januari 2012):

Als die insinuaties en verdachtmakingen door [medeverdachte 4] niet waren gebeurd had ik er heel anders in gestaan. Ik had dan niet ingestemd met de opdracht om [slachtoffer] uit de weg te ruimen. Dat komt door deze twee maanden waarover ik het zojuist heb. [medeverdachte 4] is berekenend geweest en heeft mij zodanig angstig gemaakt dat ik uiteindelijk heb ingestemd met de aanslag op [slachtoffer] , ondanks mijn afkeer.

Het hof stelt vast dat de verdachte aldus opzet had op de dood van [slachtoffer] én betrokken was bij het plannen van die dood. Dit maakt echter nog niet dat geconcludeerd kan worden dat de verdachte de uitlokking van de poging tot moord heeft medegepleegd. Voor een bewezenverklaring van medeplegen van uitlokking tot de poging tot moord op [slachtoffer] , kan eerst sprake zijn indien kan worden vastgesteld dat de verdachte in een nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] deze uitlokking heeft begaan. Bij de beoordeling op dit punt is niet doorslaggevend dat het uiteindelijk niet [medeverdachte 3] is geweest die de poging tot moord heeft begaan, omdat bij uitlokking de uitlokking van het feit centraal staat, en niet de persoon van de uitgelokte. Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting volgt niet dat de verdachte ten aanzien van deze uitlokking nauw en bewust met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] heeft samengewerkt. Het hof zal de verdachte dan ook van het medeplegen van de uitlokking van de poging tot moord (het onder 1 primair tenlastegelegde) vrijspreken.

Voorts is het hof van oordeel dat de rol die de verdachte heeft gespeeld bij de poging tot moord op [slachtoffer] niet kan worden aangemerkt als het medeplegen van die poging, nu de bijdrage van de verdachte, die de poging niet - mede - heeft uitgevoerd, daartoe niet van voldoende gewicht is. Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken van het medeplegen van de poging tot moord (het onder 1 subsidiair tenlastegelegde).

Wel acht het hof bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meer subsidiair tenlastegelegde, het (tezamen met [medeverdachte 2] ) medeplegen van medeplichtigheid aan deze uitlokking, door [medeverdachte 4] met het oog op de te ondernemen moordaanslag op [slachtoffer] te voorzien van informatie over [slachtoffer] . Het hof stelt daartoe het volgende vast.

De verdachte heeft over het door hem verstrekken van informatie over [slachtoffer] bij de politie verklaard (… 5e verhoor van de verdachte):

Dat er een dreiging richting [slachtoffer] bestond wist ik toen we uit Rome terugkwamen. Eigenlijk twee weken daarna. Toen we terug kwamen zei [medeverdachte 4] dat hij ging uitzoeken wat er mis was gegaan. Twee weken later had hij uitgevonden dat [slachtoffer] de zaak had verraden. Ik heb er nooit bewijzen van gezien. [medeverdachte 4] maar ook [medeverdachte 2] vertelde dat ze de gespreksverslagen hadden gezien en gelezen. Toen wist ik dat [slachtoffer] een probleem zou krijgen met [medeverdachte 4] . Vanaf dat moment kreeg ik dat mailtje over het kenteken van [slachtoffer] . Telefonisch heeft [medeverdachte 2] nog gevraagd om zijn woonadres en telefoonnummer. [medeverdachte 2] heeft nadat hij bij [medeverdachte 4] was geweest tegen mij door de telefoon gezegd: “ [verdachte] , het is nog erger dan we dachten. Het is nog veel dichter bij. ” [medeverdachte 2] ging met de info die ik hem gaf naar [medeverdachte 4] , denk ik.

En:

(… 7e verhoor van de verdachte):

Op de opmerking van de verbalisanten dat de verdachte al in een eerder verhoor heeft aangegeven dat de beslissing voor de aanslag op [slachtoffer] al was genomen vóór 24 juni 2010 zegt de verdachte:

[medeverdachte 2] had me verteld na onze terugkomst uit Rome, dat [slachtoffer] de boel had verraden. Twee weken later vroeg [medeverdachte 2] mij om de gegevens van [slachtoffer] , telefoonnummer, kenteken auto en waar hij woont. Via de mail heb ik dat ook gegeven.

Uit de verklaring van [medeverdachte 2] blijkt dat hij inderdaad informatie over [slachtoffer] aan [medeverdachte 4] heeft verstrekt (… 2e verhoor van [medeverdachte 2] ):

[slachtoffer] moest volgens [medeverdachte 4] dood omdat hij naar de politie zou zijn geweest en daar een belastend verhaal zou hebben opgehangen. U houdt mij voor dat [slachtoffer] dat niet heeft gedaan. Mijn god, hoe hebben [verdachte] en ik daar in kunnen trappen. Ongelooflijk.

[medeverdachte 4] heeft mij nog maanden gevraagd om informatie over [slachtoffer] . Ik ken alleen zijn adresgegevens en zijn geboortedatum. Die kende ik van de ontslagprocedure. Dat zal allemaal gespeeld hebben sinds juli 2010. Ik heb [medeverdachte 4] geen informatie verstrekt die hij nog niet kende. De adresgegevens van [slachtoffer] had [medeverdachte 4] volgens mij al van [verdachte] gekregen.

Ook [medeverdachte 3] heeft verklaard over het verstrekken van informatie door de verdachte of [medeverdachte 2] :

(… 8e verhoor van [medeverdachte 3] ):

[medeverdachte 4] had van [verdachte] of [medeverdachte 2] foto ’s en adressen gekregen van [slachtoffer] .

Voorts blijkt uit de verklaringen van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg dat de verdachte informatie over het beoogde slachtoffer [slachtoffer] - waaronder diens adres en telefoonnummer - heeft doorgegeven aan [medeverdachte 2] . Ook heeft de verdachte informatie over het kenteken van de auto van [slachtoffer] doorgegeven aan [medeverdachte 2] . De verdachte heeft hierover ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard (…):

Dit alles heeft een voorgeschiedenis. We waren naar Rome geweest en de gouddeal ging niet door. Twee weken daarna kreeg ik van [medeverdachte 2] het verzoek om het kenteken van [slachtoffer] door te geven en dat heb ik gedaan, zoek het maar uit, dan hoor ik het wel. Hij wilde iets uitzoeken, of [slachtoffer] verantwoordelijk was voor het niet doorgaan van de gouddeal.

(...)

Het geven van het kenteken was een paar weken na Rome. Twee of drie weken na het geven van het kenteken, hadden we een gesprek in het Hilton, ik werd gevraagd door [medeverdachte 2] . Daarbij waren ook [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] .

