Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1478

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-11-2017
Datum publicatie
24-01-2018
Zaaknummer
16/01202
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:81, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening. Medeplegen van diefstal (meermalen gepleegd). Persoonsverwisseling? Op de in de CAG vermelde gronden kan het aangevoerde niet worden aangemerkt als een gegeven a.b.i. art. 457.1.c Sv. Afwijzing aanvraag. CAG: Noch de resultaten van het door hem verzochte nadere onderzoek noch de namens aanvrager ingebrachte stukken, geeft voldoende steun aan de stelling waarop aanvraag berust. Het is niet aannemelijk geworden dat de broer van aanvrager zich schuldig heeft gemaakt aan de winkeldiefstallen en zich heeft uitgegeven voor aanvrager.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01202 H

Zitting: 28 november 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[aanvrager]

1. De aanvrager is bij onherroepelijk geworden vonnis van 1 februari 2013 (parketnummer 06/190571-12) door de politierechter in de rechtbank Oost-Nederland (bij verstek) wegens 1. en 2. telkens opleverende “diefstal door twee of meer verenigde personen”, veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, met beslissingen omtrent de benadeelde partij.1

2. Namens de aanvrager heeft mr. D.E. Wiersum, advocaat te Amsterdam, een aanvraag tot herziening van dat vonnis ingediend die blijkens het daarop door de griffie geplaatste stempel op 7 maart 2016 bij de Hoge Raad is binnengekomen. De aanvraag berust op de stelling dat sprake is geweest van een persoonsverwisseling. Betoogd wordt dat de broer van de aanvrager, genaamd [betrokkene 1], zich voor de aanvrager zou hebben uitgegeven met als gevolg dat de aanvrager is veroordeeld voor feiten die door zijn broer zijn gepleegd. Ter onderbouwing van deze stelling heeft de raadsman bij schrijven van 18 maart 2016, ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 12 april 2016, een tweetal documenten ingebracht. Het eerste stuk behelst een ondertekende verklaring op naam van de broer van de aanvrager, [betrokkene 1], waarin deze aangeeft in het verleden de persoonsgegevens van de aanvrager te hebben gebruikt. Voorts verklaart hij in dat schrijven dat hij degene is die op 11 juli en 22 augustus 2012 de winkeldiefstallen waarvoor zijn broer is veroordeeld, heeft gepleegd. Het tweede stuk is een ID-staat betreffende [betrokkene 1] d.d. 2 maart 2016 waaruit blijkt dat op basis van identificatie met biometrie bij [betrokkene 1] tevens de personalia van [aanvrager] uit het systeem komen. Volgens de aanvrager bestaat er een ernstig vermoeden dat indien de rechter op de hoogte zou zijn geweest van de persoonsverwisseling het onderzoek van de strafzaak tot vrijspraak van de aanvrager zou hebben geleid (een gegeven als bedoeld in art. 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv).

3. Uit de stukken van het dossier kan worden afgeleid dat er op 22 augustus 2012 een winkeldiefstal bij de Hema heeft plaatsgevonden. Twee verdachten zijn daarbij op heterdaad aangehouden. Medeverdachte [betrokkene 2] heeft in haar verhoor verklaard dat zij samen was met ‘[aanvrager]’.2 Na geconfronteerd te zijn met een herkenning op camerabeelden van een eerdere winkeldiefstal bij de Hema ongeveer anderhalve maand daarvoor heeft [betrokkene 2] verklaard daar met [aanvrager] te zijn geweest en goederen te hebben gestolen. De andere verdachte heeft verklaard ‘[aanvrager]’ te zijn genaamd3 en heeft zich gelegitimeerd met een paspoort eveneens op naam van [aanvrager]’ (de naam van de aanvrager).4 De bij de aanvraag overgelegde ID-staat betreffende [betrokkene 1] van 2 maart 2016 (op basis van identificatie met biometrie) bevat een afbeelding van een rijbewijs op naam van [betrokkene 1], terwijl in de rubriek ´SKDB (vastgelegd)’ de persoonsgegevens van de aanvrager zijn vermeld. Voorts wordt in dit document een ‘SKDB afwijking’ gemeld: ‘er is een afwijking geconstateerd tussen de vastgestelde persoonsgegevens en de gegevens zoals deze bekend zijn in de SKDB’. Het vorenstaande maakt niet duidelijk wie de op 22 augustus 2012 en door de verbalisanten aangehouden verdachte is geweest. Gelet hierop heb ik bij brief van 6 juni 2016 het College van procureurs-generaal verzocht om een nader onderzoek in te laten stellen naar de identiteit van de aanvrager en die van diens broer. In die brief zijn de onderzoekswensen als volgt geformuleerd:

