Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1482

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-11-2017
Datum publicatie
24-01-2018
Zaaknummer
16/01623
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:85, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Redelijke termijn in e.a. Op de gronden die zijn vermeld in de CAG is het middel terecht voorgesteld. HR doet de zaak zelf af en vermindert de opgelegde gevangenisstraf. CAG: Hof heeft vastgesteld dat redelijke termijn in e.a. met meer dan twee jaren is overschreden en overwogen dat die overschrijding niet onredelijk is i.v.m. de onderzoekswensen van de verdediging in e.a. Gezien de beperkte omvang van de onderzoekswensen (horen van vier getuigen, welk verzoek t.a.v. twee getuigen is toegewezen, en het mogen uitluisteren van de audioverhoren van verdachte) en de substantiële overschrijding van het uitgangspunt voor de redelijke termijn kan de procesvoering van de verdediging de overschrijding van die termijn niet rechtvaardigen. Oordeel hof dat aan die overschrijding geen rechtsgevolg zal worden verbonden is niet z.m. begrijpelijk. Samenhang met 16/01542.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01623

Zitting: 14 november 2017 (bij vervroeging)

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 18 maart 2016 de verdachte ter zake van ‘uitlokking van medeplegen van poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met aftrek als bedoel in art. 27 Sr. Aan het voorwaardelijk strafdeel heeft het hof een proeftijd van twee jaren verbonden.

2. Er bestaat samenhang met de zaak 16/01542. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

3. Namens de verdachte heeft mr. B.W.J. Krämer, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel klaagt over ’s hofs oordeel dat geen sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM en over de (onbegrijpelijke) verwerping van een daarop gegrond verweer.

5. De rechtbank heeft vastgesteld dat de redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen met de aanhouding van de verdachte op 7 mei 2010. Op 2 september 2014 heeft de rechtbank (eind)vonnis gewezen, hetgeen inhoudt dat tussen de eerste daad van vervolging en het (eind)vonnis meer dan vier jaren zijn verstreken. De rechtbank heeft hieromtrent het volgende overwogen:

“(…): de redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak en de omvang van het verrichte onderzoek, de invloed van de verdediging op het procesverloop en de mate van voortvarendheid die in het opsporingsonderzoek is betracht.

De rechtbank constateert en stelt vast dat de overschrijding van de redelijke termijn onwenselijk lang, maar niet onredelijk lang is geweest en zal daarom aan die overschrijding geen rechtgevolg verbinden in de vorm van strafvermindering. De rechtbank heeft zich bij die afweging onder meer laten leiden door de ernst van het feit.”

6. Uit de aan het hof overgelegde pleitnotitie blijkt dat in hoger beroep, voor zover relevant voor de bespreking van het middel, het volgende verweer is gevoerd:

“Tijdsverloop

Het is inmiddels bijna 6 jaar geleden dat het incident zich heeft voltrokken. De rechtbank heeft bij het opleggen van de straf bewust geen rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Als reden geeft zij: de redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak en de omvang van het verrichte onderzoek, de invloed van de verdediging op het procesverloop en de mate van voortvarendheid die in het opsporingsonderzoek is betracht. De rechtbank constateert en stelt vast dat de overschrijding van de redelijke termijn onwenselijk lang maar niet onredelijk lang is geweest en zal daarom aan die overschrijding geen rechtsgevolg verbinden in de vorm van strafvermindering. De rechtbank heeft zich bij die afweging onder meer laten leiden door de ernst van het feit.

Ik ben het in geen geval eens met de overweging van de rechtbank. Ik vind 6 jaar op zijn zachtst gezegd zeer onredelijk lang. ECLI:NL:HR:2008:BD2578 is heel duidelijk over de redelijke termijn. Die is twee jaren. Het kan natuurlijk zijn dat door de specialiteit van de zaak vertraging oplevert, echter is dat in dit geval niet aan de orde. Er is geen rechtvaardiging waarom dit zo lang heeft geduurd, ik verzoek u dan ook om, indien u komt tot oplegging van een straf, rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.”

7. Voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, houdt het bestreden arrest hieromtrent het volgende in:

“De raadsman heeft betoogd dat er sprake is van een schending van de redelijke termijn in eerste aanleg en heeft verzocht hiermee bij de strafoplegging rekening te houden. Met de rechtbank constateert het hof dat de berechting in eerste aanleg onwenselijk lang maar niet onredelijk lang heeft geduurd. Een deel van de vertraging in de berechting is veroorzaakt door onderzoekswensen van de verdediging. Nu er geen sprake is van een schending van de redelijke termijn, zal er ook geen strafvermindering worden toegepast.”

8. Als uitgangspunt dient de berechting van een verdachte in eerste aanleg binnen twee jaren te zijn afgerond met een eindvonnis, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Daaronder kunnen vallen de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak is behandeld door de bevoegde autoriteiten.1 In cassatie kan slechts worden getoetst of het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal niet licht sprake zijn aangezien een dergelijk oordeel verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling in cassatie. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.2

9. In onderhavig geval heeft het hof vastgesteld dat de behandeling in eerste aanleg het reeds genoemde uitgangspunt voor de redelijkheid van de daarop te beoordelen termijn (van twee jaren) met meer dan twee jaren heeft overschreden. Het hof heeft hieromtrent overwogen dat die overschrijding onwenselijk, maar niet onredelijk is aangezien die mede te wijten is aan de (omvang van de) onderzoekswensen van de verdediging in eerste aanleg. De vraag is echter of deze omstandigheid de onderhavige overschrijding rechtvaardigt. Ik meen van niet. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank heeft de verdediging slechts verzocht vier getuigen te horen, welk verzoek de rechtbank ten aanzien van twee getuigen heeft toegewezen, en verzocht de audioverhoren van de verdachte te mogen uitluisteren.3 Zoals ik zojuist besprak heeft de Hoge Raad (inderdaad) bepaald dat de procesvoering van de verdediging een overschrijding van het uitgangspunt voor de redelijke termijn kan rechtvaardigen, maar gezien de beperkte omvang van de genoemde onderzoekswensen en de substantiële overschrijding van dit uitgangspunt voor de redelijke termijn is daarvan in onderhavig geval geen sprake. ‘s Hofs oordeel dat aan die overschrijding geen rechtsgevolg zal worden verbonden is zonder nadere motivering, en die mist, dan ook niet zonder meer begrijpelijk.4

10. Het middel slaagt en moet leiden tot strafvermindering.

11. Ambtshalve heb ik voor het overige geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de duur van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578 (Redelijke termijn II), r.o. 3.14.

2 Zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578 (Redelijke termijn II), r.o. 3.7.

3 Zie het proces-verbaal terechtzitting van de rechtbank d.d. 17 september 2013, p. 2. Die verzoeken zijn, gezien de processen-verbaal van de rechtbank, overigens ook binnen een niet uitzonderlijk lange periode afgerond.

4 Zie ter vergelijking: HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1394 (Klimop-zaak), waarbij het hof onder meer het volgende overwoog: “De Hoge Raad neemt hierbij in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat de zaak een complex karakter heeft, mede vanwege ‘de tijd die de behandeling van verdachtes zaak ter terechtzitting als gevolg van de gelijktijdige berechting van diverse in dit megaproces terechtstaande verdachten, in beslag heeft genomen.” Het ging hier om een grote en complexe zaak waarbij het hof uitgebreid heeft gemotiveerd waarom de overschrijding van de redelijke termijn zonder rechtsgevolg kon blijven. Van beide omstandigheden is in onderhavig geval echter geen sprake.