(…)

Daarna kwam het verzoek van [medeverdachte 2] om [slachtoffer] ergens naar toe te lokken, ze vertelden niet wat ze wilden doen. Ik denk dat dit twee weken na het gesprek was.

(…)

Dit alles heeft voor het gesprek in Nijkerk plaatsgevonden.

(...)

Ik wist niet wat ze gingen doen, en ik vroeg daar ook niet naar

(...)

De jongste rechter deelt mee in het dossier te hebben gelezen dat verdachte na Rome wist dat ze [slachtoffer] iets wilden aandoen.

Ja, dat wilden ze en daar hadden ze blijkbaar mijn goedkeuring voor nodig.

Ik heb de papieren gezien die in de woning van [medeverdachte 4] zijn aangetroffen, onder andere met de gegevens van [slachtoffer] , (…). Ik heb geen idee hoe de gegevens daar terecht zijn gekomen. Ik heb een mailtje voor mij waarin [medeverdachte 2] vraagt of ik snel het merk, type en kenteken kan doorgeven waarin [slachtoffer] rijdt: Dat mailtje is van 14 juni 2010 en daar heb ik waarschijnlijk later op geantwoord, niet dezelfde dag.

Ik kan me niet herinneren dat ik gezegd zou hebben dat [medeverdachte 2] telefonisch heeft gevraagd naar zijn woonadres en telefoonnummer (…). Maar als dat zo is, dan is het zo. Het zou goed kunnen dat ik gegevens heb doorgegeven.

Hij ( [medeverdachte 2] ) vraagt om een kenteken, en dat heb ik hem gemaild.

Bij een doorzoeking in de woning van [medeverdachte 4] op 7 juli 2011 zijn de volgende schriftelijke stukken (…) aangetroffen. Het betreft hier vier pagina’s met gegevens omtrent e-mailadressen van [slachtoffer] , waarbij op één pagina ook een IP-adres is omcirkeld, en daarnaast een pagina met persoonlijke gegevens over [slachtoffer] en zijn gezin. Op de e-mailpagina’s komt het e mailadres van [medeverdachte 2] voor.

Daarnaast is bij deze doorzoeking een schriftelijk stuk aangetroffen, houdende persoonlijke gegevens omtrent [slachtoffer] (…). Het stuk vermeldt onder meer de naam en voornaam van [slachtoffer] , diens geboortedatum, adres, [a-straat 1] te Gouda, diverse telefoonnummers van [slachtoffer] , merk en kleur en andere kenmerken van diens auto. [medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg erkend dat dit document door hem is opgemaakt. [medeverdachte 2] heeft daarbij verklaard dat hij dit document heeft opgemaakt op basis van informatie van de verdachte: Ik heb informatie van [verdachte] gekregen over het gezin van [slachtoffer] om daar een verslag van te maken (…).

Het hof leidt uit de verklaringen van de verdachte af dat hij informatie over [slachtoffer] heeft verstrekt aan [medeverdachte 2] , informatie waarvan hij wist dat deze aan [medeverdachte 4] zou worden verstrekt.

Zo heeft de verdachte ter gelegenheid van de zitting in eerste aanleg op 19 maart 2012 verklaard: Na Rome heb ik het kenteken van [slachtoffer] gemaild aan [medeverdachte 2] . Zij hadden dat nodig om hem in de gaten te houden.

En hij verklaart ter gelegenheid van de zitting in hoger beroep op 18 juni 2015: Ongeveer één week nadat we terug waren uit Rome vroeg [medeverdachte 2] mij per e mail om het kenteken van [slachtoffer] . Dat heb ik volgens mij doorgegeven. Er was een onderzoek gaande. [medeverdachte 4] voerde dat uit. Ik ging ervan uit dat het kenteken naar [medeverdachte 4] moest.

Gelet op de door de verdachte uiteengezette tijdlijn, concludeert het hof tevens dat de informatie door de verdachte en (vervolgens) door [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 4] is verstrekt, op een tijdstip dat het de verdachte bekend was dat [slachtoffer] verantwoordelijk werd gehouden voor de - veronderstelde - mislukking van een - door de verdachte voor werkelijk gehouden - goudtransactie. Ook was de verdachte toen bekend dat [slachtoffer] met [medeverdachte 4] ‘een probleem zou krijgen’ en, in ieder geval na het gesprek bij het Hilton, dat het plan bestond om hem van het leven te beroven.

Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat de verdachte bij de verstrekking van persoonsgegevens van [slachtoffer] aan [medeverdachte 2] c.q. [medeverdachte 4] , wist dat deze voor de voorgenomen liquidatie van [slachtoffer] van belang zouden zijn en daartoe dienden.

De door de raadsman bij pleidooi betrokken stelling dat de verdachte niet wist waarvoor [medeverdachte 2] die informatie nodig had, is in strijd met voormelde verklaringen van de verdachte.

Door het verschaffen van de informatie over [slachtoffer] (onder andere zijn naam en zijn adres) aan [medeverdachte 4] werd het uitlokken van de poging tot moord bevorderd en gemakkelijk gemaakt.

De vorenstaande feiten en omstandigheden brengen het hof tot de slotsom dat de verdachte, samen met [medeverdachte 2] , medeplichtig is aan de uitlokking (door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] ) van de poging tot moord op [slachtoffer] .

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze in hierboven zijn opgenomen, en na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden vermeld in de op te maken aanvulling op dit arrest.”

13. Voor medeplichtigheid is inderdaad vereist dat de medeplichtige, zoals de toelichting op het middel het formuleert, opzet heeft op het misdrijf ten aanzien waarvan hulp wordt verleend. Dat kan worden afgeleid uit de formulering van art. 48 Sr:

“Als medeplichtigen van een misdrijf worden gestraft:

1ᵒ (…)

2ᵒ zij die opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van het misdrijf.”