(i) Een vergelijking van de destijds van de aangehouden verdachte afgenomen vingerafdrukken, voor zover die beschikbaar zijn, met de vingerafdrukken van de aanvrager;

(ii) Een vergelijking van de foto’s van de aangehouden verdachte met de foto van de aanvrager op zijn paspoort;

(iii) Indien de politie anderszins identiteit heeft vastgesteld een vergelijking van die persoonskenmerken met die van de aanvrager;

(iv) Het doen horen van zowel de aanvrager als zijn broer [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats];

(v) Het eventueel doen horen van medepleegster [betrokkene 2], geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats], nu zij blijkens het proces-verbaal van verhoor van 22 augustus 2012 (met proces-verbaalnummer PL0612 2012114593-7) ten overstaan van de verbalisanten heeft verklaard dat zij samen met [aanvrager] was en dat zij bij de Hema de diefstal hebben gepleegd.

Het College heeft de hoofdofficier van justitie Oost-Nederland verzocht dit onderzoek te doen uitvoeren.

4. In een e-mailbericht van 28 september 2017 heeft mr. C.A. Nortier, verbonden aan het Parket-Generaal te Den Haag, afdeling Bestuurlijke en juridische zaken, mij de belangrijkste onderzoeksbevindingen tot dusver doen toekomen.5 Ik geef hierna alleen de voor deze herzieningsprocedure van belang zijnde - en in het oog springende - onderzoeksresultaten weer.6 Op basis van een vergelijking van de destijds van de aangehouden verdachte afgenomen vingerafdrukken en foto’s -voor zover beschikbaar- is geconstateerd dat de persoon die op 22 augustus 2012 voor de winkeldiefstal bij de Hema (de onderhavige zaak) is aangehouden dezelfde persoon is die op 2 maart 2016 is aangehouden vanwege de winkeldiefstal in Bussum (deel uitmakend van een andere zaak).7 Afgaande op de foto, lijkt het erop dat de persoon die op naam van [aanvrager] drie ID-kaarten en één paspoort heeft aangevraagd (in de periode 2006-2011) en de persoon die op naam van [betrokkene 1] meerdere paspoorten heeft aangevraagd (in de periode 2005-2014) één en dezelfde persoon is. De verdachte die op 22 augustus 2012 is aangehouden voor de winkeldiefstal bij de Hema vertoont -kort gezegd- gelijkenis met de aanvrager van beide reeksen legitimatiebewijzen en heeft een paspoort van 13 december 2011 op naam van [aanvrager] getoond. Op 20 juli 2016 hadden beide broers een afspraak met de gemeente Amsterdam om de overlappingen en onduidelijkheden met betrekking tot hun ID-staten te bespreken. Dat heeft niet geleid tot het vaststellen van nadere gegevens. In een nader bericht van 29 september 2017 schrijft Nortier8 dat zij onlangs van de gemeente Amsterdam, die het identiteitsfraudeonderzoek naar beide broers heeft uitgevoerd, heeft vernomen dat er op de afspraak van 20 juli 2016 wel één van de broers was komen opdagen, maar dat deze onverrichter zake is weggegaan. Dit was degene die zich erover beklaagde dat zijn broer zijn personalia had gebruikt, aldus Nortier. Opvallend is dus dat zowel [aanvrager] als [betrokkene 1] niet zijn verschenen bij de gemeente hetgeen niet goed past bij de wens van kennelijk beide broers om helderheid te verschaffen inzake de vermeende persoonsverwisseling.

