Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1480

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-11-2017
Datum publicatie
24-01-2018
Zaaknummer
16/01258
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:83, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen poging diefstal met braak. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:3474, ECLI:NL:HR:2015:718, ECLI:NL:HR:2016:1316 m.b.t. afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, kan uit de door het Hof gebezigde b.m. - die o.m. inhouden dat verdachte op verzoek van een medeverdachte op de uitkijk heeft gestaan en dat hij de medeverdachten heeft gewaarschuwd toen er een lamp aanging - niet worden afgeleid dat verdachte een zodanige bijdrage heeft geleverd aan de poging tot inbraak dat van bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en medeverdachten kan worden gesproken. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: anders. Samenhang met 16/01305 (niet gepubliceerd, HR: art. 80a RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01258

Zitting: 28 november 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 23 februari 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.

  2. De onderhavige zaak hangt samen met een andere zaak tegen de verdachte (16/01305). In deze zaak is het door de verdachte ingestelde cassatieberoep op 7 maart 2017 door de Hoge Raad met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk verklaard.1

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende met redenen omkleed, heeft geoordeeld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde diefstal.

5. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 2 bewezen verklaard dat:

“hij op 14 juli 2012 in de gemeente Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, gelegen aan de [a-straat 1], weg te nemen geld en/of goederen, toebehorende aan [betrokkene 1], en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak, met zijn mededaders,
- een ruit van die woning heeft vernield en
- een schuifpui van die woning heeft geforceerd/vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

6. Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de volgende in de aanvulling op het verkort arrest opgenomen bewijsmiddelen:

1.0. Een proces-verbaal, nr. 2012098002, d.d. 14 november 2012, op respectievelijk ambtsbelofte en ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden brigadier rechercheur en werkzaam bij het Flexteam Zwolle, Regiopolitie IJsselland bevattende diverse processen-verbaal, waaronder:

1.1. Een proces-verbaal van aangifte, nr. PL04ZN 2012061931-1, d.d. 15 juli 2012, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 3], brigadier van Regiopolitie IJsselland inhoudende — zakelijk weergegeven -:
Als verklaring [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1926, wonende te Zwolle, [a-straat 1] (blz. 988 tot en met 990):
Op 14 juli 2012 omstreeks 01.30 uur werd ik wakker van mijn deurbel. Ongeveer 10 minuten nadat ik wakker was geworden van de deurbel, hoorde ik glasgerinkel. Omstreeks 8.00 uur liep ik mijn woonkamer in. Ik zag dat de ruit in mijn woonkamer was vernield. Ik heb gelijk mijn zoon gebeld en deze is vervolgens gekomen. Deze zag iets later dat er geprobeerd is om via de schuifpui de woning te betreden. Dit is echter niet gelukt. Ik zag dat er wel een vijftal beschadigingen aan mijn schuifpui zaten. Dit was zowel links als rechts van de schuifpui.

1.2. Een proces-verbaal, verhoor verdachte, proces-verbaalnr. PL04ZO 2012061931 14 d.d. 14 september 2012, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 2], voornoemd inhoudende - zakelijk weergegeven:
Als verklaring van verdachte (blz. 1018 tot en met 1022):
[a-straat 1] te Zwolle.
V: Ik wil met je spreken over een inbraak in een woning in de Zwolse wijk Berkum
A: Ja, ik weet daar wel van.
V: Hoe is die inbraak gegaan?
A: Ik weet echt niet meer hoe we bij elkaar zijn gekomen. Ik kan mij herinneren dat we in de auto van [betrokkene 2] zaten. [betrokkene 2] reed, [betrokkene 3] zat naast hem en ik op de achterbank. Wij zagen een vrijstaand huis. Ik zag dat [betrokkene 2] stopte en ik hoorde dat hij tegen [betrokkene 3] zei: 'Kijk daar, bel daar maar aan'. [betrokkene 3] stapte uit en belde twee keer bij de voordeur van de woning aan. [betrokkene 3] kwam weer terug naar de auto en [betrokkene 2] reed een rondje. [betrokkene 2] reed terug naar de woning. Onderweg naar de betreffende woning zag [betrokkene 3] een steen liggen. [betrokkene 3] pakte een grote steen en stapte weer in de auto. [betrokkene 2] reed terug naar de woning. Daar aangekomen hoorde ik dat [betrokkene 3] riep: 'Stop'. Toen de auto stilstond zag ik dat [betrokkene 3] direct uitstapte. Ik zag dat hij de steen naar een zijraam van de woning gooide. Ik hoorde glasgerinkel. [betrokkene 3] stapte weer in de auto en we reden direct door. [betrokkene 2] reed terug en hij parkeerde de auto een stukje verderop.
We stapten alle drie uit en liepen in de richting van de woning. [betrokkene 3] zei tegen mij: 'Hè ga daar staan kijken of er iemand aan komt'. Ik stond op straat, maar ik kon redelijk goed zien wat [betrokkene 3] deed. Ik zag dat hij met een koevoet bij de schuifpui bezig ging. Ik zag dat hij ter hoogte van zijn buik met de koevoet bij de schuifpui aan het wrikken was. Ik zag dat het hem met lukte om de schuifpui open te krijgen. Ik zag dat er een
lamp bij de school aansprong. Ik riep: ‘Kom op jongen, we gaan’. Hierop zijn we naar de auto gerend.
V: [verdachte] jij hebt je toch wel degelijk beseft dat jullie op inbrekerspad waren?
A: Ja, ik dacht eerst dat zij alleen wilden kijken. Later besefte ik natuurlijk wel dat we in de woning wilden inbreken. Ik heb me laten meeslepen.

