Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:1466

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-11-2017
Datum publicatie
23-01-2018
Zaaknummer
15/04617
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:65, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanhoudingsverzoek. Gemachtigde raadsvrouw verzoekt aanhouding omdat verdachte zich heeft verslapen. HR herhaalt ECLI:NL:HR:1999:ZD1314 m.b.t. vereiste belangenafweging bij beslissing op aanhoudingsverzoek. Uit 's Hofs motivering van de afwijzing van het verzoek blijkt niet dat het Hof de mogelijkheid tot schorsing van het onderzoek tot een later tijdstip op de dag onder ogen heeft gezien, noch dat het deze belangenafweging heeft gemaakt. Daarom is de afwijzing van het verzoek ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG (anders): De belangenafweging ligt in ’s Hofs overwegingen besloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2018/36 met annotatie van C. van Oort
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/04617

Zitting: 28 november 2017

Mr. B.F. Keulen

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 21 september 2015 door de enkelvoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens tweemaal “overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” en eenmaal “overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van een jaar.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J.S. Nan, advocaat te 's-Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt dat het hof een namens de verdachte gedaan aanhoudingsverzoek op ontoereikende gronden heeft verworpen.

  4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dat de verdachte, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet is verschenen en voorts, voor zover hier van belang:

“Als raadsvrouwe van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. K.G.L. Bovens, advocaat te Tilburg.

De raadsvrouwe deelt desgevraagd het volgende mede.

Ik had verwacht dat mijn cliënt vandaag ter terechtzitting aanwezig zou zijn. Ik heb hem daarom gebeld. Hij heeft zich blijkbaar verslapen. Hij is dus van deze zitting op de hoogte.

Ik ben uitdrukkelijk gemachtigd tot het voeren van de verdediging, maar aangezien cliënt in eerste aanleg niet ter terechtzitting is verschenen, wil hij graag bij de behandeling in hoger beroep aanwezig zijn. Ik verzoek uw hof daarom om de behandeling van de zaak aan te houden.

De advocaat-generaal deelt mede dat hij zich verzet tegen aanhouding van de zaak.

De voorzitter deelt als zijn beslissing mede dat het verzoek om aanhouding van de zaak wordt afgewezen, omdat verdachte op de hoogte is van deze terechtzitting en het feit dat hij zich verslapen heeft, mede gelet op het huidige tijdstip van 11.30 uur, geen geldig excuus is om niet ter terechtzitting te verschijnen.”

5. Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak dient de rechter een afweging te maken tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.1

6. Het middel klaagt dat het hof deze belangenafweging niet heeft gemaakt.

7. Het hof heeft het aanhoudingsverzoek afgewezen en daartoe overwogen dat de verdachte op de hoogte is van de terechtzitting en het feit dat hij zich verslapen heeft, mede gelet op het zittingstijdstip van 11.30 uur, geen geldig excuus is om niet ter terechtzitting te verschijnen. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat aan een ander belang dan het belang van de verdachte om in zijn aanwezigheid te worden berecht, voorrang moest worden gegeven.2 Het hof heeft kennelijk als zijn oordeel tot uitdrukking willen brengen dat, aangezien het zich verslapen voor rekening en risico van de verdachte komt, de belangen bij een doeltreffende en spoedige berechting en van een goede organisatie van de rechtspleging in de onderhavige zaak zwaarder wegen dan het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht.3 De vereiste belangenafweging ligt aldus in de overwegingen van het hof besloten.4

8. De afwijzing van het aanhoudingsverzoek geeft ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. In dat oordeel sta ik niet alleen. Fokkens noemde de verdachte die zich heeft verslapen als voorbeeld van iemand die niet kan klagen over schending van zijn aanwezigheidsrecht indien zijn aanhoudingsverzoek wordt afgewezen.5 En Knigge schreef dat wie de wekker niet zet het aan zichzelf heeft te wijten dat van zijn recht op aanwezigheid niets terecht komt.6 Bijzondere omstandigheden waarom dat in de onderhavige zaak anders zou liggen zijn door de raadsvrouw ter terechtzitting van het hof niet aangevoerd. Bij het voorgaande neem ik voorts in aanmerking dat in hoger beroep sprake was van een raadsvrouw die op de voet van art. 279, eerste lid, Sv de verdediging heeft gevoerd, zodat niet kan worden gezegd dat de afwezigheid van de verdachte bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep ertoe heeft geleid dat zijn belangen niet zijn behartigd.

9. In de toelichting wordt nog betoogd dat de verdachte in eerste aanleg bij verstek is veroordeeld, zodat hij op geen enkel moment in het geding zijn verhaal kon doen. Uit de gedingstukken blijkt echter dat in twee van de drie zaken die ter terechtzitting in eerste aanleg zijn gevoegd, de dagvaarding om ter terechtzitting van de politierechter van 28 november 2014 te verschijnen in persoon aan de verdachte is uitgereikt op 17 september 2014,7 terwijl niet blijkt dat de verdachte in eerste aanleg om aanhouding heeft verzocht. Tegen die achtergrond staat het geenszins vast dat de verdachte op geen enkel moment zijn verhaal heeft kunnen doen. Daarbij kan ook in aanmerking worden genomen dat de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep niet heeft aangegeven dat en waarom de verdachte in de onmogelijkheid verkeerde de terechtzitting in eerste aanleg bij te wonen. Al met al is het zeer wel denkbaar dat de verdachte er zelf voor gekozen heeft om bij de politierechter zijn verhaal niet te doen.

10. Het middel faalt.

11. Het tweede middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, doordat het hof de stukken te laat heeft ingezonden.

12. Het beroep in cassatie is ingesteld op 2 oktober 2015. De stukken van het geding zijn op 12 april 2017 bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

13. Het middel slaagt.

14. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt. Ambtshalve wijs ik erop dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat ook in zoverre sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, NJ 1999/294 en recentelijk HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2404.

2 Vgl. voor situaties waarin deze conclusie is getrokken HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, NJ 1999/294 en HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2145, NJ 2010/176, m.nt. Schalken. Zie voorts de conclusies van mijn ambtgenoten Hofstee (onder 10) voor HR 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2428 (81 RO), Machielse (onder 3.4) voor HR 15 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6865 (81 RO), Knigge (onder 4.3) voor HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4158 (81 RO), Aben (onder 8) voor HR 2 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:3273 (81 RO) en Vegter (onder 9) voor HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:884 (81 RO).

3 Zie ook HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5709, NJ 2013/74.

4 Anders dan in HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:974, met welke zaak in de toelichting een vergelijking wordt getrokken, kan in de onderhavige zaak niet worden gezegd dat het hof niet is ingegaan op hetgeen aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd.

5 ECLI:NL:PHR:2004:AR3265 (onder 6).

6 ECLI:NL:PHR:2013:BZ2231 (onder 4.6).

7 Van de derde zaak trof ik geen dagvaarding aan bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken.