Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1484

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-11-2017
Datum publicatie
24-01-2018
Zaaknummer
16/01990
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:87, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Falende bewijsklachten m.b.t. 1. Feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van verduistering.

2. Witwassen van grote contante geldbedragen, afkomstig uit enig misdrijf. Op grond van remboursovereenkomsten ontvangen gelden zijn niet overgemaakt naar de rechthebbende.

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 16/01991.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01990

Zitting: 28 november 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Bij arrest van 29 maart 2016 heeft het gerechtshof Den Haag de verdachte in de zaak met het parketnummer 09-755078-08 veroordeeld wegens 1 “medeplegen van verduistering, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd”, 2 “als bestuurder van een rechtspersoon, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, opzettelijk verkeerde inlichtingen geven”, 3 “witwassen, meermalen gepleegd”, 4 “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, 5 “ingevolge de belastingwet verplicht zijnde inlichtingen, gegevens of aanwijzingen te verstrekken, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging en ingevolge de belastingwet verplicht zijnde boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan voor raadpleging beschikbaar te stellen, deze voor dit doel opzettelijk in valse of vervalste vorm beschikbaar stellen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging” en 6 “opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd”. In de zaak met het parketnummer 09-862512-09 heeft het hof de verdachte veroordeeld wegens 1 “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, 2 “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd” en 3 “mishandeling”. Daarbij is aan de verdachte een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van zestien maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de in beslag genomen, nog niet teruggeven voorwerpen verbeurd verklaard en beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen, één en ander zoals in het arrest vermeld.

  2. Deze zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte (16/01991), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

  3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. A.P. Stipdonk, advocaat te Leiden, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Het eerste middel behelst kennelijk de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde (feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van verduistering) onvoldoende met redenen is omkleed.

  5. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 1 bewezen verklaard dat:

“1.

[A] B.V. en/of Stichting Beheer Derdengelden [B] op tijdstippen in de periode van 20 december 2006 tot en met 18 maart 2008 te Lisse en/of Voorhout en/of Hoofddorp Aalsmeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander telkens opzettelijk remboursgelden en/of wit- en/of bruingoed, in elk geval enig goed, toebehorende aan (internet) verkoopbedrijven of kopers van wit- en/of bruingoed (o.a. [C] en [D] B.V. en [E] B.V. en [F] en [G] en [H] en [I] en [J] en [K] en [L] ), welke goederen en geldbedragen die [A] B.V. en/of Stichting Beheer Derdengelden [B] anders dan door misdrijf onder zich hadden, zich wederrechtelijk heeft/hebben toegeëigend,

immers heeft/hebben [A] B.V. en/of Stichting Beheer Derdengelden [B]

- deze goederen, die [A] B.V. had ontvangen van voornoemde (internet)verkoopbedrijven, als zijnde goederen die moesten worden afgeleverd en/of bezorgd bij (een) koper(s) van die goed(eren), en/of

- deze goederen, die [A] B.V. retour had ontvangen van (een) koper(s) van die goederen teneinde deze terug te geven aan voornoemde (internet) verkoopbedrijven, en/of

- deze geldbedragen, die [A] B.V. en/of Stichting Beheer Derdengelden [B] (contant en/of op een rekening ten name van Stichting Beheer Derdengelden [B] en/of per pinbetaling) hadden ontvangen van voornoemde koper(s), als zijnde de betaling(en) ter zake een of meer (tevoren) bij die (internet)verkoopbedrijven geplaatste bestelling(en),

opgenomen en/of doen opnemen en/of weggenomen en/of doen wegnemen en/of onder zich gehouden en/of ten eigen bate aangewend en/of niet teruggeven en/of niet afgestaan aan dat/die (internet)verkoopbedrijven,

en zulks terwijl hij, verdachte, als feitelijk bestuurder van genoemde besloten vennootschap en stichting aan die verboden gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven;”

6. Het gaat in de onderhavige zaak om het volgende. De verdachte was als feitelijk leidinggever verbonden aan [A] B.V. (hierna: [A] ), een transportbedrijf dat goederen vervoerde die door bepaalde bedrijven aan particulieren waren verkocht. Deze goederen werden bij die bedrijven opgehaald en tijdelijk opgeslagen in een loods van [A] voordat deze bij de kopers van die goederen zouden worden geleverd. [A] had met de bedrijven [C] , [F] , [I] , [J] / [K] en [L] een remboursovereenkomst gesloten. Deze remboursovereenkomst hield in dat de kopers van de goederen bij de levering daarvan de chauffeurs van [A] betaalden, waarna deze gelden op de eerste werkdag volgend op de dag waarop de levering van de goederen plaatsvond door [A] op de bankrekening van Stichting Beheer Derdengelden [B] zouden worden gestort. De accountant van deze stichting was als enige gemachtigd ten aanzien van deze bankrekening en diende de gelden binnen vier werkdagen over te maken naar de genoemde bedrijven. [A] /Stichting Beheer Derdengelden [B] heeft evenwel goederen niet geleverd maar onder zich gehouden en ontvangen remboursgelden niet overgemaakt naar bankrekeningen van de hiervoor genoemde bedrijven. Eén en ander is bewezen verklaard als het medeplegen van verduistering, waaraan de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.