1.3. Een proces-verbaal, verhoor verdachte, proces-verbaalnr. PL04ZO 2012074408-81 d.d. 19 september 2012, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 2], voornoemd, inhoudende - zakelijk weergegeven -:
Als, verklaring van [betrokkene 3] (blz. 997 tot en met 1002):
Inbraak [a-straat 1] Zwolle.
V: [betrokkene 2] en [verdachte] hebben verklaard over een poging tot inbraak in de Zwolse wijk Berkum. Zij hebben daarbij ook verteld over jouw aandeel bij deze inbraak. Hoe is dat gegaan?
A: Ja ik kan mij dit herinneren. Het klopt dat ik daar samen met [betrokkene 2] en [verdachte] heb geprobeerd in te breken. We zaten met zijn drieën in de auto van [betrokkene 2]. Ik zat naast hem en [verdachte] op de achterbank. We reden de wijk Berkum in op zoek naar een geschikte woning om in te breken. Wij zagen een vrijstaande woning bij een school. Ik heb bij de woning aangebeld. Op mijn aanbellen werd niet gereageerd. We zijn toen eerst weer verder gereden. We wilden zeker weten dat er niemand thuis was. Ik weet wel dat ik langs een weggetje een kei heb gepakt. We zijn teruggegaan naar de woning. Ik heb de steen tegen een zijraam aangegooid met de bedoeling deze door te gooien. Ik dacht als ze dit niet horen zijn ze zeker niet thuis. Toen er geen reactie kwam heb ik met een breekijzer de schuifpui proberen open te breken. [verdachte] stond bij me in de tuin. Ik denk dat hij op 3 à 4 meter afstand stond. [betrokkene 2] stond ook in de tuin. Hij stond direct naast mij. Plotseling ging er een lamp branden bij een school aan de overkant van de weg. Ik hoorde dat [verdachte] zei: 'Mensen, mensen we moeten weg'. We zijn toen naar de auto gerend en weggereden.

1.4. Een proces-verbaal, verhoor verdachte, proces-verbaalnr. PL04ZN 2012074408-79 d.d. 13 september 2012, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1], voornoemd, inhoudende – zakelijk weergegeven -:
Als verklaring van [betrokkene 2] (blz. 1012 tot en met 1014):
We zijn vandaag met je rondgereden door Zwolle en Kampen. In Zwolle heb je ons een woning aan de [a-straat 1] aangewezen waar jullie wilden inbreken. Kun je nog eens vertellen hoe dat in zijn werk ging?
A: We waren gewoon buiten. We zaten in mijn auto. Toen waren we een stukje rondgereden en keken naar een huis.
V: wat bedoel je daarmee?
A: We wilden buit maken.
V : En toen?
A: We reden toen langs die woning. Een van ons zei: ‘Daar dan?’. Volgens mij was ik dat maar ben ik niet zeker van. We zijn gestopt op de plek die ik vanmiddag heb aangewezen. Toen belde [betrokkene 3] aan.
V. En toen?
A: Ik zag dat hij naar de voorzijde van dat huis liep en aanbelde. Ik zag dat hij toen terugliep naar de auto. Toen is hij in de auto gestapt en hebben we een rondje gereden. Toen zijn we alle drie uitgestapt en liepen we een stukje in de richting van dat huis. Ik stelde voor om zelf bij de auto te blijven, zodat we snel weg konden als dat nodig mocht zijn. Ik stond een paar meter bij de auto vandaan. [betrokkene 3] en [verdachte] zijn toen naar dat huis gelopen. Toen hoorde ik een telefoon. Ik heb toen iets geroepen of ik heb getoeterd. Toen kwamen [betrokkene 3] en [verdachte] aangerend. We zijn toen in de auto gestapt en zijn weggereden. Het schiet mij nu wel te binnen dat [betrokkene 3] wel had gezegd dat hij de deur bijna open had”.