Daarmee is nog niet gezegd wat die opzeteis precies inhoudt. Knigge heeft verdedigd dat bij de vraag ‘naar het vereiste opzet van de deelnemer (…) heeft te gelden dat de deelnemer opzet moet hebben op de bestanddelen van een strafbaar feit. Dat strafbare feit behoeft dus niet het gepleegde feit te zijn’.4 De begrenzing van de aansprakelijkheid van de deelnemer zit in zijn benadering vooral in de ‘vraag naar de accessoriteit: is het strafbare feit gevolgd? Daarbij gaat het om de vraag of het feit dat is gepleegd, wezenlijk anders is dan het feit waarop de deelnemer opzet had.’ Steun voor deze benadering ziet Knigge in HR 2 maart 1982, ECLI:NL:HR:1982:AB7914, NJ 1982/492 en HR 21 december 1914 (NJ 1915, p.376 (‘Hope’)). In beide gevallen had de uitgelokte het feit samen met een ander begaan zonder dat bleek dat de uitlokker op dat medeplegen opzet had; in beide gevallen kan uit de overwegingen van de Hoge Raad worden afgeleid dat dit niet aan aansprakelijkheid in de weg stond. Ook De Hullu ziet mogelijk ruimte om het opzetvereiste in de context van samengestelde deelneming niet op alle aspecten van het feit waaraan is deelgenomen te betrekken. Hij schrijft, in de context van de samengestelde deelneming: ”Het verband met het strafbare grondfeit krijgt vooral inhoud door het opzetvereiste. Elke deelnemer -dus ook de samengestelde deelnemer- moet immers opzet op in ieder geval de belangrijkste aspecten van het strafbare grondfeit hebben.”. Hij wijst er echter op dat hier ook met voorwaardelijk opzet ‘wel een ruim bereik (kan) worden verkregen’.5 Daarbij sluiten Knigge en Wolswijk weer in zoverre aan dat men volgens hen ‘bewijsrechtelijk’ met voorwaardelijk opzet soms toch een heel eind kan komen.6 De Jong, ten slotte, hanteert wel als vertrekpunt dat ‘per individuele deelnemer telkens het opzet op het verdere verloop van de gang van zaken die tot het gronddelict leidt, moet worden bewezen’.7 Maar De Jong signaleert onder verwijzing naar het genoemde NJ 1982/492 tevens dat de Hoge Raad voor uitlokking van medeplegen heeft “aanvaard dat het opzet tot de uitlokking er niet op gericht behoeft te zijn dat het feit tezamen en in vereniging zou worden gepleegd”.

14. Van belang is aldus in ieder geval of het opzet van de verdachte in de onderhavige casus de (poging tot) moord omvat. Aanwijzingen dat de verdachte opzet had op een aanslag op [slachtoffer] kunnen onder meer worden ontleend aan het zesde bewijsmiddel en de bewijsoverwegingen. In de verklaring van [medeverdachte 4] , die als zesde bewijsmiddel is opgenomen, verklaart hij over het gesprek in het Hilton waaraan hij, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en verdachte deelnamen. In dat gesprek gaven verdachte en [medeverdachte 2] volgens hem aan dat [slachtoffer] “er de oorzaak van was dat de gouddeal niet door was gegaan”. En hij vertelt dat na dat gesprek bij [medeverdachte 3] en hem het idee opkwam nog een gesprek over “deze moordaanslag” uit te voeren. Dat geeft aan wat in het Hilton het gespreksonderwerp was. In de bewijsoverwegingen is bovendien een passage uit een verklaring van [medeverdachte 3] over het gesprek in het Hilton opgenomen (met verwijzing naar de vindplaats), waarin [medeverdachte 3] verklaart dat zij (waaronder verdachte) “wilden dat [slachtoffer] werd omgelegd”. Al met al kon het hof uit deze redengevende feiten en omstandigheden, naar het mij voorkomt, afleiden dat de verdachte reeds ten tijde van het gesprek in het Hilton opzet had op de (poging tot) moord op [slachtoffer] . Het belang van dat tijdstip komt aan de orde bij het vierde middel.

15. Wat het opzet op het uitlokken van de poging tot moord betreft, ligt de zaak minder eenvoudig. Uit de bewijsoverwegingen zijn aanwijzingen te halen dat de wijze waarop en de persoon door wie de moordaanslag werd uitgevoerd voor de verdachte niet van groot belang was. Zo citeert het hof een verklaring van de verdachte waarin hij aangeeft dat hij heeft “ingestemd met de opdracht om [slachtoffer] uit de weg te ruimen”. Dat is een formulering die ruimte bij de uitvoering laat. Dat verdachte die ruimte aan [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] wilde laten, kan ook worden afgeleid uit de bewijsoverwegingen van het hof waarin wordt geciteerd wat verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard: “Ik wist niet wat ze gingen doen, en ik vroeg daar ook niet naar. (…) De jongste rechter deelt mee in het dossier te hebben gelezen dat verdachte na Rome wist dat ze [slachtoffer] iets wilden aandoen. Ja, dat wilden ze en daar hadden ze blijkbaar mijn goedkeuring voor nodig.”

16. Tegelijk aarzel ik evenwel of kan worden vastgesteld dat het hof op basis van deze verklaringen heeft aangenomen dat de verdachte als medeplichtige voorwaardelijk opzet op het uitlokken van de (poging tot) moord had. Want het hof heeft in de context van de vrijspraak van het medeplegen van de ‘uitlokking van poging tot moord’ met zoveel woorden overwogen: “Bij de beoordeling op dit punt is niet doorslaggevend dat het uiteindelijk niet [medeverdachte 3] is geweest die de poging tot moord heeft begaan, omdat bij uitlokking de uitlokking van het feit centraal staat, en niet de persoon van de uitgelokte.”8 In deze overweging klinkt door dat het hof het bij het onder 1 primair ten laste gelegde “medeplegen van uitlokking” niet van belang heeft gevonden wie de poging tot moord uiteindelijk heeft begaan. Dat laat zich niet heel gemakkelijk verenigen met een in te lezen (kennelijk of klaarblijkelijk) oordeel van het hof dat bij de onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid de persoon die de poging tot moord uitvoerde wel van belang is, maar (de mogelijkheid van) het inschakelen van [betrokkene 1] voor de uitvoering van de aanslag in het opzet van verdachte besloten lag.