5. Gelet op de hiervoor beschreven onderzoeksresultaten is bij mij ernstige twijfel gerezen of in het onderhavige geval wel sprake is van twee verschillende personen: ik krijg sterk de indruk dat het telkens gaat om één en dezelfde persoon. Zo moet de aangehouden persoon op 22 augustus 2012 op basis van ‘dacty’ dezelfde persoon zijn als degene die is aangehouden voor het - hier niet ter beoordeling staande - feit gepleegd op 2 maart 2016. Voorts vertonen de foto’s van de personen die legitimatiebewijzen hebben aangevraagd op naam van [aanvrager] en [betrokkene 1] grote gelijkenis met elkaar en heeft de aangehouden persoon op 22 augustus 2012 zich gelegitimeerd met een paspoort op naam van [aanvrager]. Tot slot is er maar één broer komen opdagen bij de afspraak op 20 juli 2016 met de gemeente. Het is mijns inziens goed mogelijk dat er sprake is van één persoon met twee identiteiten. Dat kan tevens verklaren waarom maar één van beide broers naar de bedoelde afspraak is gegaan.

6. Onder deze omstandigheden kan aan de door [betrokkene 1] ondertekende verklaring die ter onderbouwing bij de herzieningsaanvraag is gevoegd in relatie tot de eisen die aan een ‘novum’ worden gesteld onvoldoende gewicht toegekend worden. Daarbij neem ik nog in aanmerking dat deze verklaring, voor zover inhoudende dat de opsteller er van en niet de aanvrager degene is die de diefstallen, waarop de aanvraag betrekking heeft, gepleegd heeft, geen (objectiveerbare) gegevens bevat die deze verklaring onderbouwen of althans een aanknopingspunt zouden kunnen bieden voor nadere onderzoek.

7. Kortom, noch de resultaten van het door mij verzochte onderzoek noch de namens de aanvrager ingebrachte stukken, geeft voldoende steun aan de stelling waarop de aanvraag berust, te weten dat in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening is gevraagd sprake is geweest van een persoonsverwisseling. Bij deze stand van zaken is het immers niet aannemelijk geworden dat [betrokkene 1], de broer van de aanvrager, zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal en zich heeft uitgegeven voor de aanvrager. Een en ander is niet voldoende om het ernstige vermoeden te doen ontstaan dat de politierechter, ware zij met de voornoemde (ingebrachte) stukken bekend geweest, de aanvrager van de tenlastegelegde feiten zou hebben vrijgesproken.

8. De aanvraag is dus ongegrond en moet ingevolge art. 470 Sv worden afgewezen.

9. Deze conclusie strekt ertoe dat de aanvraag tot herziening zal worden afgewezen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Een door de griffier ondertekende verklaring van 19 april 2016 dat tegen het gewezen vonnis geen hogere voorziening open staat, bevindt zich in het strafdossier.

2 Zie proces-verbaal d.d. 22 augustus 2012 van verhoor van de verdachte [betrokkene 2], dossier pag. 25-26.

3 Zie het proces-verbaal van aanhouding d.d. 22 augustus 2012 van de verdachte [aanvrager], dossier pag. 15 e.v. en het proces-verbaal van verhoor d.d. 22 augustus 2012 van de verdachte, dossier pag. 22 e.v.

4 Zie de ID-staat van 22 augustus 2012 (op basis van identificatie met biometrie), in het dossier op pag. 3-4.

5 Dit e-mailbericht, alsmede de bijbehorende bijlagen, heb ik in het dossier gevoegd.

6 De opmerkingen over een mogelijke ‘derde [achternaam aanvrager]’ laat ik buiten beschouwing, omdat deze niet relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

7 Zie de ID-staat van 22 augustus 2012 op naam van [aanvrager] en de ID-staat van 2 maart 2016 op naam van [betrokkene 1].

8 Dit e-mailbericht is ook in het dossier gevoegd.