7. Het in de onderhavige zaak bewezen verklaarde feit is mede geënt op de strafbepaling van art. 311, eerste lid, onder 4°, Sr. Het in die bepaling opgenomen bestanddeel “door twee of meer verenigde personen” brengt tot uitdrukking dat sprake is van “medeplegen” in de zin van art. 47 Sr.2Om van medeplegen van (poging tot gekwalificeerde) diefstal te kunnen spreken is een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders vereist, welke samenwerking moet zijn gericht op de woninginbraak.3 Dit criterium veronderstelt dat de verdachte opzet had op de samenwerking en op het grondfeit.4 Het bestaan van uitdrukkelijke afspraken tussen de mededaders en de verdachte is daarvoor niet doorslaggevend. De bewuste samenwerking kan ook stilzwijgend geschieden. Voorts kan de samenwerking bestaan uit de voorbereiding of de sturing op afstand.5

8. In december 2014 heeft de Hoge Raad in een tweetal overzichtsarresten6 aandachtspunten geformuleerd voor de beoordeling wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Daarbij heeft de Hoge Raad vooropgesteld dat de kwalificatie medeplegen slechts dan is gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde (intellectuele en/of materiële) bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Voorts is ingegaan op het verschil tussen medeplegen en medeplichtigheid aan een strafbaar feit. Daarbij overweegt de Hoge Raad dat de bijdrage van de medepleger in de regel zal worden geleverd tijdens het begaan van het strafbaar feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grotere rol in de voorbereiding. Indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, zoals het verstrekken van inlichtingen, het op de uitkijk staan en het helpen bij de vlucht, rust op de rechter de taak om in het geval hij toch tot een bewezenverklaring van medeplegen komt, dat in het kader van de bewijsvoering – in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – nauwkeurig te motiveren. Daarbij kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

9. De steller van het middel betoogt dat de door het hof vastgestelde gedragingen van de verdachte, in het bijzonder het op de uitkijk staan, met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht. Het oordeel van het hof dat niettemin sprake is van medeplegen, getuigt volgens de steller van het middel van een onjuiste rechtsopvatting, althans is de bewezenverklaring in zoverre onvoldoende met redenen omkleed.

10. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen in de onderhavige zaak volgt dat de verdachte ten tijde van de uitvoering van de poging tot inbraak op 3 tot 4 meter afstand van de medeverdachte [betrokkene 3] op de uitkijk stond (bewijsmiddelen 1.2 en 1.3). Een dergelijke gedraging pleegt met medeplichtigheid in verband te worden gebracht.7 Dit brengt mee dat de bewezenverklaring van het medeplegen een nauwkeurige motivering behoeft.

11. Het hof heeft in de voorliggende zaak de bewezenverklaring van het medeplegen niet in een nadere bewijsoverweging gemotiveerd. Dat betekent dat de kans van slagen van het middel afhankelijk is van de vraag of uit de bewijsmiddelen wel een nauwkeurige motivering van het medeplegen, overeenkomstig het hiervoor onder 7 en 8 beschreven toetsingskader, is af te leiden.

12. De voorliggende zaak vertoont gelijkenis met de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 20 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2126, NJ 2016/420 m.nt. Rozemond. Ten laste van de verdachte was het medeplegen van een poging tot diefstal met braak bewezen verklaard. Uit de vaststellingen van het hof volgt dat de verdachte zichzelf en zijn medeverdachten in zijn auto heeft vervoerd naar de woning waar de inbraak zou worden gepleegd, zowel bij een voorverkenning van de woning als een kwartier later bij de poging tot inbraak. De auto wordt geparkeerd en de vier inzittenden, onder wie de verdachte, stappen de auto uit en lopen in de richting van de woning. De verdachte gaat op de uitkijk staan, terwijl zijn medeverdachten zich via de achtertuin de toegang tot de woning proberen te verschaffen. Wanneer het viertal enkele minuten daarna weer in de auto is gestapt en de verdachte als bestuurder van de auto wil wegrijden, worden zij door de politie aangehouden. In cassatie werd opgekomen tegen het oordeel van het hof dat sprake is geweest van het – kort gezegd – medeplegen van de poging tot inbraak door de verdachte. De Hoge Raad verwierp het middel en overwoog:

“Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat het Hof, dat is uitgegaan van een vooraf voor alle deelnemers duidelijk plan en dat de bewezenverklaarde bijdragen van de verdachte aan het delict van vergelijkbaar gewicht heeft geacht als het gewicht van de bijdragen van zijn medeverdachten, heeft vastgesteld dat de verdachte in zijn auto zijn medeverdachten en zichzelf heeft vervoerd naar de plaats van het misdrijf, zowel bij het zogenaamde 'afleggen' van de woning vijftien minuten voorafgaand aan de poging tot inbraak als ten tijde van de daadwerkelijke uitvoering daarvan, dat de verdachte samen met zijn medeverdachten bij de woning uit de auto is gestapt en samen met hen naar de woning is gelopen en tijdens het misdrijf in de directe nabijheid van de woning op de uitkijk heeft gestaan en dat hij vervolgens in een poging van de plaats van het delict weg te rijden opnieuw als bestuurder is opgetreden van zijn auto, waarin in de kofferbak inbrekersgereedschap is aangetroffen dat kennelijk bij de poging tot inbraak was gebruikt.”

13. In de bestreden uitspraak ligt besloten dat het hof van oordeel is dat er tussen de verdachte en zijn medeverdachten sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ik wijs daartoe op het volgende.

14. Uit de verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten in de voorliggende zaak volgt dat zij op inbrekerspad waren, dat zij ‘buit [wilden] maken’ en dat de vrijstaande woning aan de [a-straat 1] te Zwolle daarvoor een geschikte woning werd bevonden (bewijsmiddel 1.2). Het hof heeft uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat sprake was van een gezamenlijk plan tot het inbreken in de desbetreffende woning en dat de verdachte zich ervan bewust was dat hij met de anderen op inbrekerspad was.

15. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt voorts dat de verdachte en zijn medeverdachten voorafgaand aan het delict, tijdens het delict en na afloop daarvan samen zijn opgetrokken. Zij zijn alle drie betrokken geweest bij de voorverkenning (bewijsmiddel 1.3). Zij zijn gezamenlijk uit de auto gestapt en naar de woning gelopen om daar te proberen in te breken. Tijdens de uitvoering van het feit is de verdachte vlakbij de woning8 op de uitkijk blijven staan en heeft hij zijn medeverdachten gewaarschuwd toen hij zag dat bij de school een lamp aanging. Ten slotte zijn de drie mannen direct na het feit samen naar de auto gerend, ingestapt en weggereden (bewijsmiddelen 1.2 en 1.3). De samenwerking heeft zich dan ook verwezenlijkt tijdens de drie stadia van het feit: tijdens de voorbereiding, ten tijde van de uitvoering en na afloop van het feit.

16. Anders dan de steller van het middel veronderstelt, heeft het hof dan ook niet enkel vastgesteld dat de verdachte op de uitkijk heeft gestaan en zijn medeverdachten heeft gewaarschuwd.9 Het hof heeft op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, kunnen oordelen dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking waarbij de intellectuele en materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is geweest om hem als medepleger te kunnen aanmerken. De bewezenverklaring is aldus voldoende met redenen omkleed.

17. Het middel faalt.

18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 7 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:1724 (zaaknr. 16/01305, niet gepubliceerd).

2 Zie HR 11 februari 1997, NJ 1997/440, rov. 5.2 en HR 17 november 1981, NJ 1983/84 m.nt. Van Veen, rov. 6 en 8. Vgl. voorts HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 m.nt. Mevis, rov. 3.2.2: ook in een geval waarin de tenlastelegging het delictsbestanddeel “gepleegd door twee of meer verenigde personen” bevat, zal de rechter moeten beoordelen of de door de verdachte geleverde bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

3 Zie nader J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, zesde druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 453-467.

4 Vgl. De Hullu, a.w., p. 463-467 en de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge (ECLI:NL:PHR:2013:885) onder 4.7 voorafgaand aan HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:882.

5 Vgl. De Hullu, a.w., p. 453-467.

6 Zie HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637, NJ 2015/391 m.nt. Mevis, rov. 3 en HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis, rov. 3. Naar aanleiding van vragen van de advocaat-generaal heeft de Hoge Raad deze arresten nader toegelicht in HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 m.nt. Mevis, rov. 3.2, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716, rov. 3.2 en HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:713, rov. 3.2.

7 Zie HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis. Zie ook HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1403, HR 12 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1235 en HR 31 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2799.

8 De verdachte heeft verklaard dat hij redelijk goed kon zien dat medeverdachte [betrokkene 3] ter hoogte van zijn buik met de koevoet bij de schuifpui aan het wrikken was, terwijl de medeverdachte [betrokkene 3] heeft verklaard dat de verdachte op 3 à 4 meter afstand van hem stond.

9 De voorliggende zaak verschilt daarmee van HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2056.