7. In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats geklaagd dat uit de bewijsvoering niet volgt dat de verdachte het oogmerk had zich de goederen en/of remboursgelden wederrechtelijk toe te eigenen. Dat hoeft evenwel ook niet uit de bewijsvoering te volgen. Art. 321 Sr kent ‘oogmerk’ niet als bestanddeel, terwijl hetzelfde geldt voor de op deze bepaling toegesneden tenlastelegging en bewezenverklaring.

8. Daarbij komt dat de verdachte is veroordeeld voor het feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van verduistering door [A] en/of Stichting Beheer Derdengelden [B] . Met welwillendheid gelezen, zou de klacht aldus kunnen worden begrepen, dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat [A] en/of Stichting Beheer Derdengelden [B] zich de ten laste gelegde goederen opzettelijk wederrechtelijk heeft/hebben toegeëigend. De bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte de feitelijk leidinggever was van [A] en Stichting Beheer Derdengelden [B] , wordt in cassatie niet bestreden.

9. Voor strafbaarheid ingevolge art. 321 Sr is vereist dat de verdachte zich de goederen wederrechtelijk toe-eigent en dat het opzet van de verdachte op die wederrechtelijke toe-eigening is gericht. Van wederrechtelijke toe-eigening is sprake als de verdachte zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een aan een ander toebehorend goed.1 De toe-eigening is wederrechtelijk wanneer de gedragingen van de verdachte verder gaan dan is toegestaan krachtens het recht op grond waarvan de verdachte het goed onder zich heeft.2

10. Art. 51 Sr bevat een regeling van daderschap van rechtspersonen. Het tweede lid bepaalt dat in geval een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon de strafvervolging kan worden ingesteld tegen die rechtspersoon en/of tegen hen die tot het feit opdracht dan wel feitelijk leiding hebben gegeven. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat een rechtspersoon als dader kan worden aangemerkt indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. Criteria voor de desbetreffende toerekening zijn uit de tekst van de wet en de wetsgeschiedenis evenwel niet te destilleren. De rechtspraak heeft in dit verband een eigen koers moeten varen. Richtinggevend daarvoor is het zogenoemde Drijfmest-arrest uit 2003.3 Daarin wordt vooropgesteld dat het antwoord op de vraag naar het daderschap van de rechtspersoon afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een algemene regel laat zich volgens de Hoge Raad bezwaarlijk formuleren. Indien de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon kan deze in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Te denken valt in dit verband aan een gedraging van iemand die werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon en/of aan situaties waarin de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtsperspersoon dan wel de rechtspersoon dienstig is geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf. Ten slotte noemt de Hoge Raad in dit verband de zogeheten ‘ijzerdraadcriteria’4, die zijn ontwikkeld voor het functioneel daderschap van natuurlijke personen. De ijzerdraadcriteria betreffen de vragen of de rechtspersoon erover vermocht te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en of zodanig of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon werd aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

11. Het opzet van de rechtspersoon kan op verschillende manieren worden vastgesteld. Onder omstandigheden kan het opzet van een natuurlijk persoon aan een rechtspersoon worden toegerekend, maar voor opzet van een rechtspersoon is niet vereist dat komt vast te staan dat de namens of ten behoeve van die rechtspersoon optredende natuurlijke personen met dat opzet hebben gehandeld. Het opzet van een rechtspersoon kan onder omstandigheden bijvoorbeeld ook worden afgeleid uit het beleid van de rechtspersoon of de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon.5

12. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan het volgende worden afgeleid. De verdachte heeft verklaard dat hij vanaf dag één tot aan de laatste dag de feitelijk leidinggevende is geweest van [A] en dat Annard een busje heeft gehuurd om in zijn opdracht goederen op te slaan in een loods aan de [a-straat] (bewijsmiddel 1), dat de afspraak was dat de remboursgelden binnen drie dagen werden terugbetaald, het op den duur misging en ze dat inderdaad niet op die manier hadden moeten doen (bewijsmiddel 2). Verschillende bedrijven hebben aangifte van verduistering gedaan. Deze aangiften komen er in de kern op neer dat door deze bedrijven verkochte goederen, die door [A] bij hen zijn opgehaald, niet zijn geleverd bij de klanten en/of dat de remboursgelden die [A] van deze klanten heeft ontvangen, niet bij de genoemde bedrijven zijn terechtgekomen (bewijsmiddelen 3, 5, 6, 9, 10, 11, 12, 14 en 15). Verklaringen met dezelfde strekking zijn ook tijdens verschillende getuigenverhoren afgelegd (bewijsmiddelen 4, 8 en 13). Voorts is verklaard dat goederen, die niet aan de klanten waren geleverd, evenmin in de loods van [A] in Lisse waren gestald (bewijsmiddelen 5 en 6) en dat goederen, die zouden toebehoren aan [E] en [D] , op de [a-straat] 149 in Hoofddorp in een busje werden geladen en op de [b-straat] in Aalsmeer werden uitgeladen (bewijsmiddel 17). Verbalisanten hebben op de [b-straat] met [betrokkene 1] gesproken, die heeft verklaard een groot aantal goederen te hebben gekocht bij de verdachte. Zijn verklaring houdt voorts in dat de verdachte hem had verteld dat hij (de verdachte) een grote partij goederen had die niet door een klant waren afgenomen en dat hij, omdat hij retentierecht had, de goederen ging doorverkopen (bewijsmiddel 19). In het pand aan de [a-straat] 149 in Hoofddorp zijn voorts goederen aangetroffen met daartussen diverse papieren, waaruit blijkt dat sommige van deze goederen eigendom waren/zijn van [D] en andere internetwinkels (bewijsmiddel 18). Bij de Criminele Inlichtingen Eenheid is de informatie binnengekomen dat de verdachte een pand heeft in Lisserbroek waar hij goederen opslaat (bewijsmiddel 20). De politie heeft in dit pand goederen aangetroffen en aldaar [betrokkene 2] gesproken, die heeft verklaard nog geld van de verdachte te krijgen en van de verdachte twee koffiezetapparaten en een wandsteun voor een televisie, afkomstig van het bedrijf [D] , te hebben gekregen (bewijsmiddel 21). In de panden aan de [a-straat] 149 te Hoofddorp, [b-straat] 281 te Aalsmeer en [c-straat] 78 te Lisserbroek zijn in totaal 69 goederen in beslag genomen die zijn herkend door diverse aangevers (bewijsmiddelen 22, 23 en 24). Uit uitgewerkte tapgesprekken tussen de verdachte en [betrokkene 3] blijkt dat de verdachte desgevraagd heeft gezegd [A] failliet te laten verklaren, waarna hij de woorden “poen pakken, wegwezen oprotten” en “witteboordencriminaliteit” gebruikt. Daarnaast heeft hij [betrokkene 3] gevraagd of hij niet nog een leuk “plasma televisietje” nodig had en heeft hij in reactie op de mededeling van [betrokkene 3] dat hij net [betrokkene 4] aan de lijn had die wel geïnteresseerd is in “die wasmachine”, gemeld dat hij verschillende wasmachines heeft en even zijn lijstje pakt. Ook heeft de verdachte in reactie op de vraag van [betrokkene 3] hoeveel “50 inches” hij nog heeft, geantwoord “twee, een Samsung en een LG”. Daarop heeft [betrokkene 3] gezegd ze allebei te willen hebben en heeft de verdachte geantwoord dat hij straks langs Hoofddorp komt en [betrokkene 3] daarnaartoe kan rijden (bewijsmiddel 25). Op de rekening die op naam staat van de verdachte is een geldbedrag van € 23.206,19 gestort (bewijsmiddel 28). Van de rekening met het nummer [001] ten name van [A] B.V. heeft een groot aantal bijschrijvingen plaatsgevonden dat kennelijk afkomstig is van klanten van [A] , terwijl ook kennelijke salarisbetalingen hebben plaatsgevonden, geldopnamen en betalingen per pinpas, die levensmiddelen en kleding, alsmede casinobezoek en de aankoop van een boot betreffen (bewijsmiddel 29). De vriendin van de verdachte heeft verklaard dat deze boot op haar naam stond, omdat de verdachte zei dat hij die boot niet op zijn naam kon hebben (bewijsmiddel 34). Uit afschriften van de rekening met het nummer [002] ten name van Stichting Beheer Derdengelden [B] met als contactpersoon de verdachte blijkt dat een groot aantal pintransacties heeft plaatsgevonden. Afwijkende mutaties zijn geldopnames van € 5000,- en € 7000,- bij het postkantoor in Lisse (bewijsmiddel 30).

13. Het hof heeft in zijn arrest in reactie op het verweer dat geen sprake was van wederrechtelijke toe-eigening van de remboursgelden het volgende overwogen:

“ [A] B.V. (hierna: [A] ) had met de bedrijven [C] , [F] , [I] , [J] / [K] en [L] een zogeheten remboursovereenkomst gesloten. Krachtens deze remboursovereenkomst moest [A] de remboursgelden, die door de koper(s) contant werden voldaan aan de chauffeurs van [A] , op de eerste werkdag volgend op de dag waarop de aflevering van de goederen plaatsvond, op de bankrekening van Stichting Beheer Derdengelden [B] storten, ten aanzien van welke bankrekening de accountant van laatstgenoemde stichting als enige gemachtigd was, waarna deze accountant deze gelden binnen vier werkdagen diende over te maken naar de genoemde bedrijven.