17. Daarmee zou de weg die werd gevolgd in HR 31 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC9797, NJ 1988/633 hier niet goed begaanbaar zijn. In dat arrest lag een tot op zekere hoogte vergelijkbare casus voor. De verdachte werd veroordeeld wegens het uitlokken van het uitlokken van de moord op een Turkse winkelier, gepleegd door K. De complicatie was dat de verdachte een zekere A. had benaderd om de moord uit te voeren. Deze A. had vervolgens K. benaderd om de moord samen met hem uit te voeren. Op de ochtend van de dag waarop zij het plan wilden uitvoeren ging K. naar de woning van A., maar trof daar niemand aan omdat A. die ochtend door de parketpolitie was aangehouden voor enkele openstaande geldboetes. K. besloot toen het plan zelf uit te voeren. De Hoge Raad liet de veroordeling in stand en overwoog daarbij:

Het hof heeft het verzoek aan A. kennelijk verstaan — en gelet op het vorenweergegevene ook kunnen verstaan — in die zin, dat dit ertoe strekte A. te vragen zorg te dragen voor het doodschieten van de Turkse winkelier. Gelet hierop en op de omstandigheid dat de verdachte daarbij A. een beloning in het vooruitzicht gesteld heeft en informatie over de te doden man verstrekt heeft, is het hof klaarblijkelijk tot het oordeel gekomen dat de verdachte aldus handelende A. opzettelijk heeft bewogen tot het plegen, medeplegen of uitlokken van moord. Tot dit oordeel is het hof ook kunnen komen, in aanmerking genomen de omstandigheid dat de verdachte de avond voor de moord in aanwezigheid van K. het pistool aan A. heeft gegeven en de werking daarvan heeft uitgelegd en de omstandigheid dat hij samen met een ander op de avond na de moord in aanwezigheid van A., diens broer en K. vertelde dat hun plan gelukt was.”

De feiten zouden in casu misschien nog wel de redenering toelaten dat de verdachte, die een opdracht verstrekt en vervolgens (bewust) niet informeert naar de uitvoering, (voorwaardelijk) opzet had op de mogelijkheid dat voor die uitvoering een ander werd ingeschakeld. Maar het hof heeft in de onderhavige zaak niet een overweging van dien aard geformuleerd. En de hiervoor geciteerde overweging die het hof aan de vrijspraak van het primair ten laste gelegde heeft gewijd, maakt dat het niet vanzelf spreekt dat het hof (kennelijk) heeft geoordeeld dat de verdachte opzet had op het door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] uitlokken van (poging tot) moord.

18. Latere rechtspraak betreffende medeplichtigheid biedt evenwel goede handvatten om de opzeteis van de deelnemer zo in te vullen dat opzet op de (poging tot) moord in de onderhavige zaak volstaat. In HR 4 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0780, NJ 2008/156 had het hof de verdachte vrijgesproken van (onder meer) medeplichtigheid aan poging tot moord/doodslag dan wel zware mishandeling met voorbedachte raad. Ten laste was gelegd dat de poging had bestaan in het afvuren van schoten. De Hoge Raad overwoog dat

“het hof voor de vrijspraak van -kort gezegd- de medeplichtigheid in de eerste plaats van belang (heeft) geacht dat niet kon worden bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op de manier waarop het misdrijf zou worden uitgevoerd, in dit geval door het gebruik van een vuurwapen. Daarmee heeft het een eis gesteld die geen steun vindt in het recht. Voor de bewezenverklaring van opzettelijke medeplichtigheid aan een misdrijf is onder meer vereist dat bewezen wordt dat verdachtes opzet al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op dat misdrijf. Dat opzet omvat echter niet de precieze wijze waarop het misdrijf wordt begaan. Dat wordt niet anders nu in de tenlastelegging bij de omschrijving van het door de daders voorgenomen misdrijf alleen het schieten als handeling ter uitvoering van het voornemen is genoemd.”

Daarbij zou mogelijk kunnen aansluiten dat reeds van ‘medeplichtigheid aan uitlokking van poging tot moord’ kan worden gesproken als is vastgesteld dat het opzet de poging tot moord omvat. Dat iemand wordt ingeschakeld om de aanslag uit te voeren kan wellicht tot de ‘precieze wijze waarop het misdrijf wordt begaan’ worden gerekend waar het opzet niet op gericht behoeft te zijn. Wolswijk merkt in relatie tot dit arrest overigens terecht op dat ‘de vraag in hoeverre het opzet gericht moet zijn op de wijze van vervulling van de verschillende bestanddelen (de kwestie van globaal opzet) (..) een andere (is) dan de vraag op welke bestanddelen het opzet van de medeplichtige gericht moet zijn’.9 Zo bezien zou het wel een stap vergen om het via een ander uitvoeren van het misdrijf tot de ‘precieze wijze waarop het wordt begaan’ te rekenen.

19. Aanknopingspunten kunnen ook worden gevonden in HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4471, NJ 2011/342 m.nt. Schalken. In dat arrest heeft de Hoge Raad een kader geformuleerd voor de toepassing van art. 49 lid 4 Sr. Uit dat kader volgt dat “bij de bewezenverklaring en kwalificatie moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan”. Bij die handelingen van de dader gaat het “in het bijzonder om het desbetreffende gronddelict, met inbegrip van de bestanddelen daarvan”. In het geval waarin het opzet van de medeplichtige niet (volledig) was gericht op het gronddelict, moet “het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige wel was gericht, voldoende verband (..) houden met het gronddelict”. Volgens de Hoge Raad zal doorgaans kunnen worden aangenomen dat dit verband bestaat “indien het misdrijf waarop het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige was gericht, een onderdeel vormt van het gronddelict”. In gevallen waarin samengestelde deelneming ten laste is gelegd, zou het delict waar de deelneming (uiteindelijk) op gericht is als gronddelict kunnen worden gezien. In de andere benadering kan dat delict worden gezien als een onderdeel van het gronddelict, opgevat als de deelnemingsvorm waar de verdachte medeplichtig aan is. Deze laatste benadering heeft mijn voorkeur. Beide benaderingen leiden voor de onderhavige casus tot hetzelfde resultaat: opzet op de poging tot moord volstaat. Daarmee is de bewezenverklaring (op de hiervoor onder 14 uiteengezette gronden) toereikend gemotiveerd.

20. Het tweede middel faalt.

21. Het derde middel klaagt dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat het bewezenverklaarde verschaffen van inlichtingen tot het medeplegen van de uitlokking door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] heeft geleid.

22. Voor uitlokking is, zo stelt de toelichting, vereist dat de uitgelokte, in dit geval [betrokkene 1] , door de uitlokker(s), in dit geval [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] , is aangezet tot het plegen van het gronddelict. Bij dat aanzetten moet het uitlokkingsmiddel de doorslag geven. Het doorslaggevende uitlokkingsmiddel is — aldus de toelichting — volgens de bewijsvoering van het hof de belofte van [medeverdachte 4] aan [betrokkene 1] om hem van de gebroeders [betrokkene 3 en 4] te redden. De naam en het adres van [slachtoffer] zijn pas later aan [betrokkene 1] meegedeeld. Nu [betrokkene 1] zich reeds eerder bereid heeft verklaard om [slachtoffer] om het leven te brengen, hebben de inlichtingen die de verdachte zou hebben verschaft geen bijdrage geleverd aan de uitlokking. Voor de bewezenverklaarde medeplichtigheid is immers vereist, aldus nog steeds de toelichting, dat de uitvoering van het misdrijf, in dit geval de uitlokking van de poging moord en niet de poging moord zelf, is bevorderd of gemakkelijk gemaakt.

23. Uit de bewezenverklaring, die in het voorgaande reeds is weergegeven, volgt dat het hof bewezen heeft verklaard dat [betrokkene 1] in de periode van 1 juni 2010 tot en met 21 juli 2010 door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] is uitgelokt tot de poging tot moord. Daarbij is bewezenverklaard dat het uitlokken heeft plaatsgevonden “door een belofte en door het verschaffen van middelen en inlichtingen”. Dat is vervolgens feitelijk uitgewerkt in een aantal specifieke gedragingen. Bewezen verklaard is onder meer dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] “adresgegevens en de naam van [slachtoffer] ter beschikking (hebben) gesteld” en “de woning van [slachtoffer] aan die [betrokkene 1] (hebben) getoond”. Uit bewijsmiddel 2 kan, zo geven ook de stellers van het middel aan, worden afgeleid dat inlichtingen over [slachtoffer] op 12 juli 2010 aan [betrokkene 1] zijn doorgegeven. [betrokkene 1] verklaart, kort gezegd, dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] hem op die dag hebben opgehaald en dat zij langs het huis in Gouda reden waar hij later op iemand zou moeten schieten. Uit bewijsmiddel 3 kan worden afgeleid, zo geven de stellers van het middel eveneens aan, dat de naam en het adres van [slachtoffer] op 21 juli 2010, de dag van de aanslag, op papier aan [betrokkene 1] ter beschikking zijn gesteld door [medeverdachte 4] . Al met al volgt uit de bewijsmiddelen dat de verstrekte inlichtingen door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] zijn benut om [betrokkene 1] uiteindelijk in staat te stellen de moordaanslag te plegen.

24. Dat is evenwel nog niet genoeg om het verschaffen van (deze) inlichtingen aan [betrokkene 1] als een uitlokkingsmiddel aan te merken. Als daders van een strafbaar feit worden ingevolge art. 47 Sr onder meer aangemerkt “zij die (..) door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen het feit opzettelijk uitlokken”. In die formulering ligt een causaliteitseis besloten. Krabbe stelt dat deze “causaliteitskwestie moet worden bekeken aan de hand van de gangbare causaliteitsopvattingen”.10 Het gaat er volgens hem om “of het gevolg – hier het strafbare feit— in redelijkheid kan worden toegerekend aan de invloed van de aangewende middelen, terwijl andere factoren niet een zodanig verstorende werking en eigen invloed hebben uitgeoefend op het tot stand komen van het strafbare feit, dat dit in redelijkheid niet meer aan de werking van de gebezigde uitlokkingsmiddelen kan worden toegerekend”. Ook De Hullu zou bij deze ‘intermenselijke veroorzaking’ met dit criterium willen werken, al tekent hij daarbij aan “dat de invulling van dit vage criterium steeds wordt bepaald door de rechtsvraag in kwestie”. Hij vestigt er daarbij nog de aandacht op dat door het ”uiteindelijke wilsbesluit, het ‘onvoorwaardelijk voornemen’ moet zijn uitgelokt” en signaleert dat het niet altijd veel moeite behoeft te kosten om de uitgelokte over te halen: een smokkelaar kan “worden uitgelokt tot een bepaalde smokkelaffaire”.11

25. Wat de onderhavige strafzaak betreft kan met de stellers van het middel worden vastgesteld dat [betrokkene 1] zich, volgens zijn als bewijsmiddel 2 opgenomen verklaring, al op 6 juli 2010 bereid verklaarde om een aanslag te plegen:

“ [medeverdachte 4] zou mij redden van de gebroeders [betrokkene 3] en [betrokkene 4] uit Cuijk maar verlangde wel een tegenprestatie. Toen ik [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] vroeg wat dit moest zijn, maakten zij mij duidelijk dat ik op iemand moest schieten. Hij heeft mij toen verteld dat ik iemand een paar keer in de borst moest schieten. Ik heb ja gezegd op de vraag van [medeverdachte 4] of ik op iemand wilde schieten.”

Dat betekent naar het mij voorkomt evenwel niet dat het hof de uitlokking van [betrokkene 1] niet redelijkerwijs (mede) heeft kunnen toerekenen aan gedragingen die nadien zijn gepleegd. De verklaring van [betrokkene 1] van 6 juli 2010 kan ook gezien worden als een initiële bereidverklaring die pas in de loop van de verdere voorbereiding geworden is tot het uiteindelijke wilsbesluit om de moord te plegen. Het hof lijkt daar van uit te zijn gegaan; in de bewezenverklaring ligt besloten dat het uiteindelijke wilsbesluit, het onvoorwaardelijk voornemen, pas tot stand is gekomen na het overhandigen van het vuurwapen en het krijgen van instructies over de wijze waarop de moord op [slachtoffer] diende te worden uitgevoerd. Mij komt het voor dat deze beslissing in het onderhavige geval, waarin de uitgelokte steeds onder de invloed van de uitlokkers is gebleven en er door een serie gedragingen toe gebracht is de aanslag uiteindelijk te plegen, niet onbegrijpelijk is. Van verstorende, buiten de invloedssfeer van de uitlokkers gelegen oorzaken die tot het plegen van het strafbare feit hebben geleid blijkt niet. Daarbij is het alternatief voor het als uitlokkingsmiddel aanmerken van deze gedragingen niet erg aantrekkelijk: de bijdragen die [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] na de initiële bereidverklaring van [betrokkene 1] aan de moordaanslag hebben geleverd zouden dan als medeplichtigheid moeten worden aangemerkt. Dat zou de tenlastelegging nog verder compliceren. Krabbe houdt de mogelijkheid open dat onder omstandigheden uitlokking kan worden gevolgd door medeplichtigheid,12 mij lijkt dat ook terecht, maar ik zou die benadering waarin de gedragingen over uitlokking en medeplichtigheid worden opgesplitst liever willen reserveren voor de situatie waarin de uitgelokte na zijn bereidverklaring de uitvoering zelf ter hand neemt en de uitlokkers daarbij nog slechts hand- en spandiensten verlenen.13

26. Het derde middel faalt.

27. Het vierde middel klaagt dat het bewezenverklaarde “opzettelijk inlichtingen verschaffen ten behoeve van de uitvoering van de moord” niet uit de bewijsmiddelen volgt, althans het oordeel van het hof dat verdachte ten tijde van het verschaffen van de inlichtingen wist dat deze dienden voor de voorgenomen moord ontoereikend is gemotiveerd.

28. De stellers van het middel leiden uit de bewijsoverwegingen af dat het hof van oordeel is dat de informatie door de verdachte en vervolgens door [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 4] is verstrekt op een tijdstip waarop hij wist dat [slachtoffer] ‘een probleem zou krijgen’. Dat is – aldus de toelichting – onvoldoende om het opzet op de (uitlokking van de) poging tot moord uit af te leiden. Het moment van het gesprek in het Hilton zou voor de vaststelling van dat opzet in de bewijsvoering van het hof cruciaal zijn. En uit de bewijsvoering van het hof zou niet (voldoende duidelijk) volgen dat dit gesprek plaatsvond voordat de verdachte de gegevens per e-mail verstrekte.

29. Het hof stelt in de bewijsoverwegingen eerst vast wanneer het gesprek in het Hilton heeft plaatsgevonden: “Uit het dossier komt naar voren, en de verdachte heeft dat ook verklaard (…) dat de reis naar Rome heeft plaatsgevonden rond Pinksteren 2010 (het hof begrijpt: rond 23 en 24 mei 2010). Gelet op de verklaringen van de verdachte hierover heeft dit gesprek bij het Hilton enkele weken na de reis naar Rome plaatsgevonden, derhalve in de eerste of tweede week van juni 2010.14 De toelichting op het middel wijst erop dat de definitie van ‘enkele’ volgens de Van Dale ‘weinig in getal’ is, zodat deze in tijd niet strikt gelimiteerd is. Mij komt het, anders dan de stellers van het middel, echter niet onbegrijpelijk voor dat het hof (mede) op basis van deze tijdsaanduiding heeft aangenomen dat het gesprek uiterlijk in de tweede week van juni 2010 heeft plaatsgevonden.

30. Op 24 juni 2010 vindt blijkens de bewijsoverwegingen van het hof vervolgens het gesprek in Nijkerk plaats waaraan verdachte, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] deelnemen en dat door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] wordt opgenomen.15 Dat dit gesprek na het gesprek in het Hilton plaatsvond, volgt uit de bewijsmiddelen. Zo geeft ook dit onderdeel van de bewijsoverwegingen enige steun aan de vaststellingen van het hof inzake de datum van het gesprek in het Hilton. Daar staat tegenover dat verderop in de bewijsoverwegingen — zo signaleert de toelichting op het middel terecht — enige onduidelijkheid wordt gecreëerd rond de vaststelling van de datum van het gesprek in het Hilton. Het hof citeert uit de verklaringen die de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd het volgende:

We waren naar Rome geweest en de gouddeal ging niet door. Twee weken daarna kreeg ik van [medeverdachte 2] het verzoek om het kenteken van [slachtoffer] door te geven en dat heb ik gedaan (..) Het geven van het kenteken was een paar weken na Rome. Twee of drie weken na het geven van het kenteken, hadden we een gesprek in het Hilton, ik werd gevraagd door [medeverdachte 2] . Daarbij waren ook [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] . (…) Daarna kwam het verzoek van [medeverdachte 2] om [slachtoffer] ergens naar toe te lokken, ze vertelden niet wat ze wilden doen. Ik denk dat dit twee weken na het gesprek was. (..) Dit alles heeft voor het gesprek in Nijkerk plaatsgevonden.”

Als deze tijdsintervallen bij elkaar worden opgeteld zou het gesprek in het Hilton vier of vijf weken na de reis naar Rome hebben plaatsgevonden, en zou twee weken daarna, maar voor het gesprek in Nijkerk, nog een ander verzoek aan verdachte zijn gedaan. Dat is evenwel niet verenigbaar met de datum van het gesprek in Nijkerk, waaromtrent geen onduidelijkheid bestaat. Mede tegen die achtergrond ligt het in de rede om aan te nemen dat het hof deze en andere passages uit de verklaring van de verdachte alleen heeft opgenomen in de bewijsoverwegingen omdat er uit volgt welke informatie de verdachte over het beoogde slachtoffer heeft doorgegeven aan [medeverdachte 2] . In die richting wijst ook de context waarin het hof deze passages plaatst. Zo gelezen werpen deze in de bewijsoverwegingen opgenomen passages geen schaduw over de vaststelling van de datum van het gesprek in het Hilton en maken zij de bewijsconstructie als geheel niet onbegrijpelijk.

31. Inzake het tijdstip waarop de verdachte bijdroeg aan het ‘tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] ’ opzettelijk inlichtingen verschaffen door de naam en adresgegevens van alsmede andere informatie over [slachtoffer] ter beschikking te stellen aan [medeverdachte 4] is eveneens het een en ander terug te vinden in de bewijsoverwegingen. Het hof leidt eerst, uit een passage in het vijfde verhoor van de verdachte, af dat verdachte twee weken na terugkomst uit Rome wist “dat [slachtoffer] een probleem zou krijgen met [medeverdachte 4] . Vanaf dat moment kreeg ik het mailtje over het kenteken van [slachtoffer] . Telefonisch heeft [medeverdachte 2] nog gevraagd om zijn woonadres en telefoonnummer.” Dat bevestigt de verdachte in het zevende verhoor: “[medeverdachte 2] had me verteld na onze terugkomst uit Rome, dat [slachtoffer] de boel had verraden. Twee weken later vroeg [medeverdachte 2] mij om de gegevens van [slachtoffer] , telefoonnummer, kenteken auto en waar hij woont. Via de mail heb ik dat ook gegeven.” Verderop in de bewijsoverwegingen citeert het hof uit de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd de volgende passage: ”Ik heb de papieren gezien die in de woning van [medeverdachte 4] zijn aangetroffen, onder andere met de gegevens van [slachtoffer] (..). Ik heb geen idee hoe de gegevens daar terecht zijn gekomen. Ik heb een mailtje voor mij waarin [medeverdachte 2] vraagt of ik snel het merk, type en kenteken kan doorgeven waarin [slachtoffer] rijdt. Dat mailtje is van 14 juni 2010 en daar heb ik waarschijnlijk later op geantwoord, niet dezelfde dag. (..) Ik kan me niet herinneren dat ik gezegd zou hebben dat [medeverdachte 2] telefonisch heeft gevraagd naar zijn woonadres en telefoonnummer (…). Maar als dat zo is, dan is het zo. Het zou goed kunnen dat ik gegevens heb doorgegeven.”