Voorts stelt het hof vast dat [A] en/of Stichting Beheer derdengelden Remboursgelden zich niet aan de betreffende overeenkomsten hebben gehouden, door de gelden (onder andere) aan te wenden voor investeringen in [A] en het geld (daarmee) te gebruiken voor eigen doeleinden. Het hof is van oordeel dat [A] en/of Stichting Beheer Derdengelden [B] door aldus te handelen de betreffende remboursgelden zich wederrechtelijk hebben toegeëigend, aan welke feiten verdachte feitelijk heeft leiding gegeven. Het verweer van de verdediging hieromtrent wordt verworpen.”

14. Het hof heeft geoordeeld dat [A] en/of Stichting Beheer Derdengelden [B] door te handelen zoals zij deden, zich remboursgelden wederrechtelijk hebben toegeëigend en dat de verdachte aan deze feiten feitelijk leiding heeft gegeven. Het hof heeft daarbij – anders dan de rechtbank in het in eerste aanleg gewezen vonnis - niet uitdrukkelijk gerefereerd aan de criteria uit het zogenoemde Drijfmestarrest, terwijl het evenmin is ingegaan op het opzet van deze rechtspersonen. Niettemin meen ik dat de in dit verband redengevende feiten en omstandigheden ook zonder nadere motivering kunnen worden ontleend aan de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking.

15. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat in strijd met de tussen [A] en de eerder genoemde bedrijven gemaakte afspraken verkochte goederen en remboursgelden niet zijn terechtgekomen bij de klanten respectievelijk bedrijven, terwijl de verdachte goederen heeft opgeslagen in verschillende loodsen en van daaruit heeft verkocht of gegeven aan derden. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte aan de bedrijven waarmee [A] zaken deed heeft verklaard niet (meer) over de goederen te beschikken en dat er meermalen gelden zijn opgenomen van de rekeningen van Stichting Beheer Derdengelden [B] en [A] , op welke rekeningen de remboursgelden zouden worden gestort. Met deze gelden zijn diverse betalingen verricht en goederen aangeschaft, waaronder een boot die op verzoek van de verdachte op naam van diens vriendin stond. Ook zijn geldbedragen gestort op de eigen rekening van de verdachte. Het hof kon deze gedragingen aan de rechtspersonen toerekenen, aangezien het kennelijk en niet onbegrijpelijk uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft afgeleid dat de gedragingen in de sfeer van de rechtspersonen zijn verricht. Daarbij neem ik aanmerking dat uit de vaststellingen van het hof volgt dat het (tijdelijk) opslaan van bij de bedrijven opgehaalde goederen en het storten en overmaken van remboursgelden tot de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van [A] en Stichting Beheer Derdengelden [B] behoorden.6 In de hiervoor onder 12 weergegeven overweging van het hof heeft het hof in dit verband verwezen naar de zogenoemde remboursovereenkomsten die [A] met bedrijven had gesloten. Ook heeft het overwogen dat [A] en/of Stichting Beheer derdengelden Remboursgelden zich niet aan de verplichtingen uit de desbetreffende overeenkomsten heeft/hebben gehouden door de gelden (onder andere) aan te wenden voor eigen doeleinden.7

16. Voorts heeft het hof uit de bewijsvoering, in het bijzonder uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat de verdachte opzet heeft gehad op de wederrechtelijke toe-eigening van de in de bewezenverklaring genoemde goederen en dit opzet toegerekend aan [A] en Stichting Beheer Derdengelden [B] . Ook dat laatste oordeel is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte vanaf dag één tot aan de laatste dag feitelijk leidinggevende van [A] is geweest, hij investeringen voor [A] deed en de contactpersoon was voor de bedrijven die met [A] in zee gingen. Voorts was de verdachte de contactpersoon van Stichting Beheer Derdengelden [B] .8 Het oordeel van het hof behoefde, mede in het licht van het uiterst summiere verweer dat in dit verband in hoger beroep is gevoerd, geen nadere motivering.

17. Het middel bevat in de tweede plaats de klacht dat er geen deugdelijke onderbouwingen zijn van de gestelde verdwenen goederen waardoor de door aangevers vermelde schade niet valt te verifiëren. Voor zover daarmee wordt beoogd te betogen dat voor een bewezenverklaring die is toegesneden op verduistering de omvang van de geleden schade voor het bewijs van het ten laste gelegde dient te worden vastgesteld, faalt de klacht, omdat deze eis geen steun vindt in het recht en de desbetreffende geldbedragen in de bewezenverklaring in de onderhavige zaak niet zijn gespecificeerd. Bovendien kon het hof uit de hiervoor weergegeven bewijsvoering genoegzaam afleiden dat [A] en Stichting Beheer Derdengelden [B] zich goederen en remboursgelden, toebehorende aan de in de bewezenverklaring genoemde bedrijven, wederrechtelijk hebben toegeëigend. Voor zover de klacht aldus moet worden gelezen dat de door de benadeelde partijen gestelde schade niet uit de bewijsmiddelen volgt en het hof de vorderingen van de benadeelde partijen niet had mogen toewijzen en de schadevergoedingsmaatregelen niet had mogen opleggen, faalt deze reeds omdat bij de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij in de uitspraak geen bewijsmiddelen hoeven te worden opgenomen waarop die toewijzing berust.9

18. Het middel faalt.

19. Het tweede middel, in samenhang bezien met de toelichting daarop, behelst de klacht dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf.

20. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezen verklaard dat:

“3.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2002 tot en met 20 november 2008 te Voorhout, althans in Nederland, telkens voorwerpen, te weten:

a) geldbedragen, te weten:

- een geldbedrag van 23.206,19 euro, welk geldbedrag op 27 juni 2008 contant is gestort op de (bank)rekening met rekeningnummer [003] (rekening [verdachte] ) en

- geldbedragen van in totaal 42.480 euro, welke geldbedragen in de periode van 11 januari 2008 tot en met 7 maart 2008 contant zijn opgenomen van de (bank)rekening met rekeningnummer [001] (rekening [A] Management Beheer en Beleggingsmaatschappij B.V.) en

- geldbedragen van in totaal 12.000 euro, welke geldbedragen op 1 februari 2008 contant zijn opgenomen van de (giro)rekening met nummer [002] (rekening van Stichting Beheer Derdengelden Remboursopdracht) en

- geldbedragen van in totaal 13.152,13 euro, welke geldbedragen in de periode van 2 november 2007 tot en met 1 augustus 2008 werden overgemaakt van de (giro)rekening met nummer [002] (rekening Stichting Beheer Derdengelden [B] of de (bank)rekening met nummer [004] (rekening [M] B.V.) naar de (bank)rekening ten name van [N] en

b) een woning (te weten de woning op het adres [adres] ) en

c) twee auto’s , te weten een Porsche Boxster (met het kenteken [AA-00-BB] ) en een Ssan Yong (met het kenteken [CC-00-DD] ) en

d) een boot (te weten een Sea Ray met registratieteken [EE-00-FF] )

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of van genoemde voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat die geldbedragen en woning en auto’s en boot – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;”

21. De bewezenverklaring steunt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – op de volgende bewijsmiddelen:

“28. Een geschrift, zijnde een overzicht van de kopie – dagafschriften september 2007 – oktober 2008 van de bankrekening [003] t.n.v. [verdachte] , als

bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 november 2008 met nr. PV/060 (AH-50) van de politie Hollands Midden. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (Zaaksdossier V, deel I, p. 3574 e.v.):

Datum

Tegenrekening

Omschrijving

Bedrag

27-06-2008

-

Stortingsapparaat 15:24 pasnr. 006

€ 23.206,19

29. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 december 2008 van de politie Hollands Midden-met nummer PV/041 (AH 115), met bijlagen. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (Zaaksdossier V, deel III p. 4466 e.v.):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Teneinde eventuele geldstromen te achterhalen werden met een daartoe afgegeven vordering de mutaties op het bankrekeningnummer [001] t.n.v. [A] B.V. opgevraagd. Op de rekening vinden een groot aantal bijschrijvingen plaats kennelijk afkomstig van klanten van [A] . Tevens vinden diverse kennelijke salarisbetalingen plaats, geldopnamen en betalingen per pinpas. Deze betalingen betreffen kennelijk ook levensmiddelen en kleding, alsmede casinobezoek.

In januari en februari 2008 bedragen de totale opgenomen gelden € 42.840,-.

Bijlage (p. 4531), met betrekking tot de aankoop van een boot, Sea Ray:

DatumAfschr

Volgnr Boekdatum

Tegenrekening Omschrijving

Debet

20-11-2007

17 26-11 (24 11)

[…]

€ 21.003,50

30. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 november 2008 van de politie Hollands Midden met nummer PV/047, met bijlagen. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (Ambtshandelingen 57 t/m 71, p. 6816 e.v.):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Bij de Postbank zijn de kopie-afschriften van rekeningnummer [002] t.n.v. Stichting Beheer Derdengelden [B] opgevraagd. In het kopie openingsformulier van de Stichting beheer derdengelden is onder meer ingevuld:

Naam contactpersoon: [verdachte] .

Te zien is een groot aantal pintransacties, waardoor het saldo toeneemt alsmede stortingen op eigen rekening en diverse betalingen waardoor het saldo afneemt.

Afwijkende mutaties zijn:

- 1 februari 2008, € 5.000,- geldopname postkantoor Lisse

- 1 februari 2008, € 7.000,- geldopname postkantoor Lisse.

Bijlage, zijnde een overzicht van de mutaties van bankrekeningnummer [002] :

Datum afschrift

Volgnr

Boekdatum

Omschrijving

Code

Tegenrekening

Af/Bij

Bedrag

02-11-2007

1

2 NOV

[005] [N] BV TERMYN 11-07-429536

IC 51

AF

1.286,75

04-12-2007

20

4 DEC

[005] [N] BV TERMYN 12-07 431588

IC 51

AF

1.286,75

18-12-2007

30

18 DEC

[005] [N] BV 08SBRS S. POST BT ETC 431887 08

IC 51

AF

112,00

03-01-2008

2

3 JAN

[005] [N] BV TERMYN 01-08 433498

IC 51

AF

1.287,14

07-02-2008

27

7 FEB

[005] [N] BV

IC 51

AF

1.289,52

Op grond van AH-164, betreffende het totaal aan inbeslaggenomen goederen, constateert het hof dat bij de verdachte [verdachte] geen (grote) bedragen aan contant geld in beslag zijn genomen, zodat het hof er van uit gaat dat de contante opnames zijn opgegaan aan uitgaven.

31. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 november 2008 van de politie Hollands Midden met nummer PV/022, met bijlagen. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (Ambtshandelingen 72 t/m 96, p. 6947 e.v.):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

De rekening [004] op naam staat van [M] BV, waarvan alleen [verdachte] als gemachtigde staat vermeld.

Bijlage (p. 15 e.v.):

Datum

Tegenrekening

Omschrijving

Bedrag

15-02-2008

[005] [N] BV

[N]

€ 98,95

03-03-2008

[005] [N] BV

[N]

€ 1.289,52

01-04-2008

[005] [N] BV

[N]

€ 1.289,91

15-04-2008

[005] [N] BV

[N]

€ 256,90

02-05-2008

[005] [N] BV

[N]

€ 1.289,91

02-06-2008

[005] [N] BV

[N]

€ 1.322,86

01-07-2008

[005] [N] BV

[N]

€ 1.289,91

01-08-2008

[005] [N] BV

[N]

€ 1.407,86

32. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 december 2008 van de politie Hollands Midden met nummer PV/082 (AH 114), met bijlagen. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (Zaaksdossier V, deel III, p. 4613 e.v.):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 24 november 2008 werd het voertuig waar [verdachte] in rijdt, een Porsche Boxter kenteken [AA-00-BB] conservatoir in beslag genomen. Het kenteken staat op naam van [N] BV. Op 9 december 2008 werd, na een daartoe gemaakte afspraak, door [N] BV op grond van deze vordering aan mij, verbalisant, de navolgende bescheiden verstrekt:

1) het oorspronkelijke leasecontract van de Porsche d.d. 3 november 2005 tussen [O] B en [N] , ondertekend namens [O] BV door [betrokkene 3] . Vermeld wordt dat leasenemer een aanbetaling zal doen € 12.605,04.

2) Het overnemen van het leasecontract door [betrokkene 5] en/of [P] BV op 19 januari 2007.

3) Het overnemen van het leasecontract door [A] BV op 17 september 2007. Vermeld wordt een maandbedrag van € 1.081,30 per maand en een aanbetaling van € 12.605,04, beide bedragen exclusief btw.

4) De autolease-overeenkomst tussen [A] BV en [N] BV.

8) Machtiging voor automatische incasso dat [A] [N] machtigt om voortaan vanaf [004] t.n.v. [M] te incasseren, ondertekend 7 februari 2008.

33. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 februari 2009 van de politie Hollands Midden met nummer PV/112 (AH 156), met bijlagen. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (Zaaksdossier V, deel III, p. 4565 e.v.):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

In het onderzoek is conservatoir beslag gelegd op een personenauto, merk Ssang Young, kenteken [CC-00-DD] , [betrokkene 6] . Naar aanleiding van meldde de verkoper van de genoemde auto zich. Hij had contact gehad met de financieringsmaatschappij Santander, die de auto gefinancierd heeft. Hij stuurde mij per mail de financieringsovereenkomst. Deze gegevens zijn door mij uitgedraaid en bij dit proces-verbaal gevoegd.

Bijlage

Financiering met slottermijn

Naam: [betrokkene 6]

Bankrekening: [001] (het hof begrijpt, gelet op de overige bewijsmiddelen: t.n.v. [A] ).

Merk en type: SsangYong

Kenteken: [CC-00-DD]

Aantal maandelijkse termijnen: 60 maanden

Termijnbedrag: € 550,46

Slottermijn: 11.785,75

Ingangsdatum: 01-06-2007

Ondertekend d.d. 26 mei 2007 door o.a. [betrokkene 6]

34. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 december 2008 van de politie Hollands Midden met nummer PV/089 (AH 112), met bijlagen. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (Zaaksdossier V, deel III, p. 4418 e.v. ) :

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Binnen het onderzoek Techno wordt geprobeerd vermogen van de verdachte [verdachte] te traceren. Getraceerd is een boot, merk Sea Ray, registratienummer [EE-00-FF] .

Tenaamstelling [EE-00-FF] : Volgens de Rijksdienst voor het Wegverkeer staat sinds 23 januari 2008 een snelle motorboot op naam van [betrokkene 6] , de vriendin/partner van verdachte [verdachte] .

Van Steijn verklaarde met betrekking tot de boot op 5 december 2008: [verdachte] kocht de boot. Zij heeft de boot op verzoek van [verdachte] op haar naam gezet omdat [verdachte] zei dat hij die boot niet op zijn naam kon hebben.

Middels RDW registratie was binnen het onderzoek bekend dat [verdachte] sinds 23 mei 2005 een motorboot merk Sea Ray met registratienummer [GG-00-HH] op naam had.

35. Een (overzichts)proces-verbaal d.d. 18 september 2009 van de politie Hollands Midden, met bijlagen. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -

(Zaaksdossier V, deel I, p. 3156 ,e.v.):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Middels een daartoe verstrekte vordering werden bij de Postbank gegevens opgevraagd van bankrekening [006] t.n.v. [M] BV. De door de Postbank verstrekte gegevens vermelden een overschrijving op 19 december 2002 van € 51.000,- naar […] .

36. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 15 maart 2016 verklaard -zakelijk weergegeven-:

In de periode na het faillissement zijn er nog transacties geweest voor [A] , die zijn vervolgens op mijn bankrekening gestort. Het betroffen lopende zaken en remboursgelden. Ik heb dit geld gebruikt.

De geldbedragen die zijn gebruikt voor de woning aan de [adres] kwamen voort uit het bedrijf [M] B.V.

37. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 12 oktober 2011 verklaard -zakelijk weergegeven-:

Het geld voor het huis heb ik met [M] verdiend in de twee jaren voorafgaand aan de aankoop van het huis, dus in 2002 en 2003. Het geld kwam binnen op de rekening van [M] en is daar vandaan doorgeboekt naar de notaris. Het klopt dat over het geld van [M] geen inkomstenbelasting is betaald.”

22. Voor een veroordeling ter zake van art. 420bis Sr is vereist dat ten laste gelegd en bewezen is verklaard dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Op grond van doel en strekking van art. 420bis Sr en mede in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling moet worden aangenomen dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan.10

23. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 maart 2016 heeft de verdachte de volgende verklaring afgelegd:

“De geldbedragen die zijn gebruikt voor de woning aan de [adres] kwamen voort uit het bedrijf [M] B.V. Dit bedrijf bestaat inmiddels niet meer. Het betreffende geld heb ik niet verkregen uit strafbare feiten. Ik heb voor dat geld gewerkt. Toen het bedrijf failliet ging had het geen bankrekening meer. In de periode na het faillissement zijn er nog transacties geweest voor [A] , die zijn vervolgens op mijn bankrekening gestort. Het betroffen lopende zaken en remboursgelden. Ik heb dit geld gebruikt. Ik heb nog schuldeisers en lonen betaald. Ik wilde het geld niet in eigen zak steken en heb mijzelf er niet mee verrijkt. Bij nader inzien weet ik niet of ik dat op deze manier mocht doen.”

24. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat in de bewijsmiddelen bepaalde geldstromen worden weergegeven en dat zonder nadere onderbouwing wordt “gesteld” dat deze gelden afkomstig zouden zijn uit enig misdrijf. Mede gelet op de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring, kan volgens de steller van het middel uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer worden afgeleid dat sprake is van witwassen.

25. Het hof heeft geen aparte overweging gewijd aan het bewijs van het ten laste gelegde witwassen. Uit de in het dossier gevoegde – zeer beknopte – pleitaantekeningen blijkt voorts niet dat de raadsman van de verdachte een verweer heeft gevoerd met als strekking dat de voorwerpen een legale herkomst hadden. Hij heeft enkel aangegeven dat onduidelijk is wat de herkomst van de voorwerpen is en dat die onduidelijkheid nog niet meebrengt dat sprake is van witwassen. De door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring ziet slechts op geldbedragen die zijn gebruikt voor de financiering van de woning aan de [adres] en niet op de overige in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen.

26. De verdachte is in de onderhavige zaak niet alleen voor witwassen veroordeeld, maar ook voor – onder meer – het feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van verduistering. In dat verband is onder meer bewezen verklaard het zich wederrechtelijk toe-eigenen van (niet aan de klanten geleverde) goederen en op de rekening van de Stichting Beheer Derdengelden [B] gestorte remboursgelden. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof geoordeeld dat de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen afkomstig zijn uit (onder meer) het bewezen verklaarde feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van verduistering.

27. Bij het voorafgaande neem ik in aanmerking dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 27 juni 2008 een groot contant geldbedrag op zijn eigen rekening heeft gestort (bewijsmiddel 28) en dat van de rekeningen van [A] en Stichting Beheer Derdengelden [B] in januari en februari 2008 grote sommen geld zijn opgenomen en op 30 november 2007 een betaling is gedaan ten behoeve van een boot die op naam van een ander is gezet omdat de verdachte de boot niet op zijn naam kon hebben (bewijsmiddelen 29, 30 en 34). Voorts zijn vanaf de rekening van Stichting Beheer Derdengelden [B] , waarvan de verdachte de contactpersoon was, in de periode van 2 november 2007 tot 7 februari 2008 geldbedragen overgemaakt naar [N] BV ten behoeve van de lease van de in de bewezenverklaring genoemde Porsche Boxter (bewijsmiddelen 30 en 32). Het hof heeft uit de inhoud van de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de in de bewezenverklaring genoemde auto van het merk Ssang Young is gefinancierd door [A] . Daartoe merk ik op dat de bankrekening van [A] in de financieringsovereenkomst is genoemd, terwijl de auto op naam stond van de vriendin van de verdachte, [betrokkene 6] (bewijsmiddel 33). Ten slotte volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte goederen doorverkocht met het verhaal dat deze niet door de klant waren afgenomen (bewijsmiddel 19) en dat hij tweehonderd euro vroeg voor wasmachines van Zanussi (bewijsmiddel 25). In het licht van het voorafgaande, is het oordeel van het hof dat de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf niet onbegrijpelijk. Het behoefde, mede gelet op het zeer beknopte in hoger beroep gevoerde verweer, geen nadere motivering.

28. Ten aanzien van de in de bewezenverklaring genoemde woning aan de [adres] wijs ik erop dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat het geld waarmee de woning is gefinancierd, is voortgekomen uit het bedrijf [M] BV van de verdachte en dat over het geld van [M] BV geen inkomstenbelasting is betaald (bewijsmiddelen 35, 36 en 37). Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte de enige gemachtigde is van de rekening van [M] BV (bewijsmiddel 31). Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat het geld waarmee de woning is gefinancierd in ieder geval gedeeltelijk is gefinancierd met uit misdrijf, te weten fiscale delicten, afkomstige gelden. Dat oordeel getuigt in het licht van de rechtspraak van de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het niet onbegrijpelijk is.11 Ook indien evenwel zou worden geoordeeld dat ten aanzien van het witwassen van de woning de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, behoeft dat niet tot cassatie te leiden. De bewezenverklaring zou verbeterd kunnen worden gelezen, in dier voege dat daaruit wordt geschrapt “b) een woning (te weten de woning op het adres [adres] )”. Een dergelijk lezing tast de aard en ernst van het bewezen verklaarde in zijn geheel beschouwd niet aan, terwijl de kwalificatie in stand blijft.12

29. Ten overvloede merk ik op dat de vraag zou kunnen rijzen of het hof in het licht van de rechtspraak van de Hoge Raad de kwalificatiebeslissing nader had moeten motiveren. Hierover klaagt het middel echter niet, zodat ik dat punt verder zal laten rusten.

30. Het middel faalt.

31. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

32. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

33. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie onder meer HR 24 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8253, NJ 1990/256, HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3620, HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:32, NJ 2014/187 m.nt. Keijzer en HR 30 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1771.

2 HR 24 februari 1913, NJ 1913, p. 669. Zie ook onderdeel 3.6 van de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse voor HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:201, NJ 2015/127 m.nt. Vellinga-Schootstra.

3 HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, NJ 2006/328.

4 Genoemd naar de zaak waarin de Hoge Raad deze criteria formuleerde: HR 23 februari 1954, NJ 1954/378.

5 HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, NJ 2016/375 m.nt. Wolswijk, rov. 3.4.2.

6 Vgl. in dit verband M. Hornman, De strafrechtelijke aansprakelijkheid van leidinggevenden van ondernemingen, Den Haag: Boom juridische uitgeverij 2016, p. 47-48:, die opmerkt dat bij de beoordeling of een gedraging behoort tot de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon de feitelijke werkzaamheden van de rechtspersoon doorslaggevend zijn. Het is niet noodzakelijk dat de verboden wijze waarop de gedragingen zijn verricht tot de normale bedrijfsvoering behoort.

7 Vgl. HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4638 en HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3620.

8 Vgl. HR 15 oktober 1996, NJ 1997/109.

9 Aldus ook F.F. Langemeijer, Het slachtoffer en het strafproces, tweede druk, Deventer: Kluwer 2010, p. 114.

10 HR 28 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2124, NJ 2007/278, rov. 3.5, HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4094, NJ 2006/473, rov. 3.4 en HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2628, NJ 2011/159, rov. 3.3.

11 HR 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2774, NJ 2009/94 m.nt. Borgers.

12 Vgl. HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5831.