32. Verderop in de bewijsoverwegingen concludeert het hof dat de informatie door de verdachte en (vervolgens) door [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 4] is verstrekt op een tijdstip waarop het de verdachte bekend was ‘dat [slachtoffer] met [medeverdachte 4] ‘een probleem zou krijgen’ en, in ieder geval na het gesprek bij het Hilton, dat het plan bestond om hem van het leven te beroven’. Aan de stellers van het middel kan worden toegegeven dat deze bewoordingen, op zichzelf beschouwd, de mogelijkheid open lijken te laten dat de verdachte de inlichtingen over [slachtoffer] heeft verstrekt op een tijdstip waarop hij alleen nog wist dat deze ‘een probleem’ zou krijgen. In samenhang gelezen met de voorafgaande bewijsoverwegingen is het evenwel voldoende duidelijk dat het hof er op grond van de redengevende feiten en omstandigheden die daarin zijn weergegeven van uit gaat dat het gesprek in het Hilton plaatsvond voordat verdachte inlichtingen aan [medeverdachte 2] verstrekte. De tweede week van juni loopt op 14 juni 2010 (een maandag) af; op die dag kreeg verdachte een mailtje van [medeverdachte 2] , daarop heeft hij naar eigen zeggen waarschijnlijk pas later, niet dezelfde dag geantwoord. Het telefonische verzoek om woonadres en telefoonnummer is, zo kan ook uit de bewijsmiddelen worden afgeleid, in aanvulling daarop gedaan. Dat het hof de eigen bewijsconstructie zo heeft bedoeld kan worden afgeleid uit de zin: “Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat de verdachte bij de verstrekking van persoonsgegevens van [slachtoffer] aan [medeverdachte 2] c.q. [medeverdachte 4] , wist dat deze voor de voorgenomen liquidatie van [slachtoffer] van belang zouden zijn en daartoe dienden.

33. De toelichting op het middel klaagt er ook nog over dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte de naam van [slachtoffer] heeft verschaft. Naar het mij voorkomt kan dit worden afgeleid uit het schriftelijke stuk dat bij [medeverdachte 4] is aangetroffen waarop volgens de bewijsoverwegingen (onder meer) de naam en voornamen van [slachtoffer] zijn vermeld. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij dit document heeft opgemaakt op basis van informatie van de verdachte. Nu dit document ook informatie over het woonadres van [slachtoffer] bevat, heeft het hof naar het mij voorkomt kunnen aannemen dat deze informatie ook is verstrekt in het telefoongesprek waarin [medeverdachte 2] om het woonadres en telefoonnummer heeft gevraagd.

34. Het vierde middel faalt.

35. Het vijfde middel klaagt dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, inhoudend dat [betrokkene 1] in de ten laste gelegde periode niet meer uitgelokt kon worden omdat bij hem het plan waartoe uitgelokt zou zijn reeds bestond.

36. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 15, 16, 18, 22, 23, 25, 29 en 30 juni, 2, 6 en 7 juli en 4 augustus 2015 volgt dat de raadsman van verdachte het woord ter verdediging heeft gevoerd aan de hand van zijn pleitnotities, die door hem aan het hof zijn overgelegd en waarvan de inhoud als in het proces-verbaal ingevoegd geldt. Daarin is het volgende verwoord:

“Van uitlokking is sprake als iemand een ander heeft aangezet tot het begaan van een strafbaar feit waarvoor de uitgelokte zelf kan worden gestraft.

De voorwaarden van strafbaarheid zijn:

1. opzet van de uitlokker;

2. het aanzetten van een ander (de uitgelokte);

3. gebruik van één of meer uitlokkingsmiddelen;

4. het uitgelokte delict moet zijn gevolgd;

5. de uitgelokte moet deswege strafbaar zijn.

De uitlokking moet opzettelijk zijn geschied. Het opzet van de uitlokker dat in artikel 47Sr expliciet wordt genoemd moet zijn gericht op zowel het uitlokken van een ander als op de bestanddelen van het delict waartoe die ander is aangezet. Opzet op de gedraging van de uitgelokte zondermeer is niet voldoende; het moet zich uitstrekken tot alle bestanddelen van het betreffende delict.

Het aanzetten van een ander houdt in dat de uitlokker de ander op het idee brengt -doet besluiten- het delict te begaan.

Wanneer bij de ander het plan reeds bestond voordat de uitlokker in actie kwam, kan van strafbare uitlokking geen sprake zijn (HR 8 maart 1920, NJ1920, P458; HR 25 januari 1944, NJ1944/362)

Evident is dat [betrokkene 1] door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] is uitgelokt tot het ondernemen van een poging om het slachtoffer van het leven te beroven. Anders dan het OM stelt was dit reeds in mei 2010.

[betrokkene 1] heeft verklaard dat de “Gouda zaak begint in mei 2010”. Hij werd gebeld door [medeverdachte 4] met wie hij een afspraak maakte voor 17 mei 2010. [medeverdachte 4] zou hem hebben gezegd “ik ga je wat vragen en er is slechts één antwoord mogelijk”. [medeverdachte 4] vroeg hem ergens een handgranaat naar binnen te gooien en ergens anders moest een magazijn worden leeggeschoten.

Anders dan [betrokkene 1] als getuige ter zitting van 6 maart 2013 heeft verklaard, heeft het verzoek om een magazijn leeg te schieten welk verzoek in mei 2010 aan [betrokkene 1] is gedaan, betrekking op de “Gouda zaak”. Buiten de “Gouda zaak” was in deze periode geen andere zaak waarin iemand (anders) moest worden neergeschoten. Het neerschieten en het naar binnen gooien van een handgranaat in een kantoorpand hingen volgens de verklaring van [betrokkene 1] duidelijk met elkaar samen. De gemeenschappelijke factor van deze zaak ligt voor de hand, te weten: de mislukte gouddeal waarin [slachtoffer] en [medeverdachte 2] een belangrijke rol hebben gespeeld. [betrokkene 1] zou voor beide acties één vergoeding krijgen.

Het leegschieten van het magazijn, zoals in mei besproken met [betrokkene 1] , komt overeen met de verklaring van [betrokkene 1] op 2 november 2011 te 10.30 uur (…) waarin hij zegt dat [medeverdachte 4] hem in juli 2010 vertelde dat de persoon in Gouda die hij moest neerschieten nu ook dood moest.

Dat het leegschieten van het magazijn betrekking heeft op de Gouda zaak, de aanslag op [slachtoffer] betreft volgt uit het feit dat [betrokkene 1] ter terechtzitting van uw Hof op 25 juni jl. een omschrijving heeft gegeven van het pand waar hij “het magazijn moest leegschieten”. Deze komt volstrekt overeen met het kantoorpand te Gouda waar [A] was gevestigd. Te weten:

- een kantoorgebouw met een fiks aantal verdiepingen;

- met spiegelend / getint glas;

- met een ruime hal;

- met slagbomen;

- met in de directe omgeving van dit gebouw een garage en een benzinepomp.

Ook de door [betrokkene 1] beschreven ligging van het pand waar hij het magazijn moest leegschieten, te weten vlakbij de snelweg waar ook andere grote kantoorpanden staan, komt overeen met de ligging van het pand waarin [A] was gehuisvest.

In deze periode (vanaf april/mei 2010, tot het moment dat [slachtoffer] waarop werd ontslagen, werkte [slachtoffer] niet alleen op het kantoor van [A] te Gouda doch sliep er ook. Hieruit volgt dat het oorspronkelijke plan was om de aanslag op [slachtoffer] te plegen tijdens zijn verblijf in het gebouw van [A] te Gouda. Zijn huwelijk was toen net gestrand. Dit heeft [verdachte] ook tegen de Politie verklaard. Deze situatie komt overeen met de CIE- informatie van 1 september 2010.

Hieruit volgt dat toen op 24 juni 2010 de bespreking was waarin werd gesproken over de aanslag op [slachtoffer] de beslissing om [slachtoffer] om het leven te brengen al genomen was en dat de opdracht daartoe al in mei 2010 was gegeven aan [betrokkene 1] (mei 2010).

Nu hier sprake is van de situatie dat bij de uitgelokte, te weten [betrokkene 1] , het plan reeds bestond voordat de uitlokkingsactie kwam, kan van een strafbare uitlokking geen sprake zijn, (zie HR 8 maar 1920, NJ1920, P458; HR 25 januari 1944, NJ1944/362).”

37. De toelichting op het middel stelt dat het hof, door (tot een bewezenverklaring te komen en daarbij) een op 1 november 2011 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] voor het bewijs te bezigen, waarin deze verklaart over een bezoek dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] hem op 6 juli 2010 brachten (bewijsmiddel 2), is afgeweken van het (uitdrukkelijk onderbouwde) standpunt dat de uitlokking van [betrokkene 1] tot de (poging tot) liquidatie in deze zaak op 17 mei 2010 al was voltooid.

38. Dat [medeverdachte 4] bij de opdracht aan [betrokkene 1] tot het leegschieten van het magazijn het oog zou hebben gehad op [slachtoffer] , wordt door de raadsman in zijn pleidooi gebaseerd op de omschrijving van het pand die [betrokkene 1] ter terechtzitting van het hof op 25 juni 2015 geeft en de door [betrokkene 1] beschreven ligging. Beide zouden overeenkomen met het kantoorpand in Gouda waar [A] was gevestigd. De raadsman stelt dat [slachtoffer] daar in die tijd werkte en sliep. De raadsman stelt niet dat [slachtoffer] de enige was die daar werkte, en stelt bijvoorbeeld ook niet dat het leegschieten van het magazijn ’s nachts zou moeten gebeuren. Daarmee wordt niet duidelijk waarom [slachtoffer] het beoogde slachtoffer van het leegschieten van het magazijn zou zijn. Dat [medeverdachte 4] de granaataanslag en het leegschieten van het magazijn in één gesprek met [betrokkene 1] aansneed, kan ook als een aanwijzing in de richting van een ander slachtoffer worden opgevat: de granaataanslag was tegen [medeverdachte 2] gericht. Uit de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen die in het arrest en de aanvulling op het arrest zijn opgenomen, kan worden afgeleid dat het hof er niet van uit is gegaan dat [medeverdachte 4] bij het gesprek op 17 mei 2010 het oog had op [slachtoffer] . Het hof neemt het gesprek in het Hilton tussen [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] als startpunt van gesprekken over het ‘probleem [slachtoffer] ’.

39. Mij komt het voor dat het door de verdediging betrokken standpunt zijn weerlegging vindt in de bewijsconstructie. Tot een nadere weerlegging van het aangevoerde was het hof niet gehouden.

40. Het vijfde middel faalt.

41. Het zesde middel klaagt over een overschrijding van de inzendtermijn in de cassatiefase, op de grond dat de stukken van het geding niet tijdig naar de griffie van de Hoge Raad zijn gezonden.

42. Het beroep in cassatie is namens de verdachte ingesteld op 24 augustus 2015. De stukken zijn op 4 januari 2017 bij de griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat de inzendingstermijn, die in dit geval — anders dan het middel stelt — acht maanden bedraagt, is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

43. Het zesde middel slaagt.

44. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat de redelijke termijn ook in zoverre is overschreden. Voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

45. De eerste vijf middelen falen en lenen zich, behoudens het tweede middel, voor afdoening met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Het zesde middel slaagt.

46. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan in de mate die de Hoge Raad gepast voorkomt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De Hoge Raad kan van deze vrijspraak en de motivering daarvan kennisnemen. Vgl. HR 12 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN4347.

2 Dat een (overbodig) onderdeel van de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen kan volgen, is op zichzelf al een belangrijk argument om een kennelijke vergissing aan te nemen. Vgl. HR 3 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0652.

3 Vgl. HR 13 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5461 en HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9287.

4 ‘Het opzet van de deelnemer’, in: M.S. Groenhuijsen en J.B.H.M. Simmelink, Glijdende schalen, liber amicorum J. de Hullu, Nijmegen 2003, p. 301.

5 Materieel strafrecht, zesde druk, Deventer 2015, p. 510.

6 Het materiële strafrecht, 15e druk, Deventer 2015, p. 291.

7 Studieboek materieel strafrecht, zesde druk, Deventer 2016, p. 485.

8 Zoals bij de bespreking van het eerste middel is opgemerkt, kan de Hoge Raad van deze vrijspraak en de motivering daarvan kennisnemen.

9 Medeplichtigheid en opzet, DD 2010, p. 805.

10 ‘Uitlokking’, p. 138 in: J.B.J. van der Leij (red.), Plegen en deelnemen, Deventer 2007, p. 138.

11 A.w., p. 485.

12 A.w., p. 138.

13 Zie nader over deze zogenoemde meervoudige deelneming: De Hullu, a.w., p. 512-513.

14 Het hof stelt vast dat tijdens dat gesprek in het Hilton over het ‘omleggen van [slachtoffer] ’ is gesproken (p. 7 arrest onderaan).

15 Uit de weergave van dat gesprek leidt het hof af dat verdachte — met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] — van mening was dat [slachtoffer] moest worden omgebracht (arrest, p. 8).